Madanikâ.
Çarvilaka, wat is er toch, ge schijnt wel bevreesd.
Çarvilaka.
Ik wil U een geheim vertellen. Zijn wij hier alleen?
Madanikâ.
Zeker.
Vasantasenâ.
Hoe, is het een diep geheim? dan zal ik niet luisteren.
Çarvilaka.
Madanikâ, zou Vasantasenâ U voor losgeld vrijlaten?
Vasantasenâ.
Hoe, zijn verhaal heeft betrekking op mij, dan zal ik toch luisteren.
Madanikâ.
Çarvilaka, toen ik het de Jonkvrouw vroeg, zeide zij: „Indien het mijn
zaak was, zou ik zonder losgeld alle bedienden vrijlaten.” Maar,
Çarvilaka, hoe komt ge aan zooveel geld, dat ge mij daarmede van de
Jonkvrouw kunt loskoopen?
Çarvilaka.
Overweldigd door armoede,
en door liefde tot U vervolgd,
Heb ik om uwentwil, schucht’re,
deez’ nacht een stoute daad verricht.
Vasantasenâ.
Rustig is zijn voorkomen en toch, daar hij een vermetele daad bedreef,
afschrikwekkend.
Madanikâ.
Çarvilaka, om zulk een nietigheid als een vrouw, hebt ge twee dingen in
gevaar gebracht.
Çarvilaka.
Wat dan?
Madanikâ.
Uw persoon en uw goeden naam.
Çarvilaka.
Onervarene, in de vermetele daad woont de Fortuin!
Madanikâ.
Çarvilaka, gij zijt iemand van onbevlekt karakter, dus zult ge toch
zeker wel niet—om mijnentwil een vermetele daad bedrijvend—iets hebben
gedaan, wat volkomen met alle recht in strijd is.†
Çarvilaka.
Nimmer zal ik een vrouw berooven, die, getooid,
een bloeiende rank gelijkt,
Noch ook neem ik des priesters have, of het goud,
tot of’ren bijeengegaard,
Zoo steel ik evenmin, begeerende naar geld,
’t kind, liggend in voedsters
schoot,
Mijn geest zelfs bij den diefstal immer overweegt,
wat al of niet voegzaam is.
Wil dus Vasantasenâ melden:
„Dit sieraad, dat naar den maatstaf
van uw lichaam vervaardigd schijnt,
Moet g’uit liefde tot mij dragen,
maar zorg, dat gij het niemand toont.”
Madanikâ.
Çarvilaka, sieraden niet vertoonen! dat past slecht bij onzen stand.†
Maar laat mij die sieraden eens zien.
Çarvilaka.