Die braafheidsboom, door zijne deugden vruchtrijk,
wiens twijg is deugdzaamheid, wiens tak betamen.
Wiens bloesem ’t loflijke, wiens wortel trouw is,
een goede schuilplaats aan de vogels „vrienden”?
Vidûshaka (bij zich zelf).
Goed uitgedrukt door de verwenschte deerne! (Luid.) Zeker.
Vasantasenâ.
Welnu, wat is de reden van uw komst?
Vidûshaka.
Luister, Geachte. Die achtenswaardige, Cârudatta, U eerbiedig groetend,
doet U weten....
Vasantasenâ (de handen opheffend).
Wat beveelt hij?
Vidûshaka.
„Ik heb het goudkistje, het in goed vertrouwen als mijn eigen goed
beschouwend, bij het spel verloren en de bankhouder is met een opdracht
des konings, men weet niet waarheen gegaan.”
Slavin.
Jonkvrouw, ik wensch U geluk, de edele heer is een speler geworden.
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Hoe, terwijl het door een dief is meegenomen, zegt hij uit
grootmoedigheid: „Ik heb het bij het spel verloren.” Daarom juist heb
ik hem lief.
Vidûshaka.
„Neem dus daarvoor, Geachte, dit paarlensnoer.”
Vasantasenâ (bij zich zelf).
Zal ik hem de sieraden toonen? Maar neen, nog niet.
Vidûshaka.
U neemt dit paarlensnoer zeker niet aan?
Vasantasenâ (lachend hare gezellin aanziende).
Maitreya, waarom zou ik het paarlensnoer niet aannemen? (Zij neemt het
en legt het ter zijde; bij zich zelf.) Hoe, van den mango-boom, schoon
hij zijn bloesem verloor, vallen droppels bloemensap neder. (Luid.)
Edele, meld den speler, den edelen Cârudatta uit mijn naam: „Ik kom
vanavond den edelen heer bezoeken.”
Vidûshaka (bij zich zelf).
Wat zal ze dan weer meenemen? (Luid.) Geachte, ik zal het zeggen. (Bij
zich zelf.) Hij moet van die neiging tot hetaeren† worden afgebracht.
(Af.)
Vasantasenâ.
Meisje, neem dit sieraad; wij gaan Cârudatta verheugen.
Slavin.
Jonkvrouw, zie toch, er komt een ontijdig* onweder opzetten.
Vasantasenâ.
Laten wolken dan verrijzen,
’t worde nacht, vall’ onverpoosd de regen,
’k Tel het alles niet in ’t minste,
met het hart gekeerd naar den geliefde.