Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)

Madanikâ.

Jonkvrouw, liefde doet mij vragen, niet vrijpostigheid: Wat is dit

toch?

Vasantasenâ.

Madanikâ, wat ziet ge aan mij?

Madanikâ.

Uit de verstrooidheid der Jonkvrouw bemerk ik, dat zij verlangen heeft

naar iemand, die in haar hart woont.

Vasantasenâ.

Dat hebt ge goed gezien. Gij, Madanikâ, verstaat toch de kunst, in een

anders hart te lezen.

Madanikâ.

Dat is mij lief, zeer lief. Waarlijk, Kâma, die verhevene,

onweerstaanbare† is immers een Lentefeest voor jonge lieden. Vertel

dan, Jonkvrouw, is het de koning of een gunsteling des konings, die

door U wordt gediend?

Vasantasenâ.

Meisje, beminnen wil ik, niet dienen.

Madanikâ.

Is het dan een jong Brahmaan, met buitengewone kennis versierd, dien ge

bemint?

Vasantasenâ.

Meisje, den Brahmanenstand moet ik vereeren.

Madanikâ.

Bemint ge dan een jong koopman, die door het bezoeken van verschillende

steden zich een uitgebreid vermogen heeft verworven?

Vasantasenâ.

Meisje, een koopman verlaat de zijnen, ook al zijn ze zeer aan hem

gehecht en door naar vreemde landen te reizen, veroorzaakt hij groote

scheidingssmart.

Madanikâ.

Jonkvrouw, geen koning, geen koningsgunsteling, geen Brahmaan, geen

koopman! Wie is het dan, die door onze prinses wordt bemind?

Vasantasenâ.

Meisje, gij zijt met mij naar Kâmadeva’s* tempelhof gegaan?

Madanikâ.

Jonkvrouw, dat ben ik.

Vasantasenâ.

En toch vraagt ge me, alsof ge er niets van wist!

Madanikâ.

Ik weet het, Jonkvrouw. Dus hij is het, die U bijstand verleende, toen

gij bescherming zocht?

Vasantasenâ.

Welken naam draagt hij dan?

Madanikâ.

Hij woont immers in de wijk der gildemeesters.

Vasantasenâ.

Ach, zijn naam heb ik U gevraagd.

Madanikâ.

Jonkvrouw, heilvol van benaming, is hij immers de edele Cârudatta

genaamd.

Vasantasenâ (verheugd).

Mooi zoo, Madanikâ, mooi zoo! Dat hebt ge goed begrepen.

Madanikâ (bij zich zelf).

Dat moet ik eens vragen. (Luid.) Jonkvrouw, men zegt toch, dat hij arm

is.

Vasantasenâ.

Daarom juist heb ik hem lief. Een hetaere, wier hart zich heeft

vereenigd met een arm man, is voor de wereld vrij van blaam.

Madanikâ.

Jonkvrouw, bezoeken bijen dan den mangoboom nog, wanneer zijn bloesems

zijn afgevallen?

Vasantasenâ.

Daarom juist worden zij honingmaaksters* genoemd.

Madanikâ.

Jonkvrouw, wanneer ge naar hem verlangt, waarom gaat ge dan niet nu

dadelijk tot hem?

Vasantasenâ.

Meisje, wanneer ik hem dadelijk bezocht, zou hij, niet in staat mij een

wederdienst te bewijzen†, een ander maal moeilijk te zien zijn.

Madanikâ.

Jonkvrouw, hebt ge daarom uw sieraden aan zijn handen toevertrouwd?

Vasantasenâ.

Meisje, dat hebt ge goed begrepen.

Stem achter het tooneel.

Hé daar, Heeren†! een speler, die om tien suvarna’s was opgesloten, is

ontvlucht. Grijp hem dus, grijp hem! Blijf staan! ge zijt reeds van

verre gezien.

(Er treedt ontsteld, zonder het gordijn weg te schuiven†, een

wrijfmeester* op.)

Wrijfmeester.

Hoe ellendig is het bestaan van een speler! Helaas!

