Blz. 1. R. 17. Ieder Indisch tooneelstuk begint met een gebed, de
nândî, waarin de zegen van één der goden over het gehoor wordt
ingeroepen. In ’t eerste deel der nândî wordt Çiva (hier Çambhu, d.i.
de Heilvolle genoemd) voorgesteld in den toestand van een asceet, die,
met gekruiste beenen nederzittend, door inhouding des adems en door de
werking der organen te stuiten, alle bewustzijn van het stoffelijke
verliest en zijn ziel aldus doet opgaan in het Brahman, d.i. de
wereldziel. Het tweede deel der nândî noemt Çiva den Blauwhalzige op
grond van het volgend verhaal uit de Indische mythologie: Toen goden en
daemonen ter verkrijging van het amṛta (den nektar) den Oceaan kamden
met den berg Mandara als karnstok en de slang Vâsuki als karntouw,
ontstond door de wrijving van deze beide het vergif halâhala, dat de
wereld dreigde te verteren, maar door Çiva verzwolgen werd, waardoor
zijn hals zich donkerblauw kleurde.
Pârvatî (ook Durgâ of Gaurî genaamd) is Çiva’s gemalin en wordt ook
veelal afgebeeld met haar arm om Çiva’s hals geslagen, gelijk hier is
aangeduid.
Blz. 1. R. 21. Eigenlijk niet tooneelspel in het algemeen, maar een
bepaalde soort: het prakarana, waarvan door Indische dramaturgen als
voornaamste kenmerken wordt opgegeven: De inhoud is eigen vinding van
den dichter; het stuk speelt in een achtenswaardige klasse der
maatschappij, het geschiktste onderwerp is de liefde. De held kan zijn
een minister, Brahmaan of aanzienlijk koopman; de heldin een meisje van
goeden huize of een hetaere. In ’t eerste geval heet het prakarana
zuiver, in het laatste gemengd. De Indische dramaturgie onderscheidt in
het tooneelspel tien soorten van hoogere en achttien van lagere orde.
Het prakarana is de tweede in rang van de eerstgenoemden en volgt dus
onmiddelijk op het nâtaka, dat de eerste plaats bekleedt (Wilson. H.
Th.3 XXVII vlg.).
Blz. 1. R. 25. De cakora is een patrijsachtige vogel, echter niet
Perdix rufa, zooals gewoonlijk opgegeven wordt, daar deze alleen in
zuidwestelijk Europa voorkomt, maar Caccabis chucar, die over geheel
Zuid- en Midden-Azië is verbreid (Zie: Brehms Tierleben3, V, p.
529–534). Misschien bedoelt het epitheton cakora-netra (cakora-oogig)
nog eerder een lofspraak op de scherpte dan op de schoonheid der oogen,
daar toch, zooals Brehm mededeelt, juist scherpte van blik een
eigenaardigheid van dezen vogel is. Volgens de Indiërs voedt de cakora
zich uitsluitend met de stralen der maan.
Blz. 1. R. 27. Tweemaal-geboren (Skr. dvija) heeten zij, die deel
uitmaken van de drie hoogste of Arische kasten, daar de bekleeding met
het koord, dat het kenmerk is van hun stand, als een tweede geboorte
wordt aangemerkt. Ook worden wel de Brahmanen in het byzonder de
tweemaal-geborenen genoemd (Wilson. H. Th.8 I, p. 163*).
Blz. 2. R. 2. De Ṛg-veda en Sâma-veda d.w.z. de Verzen-veda en de
Liederen-veda; de beide andere heeten de Yajur-veda en de Atharva-veda,
d.w.z. die der offerspreuken en die der tooverspreuken. De Ṛg-veda is
de oudste der vier, de Sâma-veda is bijna geheel aan den Ṛg-veda
ontleend (Over de Vedische litteratuur zie men overigens: Von Schröder
Indiens Lit. u. C. p. 19–179).
Blz. 2. R. 7. Çarva = Çiva (Zie over Çiva en zijn verschillende
benamingen Von Schröder, p. 341–354).
Blz. 2. R. 10. Het paardenoffer (Skr. açva-medha) geldt als het hoogste
en moeilijkste van alle offers. Het veertiende boek van het Mahâbhârata
is bijna geheel aan de beschrijving van een dergelijk offer gewijd en
draagt daarnaar zijn titel Açvamedhika-parvan (Zie Lefmann. Gesch. des
alten Indiens, p. 337*).
Blz. 2. R. 16. Boete d.w.z. ascese (Skr. tapas), waardoor
bovennatuurlijke macht wordt verkregen.
Blz. 2. R. 20. De hoofdstad der Avanti’s is Ujjayinî, de stad, gelegen
aan den Noord-rand van het Vindhya-gebergte, door de Grieken Ὀζήνη,
tegenwoordig Ougein geheeten en bekend als zetel van koning
Vikramâditya Harsha, aan wiens hof Kâlidâsa leefde (6de eeuw na Chr.).
Blz. 2. R. 23. Het origineel bevat een woordspeling, daar de naam
Vasantasenâ letterlijk Lente-leger beteekent. Men zou die in de
vertaling aldus kunnen weergeven:
Dien om zijn deugden een hetaere minde,
Vasanta’s pracht gelijk, Vasantasenâ.
Blz. 2. R. 40. De tooneelleider (Skr. sûtra-dhâra, d.i. draad-houder),
die tot nog toe Sanskṛt sprak, gaat hier tot de volkstaal over, echter
niet om zich aan zijne Prâkṛt-sprekende vrouw verstaanbaar te maken,
daar een dialoog tusschen Sanskṛt- en Prâkṛt-sprekenden zeer gewoon is.
De reden van die verandering is de volgende: Het doel van het voorspel
is tweeledig, 1o de noodige mededeelingen aangaande het op te voeren
stuk en den dichter te doen, 2o de toeschouwers geleidelijk in het stuk
te verplaatsen. De tooneelleider treedt dus eerst als zoodanig op en
bedient zich van het Sanskṛt om het publiek aangaande de vertooning in
te lichten, maar ongemerkt gaat hij over in een persoon, wel niet tot
het stuk behoorend, maar toch tot personen van het stuk in betrekking
staande: hij wordt een arme inwoner van Ujjayinî onder de regeering van
koning Pâlaka, een vriend van Cûrnavṛddha, die in het eerste bedrijf
ook de vriend van Cârudatta wordt genoemd en ten slotte spreekt hij den
Vidûshaka als een bekende toe, diens optreden aankondigend, waarmede
het eigenlijk stuk een aanvang neemt (Windisch, Gr. Einfl. p. 74.
