Zooals de Jonkvrouw beveelt. (Af.)

(De Vidûshaka komt op met een bandhula.)

Vidûshaka.

Wel, kijk eens aan! De demonen-koning Râvana wordt gevoerd door den

luchtwagen Pushpaka, dien hij door pijnigende zelfkastijding heeft

gewonnen, maar ik, Brahmaan, die niet eens pijnigende zelfkastijding

heb bedreven, word gevoerd door bajaderen.

Slavin.

Zie, edele heer, onze huispoort.

Vidûshaka (ze aanschouwend, verbaasd).

O zie! met water besproeid en gereinigd en bestreken met geel; met een

terras, bont door allerlei bloemen; uit begeerte naar den aanblik des

hemels het hoofd hoog verheffend; versierd met als Airâvana’s*

schommelend neerhangende slurf slingerende jasmijn-guirlanden; met

verheven, elpenbeenen boog verlucht; met een menigte heilbanieren

getooid, die, van saffloer-verven schitterend, met door den wind

slingerende, dartelende, wapperende vingeren, mij schijnen toe te

roepen: „Kom binnen”; aan beide zijden verrukkelijk door op het

voetstuk der boog-dragende zuilen geplaatste, met glansend-gele

mangotwijgen gesierde, kristallen prachtvazen; met deurvleugels van

goud, dicht bezet met diamant, onsplijtbaar als van een grooten Asura*

de gewelfde borst; van arme lieden de begeerte prikkelend—hoe heerlijk

is die poort van Vasantasenâ’s woning! In waarheid, ook van een

onverschillig mensch trekt zij met geweld den blik tot zich.

Slavin.

Dit is de eerste hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend).

Wel, kijk eens aan! een reeks van torentjes, als maan, schelp en

lotuswortel van doorschijnenden glans; witachtig door een weinig

daarover gestrooid poeder;† prijkend met trappen van goud, ingelegd met

allerlei juweelen—schijnen met de maanvormige openingen hunner

kristallen vensters, waaruit parelsnoeren nederhangen, in aanschouwing

van Ujjayinî verzonken. Als een geleerd Brahmaan, gemakkelijk

nederzittend, dommelt de poortwachter. Door rijstebrij met zure melk

gelokt, eten de kraaien niet de offergave, daar deze in kleur

pleisterkalk gelijkt.—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de tweede hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den tweeden hof staan, goed gevoed met

beten gras en kaf uit den omtrek aangevoerd†, met sesam-olie de hoornen

gezalfd, trekstieren vastgebonden. Die ééne† stier zucht diep als

iemand van goeden huize, die geminacht wordt. En hier als van een

worstelaar, na afloop van den strijd, wordt van een ram de nek

gewreven. Daar ginds weer worden van paarden de manen opgemaakt. En

daar, als een dief stevig vastgebonden, zit in den paardenstal een aap.

(Elders heenziende.) En daar wordt met een kluit, waarin gekookte

rijst, merg en sesam-olie zijn dooreengemengd, een olifant door de

kornaks gevoederd.—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de derde hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den derden hof zijn voor de zonen van

goeden huize deze zetels gereed gemaakt. Op de speeltafel ligt een

half-doorgelezen handschrift. Van echt-juweelen figuren† is de

speeltafel voorzien. En ginds, in der Minne bond en oorlog bedreven,

schilderstukken, met allerlei kleuren bestreken, in de hand houdend,

zwerven her- en derwaarts hetaeren rond, van oude hovelingen

vergezeld.—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de vierde hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den vierden hof, door jonge-meisjeshanden

geslagen, dreunen met diepen klank, als onweerswolken, de trommen,—als

sterren, wier goede werken zijn uitgeput, van den hemel, zóó vallen de

cimbalen; als der bijen gonzen lieflijk, weerklinkt de rietfluit. En

daar, als eene door ijverzucht en liefde vertoornde minnares op schoot

genomen, wordt door den greep der nagelen de luit getokkeld. En ginds,

gelijk door bloemensap bedwelmde honingbijen, hebben hetaerenmeisjes

een zeer liefelijk gezang aangeheven, er wordt gedanst, een tooneelspel

wordt voorgedragen van verliefden toon. Schommelend in de ronde

vensters, vangen waterkruiken den wind.—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de vijfde hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den vijfden hof lokt mij, van arme lieden

de begeerte wekkend, een overvloedige geur van hingu* en sesam-olie.