Gelijk door eene, aan haar kluister pas ontsnapte ezelin,

ben ’k, ach! geschopt door „d’ Ezelin”,

Gelijk Ghatokaca door een aan Karna’s hand ontsnapte speer,

ben ik getroffen door „de Speer.”*

Toen ik den speelbankhouder in berekening

verdiept zag, ben ik oogenblikkelijk ontsnapt,

Ik vloog de straat op—maar waar is de man,

tot wien ik thans mij om bescherming wend!

Terwijl zij, bankhouder en speler, mij elders zoeken, zal ik met

omgekeerde voeten dezen leegen tempel binnengaan en mij er als

godenbeeld opstellen.

(Na allerlei gebaren blijft hij in de aangeduide houding. Dan treedt

Mâthura op met een speler.)

Mâthura.

Hé daar, Heeren! een speler, die om tien suvarna’s was opgesloten, is

ontvlucht. Grijp hem, grijp hem! Blijf staan, blijf staan! ge zijt

reeds van verre gezien.

Speler.

Al loopt ge tot in d’ onderwereld voort,

al wendt g’ U thans tot Indra* om behoed,

Den speelbankhouder uitgezonderd slechts,

kan geen U redden, ja zelfs Rudra* niet.

Mâthura.

Waarheen—gij, die een braven speelbankhouder hebt bedrogen!

Waar vlucht ge heen, terwijl uw leden sidderen van vrees,

Gedurig over effen en oneffen struik’lend,

Bezoed’lend uw geslacht en goeden naam!

Speler (het voetspoor ziende).

Daar is hij gegaan. En hier is het voetspoor verdwenen.

Mâthura (het beziende, overleggend).

Wel, de voeten omgekeerd—de tempel zonder godenbeeld. (Denkt na.) Die

schelm van een speler is met omgekeerde voeten den tempel binnengegaan.

Speler.

Dan zullen wij hem volgen.

Mâthura.

Zoo zij het. (Beiden doen, of zij den tempel binnengaan; wanneer zij

den wrijfmeester zien, wenken zij elkander veelbeteekenend toe.)

Speler.

Wel, is het een houten beeld?

Mâthura.

Wel neen, wel neen, het is een beeld van steen. (Zij schudden hem

eenige malen en geven elkander teekenen van verstandhouding.) Zoo zij

het. Kom, laten we een spel spelen. (Zij spelen eenige malen.)

Wrijfmeester (die telkens de ontroering van zijn begeerte tot het spel

tracht te verbergen).

Ach!

Die rammelklank vervoert het harte van den duiteloozen man,

Als trommelklank ’t hart van een heerscher, die zijn koninkrijk

verloor,

’k Weet: ’k zal niet spelen—’t spel gelijkt een val van den

Sumeru-top*—

En toch, die klank, zoo zoet als kokila’s* gezang, vervoert den

geest.

Speler.

Mijn beurt, mijn beurt!

Mâthura.

Neen, mijn beurt, mijn beurt!

Wrijfmeester (van de andere zijde plotseling toeloopend).

Neen, mijn beurt!

Speler.

De kerel is gevat!

Mâthura (hem grijpend).

Zoo, schelm, nu ben je gegrepen; geef de tien suvarna’s.

Wrijfmeester.

Edele, ik zal ze geven.

Mâthura.

Geef ze oogenblikkelijk.

Wrijfmeester.

Ik zal ze geven, wees genadig.

Mâthura.

Kom, wil je ze eens dadelijk geven.

Wrijfmeester.

Mijn hoofd buigt zich neder.† (Hij valt ter aarde; beiden slaan hem

duchtig.)

Mâthura (een spelerscirkel trekkend).

Nu ben je in een spelerscirkel gevangen.

Wrijfmeester (opstaande, ontsteld).

Hoe, ik ben in een spelerscirkel gevangen! O wee, wij spelers moeten

dat gebruik eerbiedigen. Hoe zal ik nu betalen?

Mâthura.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 42 / 131 题