Kellner, Einl. Bem. p. 4–5).
Blz. 3. R. 4. Met schoonheidsteekenen (Skr. tilaka) zijn bedoeld de
moesjes, met kleurstof op het gelaat als sieraad aangebracht.
Blz. 3. R. 12. De kleedkamer (Skr. nepathya) bevindt zich achter het
tooneel, daarvan gescheiden door het zoogenaamde „Grieksche gordijn”
(Skr. yavanikâ), dat den onveranderlijken achtergrond vormt. Van
decoratief of verandering van tooneel is dus geen sprake. Hoogst
waarschijnlijk was het tooneel niet door een gordijn aan de voorzijde
voor de toeschouwers af te sluiten. De spelers komen en verdwijnen door
het bovengenoemde gordijn.
Blz. 4. R. 39. Ujjayinî, zie Noot bij Blz. 2, R. 20.
Blz. 6. R. 25. De Vidûshaka (de bovengenoemde Maitreya) is de komische
persoon van het stuk en een vaste figuur op het Indisch tooneel; hij is
de vriend en metgezel van den held en behoort steeds tot de kaste der
Brahmanen. (Ter verdere inlichting raadplege men de studie van Dr. Joh.
Huizinga, de Vidûshaka in het Indisch Tooneel, Groningen 1897.)
Blz. 7. R. 25. De maan wordt beschouwd als een meer van amṛta (nektar),
dat den goden tot voedsel dient.
Blz. 7. R. 31. In den paartijd vertoont zich aan de slapen van den
olifant een vocht, waarop de bijen azen.
Blz. 8. R. 19. Met de Moeders kunnen de gepersonifiëerde krachten van
verschillende goden, òf de acht vrouwelijke Manen bedoeld zijn.
Blz. 8. R. 28. Het leven van den Brahmaan is verdeeld in vier, van den
Kshatriya in drie en van den Vaiçya in twee tijdperken (Skr. âçrama);
het tweede is dat van gṛhastha of huisvader, dat dus aan alle Ariërs
gemeen is (Von Schröder, p. 201 vlg.).
Blz. 8. R. 41. Regnaud teekent hierbij aan, dat de Vidûshaka doelt op
een fabel uit het Pancatantra. Dit zou dan alleen kunnen zijn het
verhaal van den kikkerkoning Gangadatta en den slangenvorst
Priyadarçana, hoewel daar van een muis slechts ter loops gesproken
wordt.
(Pancatantra, IV, kathâ 1; in de vertaling van H. G. van der Waals, Dl.
III, blz. 10–16).
Blz. 9. R. 11. Vasantasenikâ is diminutief van Vasantasenâ.
Blz. 9. R. 27. Het realgar of rood arsenicum wordt, fijngestampt, als
blanketsel gebruikt, vgl. Blz. 10, R. 30.
Blz. 9. R. 33. De koningszwager, zooals ook in ’t vervolg zal blijken,
houdt er van, zich met de groote helden van het epos te vergelijken,
maar toont daarbij, byzonder slecht op de hoogte te zijn, daar hij
voortdurend de personen der beide groote heldendichten, Mahâbhârata en
Râmâyana, met elkander verwart.
Men herinnere zich, dat het Mahâbhârata in hoofdzaak den strijd behelst
tusschen twee vorstengeslachten: de Kaurava’s (afstammelingen van Kuru)
en de Pândava’s (zonen van Pându), waarvan de laatsten ten slotte na
den achttiendaagschen slag in Kurukshetra de overwinning behalen. Kuntî
nu is de moeder der oudste drie Pândava’s: Yudhishthira, Arjuna en
Bhîma (of Bhîmasena).
Het Râmâyana is het lied van Râma, vooral zijn strijd tegen Râvana, den
vorst der râkshasa’s (daemonen), die Sîtâ, Râma’s gemalin, naar Lankâ
(Ceylon) heeft ontvoerd.
(Lefmann geeft in zijn Gesch. des alten Indiens een zeer uitvoerige
inhoudsopgave van het Mahâbhârata (p. 181–399); het Râmâyana behandelt
hij p. 549–553. Zie verder over het epos: Von Schröder, Indiens Lit. u.
C. p. 451–509).
Blz. 9. R. 37. Met den vorst der vogelen is Garuda bedoeld, de
mythische vogel, dien Vishnu berijdt.
Blz. 10. R. 3. Kâma is de god der Liefde, ook genaamd Kâmadeva
(Kâma-god), Ananga (de Lichaamlooze), Madana (de Bedwelmer) en Manmatha
(de gemoedsberoerder); hij wordt voorgesteld als een knaap, gewapend
met een boog van suikerriet en pijlen van bloemen, zijn gemalin is Rati
(de Wellust), zijn rijdier de papegaai (Von Schröder, p. 376).
Blz. 10. R. 4. Het vangen zoowel als het eten van visch geldt bij de
Indiërs als iets byzonder verachtelijks. Dat dus het beroep van
visscher niet hoog stond aangeschreven, blijkt o.a. uit het voorspel
van het zesde bedrijf der Çakuntalâ (In de vertaling van Dr. H. Kern p.
140–147).
Blz. 10. R. 9. Wel-geteld wordt Vasantasenâ door den koningszwager niet
met tien, maar met elf epitheta ornantia vereerd, tenzij men
„losbandige” als adjectief wil opvatten en met het volgend substantief
verbinden, wat echter geenszins noodzakelijk is, daar een dergelijke
vergissing in den mond van Samsthânaka zeer goed kan voorkomen (Aldus
Böhtlingk in zijn aanteekening bij S. 10, Z. 24).
Blz. 10. R. 20. Draupadî, de gemeenschappelijke echtgenoote der vijf
Pândava’s, heeft evenmin iets te maken met Râma, als Subhadrâ, de
gemalin van Arjuna met den apenkoning Hanûman (of Hanuman), Râma’s
bondgenoot tegen Râvana.
Blz. 11. R. 18. Parabhṛtikâ en Pallavaka beteekenen als appellativa
koekoekswijfje en twijgje. Een soortgelijke woordspeling met den naam
Parabhṛtikâ vindt men in de Çakuntalâ (Kern, p. 148).
