in het Voorspel:
‡ Tooneelleider
Tooneelspeelster
‡ Cârudatta, Brahmaan en hoofd van een handelsveem.
Maitreya, de Vidûshaka.
Rohasena, Cârudatta’s zoon.
Vardhamânaka, Cârudatta’s slaaf.
Samsthânaka, zwager van koning Pâlaka.
‡ Een Hoveling.
Sthâvaraka, Samsthânaka’s slaaf.
‡ Çarvilaka, Brahmaan en minnaar van Madanikâ.
‡ ′Aryaka, een jonge herder.
Een Wrijfmeester, later Buddhistisch bedelmonnik.
Mâthura, opzichter van een speelhuis.
Een Speler.
‡ Darduraka.
Slaven van Vasantasenâ:
Karnapûraka
Kumbhîlaka
Bandhula’s in Vasantasenâ’s paleis.
Hoofdlieden der Stadswacht:
Vîraka
Candanaka
‡ Een Rechter.
Een Gildemeester.
Een Griffier.
Een Gerechtsbode.
Twee Cândâla’s als Beulsknechten.
Vasantasenâ, een rijke Hetaere.
Vasantasenâ’s moeder.
Cârudatta’s vrouw.
Radanikâ, slavin van Cârudatta.
Madanikâ, ,, ,, Vasantasenâ.
Een andere slavin.
Het stuk speelt te Ujjayinî.
De met ‡ onderscheiden personen spreken Sanskṛt, de overige Prâkṛt; dit
verschil van taal moest in de vertaling noodzakelijk wegvallen.
Over den uitspraak der Sanskṛt-woorden het volgende:
a uit te spreken als Ndl. a (in man)
â (′A) ,, ,, ,, ,, ,, aa (in maan)
i ,, ,, ,, ,, ,, ie
u ,, ,, ,, ,, ,, oe
ṛ ,, ,, ,, ,, ,, er (in bakker)
g ,, ,, ,, ,, Fr. g (in gare)
c ,, ,, ,, ,, Ndl. tsj
ch ,, ,, ,, ,, ,, tsjh
j ,, ,, ,, ,, ,, dzj
y ,, ,, ,, ,, ,, j
v ,, ,, ,, ,, ,, w
ç ,, ,, ,, ,, ,, sj (palataal)
sh ,, ,, ,, ,, ,, sj (linguaal)
s ook tusschen vocalen scherp uit te spreken.
(De lingualen alsmede gutturale en palatale n zijn alleen in de
Aanteekeningen aangegeven.)