Çarvilaka.
Edele Vasantasenâ, in zijn tevredenheid verblijdt de koning U met den
naam van gemalin.
Vasantasenâ.
Edele, mijn wensch is vervuld.
Çarvilaka (na Vasantasenâ te hebben gesluierd*, tot Cârudatta).
Edele, wat moet met dezen bedelmonnik worden gedaan?
Cârudatta.
Bedelmonnik, wat wordt door U op prijs gesteld?
Bedelmonnik.
Nu ik zulk een wisselvalligheid heb gezien, ben ik het monniksleven
dubbel gaan op prijs stellen.
Cârudatta.
Vriend, zijn besluit staat vast. Dus worde hij tot hoofd gemaakt over
alle kloosters des lands.
Çarvilaka.
Gelijk UEd. heeft gezegd.
Bedelmonnik.
Dat is ons lief, zeer lief.
Vasantasenâ.
Thans ben ik herleefd!
Çarvilaka.
Wat moet met Sthâvaraka worden gedaan?
Cârudatta.
De brave man worde uit de slavernij ontslagen. Laten de Cândâla’s
hoofden van alle Cândâla’s worden. Candanaka verwerve het ambt van
politiemeester des lands en van den koningszwager blijve de bezigheid,
gelijk die vroeger was.
Çarvilaka.
Zoo zij het, gelijk UEd. gezegd heeft. Maar hem moet ge aan ons
overlaten, dan breng ik hem ter dood.
Cârudatta.
Veiligheid hem, die bescherming zoekt. Een vijand, die misdeed, enz.
(Herhaalt hij.)
Çarvilaka.
Zeg mij dan; waarmede kan ik U nog verblijden?
Cârudatta.
Van nu af aan is ons de hoogste blijdschap.
Want mijn naam is gezuiverd,
en, te voet mij gevallen,
deze vijand ontslagen;
Zijn benijders ontwort’lend,
beheerscht mijn geliefde vriend,
′Aryaka d’ aard’ als koning;
De geliefde herkreeg ik;
met mij, den geliefden vriend,
zijt, mijn vriend, gij vereenigd.
Wat is dan te verwerven,
wat nog ov’rig gebleven,
dat ik thans U zou vragen?†
’t Lot maakt sommigen leeg en sommigen gevuld,
voert and’ren tot hoogheid weer;
Doet ook som’gen den weg ten ondergang betreen,
voert and’ren, die bijster zijn;
Wijl ’t in ’s werelds bestand een samenstel vertoont
van wat elkaar strijdig is,
Speelt ’t Noodlot met den mensch, als hadde het te doen
met kruikjes aan ’t waterrad.
Nochtans geschiede dit:
Mogen de koeien melkrijk,
de aard’ alom bedekt zijn
met welig-groeiend koren;
Parjanya* tijdig reg’nen,
mogen er winden waaien,
die aller geest verblijden,
De scheps’len zich verheugen,
rechtvaardige Brahmanen
gestadiglijk geliefd zijn;
Hoeden, in praal regeerend,
hun vijanden verdelgend,
gerechte vorsten d’aarde!
(Allen af.)
Aldus in „Het leemen Wagentje”
het tiende Bedrijf,
„Het Besluit”
genaamd.
En hier
is geëindigd
„Het leemen Wagentje”.