Bl. 11. R. 22. Ik vermoed, dat de koningszwager met „Bhîmasena
Jamadagni’s zone” één persoon bedoelt en dus weer een vergissing
begaat. Jamadagni’s zoon toch is niet de Pândava Bhîmasena maar
Paraçurâma, die de Kshatriya’s verdelgde, om den dood van zijn vader te
wreken. Kuntî is, zooals we zagen, de moeder der drie oudste Pândava’s
en de vorst van Lankâ Râvana. Duhçâsana kan de koningszwager zich
inderdaad ten voorbeeld kiezen, daar deze, zooals in het tweede boek
van het Mahâbhârata (het Sabhâ-parvan of Hofboek) wordt verhaald,
Draupadî, de gemalin der Pândava’s bij de haren de mannenzaal
binnensleept, wanneer Yudhishthira alles, ook zich zelf, zijn broeders
en haar heeft verspeeld (Lefmann, p. 203).
Blz. 12. R. 2. Vâsudeva = Vishnu (Von Schröder, p. 327).
Blz. 12. R. 25. De Cândâla’s vormen de laagste en meest verachte der
mengkasten en zijn daarom belast met de terechtstelling der
terdoodveroordeelden. Zij heeten ontstaan te zijn uit de verbintenis
van Brahmaansche vrouwen met Çûdra’s (Von Schröder, p. 423 vlg.).
Blz. 12. R. 28. Brahmanen, Kshatriya’s en Vaiçya’s zijn de drie
hoogste, de Arische kasten (oorspronkelijk: de geestelijkheid, de adel
en het volk). Met „de anderen” zijn bedoeld alle niet-Ariërs: Çûdra’s,
leden eener mengkaste en barbaren.
Blz. 12. R. 35. Kâma, zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 15. R. 25. Weer twee personen, die niets met elkander te maken
hebben: Cânakya, de minister van koning Candragupta (Gr. Σανδροκόττος),
die kort na den tijd van Alexander de Groote over Indië heerschte en
Draupadî, gelijk wij zagen, de echtgenoote der vijf Pândava’s (Over
Candragupta zie: Von Schröder, p. 299 vlg.).
Blz. 15. R. 35. ′Içvara (de Heer), Çankara (de Weldadige) en Çambhu (de
Heilvolle), zijn andere namen voor Çiva.
Blz. 18. R. 16. Çvetaketu (die een witte banier heeft) zou volgens een
Indischen uitgever der Mṛcchakaṭikâ een bijnaam van Arjuna zijn (Calc.
ed. 1891, p. 40, Noot), komt echter niet voor onder de bijnamen van
Arjuna, die Adolf Holtzmann opgeeft (Arjuna, p. 69).
De zoon van Râdhâ is Karna, de koning der Anga’s, een bondgenoot der
Kaurava’s. Indra is de god van den donder, Indra’s zoon is Arjuna
(volgens een latere voorstelling), evenals Yudhishthira de zoon zou
zijn van Dharma, den god van het Recht.
Açvatthâman, de zoon van den Brahmaan Drona, strijdt aan de zijde der
Kaurava’s en doodt na hun ondergang de bondgenooten der Pândava’s in
den slaap, zooals verhaald wordt in het tiende boek van het Mahâbhârata
het Sauptika-parvan of het Boek van den Overval in den slaap (Zie
Lefmann p. 302–317).
Jatâyu is de gier, die, door Râma belast met de bewaking van Sîtâ, door
Râvana wordt gedood.
Blz. 18. R. 19. De Wenschboom is de mythische boom, die alle wenschen
vervult. Zoo kennen de Indiërs ook een Wenschkoe, die Vasishta en
Viçvamitra elkaar betwisten.
Blz. 19. R. 13. Deze vreemdsoortige samenstelling berust waarschijnlijk
op een verspreking van den koningszwager, daar hij
kâkapakkhamaçtaçîçaka (d.w.z. iemand, die een hoofd heeft met lokken
aan de slapen) bedoelt, in plaats daarvan zegt kâkapadamaçtaçîçaka
(kraaienpootschedelkop).
Blz. 20. R. 5. Met heldenspel vertaal ik Skr. nâtaka, d.w.z. een
tooneelspel van den hoogsten rang, waarvan als voornaamste kenmerken
wordt opgegeven, dat het onderwerp moet ontleend zijn aan mythologie of
geschiedenis en de held moet zijn een vorst, halfgod of god. Een nâtaka
is b.v. de Çakuntalâ. (Vgl. Noot bij Blz. 1. R. 21.)
Blz. 20. R. 18. De kapittha of olifantsappel (Feronia elephantum) is
een boom van middelbare grootte en stekeligen stam, die in Voor-Indië
veel langs de wegen in de nabijheid van dorpen wordt gekweekt en ook op
Java en in de Molukken voorkomt. De vrucht, die den omvang heeft van
een grooten appel en voorzien is van een harde schil, is aangenaam van
smaak (G. Watt, Dict. of the economic products of India, III p. 324; A.
H. Bisschop Grevelink, Planten van Nederl. Indië enz. p. 480).
Blz. 22. R. 41. Het gezegde van Cârudatta heeft een tweeledige
beteekenis, nl.: „Laten wij geen plichtplegingen maken” en: „Moge er
een inniger betrekking tusschen ons ontstaan”. In de vertaling waren
deze beide bezwaarlijk in één uitdrukking samen te vatten.
Blz. 24. R. 15. Men ziet, dat het tooneel als een veel grooter ruimte
wordt gedacht dan het in werkelijkheid bevat, daar Cârudatta op het
tooneel zelf Vasantasenâ naar haar huis begeleidt, ofschoon volgens de
voorstelling, die het stuk geeft, hun beider huizen zich toch geenszins
zoo dicht bij elkander bevinden.
Blz. 24. R. 21. Dat de Indische politie niet veel plichtplegingen
maakt, blijkt o.a. uit een der zoogenaamde Vetâla-vertellingen, waarin
verhaald wordt, hoe een minnaar, die zich ’s nachts op straat vertoont,
zonder vorm van proces door de stadswachters wordt opgehangen.
Blz. 26. R. 27. Kâmadeva = Kâma; zie Noot bij Bl. 10. R. 3.
Blz. 27. R. 16. Wilson teekent hierbij aan: „The original is a pun on
the word madhukaras, honey-makers or beggars.” Eerder geloof ik dat de
tweede beteekenis van madhukarî (Fem!) is een vleister, een wufte,
lichtzinnige of iets dergelijks.