Door de deurmonden, die allerlei welriekende dampen uitwasemen, schijnt

de keuken, die bestendig wordt verhit, te zuchten. De geur van de

velerlei spijzen, die hier worden toebereid, doet mij eerbiedig nader

treden.† Daar spoelt een mooie jongen een darm uit, alsof het een oud

kleed ware. De kok bereidt een verscheidenheid van velerlei gerechten.

Taarten laat men rijzen†, koeken worden gebakken. (Bij zich zelf.) Zal

ik nu hier voetwater krijgen met de woorden: „Eet één die gerezen is.”†

(Elders heenziende.) En ginds die met allerlei sieraad getooide

hetaeren en bandhula’s, welke zijn als Gandharva- en Apsaras-scharen*†,

maken in waarheid dit huis tot een hemel. Wel, wie zijt gij, die

bandhula’s genoemd wordt?

De bandhula’s.

Wel, wij bandhula’s,

In een vreemd huis gekoesterd en met vreemde rijst gevoed,

Door vreemde mannen voortgebracht bij vreemde vrouwen,

Met vreemd geld ons verheugend,—zoo wij schulden maken†

Niet laakbaar,—dartelen als jonge olifanten.

Vidûshaka.

Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de zesde hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den zesden hof geschiedt de bewerking van

goud en edelgesteenten; bogen, met saffier ingelegd, vertoonen de

gestalte van den regenboog. Berillen, paarlen, koraal, topazen,

saffieren, chalcedonen, robijnen, smaragden, ja, allerlei juweelen

wegen de kunstenaars tegen elkander af. Robijnen worden in goud gevat,

gouden sieraden worden vervaardigd, aan een rooden draad worden

parelsnoeren geregen, berillen worden kunstig geslepen, schelpen worden

doorboord, koralen worden op een steen gewreven, uitgespreide versche

saffraan wordt gedroogd. Muskus wordt bevochtigd, sandelwater

uitgeperst, reukwerken worden saamgevoegd. Aan de hetaeren en haar

minnaars wordt betel met kamfer gegeven, men ziet elkander van ter

zijde aan, er weerklinkt gelach, men slurpt onophoudelijk likeur. Hier

zijn slaven, daar slavinnen; en gindsche mannen, zoon, vrouw en goed

versmadend, drinken bekers likeur, die door de hetaeren, wanneer zij

gedronken hebben, zijn losgelaten,†—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de zevende hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! hier in den zevenden hof in een goed gesloten

volière behaaglijk nederzittend, verheugen zich de tortelduivenparen,

wier grootste vreugde is elkaar te kussen. Als een Brahmaan, die met

melkkost zich den buik gevuld heeft, reciteert de papegaai in zijn kooi

een schoone spreuk. En ginds weer als een huisslavin, die door haar

meester te eeren vrijheid van spreken heeft gekregen, babbelt druk de

madana-ekster†. De keel gestreeld door den smaak van verscheidene

vruchtensappen, kweelt als een lichtekooi de koekoek; opgehangen aan

olifantstanden zijn rijen kooien; kwartels laat men vechten;

hazelhoenders in kooien laat men kakelen; tamme duiven worden

uitgezonden. Her- en derwaarts vroolijk huppelend en als getooid met

velerlei juweelen, schijnt die huispauw het dak, gloeiend door de

zonnestralen, met de slagen zijner vleugels te verkoelen. (Elders

heenziende.) Daar als verdichte maanstralen zwerven flamingo-paren

achter de verliefden, wier gang zij schijnen aan te leeren. En ginds

weer als oude eunuchen wandelen tamme reigers rond. Wel, kijk eens aan!

daar wordt een hetaere op de vlucht gedreven door zwermen van allerlei

vogels.† In waarheid toch, als de lusthof Nandana* schijnt mij het huis

der hetaere.—Ga voort, Geachte.

