Slavin (opkomend).
Hoe, de Jonkvrouw is nog niet ontwaakt. Kom, ik zal naar binnen gaan en
haar wekken. (Gaat het tooneel rond; dan vertoont zich, het lichaam
toegedekt, ingeslapen, Vasantasenâ.)
Slavin.
Sta op, sta op, Jonkvrouw, het is dag geworden.
Vasantasenâ (ontwakend).
Hoe, is de nacht reeds dag geworden?
Slavin.
Voor ons is het dag, maar voor de Jonkvrouw nacht.
Vasantasenâ.
Meisje, waar is onze† speler?
Slavin.
Jonkvrouw, nadat hij Vardharmânaka zijn bevelen had gegeven, is de
edele Cârudatta naar het oude park Pushpakarandaka* gegaan.
Vasantasenâ.
Wat heeft hij hem bevolen?
Slavin.
„Span vannacht nog den wagen in; Vasantasenâ moet komen.”
Vasantasenâ.
Meisje, waar moet ik komen?
Slavin.
Jonkvrouw, waar Cârudatta is.
Vasantasenâ (de slavin omhelzend).
Meisje, vannacht heb ik hem niet goed aanschouwd, heden zal ik hem dan
duidelijk zien. Meisje, bevind ik mij in ’t binnenste der woning?
Slavin.
Niet alleen in ’t binnenste der woning, ook in ieders hart.
Vasantasenâ.
Bedroeft zich Cârudatta’s omgeving† dan niet?
Slavin.
Men zal zich bedroeven.
Vasantasenâ.
Wanneer?
Slavin.
Wanneer de Jonkvrouw zal zijn heengegaan.
Vasantasenâ.
Dan moet ik allereerst mij bedroeven. Meisje, neem dit paarlensnoer.
Ga, overhandig het mijn zuster, de edele vrouwe*, en zeg haar: „Door de
deugden van den heilvollen Cârudatta gewonnen, ben ik zijn slavin, dus
ook de uwe. Zij dan uw halssieraad dit paarlensnoer.”
Slavin.
Cârudatta zal wel boos zijn op de Jonkvrouw.
Vasantasenâ.
Ga, hij zal niet boos zijn.
Slavin (het nemend).
Zooals ge beveelt. (Af; weder opkomend.) Jonkvrouw, de edele vrouwe
zegt: „Door den edelen heer is het U vereerd; het past niet, dat ik het
neme. De edele heer zelve is mijn schoonste sieraad, dit doe ik U
weten.”
(Dan komt Radanikâ op met het zoontje van Cârudatta.)
Radanikâ.
Kom, kindlief, laten we met het wagentje spelen.
Rohasena (verdrietig).
Radanikâ, wat zal ik met dit leemen wagentje? Geef mij dat gouden
wagentje.
Radanikâ (moedeloos zuchtend).
Kind, hoe zouden wij iets met goud te maken hebben! Als Vader weer rijk
wordt, zul je met een gouden wagentje spelen. Kom, om hem wat af te
leiden, zal ik met hem tot Jonkvrouw Vasantasenâ gaan. (Haar naderend.)
Jonkvrouw, ik buig mij neder.
Vasantasenâ.
Radanikâ, wees welkom. Van wien is toch dat knaapje? Schoon ongetooid
van leden, verheugt het maangelaat mijn hart.
Radanikâ.
Wel, dat is de zoon van den edelen Cârudatta; Rohasena heet hij.
Vasantasenâ (de armen uitstrekkend).
Kom, mijn zoontje, omhels mij. (Hem op haar schoot nemend.) In
schoonheid evenaart hij zijn vader.
Radanikâ.
Niet alleen in schoonheid, ook in karakter, zou ik meenen. In hem
verlustigt zich de edele Cârudatta.
Vasantasenâ.
Maar waarom weent hij?
Radanikâ.
Hij heeft met een gouden wagentje gespeeld, dat aan het zoontje van
onzen buurman behoorde, en dat is door dezen meegenomen. Toen hij er
weer om vroeg, heb ik dit leemen wagentje gemaakt en hem dat gegeven.
Toen zegt hij: „Radanikâ, wat zal ik met dit leemen wagentje? Geef mij
het gouden wagentje.”
Vasantasenâ.