Blz. 27. R. 30. Met „wrijfmeester” vertaal ik Skr. sambâhaka, d.w.z. de
persoon, wiens ambt het is, na het bad de ledematen te wrijven, dus
ongeveer het hedendaagsche „masseur”. Het niet-wegschuiven van het
gordijn (zie Noot bij Blz. 3. R. 12) duidt op een plotseling, overhaast
optreden.
Blz. 27. R. 36. Ezelin en Speer zijn namen van ongelukkige worpen bij
het dubbelspel.
Ghatotkaca, zoon van den Pândava Bhîma en de râkshasî (vrouwelijke
daemon) Hidimbâ wordt door Karna, den koning der Anga’s en bondgenoot
der Kaurava’s gedood met een hem door Indra geschonken speer, zooals
beschreven is in het zevende boek van het Mahâbhârata, het Drona-parvan
of Boek van Drona (Lefmann p. 234–247).
Blz. 28. R. 11. Indra, de god van den donder, die met zijn wapen, den
vajra (evenals Thor met den mjo̧lnir) de wolkendaemonen verplettert en
den regen doet stroomen.
Blz. 28. R. 13. Rudra, in den Vedischen tijd de Stormgod, later
vereenzelvigd met Çiva.
Blz. 28. R. 40. De berg Meru of Sumeru is de mythologische, gouden
berg, die het middelpunt heet te vormen van Jambudvîpa (een der zeven
wereldeilanden, bij de Buddhisten Indië).
Blz. 28. R. 41. De kokila (Eudynamis nigra) is de Indische koekoek, die
in de Indische poëzie een even groote plaats bekleedt als de nachtegaal
in de Europeesche (Zie over dezen vogel Brehms Tierleben V, p.
102–106).
Blz. 30. R. 34. De tooneelaanwijzing „in de ruimte” (Skr. âkâçe) duidt
op het spreken tot een denkbeeldig persoon, die men zich misschien
achter het gordijn of onder het publiek moest denken. De spreker laat
dan zelf het antwoord volgen, dat hij schijnbaar op zijn vraag heeft
ontvangen.
Blz. 31. R. 17. Tretâ, Pâvara, Nardita en Kata zijn benamingen van
bepaalde worpen bij het dobbelspel.
Blz. 32. R. 15. Zie vorige Noot.
Blz. 33. R. 2. Zóó, d.w.z. evenals deze man, zonder te betalen.
Blz. 33, R. 18. In het koninklijk paleis werd recht gesproken,
oorspronkelijk door den koning zelf, later door zijn
vertegenwoordigers. Zie: Jolly, Recht und Sitte (in den Grundriss der
Indo-Arischen Philologie und Altertumskunde), p. 132–135.
Blz. 33. R. 36. Men ziet, dat Vasantasenâ en Madanikâ gedurende de
geheele voorafgaande spelersscène op het tooneel zijn gebleven en wel
op dat gedeelte, dat het huis van Vasantasenâ moet voorstellen, hetgeen
overigens hoogst waarschijnlijk door niets werd aangeduid.
Blz. 33. R. 40. Slavin, nl. Madanikâ.
Blz. 34. R. 40. Pâtaliputra, door de Grieken Παλι(μ)βόθρα genoemd,
tijdens Alexander de Groote en nog lang daarna de voornaamste stad van
Indië, lag aan de Ganges, niet ver boven het tegenwoordige Patna en was
de hoofdstad van het rijk der Magadha; de wrijfmeester spreekt dan ook
het Mâgadhî-dialect.
Blz. 34. R. 41. Over gṛhastha zie Noot bij Blz. 8. R. 28.
Blz. 36. R. 12. De vraag van Vasantasenâ heeft in het origineel een
tweeledige beteekenis: „Vanwaar die schuldeischer?” en: „Waaraan is hij
rijk?” De wrijfmeester beantwoordt haar in laatstgenoemden zin.
Blz. 37. R. 30. Buddha behoorde tot het adellijk geslacht der Çâkya’s
en wordt daarom de Çâkya genoemd, ook wel: Çâkya-muni (de Çâkya-wijze)
of Çâkya-simha (de Çâkya-leeuw). Zijn eigenlijke naam was, zooals
bekend is: Siddhârtha, terwijl Buddha „de ontwaakte, de verlichte”
beteekent (Zie: Oldenberg. Buddha2, p. 104; Von Schröder, p. 263).
Blz. 39. R. 5. Wat dit beteekent, is niet duidelijk. Wilson vertaalt
het vrij willekeurig: „approaching him sidelong.”
Blz. 42. R. 25. Candra is de Maan.
Blz. 43. R. 17. De dundubha is een niet-vergiftige slang of hagedis. De
Vidûshaka wil zeggen, dat hij onder de Brahmanen een even geringe
plaats inneemt als de dundubha onder de slangen.
Blz. 44. R. 13. Met den weg ten arbeid bedoelt Çarvilaka het gat, dat
hij in de omheining van den tuin heeft gemaakt; immers zijn arbeid is
de diefstal.
Blz. 44. R. 31. Over Drona’s zoon Açvatthâman zie onder Noot bij Blz.
18. R. 16.
Blz. 45. R. 1. Skanda of Kârtikeya, de god van den oorlog en, zooals
hier blijkt, ook van de dieven, is de zoon van Çiva en Pârvatî. Hij
werd gezoogd door de Pleiaden (Kṛttikâ’s); vandaar zijn tweede
benaming. Zijn rijdier is de pauw, de krijgshaftige vogel, die de
slangen verdelgt.
Blz. 45. R. 20. Alle benamingen van Skanda; zie vorige Noot.
Blz. 45. R. 27. Het offerkoord, over den linkerschouder en onder den
rechterarm gedragen, is het kenmerk van den Brahmaan. Bij het offer
vervult het offerkoord belangrijke diensten; Çarvilaka maakt er echter
een gansch ander gebruik van.
Blz. 45. R. 33. Tot het laatstgenoemde doeleinde gebruikt ook de
Vidûshaka in het tooneelspel Mâlavikâ en Agnimitra zijn offerkoord, al
is bij hem de slangenbeet ook slechts voorgewend (In de vertaling van
Dr. J. van der Vliet, p. 89).