Slavin.

Kom dan, Edele, dit is de achtste hof, UEd. trede binnen.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Geachte, wie is die man, met een mantel van laken bekleed, en overladen

met een wonderlijke menigte van sieraden, die, wankelend door het

draaien zijner ledematen†, daar heen en weer wandelt?

Slavin.

Edele, dat is de broeder der Jonkvrouw.

Vidûshaka.

Hoe groote zelfkastijding heeft hij wel bedreven, om Vasantasenâ’s

broeder te worden! En toch—neen, ook al is hij schitterend en glimmend

en welriekend, toch moet men hem schuwen als een campaka-boom*, die aan

den weg der begraafplaats is ontsproten. (Elders heenziende.) Geachte,

wie is toch die vrouw, die met een gebloemden† mantel bekleed, en de

van olie glibberige voeten in een paar muilen gestoken, op een hoogen

zetel is gezeten?

Slavin.

Edele, wel, dat is de moeder van onze Jonkvrouw.

Vidûshaka.

O hé, wat heeft die onreine heks een omvang van buik! Heeft men haar

dan als een beeld van den Grooten God* hier in huis gebracht, vóórdat

die pracht van een poort was gebouwd?

Slavin.

Deugniet, ge moogt ons moedertje niet zoo beschimpen. Zij lijdt aan

derdendaagsche koorts.

Vidûshaka (spottend).

O heilige derdendaagsche koorts, zie ook op mij, Brahmaan, met zulk een

welwillenden blik neder!

Slavin.

Deugniet, sterven zult ge!

Vidûshaka (spottend).

O slavinnendochter, het ware beter, dat zulk een opgezwollen, vette

buik stierf:

Door zich aan brandewijn, rum en zulk voedertje†

steeds te bedrinken, geraakte toch moedertje

In zulk een toestand en sterft er eens moedertje,

dan is voor duizenden jakhalzen voedertje.

Geachte, varen bij U ook schepen?

Slavin.

Edele, wel neen.

Vidûshaka.

Maar wat vraag ik nog! Op den oceaan der liefde, waarvan teederheid het

water is, zijn uw bekoorlijkheden schepen, die den geest ontvoeren.† Nu

ik dus Vasantasenâ’s achthovig paleis, zoo rijk aan tafereelen, heb

gezien, meen ik, in waarheid, als op één plaats vereenigd, Indra’s drie

hemelen te hebben aanschouwd; het te prijzen vermag mijn stem niet. Is

dit een hetaeren-huis of is het een afbeeldsel van Kuvera’s* woning?

Waar is uw Meesteres?

Slavin.

Edele, zij bevindt zich in den boomhof, treed dus binnen, edele heer.

Vidûshaka (binnentredend en rondziende).

Wel, kijk eens aan! De pracht van den boomhof, met vele boomen, beladen

met een overvloed van wonderbare bloesems†, met zijden schommels, aan

den voet van naburige boomen aangebracht naar de maat van de heupen der

jonge meisjes†, schijnt in waarheid door suvarnayûthikâ, çephâlikâ,

mâlatî, mallikâ, navamallikâ, kuravaka, atimuktaka* en andere bloemen,

die van zelf zijn neergevallen, de pracht van Nandanavana* te

overtreffen. (Elders heenziende.) En daar met waterrozen en roode

lotusbloemen, die de opkomende zon in glans gelijken, schijnt in

mijmering verdiept de vijver.†

En die açoka-boom*, met pas ontloken bloem en twijgen, schittert

Als een goed krijgsman in den strijd, met dikke laag geronnen bloed

bedekt.

Geachte, waar is nu uw Meesteres?

Slavin.

Edele, sla uw blik neder, en aanschouw de Jonkvrouw.

Vidûshaka (haar ziende en nader tredend).

Heil U, Geachte.

Vasantasenâ.

Wel zie,—Maitreya! (Opstaande.) Welkom, hier is een zetel, wil plaats

nemen.

Vidûshaka.

Het leemen wagentje: Indisch tooneelspel uit Sanskṛt en Prākṛt in het Nederlandsch vertaald · 第 67 / 131 题