Kalfskind, heb jij dan zelf het spel zóó* beoefend?†

Darduraka.

Ja, zoo heb ik het spel beoefend.

Mâthura.

Komaan, wrijfmeester, betaal de tien suvarna’s.

Wrijfmeester.

Edele, ik zal ze wel betalen, ik zal ze betalen. (Mâthura sleurt hem

voort.)

Darduraka.

Dwaas, achter mijn rug kunt ge hem mishandelen, maar niet voor mijn

oogen.

(Mâthura sleurt den wrijfmeester voort en geeft hem een vuistslag op

den neus. De wrijfmeester, een flauwte voorstellende, valt bloedend ter

aarde. Darduraka, toeloopend, komt tusschen beiden. Mâthura slaat

Dardura. Dardura slaat weerom.)

Mâthura.

Ha, ellendige hoerenzoon, dat zal ik je betaald zetten.

Darduraka.

Zoo, dwaas, ik ben door jou op den openbaren weg geslagen, maar sla me

morgen eens in het paleis*, dan zul je eens zien.

Mâthura.

Dan zal ik wel zien.

Darduraka.

Hoe zul je dan zien?

Mâthura (de oogen openspalkend).

Zóó zal ik zien. (Dardura gooit Mâthura de oogen vol zand en geeft den

wrijfmeester een wenk om weg te loopen. Mâthura, de oogen

dichtknijpend, valt ter aarde. De wrijfmeester loopt weg.)

Darduraka (bij zich zelf).

Nu heb ik Mâthura, onzen eersten speelbankhouder mij tot vijand

gemaakt. Het is dus niet geraden, hier te blijven. Ook heeft mijn lieve

vriend Çarvilaka mij verteld, dat aan een jongen herder, ′Aryaka

genaamd, door een waarzegger is voorspeld, dat hij koning zal worden.

En alle lieden van onze soort kiezen zijn partij. Ik zal dus ook tot

hem gaan. (Af.)

Wrijfmeester (bevreesd rondloopend en om zich ziende).

Hier is een huis, van wien weet ik niet, waarvan de zijdeur open

staat.† Hier zal ik dus binnengaan. (Doet of hij binnengaat;

Vasantasenâ ziende*.) Edele, ik zoek bescherming.

Vasantasenâ.

Veiligheid hem, die bescherming zoekt. Meisje, sluit de zijdeur.

Slavin* (doet aldus en gaat het tooneel rond).

Jonkvrouw, het is geschied.

Vasantasenâ.

Wat?

Slavin.

Wat door U is bevolen.

Vasantasenâ.

Waarvoor zijt ge bevreesd?

Wrijfmeester.

Edele, voor een schuldeischer.

Vasantasenâ.

Meisje, open dadelijk de zijdeur.

Wrijfmeester (bij zich zelf).

Hoe, die oorzaak van vrees wordt door haar naar haar rijkdom†

afgewogen. Terecht zegt men toch:

De mensch, die, kennend eigen kracht,

een last draagt, daarnaar afgewogen,

Bij hem ontstaat geen struikeling

en in de wildernis komt hij niet om.

Men heeft mij hier gezien.

Mâthura (de oogen uitwrijvend, tot den speler).

Komaan, betaal, betaal!

Speler.

Heer, terwijl Dardura met ons aan ’t twisten was, is de kerel

weggeloopen.

Mâthura.

Ik heb dien speler door een vuistslag den neus gebroken. Kom dus, laten

wij het bloedspoor volgen. (Volgt het.)

Speler.

Heer, hij is het huis van Vasantasenâ binnengegaan.

Mâthura.

Dan zijn de suvarna’s er geweest!

Speler.

Laten we naar het paleis gaan en het aangeven.

Mâthura.

Dan zal die schelm dit huis uitloopen en elders heengaan. Laten wij hem

dus vangen, door hem den uitgang te versperren.

(Vasantasenâ geeft Madanikâ een wenk.)

Madanikâ.

Vanwaar komt UEd.? en wie is UEd.? en wiens zoon is UEd.? en van welk

bedrijf leeft UEd.? en vanwaar uw vrees?

Wrijfmeester.