Blz. 46. R. 23. Het onderricht van den Indischen dansmeester strekte
zich ook uit over mimiek, voordracht en zang; vandaar dat ook de
handschriften door Çarvilaka als een criterium van dat beroep worden
aangemerkt. Men vergelijke het tweede bedrijf van de Mâlavikâ en
Agnimitra, waar Mâlavikâ voor koning Agnimitra een lied zingt, met
toepasselijke gebaren vergezeld, om de bekwaamheid van haar
onderwijzer, den balletmeester Ganadâsa, te bewijzen. (In de vertaling
van Dr. J. van der Vliet, p. 46–57).
Blz. 48. R. 3. Zie Noot bij Blz. 9. R. 37.
Blz. 51. R. 19. Bij Ratnashashthi teekent Wilson aan: „A vow is
probably implied: the occasion is not at present in the ritual: the
term shashthi implies it was some observance held on the sixth day of
the lunar fortnight.”
Blz. 52. R. 34. Dit is de eerste godsdienstplicht, waarmede de Ariër
steeds den dag begint.
Blz. 55. R. 17. Madana = Kâma; zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 62. R. 5. Çiva draagt de halve maan als sieraad op ’t voorhoofd.
Blz. 62. R. 22. De sluier is het kenmerk der gehuwde vrouw. Vgl. Blz.
161 R. 28 en ook: Mâlavikâ en Agnimitra, p. 130.
Blz. 63. R. 14. Koning Udayana van Vatsa, gevangen genomen door
Candasena, den vorst van Ujjayinî, werd bevrijd door zijn minister
Yaugandharâyana. Udayana’s lotgevallen worden verhaald in de
Vâsavadattâ van Subandhu en in de novellen-verzameling
Kathâsaritsâgara; ook is hij de held van het tooneelspel Ratnâvalî (Een
inhoudsopgaaf hiervan bij Dr. J. Huizinga, de Vidûshaka in het Indisch
Tooneel, blz. 10–11).
Blz. 63. R. 19. Râhu, een Asura (daemon), mengde zich bij de karning
van den Oceaan (zie Noot bij Blz. 1. R. 17) onder de goden en dronk van
het amṛta (nektar); door Zon en Maan verraden, werd hem door Vishnu het
hoofd afgeslagen, dat, reeds onsterfelijk geworden, aan den hemel
zwerft en Zon en Maan verslindt, die hem verraadden; dit ter verklaring
van de verduistering dier beide hemellichamen.
Blz. 63. R. 39. Airâvana of Airâvata heet de olifant, dien Indra
berijdt.
Blz. 64. R. 3. In den tijd van den Ṛg-veda is „asura” het epitheton van
den oppersten god Varuna, overeenkomend met Iraansch ahura in Ahurô
Mazdâo (Ormuzd), den hoogsten god van den Zend-Avesta; maar reeds in
den Yajur-veda zijn de Asura’s de daemonen, die vijandig staan
tegenover de Deva’s (de goden) (Von Schröder, p. 23, 26 en 27).
Blz. 65. R. 13. Hingu = Asa foetida. De bloeiende stengels van deze
plant worden als groente gegeten (Dymock. Pharmacographia indica, II,
p. 141).
Blz. 65. R. 22. Gandharva’s en Apsarasen zijn halfgoden en nymfen, die
tot het gevolg van Indra behoorend, zijn hemelsch verblijf met muziek
en dans vervroolijken (Von Schröder, p. 370–373).
Blz. 66. R. 22. Nandana (vreugde) of Nandana-vana (vreugde-woud) heet
de lusthof in Indra’s hemel.
Blz. 66. R. 35. De campaka-boom (Michelia Champaka) is een groote,
altijd-groene boom, behoorende tot de Magnoliaceën, met gele,
welriekende, tulpvormige bloemen, die zoowel in Engelsch- als
Nederlandsch-Indië een geliefd sieraad zijn van den inlander (Watt.
Dict. V, p. 241; Bisschop Grevelink, p. 277).
Blz. 67. R. 3. De Groote God (Mahâ-deva) is Çiva.
Blz. 67. R. 28. Kuvera of Kubera is de god van den rijkdom, die op den
berg Kailâsa in den Himâlaya zetelt.
Blz. 67. R. 36. De genoemde planten zijn: Iasminum auriculatum, Vitex
negundo, Iasminum grandiflorum, Iasminum sambac, Iasminum arabicum,
Barleria of Amaranthus, Gaertnera racemosa of Dalbergia ougeinensis.
Blz. 67. R. 37. Nandanavana; zie Noot bij Blz. 66. R. 22.
Blz. 67. R. 40. De açoka-boom (Saraca indica, Ionesia Asoka)
onderscheidt zich door zijn overvloed van eerst oranje- later
roodkleurige bloesems. Over de voorstelling, dat deze boom door
aanraking van den voet eener schoone vrouw tot bloeien wordt gebracht,
zie: Dr. J. van der Vliet in de Inleiding op zijn Mâlavikâ en
Agnimitra, p. 16 vlg.
Blz. 69. R. 15. Een ontijdig onweer, d.w.z. een onweer buiten den
regentijd.
Blz. 70. R. 9. De bhṛnga is een soort zwarte bij.
Blz. 70. R. 11. Schelp, discus, knots en lotus zijn de attributen van
Vishnu.
Blz. 70. R. 17. De Lang-gelokte (Skr. keçava) en de Discus-drager (Skr.
cakradhara) zijn benamingen van Vishnu.
Blz. 70. R. 23. De cakravâka (Anas Casarca), een trekvogel, behoorende
tot de soort der holenganzen, komt in Midden- en Zuid-Azië,
Noord-Afrika en Zuid-Europa voor. Zie overigens: Brehms Tierleben3 VI,
p. 622–625, waar ook de Indische sage wordt vermeld, volgens welke de
cakravâka ten gevolge van een vervloeking den nacht van zijn wijfje
gescheiden moet doorbrengen.
Blz. 71. R. 4. Dhṛtarâshtra is de vader der honderd Kaurava’s; zijn
heerschappij wordt verduisterd door den rampzaligen strijd tusschen
zijn zonen en de zonen van Pându. Duryodhana, de oudste der Kaurava’s,
doet Yudhishthira, den oudste der Pândava’s zijn rijk bij het
dobbelspel verliezen. Tevens moet deze beloven, met zijn broeders
twaalf jaren in ballingschap in het woud te leven en daarna nog één
jaar in onbekendheid door te brengen. Het vierde boek van het
Mahâbhârata, Vana-parvan of Woudboek genaamd, behelst het leven der
Pându-zonen in de wildernis (Lefmann, p. 207–208), het vijfde boek,
Virâta-parvan genaamd, hun onbekend verblijf aan het hof van koning
Virâta (Lefmann, p. 208–212).