Helaas, helaas! ook deze waarlijk heeft verdriet door den voorspoed van
anderen. Verheven Noodlot, gij speelt met der menschen lot, dat gelijk
is aan den op het lotusblad gevallen waterdroppel. (Onder tranen.)
Kind, ween niet; met een gouden wagentje zult ge spelen.
Rohasena.
Radanikâ, wie is zij?
Vasantasenâ.
De slavin van uw vader, door zijn deugden gewonnen.
Radanikâ.
Kind, de Jonkvrouw is uw moeder.
Rohasena.
Radanikâ, onwaarheid spreekt ge; als de Jonkvrouw onze moeder is, hoe
komt ze dan aan die sieraden?
Vasantasenâ.
Kind, met naïeven mond zegt ge dingen, die al te droevig zijn.† (Doet
of zij haar sieraden aflegt; weenend.) Zie, nu ben ik uw moeder
geworden. Neem dan deze sieraden; laat U een gouden wagentje maken.
Rohasena.
Ga heen, ik wil ze niet nemen; gij weent.
Vasantasenâ (haar tranen afwisschend).
Kind, ik zal niet weenen; ga, speel. (Met de sieraden het leemen
wagentje vullend.) Kind, laat U een gouden wagentje maken. (Radanikâ
met het knaapje af.)
Slaaf (op een wagen zittend, opkomend).
Radanikâ, Radanikâ! meld Jonkvrouw Vasantasenâ: „Een gesloten wagen
staat aan de zijdeur gereed.”
Radanikâ (opkomend).
Jonkvrouw, Vardhamânaka is daar en laat U weten: „De wagen staat aan de
zijdeur gereed.”
Vasantasenâ.
Laat hij een oogenblikje wachten, terwijl ik mij gereed maak.
Radanikâ (naar buiten gaande).
Vardhamânaka, wacht een oogenblikje, terwijl de Jonkvrouw zich gereed
maakt.
Slaaf.
Wel, kijk eens aan! daar heb ik het wagenkussen vergeten; laat ik het
even gaan halen. Maar deze stieren zijn door den neusriem kregel. Wel,
dan zal ik met den wagen heen en weer rijden. (De slaaf af.)
Vasantasenâ.
Meisje, reik mij mijn opschik; ik ga mij gereed maken. (Zij blijft zich
gereed maken.)
De slaaf Sthâvaraka (op een wagen zittend, opkomend).
Mij is gelast door des konings zwager Samsthânaka: „Sthâvaraka, kom
spoedig met den wagen naar het oude park Pushpakarandaka.” Komaan, daar
ga ik heen. Voort, stieren, voort! (Gaat het tooneel rond en ziet om
zich heen.) Hoe, de weg is door dorpskarren versperd, wat zal ik nu
doen? (Op hoogen toon.) Hé daar, op zij, op zij! (Luistert.) Wat zegt
ge? Van wien deze wagen is? Deze wagen is van des konings zwager
Samsthânaka, gaat dus spoedig op zij. (Ziet om zich.) Hé, wie was die
man daar toch, die, zoodra hij mij in ’t oog kreeg—evenals, wanneer hij
den bankhouder ziet, een van ’t spel weggeloopen speler—zoo plotseling
zijn gelaat verborg en naar elders wegliep. Maar kom, wat heb ik met
dien man te maken? Ik zal spoedig verder gaan. Hé daar, dorpers, op
zij, op zij! Wat zegt ge? „Wacht een oogenblikje, help het wiel
omdraaien.” Wel, wel! ik, de voerman† van des konings zwager
Samsthânaka, zal een wiel helpen omdraaien! Maar hij is alleen, de
sukkel; dus zal ik het maar doen. Dezen wagen zal ik aan de tuindeur
van den edelen Cârudatta zetten. (Zet den wagen daar.) Daar ben ik al!
(Af.)
Slavin.
Jonkvrouw, ik hoor, geloof ik, geluid van wielen. Dus is de wagen
aangekomen.
Vasantasenâ.
Meisje, ga, mijn hart drijft tot spoed; dus wijs mij de zijdeur.
Slavin.
Kom dan, Jonkvrouw.
Vasantasenâ (gaat het tooneel rond).
Meisje, ge kunt rust nemen.
Slavin.