Koningszwager (toornig).
Dit hoofd, dat moedertje en maatje kussen,
En voor de goden zelfs niet komt te buigen,
Is door de voetzool in het stof geworpen,
Als door een jakhals in het woud een doode.
Hé, Sthâvaraka, slaaf, hoe zijt ge aan haar gekomen?
Slaaf.
Heer, door dorpskarren was de hoofdstraat versperd; toen heb ik den
wagen bij den tuin van den edelen Cârudatta gezet en ben afgeklommen,
om een wiel om te draaien; intusschen is zij door een verwisseling der
wagens hier ingestapt, vermoed ik.
Koningszwager.
Hoe, door een verwisseling der wagens is zij hier gekomen, niet om mij
te ontmoeten! Klim dan af, klim af van mijn wagen. Gij bezoekt een
armoedig veemheerszoontje en rijdt met mijn stieren! Klim dan af, klim
af, slavinnendochter, klim af.
Vasantasenâ.
„Den edelen Cârudatta bezoekt gij”, zegt hij. In waarheid, ik ben
vereerd door dat woord. Laat nu komen, wat komen moet.
Koningszwager.
Met deze handen, met tien nagel-lotus-kringen,
Bereid, met honderd vleierijen U te treffen,
Sleur ik uw heerlijk lichaam uit mijn eigen wagen,
Bij ’t hoofdhaar, evenals Jatâyu Vâlin’s liefste.*
Hoveling.
Men mag niet grijpen bij ’t hoofdhaar
zulke vrouwen, met deugd begaafd;
In ’t boschj’ ontsproten lianen
verdienen niet verlies van twijg.
Sta dan op†, ik zal haar doen uitstappen. Vasantasenâ, wil uitstappen.
(Vasantasenâ stapt uit en blijft ter zijde staan.)
Koningszwager (bij zich zelf).
Het vuur der gramschap, toen reeds ontstoken door de verachting van
mijn woord, heeft zij nu door dien voetstoot doen opvlammen. Thans zal
ik haar dooden. Komaan dan! (Luid.) Meester, Meester!
Begeert g’een mantel, die zoo breed van franje
Ter neder hangt, prijkend met honderd tressen,
En vleesch te eten, en U goed te voeden:
„Tsjoehoe, tsjoehoe, tsjoekkoe, tsjoehoe, tsjoehoe, tsjoe.”*
Hoveling.
Wat dan?
Koningszwager.
Doe mij een genoegen.
Hoveling.
Goed, ik zal het doen, zoo het geen misdaad is.
Koningszwager.
Meester, Meester, er is zelfs geen reuk van een misdaad, ook is er geen
râkshasî†.
Hoveling.
Wil het dan zeggen.
Koningszwager.
Dood Vasantasenikâ.
Hoveling (de ooren dichtstoppend).
Die jonge vrouw, en die een sieraad der stad mag heeten,
Hetaere, niet als een hetaere in min-gedraging,
Indien ik deze schuldelooze om ’t leven brenge,
Wat boot geleidt mij naar den oever van ’t volgend leven?
Koningszwager.
Ik zal U een boot geven. En bovendien, wanneer gij haar hier in dit
verlaten park doodt, wie zal U zien?
Hoveling.
Mij zien de Goden van het woud, de tien Hemelstreken,
De Maan, en, vlammende van stralen, die Dagenmaker,
Beid’ Recht en Wind en ook de Hemel, de ziel hierbinnen,
En d’Aarde, ooggetuig’ van goede en booze daden.†
Koningszwager.
Bedek haar dan eerst met een slip van uw gewaad.
Hoveling.
Dwaas, een verworpeling zijt ge!
Koningszwager.
Die oude ever is bang voor onrecht. Kom, ik zal Sthâvaraka, den slaaf,
overhalen. Zoontje, Sthâvaraka, slaaf, gouden armbanden zal ik je
geven.
Slaaf.
En ik zal ze aandoen.
Koningszwager.
Een gouden zetel zal ik je laten maken.
Slaaf.
En ik zal er op gaan zitten.
Koningszwager.
Al wat van den maaltijd overschiet, zal ik je geven.
Slaaf.
En ik zal het opeten.
Koningszwager.
Tot hoofd van alle slaven zal ik je maken.
Slaaf.
Een Heer zal ik zijn.
Koningszwager.
Eerbiedig dan mijn woord.
Slaaf.
Heer, alles zal ik doen, zoo het geen misdaad is.
Koningszwager.
Er is zelfs geen reuk van een misdaad.
Slaaf.
Mijn Heer spreke.
Koningszwager.
Dood haar, Vasantasenikâ.
Slaaf.
Wees genadig, Heer! Door mij, onedele, is die edele door een
verwisseling der wagens hierheen gevoerd.
Koningszwager.
Hoe, slaaf, ook over U heb ik geen macht!
Slaaf.
Mijn Heer heeft macht over mijn lichaam, niet over mijn doen en laten.
Wees dan genadig, Heer; zie, ik ben bevreesd.
Koningszwager.
Ge zijt toch mijn slaaf; waarvoor zijt ge dan bevreesd?
Slaaf.
Heer, voor het volgend leven.
Koningszwager.
Wat is dat volgend leven?
Slaaf.
Heer, de uitkomst van goede en slechte daden.
Koningszwager.
Hoe is de uitkomst van goede daden?
Slaaf.
Zooals mijn Heer, met veel goud getooid.
Koningszwager.
Hoe van slechte daden?
Slaaf.
Zooals ik, geboren om met het brood van anderen mij te voeden. Dus een
misdaad zal ik niet bedrijven.
Koningszwager.