Blz. 73. R. 2. Nârada en Tumburu zijn Gandharva’s; zie Noot bij Blz.
65. R. 22.
Blz. 73. R. 10. Over kapittha zie Noot bij Blz. 20. R. 18.
Blz. 76. R. 9. Abhisârikâ heet een vrouw, die zich naar een samenkomst
met haar minnaar begeeft.
Blz. 76. R. 12. Lakshmî of Çrî is de godin van schoonheid en geluk, de
gemalin van Vishnu; zij zetelt op een lotus.
Blz. 76. R. 12. Ananga = Kâma; zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 76. R. 15. Over Rati zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 76. R. 25. De nîpa is de Nauclea Cadamba of een soortgelijke boom;
zie over den kadamba de Noot bij Blz. 80. R. 3. Waar Blz. 80. R. 3
beide namen naast elkander worden genoemd, moet met nîpa ongetwijfeld
een andere boom zijn bedoeld.
Blz. 77. R. 15. Het Sanskṛt-woord voor regentijd (prâvṛsh) schijnt
eenige overeenkomst te hebben met den kreet van den Indischen reiger.
Zoo wordt Blz. 78. R. 7 van de pauwen gezegd, dat zij „ehi, ehi” (kom,
kom) roepen.
Blz. 77. R. 25. Met tamâla kan òf Garcinia Xanthochymus (Xanthochymus
pictorius) zijn bedoeld òf Cinnamomum Tamala (Laurus Cassia). Daar de
laatste zich onderscheidt door een donker blad, zal hier eerder deze
zijn gemeend.
Blz. 78. R. 13. Anjana is zwarte oogenzalf.
Blz. 78. R. 32. De Heer der dertig goden is Indra; zie Noot bij Blz.
28. R. 11.
Blz. 78. R. 44. Mahendra (Mahâ-indra) = de groote Indra; met ’t wapen
van Mahendra is de regenboog bedoeld.
Blz. 79. R. 10. Çakra = Indra.
Blz. 79. R. 16. Indra bedroog Ahalyâ, welke hij beminde, door de
gestalte van haar echtgenoot Gautama aan te nemen.
Blz. 79. R. 31. Airâvata, zie Noot bij Blz. 63. R. 39.
Blz. 79. R. 33. De Verwoester = Indra.
Blz. 80. R. 3. De kadamba (Anthocephalus Cadamba, Nauclea Cadamba) is
een groote, lommerrijke boom, die in het einde van het heete
jaargetijde bloeit; zijn oranje-kleurige bloesems, met
vèr-uitstekenden, witten stempel, verspreiden des nachts een sterken
geur. De boom komt op Java alleen gekweekt voor (Dymock, Pharm. ind.
II, 169; Bisschop Grevelink, p. 577).
Blz. 83. R. 35. Men herinnere zich, dat, toen Çarvilaka den Vidûshaka
de sieraden ontstal, deze in een versleten badbroekje gewikkeld waren.
Blz. 84. R, 7. Parjanya is de Regengod (Von Schröder, p. 66–67).
Blz. 84. R. 16. Arjuna is de derde der Pându-zonen; zijn geducht wapen
is de boog Gândhîva.
Blz. 84. R. 17. Baladeva of Balarâma is de oudste broeder van Kṛshna,
den vorst der Yâdava’s, den vriend en helper der Pândava’s, die later
beschouwd werd als incarnatie van Vishnu. In het epitheton nîlâmbara
(met donkerblauw gewaad), dat door Indische lexicographen aan Balarâma
wordt toegekend, moet waarschijnlijk de verklaring van de hier
gebezigde vergelijking worden gezocht.
Blz. 84. R. 20. Tamâla, zie Noot bij Blz. 77. R. 25.
Blz. 84. R. 29. Kadamba, zie Noot bij Blz. 80. R. 3.
Blz. 85. R. 6. Indra’s boog is de regenboog.
Blz. 86. R. 15. Pushpa-karandaka beteekent letterlijk Bloemen-mandje.
Blz. 87. R. 11. Met „mijn zuster, de edele vrouwe” bedoelt Vasantasenâ
Cârudatta’s vrouw.
Blz. 89. R. 36. Bij vrouwen voorspelt het trillen van het linker oog
geluk, van het rechter oog ongeluk; bij mannen is dit omgekeerd.
Blz. 91. R. 33. Çukra is de planeet Venus, Bhûmi’s zoon of Rudhira is
Mars, Jîva Jupiter en de zoon der Zon of Çani Saturnus. De bedoeling
is: Wie is onder zoo ongunstig gesternte geboren, dat hij het waagt,
terwijl ik, Candanaka, leef, den herdersjongen te doen ontsnappen.
Blz. 92. R. 29. Cârudatta wordt met de maan, Vasantasenâ met den
maneschijn vergeleken; het geslacht dezer woorden is in ’t Sanskṛt
juist omgekeerd als in ’t Hollandsch.
Blz. 92. R. 35. Schoonheidsteeken; zie Noot bij Blz. 3. R. 4.
Blz. 93. R. 23. Bhîma is de tweede der Pându-zonen. Wanneer zij
onbekend verwijlen aan het hof van koning Virâta en Draupadî, hun
gemalin, door Kîcaka, des konings gunsteling, is beleedigd, doodt Bhîma
dezen met zijn vuist (Lefmann, p. 209–210).
Blz. 95. R. 2. De Karnâten zijn een thans nog bestaande, niet-Arische
volksstam in het Z.W. van Dekhan, van de rivier de Kṛshnâ tot kaap
Comorin. In de 18e eeuw is vooral Karnatië het terrein van den strijd
tusschen Engelschen en Franschen in Voor-Indië, daar Madras en
Pondicherry beide in dat land zijn gelegen.
Voor de uitdrukking Karnâtentwist herinnert Fauche aan de Fransche
spreekwijze: „Chercher une querelle d’Allemand.”
Blz. 95. R. 19. Kapittha, zie Noot bij Blz. 20. R. 18.
Blz. 95. R. 33. Candra is de maan; ik behield het Indische woord ter
wille van de woordspeling met den naam Candanaka.
Blz. 96. R. 30. Het trillen van den rechterarm is bij mannen een
gelukkig, van den linkerarm een ongelukkig voorteeken; bij vrouwen is
dit omgekeerd.