De Jonkvrouw luistere. Jonkvrouw, Pâtaliputra* is mijn geboortegrond;

ik ben de zoon van een gṛhastha* en leef van het bedrijf van

wrijfmeester.

Vasantasenâ.

Dan heeft UEd. wel een zeer fijne kunst geleerd.

Wrijfmeester.

Jonkvrouw, wat ik als kunst leerde, is nu mijn levensonderhoud

geworden.

Slavin.

UEd. heeft daar een al te moedeloos antwoord gegeven. En toen?

Wrijfmeester.

Toen, Jonkvrouw, door al wat ik in ons huis uit den mond van reizigers

vernam, werd bij mij de begeerte opgewekt, vreemde landen te zien en

zoo ben ik hierheen gegaan. En toen ik hier in Ujjayinî was aangekomen,

heb ik een edel heer gediend, zoo iemand, die, vriendelijk van

voorkomen en vriendelijk van taal, eigen weldaad niet roemt en

beleediging vergeet. Waartoe vele woorden? In zijn rechtvaardigheid

beschouwt hij zich zelf als aan anderen toebehoorend en is de vriend

van die bescherming zoeken.

Slavin.

Wie is dat sieraad van Ujjayinî, die aan hem, die zoozeer der Jonkvrouw

hartewensch is, zijn deugden heeft ontstolen.

Vasantasenâ.

Mooi zoo, meisje, mooi zoo! Ook ik had juist zoo in mijn hart

gesproken.

Slavin.

Edele, en toen?

Wrijfmeester.

Toen, Jonkvrouw, door de gaven, die hij schonk uit barmhartigheid....

Vasantasenâ.

Heeft hij zijn vermogen verloren?

Wrijfmeester.

Hoe weet de Jonkvrouw dit, vóór ik het vertelde?

Vasantasenâ.

Wel, het is toch bekend: moeilijk te vereenigen zijn deugd en rijkdom;

in ondrinkbare vijvers is het meeste water.

Slavin.

Edele, welken naam draagt hij dan?

Wrijfmeester.

Wie kent den naam niet van die Maan op aarde? Hij woont immers in de

wijk der gildemeesters; roemvol van benaming, heet hij de edele

Cârudatta.

Vasantasenâ (verheugd van haar zetel afdalend).

UEd. beschouwe dit huis als uw eigen. Meisje, geef hem een zetel, neem

een waaier; de edele heer wordt door vermoeidheid gekweld. (De slavin

doet aldus.)

Wrijfmeester (bij zich zelf).

Hoe, door den naam van den edelen Cârudatta te noemen, valt mij zulk

een onderscheiding te beurt. Bravo, edele Cârudatta, bravo! gij alleen

leeft op aarde, maar andere menschen ademen slechts. (Haar te voet

vallend.) Welaan, Jonkvrouw, welaan! De Jonkvrouw neme weder plaats op

haar zetel.

Vasantasenâ (op den zetel plaats nemend).

Edele, vanwaar die schuldeischer?

Wrijfmeester.

Der ed’len rijkdom is weldadigheid;

wie heeft geen rijkdom, die vergank’lijk is?

Wie ook vereering te bewijzen weet,

die weet ook ’t onderscheid van eerbewijs.*

Vasantasenâ.

En toen?

Wrijfmeester.

Toen heeft de edele heer mij tot zijn dienaar gemaakt en onderhouden,

maar toen hij niets meer over had dan zijn goeden naam, ben ik gaan

leven van het spel. Toen, door de vijandschap van het Lot, heb ik tien

suvarna’s bij het spel verloren.

Mâthura.

Ik ben geruïneerd, ik ben bestolen!

Wrijfmeester.

Daar zijn de bankhouder en de speler, die het op mij gemunt hebben. Nu

de Jonkvrouw mijn verhaal heeft vernomen, staat aan haar de beslissing.

Vasantasenâ.

Madanikâ, wanneer de boom, die hun tot woning dient, wankelt, zwerven

ook vogels her-en-derwaarts. Meisje, ga dan en geef aan bankhouder en

speler dit armsieraad met de woorden: „Hij zelf, de edele heer, doet

het U toekomen.”

(Trekt van haar arm een armband en reikt dien de slavin.)

Slavin (hem nemend).

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 46 / 131 题