Cârudatta.
Radanikâ, geeft ge zelfs geen antwoord! Helaas!
Wanneer het Noodlot aan een man heeft opgelegd
Een leven, door der welvaart ondergang benard,
Dan wordt de vriendschap van zijn vrienden vijandschap
En lang gekoesterde genegenheid verkoelt.
(Radanikâ en de Vidûshaka komen nader.)
Vidûshaka.
Wel, hier is Radanikâ.
Cârudatta.
Is dat Radanikâ! Wie is dan die andere,
Die onbekende, omhangen
met mijn gewaad, dat haar verneert—
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Neen, vereert!
Cârudatta.
Die glinstert als, van herfstnevels
omhuld, de sikkellijn der maan.
Maar niet voegzaam is het, een anders vrouw aan te zien.
Vidûshaka.
Wel, een anders vrouw aan te zien, daarvoor behoeft ge niet te vreezen.
Dit is Vasantasenâ, op U verliefd, sinds zij U zag in Kâma’s tempelhof.
Cârudatta.