Blz. 97. R. 2. Ravi is de zon.
Blz. 97. R. 3. Met „de Godin” is Durgâ, Çiva’s gemalin, bedoeld, die de
Asura’s (daemonen) Çumbha en Niçumbha versloeg.
Blz. 97. R. 10. Bij hem, d.w.z. bij ′Aryaka.
Blz. 103. R. 1. Het is de wrijfmeester uit het tweede bedrijf, die,
zooals men zich zal herinneren, zijn voornemen te kennen heeft gegeven,
monnik van den Çâkya te worden.
Blz. 103. R. 13. Met de vijf stammen zijn bedoeld de vijf zintuigen,
met de vrouw de onwetendheid, met het dorp het lichaam en met den
Cândâla het gevoel van individualiteit.
Blz. 104. R. 8. Als nieuw bewind, d.w.z. als het bewind, dat niet door
oorlog, maar door erfopvolging verkregen is.
Blz. 104. R. 10. Naast de monniken en nonnen (bhikkhu, bhikkhunî), die
de Buddhistische gemeente vormen, staan ook leekebroeders en -zusters
(upâsaka, upâsikâ, eigenlijk: dienstknecht, dienstmaagd), die wel de
leer van den Buddha belijden, maar niet, zooals eerstgenoemden, van al
het wereldsche afstand doen. Als zoodanig prijst de bedelmonnik den
koningszwager, die echter het woord upâsaka in de gewone beteekenis
opvat (Zie over den upâsaka Oldenberg. Buddha2, p. 173–176).
Blz. 104. R. 37. Blijkbaar verspreekt de koningszwager zich, daar hij
de ontkenning in plaats van bij het eerste, bij het tweede deel van den
bijzin voegt.
Blz. 107. R. 7. Gândhârî is de gemalin van Dhṛtarâshtra en moeder der
honderd Kaurava’s. De weeklachten van haar en de overige vrouwelijke
betrekkingen der gevallen helden, behelst het Strî-parvan (d.i.
Vrouwenboek) het 11de boek van het Mahâbhârata (Lefmann, p. 316–317).
Blz. 107. R. 21. Luchtganger en hemelganger zijn synoniemen van
„vogel”.
Blz. 107. R. 27. Gandharva; zie Noot bij Blz. 65. R. 22.
Blz. 107. R. 30. Hingu zie Noot bij Blz. 65. R. 13.
Blz. 110. R. 7. Een râkshasî (Mann. râkshasa) is een daemon, die
menschen verslindt.
Blz. 111. R. 16. Zie Blz. 12. R. 21–22.
Blz. 112. R. 2. Vâsudevaka is diminutief van Vâsudeva; zie Noot bij
Blz. 12. R. 2.
Blz. 112. R. 41. Jatâyu, zie Noot bij Blz. 18. R. 16; Vâlin, de zoon
van Indra, is een apenvorst en bondgenoot van Râma tegen Râvana.
Blz. 113. R. 15. Volgens den Indischen commentator bootst de
koningszwager het geluid van het kauwen na.
Blz. 115. R. 21. Dit en het voorafgaande doelt op de leer van het
Karman (d.i. de Daad), volgens welke geluk en ongeluk een uitvloeisel
zijn van goede en slechte daden in een vorig bestaan. Zoo zegt het
Pancatantra (Van der Waals I, blz. 124):
Het lot der scheps’len ligt in ’t eigene verleden,
De daad, die is volbracht, keert tot den dader weêr.
Het goed en kwaad, dat wij in vroeger leven deden,
Geschiedt ons zelven wis en neemt geen and’ren keer.
En ook (II, blz. 45):
Het kalfje zal zijn moeder vinden,
Ofschoon er duizend koeien staan;
Zoo achtervolgt een daad dengene,
Door wien zij eenmaal is gedaan!
De vroeg’re daad der menschen legt zich
Met hen op ééne legersteê
En staan zij stil, dan staat zij zelve
En gaan zij heen, dan gaat zij meê!
Gelijk en licht en schaduw innig
Verbonden altijd samengaan,
Zoo hangen beiden, daad en dader
Elkander wederkeerig aan!
Blz. 115. R. 31. Bedrieglijk; eigenlijk staat er: „de zwakke plaatsen
nagaande”; het is toch een gewone voorstelling bij de Indiërs, dat het
Noodlot overal binnendringt, waar zich een gelegenheid voordoet, en dus
met de zwakke plaatsen de rampen toenemen, of zooals het Pancatantra
zegt (Van der Waals III, blz. 81):
Bij iedere opening vermeert de tegenspoed!
Blz. 117. R. 36. Palâça en kimçuka zijn twee namen voor de Butea
frondosa. Deze boom van middelbare hoogte, behoorende tot de
Papilionaceën, onderscheidt zich door zijn groote, donkerroode bloemen.
Dat hij, bij een schoon voorkomen, weinig schaduw en geen eetbare
vrucht geeft, maakt de hier gebezigde vergelijking begrijpelijk. Op
Java is de palâça bekend onder den naam „plosso” (Dymock I, p. 454,
Watt I, p. 548, Bisschop Grevelink, p. 87).
Blz. 118. R. 11. Vâlin, zie Noot bij Blz. 112. R. 41.
Kâlanemi, een Asura, door Kṛshna verslagen.
Rambhâ, een Apsaras of hemelsche nymf.
Subandhu is een Wijze (ṛshi).
Rudra, zie Noot bij Blz. 28. R. 13.
Drona’s zoon, zie Noot bij Blz. 18. R. 16.
Jatâyu, zie Noot bij Blz. 18. R. 16.
Triçanku, een koning van Ayodhyâ (zie Kern, Çakuntalâ, aant. 32).
Dhundhumâra, een zoon van den vorige.
Cânakya, zie Noot bij Blz. 15. R. 25.
Blz. 118. R. 14. De Bharata zijn een reeds in den Ṛg-veda genoemde
volksstam, waarnaar het Mahâ-bhârata (d.i. Groot Bharata-lied) genoemd
is (Von Schröder, p. 35 en 166).
Jatâyu, zie Noot bij Blz. 18. R. 16. Draupadî, zie Noot bij Blz. 10. R.
20.
Blz. 120. R. 26. Manmatha = Kâma; zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 122. R. 25. Het dooden van runderen is een misdaad, die gewoonlijk
met Brahmanenmoord op één lijn wordt gesteld. Over de vereering van het
rund bij de Indiërs zie men: Von Schröder, p. 31.
