Slaaf.
Sla mij, Heer, dood mij, Heer; een misdaad zal ik niet bedrijven.
Daar ik als slaaf geboren ben door schuld van ’t Lot
En niet nog erger koopen wil, ik misdaad mijd.*
Vasantasenâ.
Meester, ik zoek bescherming.
Hoveling.
Bastaard! vergeef haar, vergeef haar. Mooi zoo, Sthâvaraka, mooi zoo!
Wenscht waarlijk deze, die vernederd van staat en arm is—
Een dienaar—loon in ’t volgend leven en niet zijn meester!
Vanwaar dan komt het, dat dezulken niet gaan te gronde,
Die, wat onwaardig is, bevord’ren, het goede laten?
En ook:
Bedrieglijk* is en ongerecht het Noodlot,
daar slaafschap hem, U heerschappij ten deel
viel,
Daar hij uw heerlijkheid niet mag genieten,
daar zijn bevel gij niet hebt op te volgen.
Koningszwager (bij zich zelf).
De oude ever is bang voor onrecht, deze slavinnenzoon is bang voor het
volgend leven. Maar ik, des konings zwager, waarvoor zou ik vreezen, ik
de voortreflijke manmensch! (Luid.) Hé, slavinnenzoon, slaaf, ga en
zonder je in het slaapvertrek af, om uit te rusten.
Slaaf.
Zooals mijn Heer beveelt. (Vasantasenâ naderend.) Jonkvrouw, zoo groot
is mijn macht! (Af.)
Koningszwager (zich aangordend).
Wacht, Vasantasenikâ, ik zal je dooden.
Hoveling.