O, hoe vol luister is de rechtszaal! want hier

Met in gepeins verdiept-verzonken mantri’s als met water,

met boden als met golf en schelpen overvol,

Met rondom staande spieders als dolfijn en krokodillen,

verblijf van olifant en paard* als wild gediert,

Met velerlei krijschende klagers als met vogels prijkend,†

als ware het door slangen, door griffiers bewoond,

Is het Paleis*, met oevers, vastgestampt uit levenswijsheid,†

door boosgezinden aan den Oceaan gelijk.

Het zij zoo! (Binnentredend, geeft hij te kennen, dat hij het hoofd

stoot; gissend.)

Wel, wat is dat weer!

Ik voel het linker oog trillen,

de weg is door een slang versperd,

Bovendien krijscht er een vogel,

moog nochtans ’t Noodlot gunstig zijn.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 103 / 131 题