Blz. 122. R. 34. De koningszwager bedoelt: Hanûman op Mahendra-spits,
immers Hanûman, de apenvorst, Râma’s bondgenoot, springt van den berg
Mahendra naar Lankâ (Ceylon), om de door Râvana geschaakte Sîtâ op te
sporen.
Blz. 130. R. 41. Bhṛnga, zie Noot bij Blz. 70. R. 9.
Blz. 131. R. 19. Olifanten en paarden worden gebruikt, om
terdoodveroordeelden te vertrappen en vaneen te scheuren.
Blz. 131. R. 22. Het paleis, zie Noot bij Blz. 33. R. 18.
Blz. 133. R. 29. De vleugelpunten van den câsha (Coracias orientalis)
schijnen, zoo zij bevochtigd worden, van kleur te veranderen. Zie over
dezen vogel, die in geheel Zuid-Azië en ook in Australië voorkomt:
Brehms Tierleben3 V, p. 255–257.
Blz. 133. R. 33. Met den koning der bergen is de Himâlaya bedoeld.
Blz. 134. R. 12. Hij, die der zee slechts had gelaten der wat’ren
rijzing, d.w.z. hij, die alle paarlen, alle schatten der zee had
verworven, zoodat deze slechts het rijzen harer wat’ren overhield.
Blz. 135. R. 10. Râhu, zie Noot bij Blz. 63. R. 19.
Blz. 136. R. 40. In de ruimte, zie Noot bij Blz. 30. R. 34.
Blz. 137. R. 20. Rati, zie Noot bij Blz. 10. R. 3.
Blz. 137. R. 42. De mâdhavî is een slingerplant (Gaertnera racemosa),
ook atimukta genaamd.
Blz. 138. R. 31. Angâraka is de planeet Mars; Bṛhaspati de planeet
Jupiter.
Blz. 141. R. 4. Manu, die in de Indische zondvloedsage dezelfde rol
speelt, als Noach in de Israëlitische, is tevens de mythische auteur
van het Mânava-dharma-çâstra (Manu’s wetboek), waarin de hier bedoelde
plaats luidt:
Een Brahmaan doode men nimmer, schoon hij in alle zonden staat,
Uit het rijk men hem verwijd’re, met al zijn have, ongedeerd.
Het is een treffend voorbeeld van de ongehoorde bevoorrechting der
Brahmanenkaste, als men in aanmerking neemt, dat voor een lid der
lagere kasten door Manu reeds de doodstraf wordt geëischt bij een
diefstal van tien maten koren en zelfs voor recidivist-zakkenrollers
(Von Schröder, p. 416 vlg.).
Blz. 141. R. 26. Cârudatta’s vrouw.
Blz. 142. R. 2. Over de Cândâla’s zie men Noot bij Blz. 12. R. 25.
Blz. 142. R. 13. Gedoeld wordt op de godsoordeelen, die ook in Indië in
zwang waren (Zie: Jolly. Recht und Sitte p. 144–147).
Blz. 142. R. 19. Brahmanenmoord gold bij de Indiërs als het zwaarste
misdrijf. Wie een aanslag op het leven van een Brahmaan heeft gepleegd,
zal reeds, volgens Manu, honderd of duizend jaar in de hel gefolterd
worden; is er bloed gevloeid, even zooveel duizenden jaren als het
bloed zandkorrels heeft bevochtigd. Daarna wordt hij als hond, ever,
ezel, Cândâla enz. herboren (Von Schröder, p. 402).
Blz. 143. R. 4. Karavîra (Nerium odorum), de welriekende oleander, is
een altijd groene heester met witte of roode bloemen, die in geheel
Indië als sierplant wordt gekweekt; wortel, schors en bloem zijn in
hooge mate vergiftig. Dit verklaart het gebruik van karavîra-bloemen
als krans voor den terdoodveroordeelde (Dymock II, p. 398, Watt V, p.
348, Bisschop Grevelink, p. 632).
Blz. 144. R. 3. Hoogst waarschijnlijk is de voorbijschietende
bliksemstraal bedoeld.
Blz. 145. R. 37. Cârudatta, de Brahmaan, zou zich besmetten door iets
uit de handen van een Cândâla aan te nemen (Von Schröder, p. 425).
Blz. 146. R. 25. Het is een der eerste plichten van den Ariër, de
noodige offers te brengen aan de Manen zijner voorvaderen, daar bij
verzuim hiervan de zielen der afgestorvenen ter helle varen. Daarom
wordt door hem, die geen zoon bezit, een zoon geadopteerd of na zijn
dood het leviraatshuwelijk toegepast. Zooals bekend is worden in het
Mahâbhârata de Kuru-koningen Dhṛtarâshtra en Pându uit een dergelijken
echt geboren (Von Schröder, p. 427 vlg.).
Blz. 146. R. 26. Over het offerkoord zie Noot bij Blz. 45. R. 27.
Blz. 147. R. 3. Over Râhu zie Noot bij Blz. 63. R. 19.
Blz. 147. R. 30. Ucîra is de welriekende wortel van Andropogon
muricatus, een plant, behoorende tot de Gramineën, die ook op Java, in
tuinen gekweekt, voorkomt. Deze wortel dient, fijn gewreven, als
verkoelend middel, en wordt ook gebezigd tot het vlechten van matjes,
waaiers en schermen, die, bevochtigd, een aangenamen geur en koelte
teweegbrengen (Bisschop Grevelink, p. 818).
Blz. 155. R. 32. Bedoeld is Durgâ, Çiva’s gemalin.
Blz. 158. R. 19. In den eersten regel is Çiva, in den tweeden Kârtikeya
bedoeld. Daksha, de vader van Çiva’s eerste gemalin Satî, verzuimde bij
een plechtig offer Çiva te noodigen, waarop deze in toorn over die
beleediging het offer verstoorde. Kraunca is een berg (volgens Wilson
een daemon), dien Kârtikeya spleet. De Kailâsa is een top in den
noordelijken Himâlaya, waarop Çiva en Kuvera zetelen.
Blz. 158. R. 29. Een Godenhater = een Asura; zie Noot bij Blz. 64. R.
3.
Blz. 161. R. 28. Vgl. Blz. 62. R. 22.
Blz. 163. R. 1. Parjanya, zie Noot bij Blz. 84. R. 7.