Met in gepeins verdiept-verzonken mantri’s als met water,
met boden als met golf en schelpen overvol,
Met rondom staande spieders als dolfijn en krokodillen,
verblijf van olifant en paard* als wild gediert,
Met velerlei krijschende klagers als met vogels prijkend,†
als ware het door slangen, door griffiers bewoond,
Is het Paleis*, met oevers, vastgestampt uit levenswijsheid,†
door boosgezinden aan den Oceaan gelijk.
Het zij zoo! (Binnentredend, geeft hij te kennen, dat hij het hoofd
stoot; gissend.)
Wel, wat is dat weer!
Ik voel het linker oog trillen,
de weg is door een slang versperd,
Bovendien krijscht er een vogel,
moog nochtans ’t Noodlot gunstig zijn.