(Dan komt de bedelmonnik* op met een vochtige pij in de hand.)
Bedelmonnik.
Onwetenden, verzamelt goede werken!
Bedwingt den eigen buik,
waakt immer bij den tromslag der bepeinzing,
De zinne-dieven, boos,
stelen de goede werken, lang-vergaard.
En ook: na door de onbestendigheid tot inzicht te zijn gekomen, ben ik
slechts een woning van goede werken.†
Door wien het stammenvijftal is gedood,
de vrouw gedood is en het dorp behoed,
Gedood ook de Cândâla, krachteloos,
wis dompelt in den hemel zich die man.*
Geschoren ’t hoofd, geschoren ’t aangezicht,
en niet de geest! waarom geschoren dan?
Wien evenwel de geest geschoren is,
van hem is waarlijk recht geschoren ’t hoofd.
Deze pij is in roode verf gedoopt; laat ik nu het park van des konings
zwager binnengaan, ze in den lotusvijver uitspoelen en dan vlug, vlug
wegloopen.
(Gaat het tooneel rond en doet aldus.)
Stem achter het tooneel.
Blijf staan, ellendige bedelmonnik, blijf staan, blijf staan!
Bedelmonnik (omziende, bevreesd).
O wee, o wee! Daar is des konings zwager Samsthânaka. Omdat door één
bedelmonnik een misdrijf is begaan, jaagt hij iederen anderen
bedelmonnik weg, waar hij hem ook ziet, na hem als een stier den neus
te hebben doorboord. Waar zal ik, onbeschermde, dan bescherming zoeken?
Maar kom, de Heer zelve, de Buddha is mijn bescherming.
Koningszwager (opkomend met den hoveling, die een zwaard draagt).
Blijf staan, ellendige bedelmonnik, blijf staan, blijf staan! Je hoofd
zal ik verbrijzelen, als van een roode radijs te midden van een
drinkgelag. (Slaat hem.)
Hoveling.
Bastaard! Het past niet, een bedelmonnik te slaan, die uit afkeer van
het leven het roode kleed draagt. Wat wilt ge dan met hem? UEd. houde
in het oog, dat dit park gemakkelijk toeganklijk is.
Weldadig door de boomen van het woud,
die onbeschutten schutting zijn en vreugd,
Als ’t hart van boosgezinden onbewaakt,
als nieuw bewind* genietbaar zonder strijd.
Bedelmonnik.
Heil U, wees genadig, Dienstknecht*.
Koningszwager.
Meester, zie eens aan, hij beschimpt mij.
Hoveling.
Wat zegt hij?
Koningszwager.
Hij noemt mij „dienstknecht”. Ben ik dan een barbier?
Hoveling.
Als Dienstknecht van den Buddha prijst hij U.
Koningszwager.
Prijs mij, bedelmonnik, prijs mij!
Bedelmonnik.
Gij zijt verkoren, gij zijt gerecht.
Koningszwager.
Meester, hij noemt mij van koren en een gerecht†; ben ik dan een
schotel, een schuur of een pottebakker?
Hoveling.
Bastaard, hij prijst U immers met de woorden: „Gij zijt verkoren, gij
zijt gerecht.”
Koningszwager.
Meester, en waarom is hij hier gekomen?
Bedelmonnik.
Om mijn pij uit te spoelen.
Koningszwager.
O ellendige bedelmonnik, door den gemaal mijner zuster is mij dit
schoonste van alle parken, dit park Pushpakarandaka gegeven. Daar, waar
de honden en jakhalzen drinken, en ik, de voortreflijke mensch, het
mannetje, mij niet baad*, daar in den lotusvijver wilt gij uw als
oude-erwtensoep† gevlekte, kwalijk-riekende pij uitspoelen! Daarvoor
zal ik je één slag geven.
Hoveling.
Bastaard, ik vermoed, dat deze nog niet lang als bedelmonnik moet zijn
uitgetogen.
Koningszwager.
Hoe weet ge dat, Meester?
Hoveling.
Wat valt hier te weten? Zie!
Nog altijd is, hoewel het hoofdhaar hem ontbreekt,
zijn voorhoofdsvel witgetint;
Op zijn schouder ontstond, veroorzaakt door de pij,
geen eelt in zoo korten tijd;
Ook is ’t aandoen van ’t roode kleed nog niet gewend,
en vèr naar omlaag gezakt†
Blijft, daar ’t goed zich verheft, de slip van het gewaad
niet over zijn schouder vast.
Bedelmonnik.
Dienstknecht, zoo is het; nog niet lang ben ik uitgetogen.
Koningszwager.