Hoe, toevertrouwd! (Verliest de bezinning.)

Vidûshaka.

Kom tot bezinning! Waarom valt ge in onmacht, als de dief iets heeft

meegenomen, dat ons maar was toevertrouwd?

Cârudatta (tot bezinning komend).

Wie zal de waarheid gelooven?

wantrouwen zal mij iedereen;

Want hier op aard’ is armoede

verdacht en zonder waardigheid.

Helaas!

Zoo al door ’t Noodlot verlangen

naar mijnen rijkdom is betoond,

Waarom is door den boosaard’ge

nu ook mijn goede naam besmet?

Vidûshaka.

Maar ik zal het immers tegenspreken. En door wien is het gegeven? door

wien is het genomen? wie was ooggetuige?

Cârudatta.

Ik zoude nu onwaarheid spreken!

Neen, bed’lend zal ik verwerven

vergoeding voor ’t vertrouwde pand,

En geen onwaarheid zal ’k spreken,

die goeden naam te loor doet gaan.

Radanikâ.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 53 / 131 题