Doch ook die triomf was nog niet voldoende voor den Admiraal, want zijn

aartsvijand was hem ontsnapt, en juist om dien man was het hem te doen;

hij besloot dus oogenblikkelijk een aanval te beproeven op de

verschansingen van het Houtduifeiland. De vrijbuiters bestormden die

met ongekende verwoedheid; zij dorstten naar Spaansch bloed, en wilden

tot op den laatsten matroos van die vloot, die hun zooveel schrik en

angst berokkend had, vernietigen.

De Onder-Koning had den aanval voorzien en zich dus gehaast de noodige

stellingen in te nemen tot het bieden van krachtdadigen wederstand. De

botsing tusschen de vrijbuiters en de Spanjaarden was ontzettend, maar

de Onder-Koning had met zooveel tact zijne soldaten op de gevaarlijkste

punten post doen vatten, en de manschappen wisten zóó goed dat zij niet

op genade hadden te hopen, dat zij met de grootste volharding stand

hielden, zoodat de vrijbuiters ondanks al hunne verbittering, er niet

in konden slagen de verschansingen te overmeesteren.

Montbars zag dadelijk in dat het onmogelijk was door een bestorming de

positie te forceeren, die door den vijand met al de kracht der wanhoop

verdedigd werd, en achtte het noodig den terugtocht te gelasten en naar

de booten te trekken na zware verliezen te hebben geleden, want bij

dien aanval waren honderd twintig manschappen gedood of gewond.

Ondanks de behaalde zegepraal en niettegenstaande de vernietiging der

Spaansche vloot was de toestand der vrijbuiters niet veel gunstiger

geworden, want nog altijd bevonden zij zich aan gene zijde der engte,

die gepasseerd moest worden, om in volle zee te komen; en de

Spanjaarden, behoorlijk verschanst op het Houtduifeiland, waren, dank

zij het aanzienlijke getal hunner stukken, in staat ongestoord te vuren

op de schepen al naar mate die mochten beproeven zich in de nauwe geul

te wagen om het ruime sop te bereiken. Het lot van de vrijbuiters hing

dus af van de bemachtiging van het fort, maar zij hadden reeds eene

ernstige poging aangewend het te overmeesteren en waren daarin niet

geslaagd hoeveel kracht ook door hen was ontwikkeld geworden.

De geduchte nederlaag, ondervonden bij een plotselingen overval op de

Spanjaarden, toen deze geacht konden worden nog geen vasten voet te

hebben gezet in hunne posities, ontmoedigde hen dermate, dat de

vroegere wankelmoedigheid weer de overhand verkreeg, waardoor schrik en

ontsteltenis ontstond en zij begonnen te vreezen voor een goeden

uitslag van de expeditie.

Alleen Montbars wanhoopte niet; zijne kameraden mochten er bij hem op

aandringen te trachten met den Onder-Koning in onderhandeling te komen,

zij wilden hem zelfs machtigen den te Maracaïbo en te Gibraltar

verkregen buit prijs te geven, hij sloeg geen acht op hunne vertoogen

en smeekingen en bleef onverzettelijk bij zijn besluit om het fort te

nemen en den doortocht stormenderhand te forceeren. Hij herinnerde aan

de flibustiers hoe zij hem bezworen hadden hem in alles te zullen

gehoorzamen en tot den laatsten man te strijden; spottend sprak hij

over hunne wankelmoedigheid en op alles wat zij aanvoerden gaf hij

steeds hetzelfde antwoord, dat zij aan hem hun lot hadden toevertrouwd,

en dus niets anders hadden te doen dan stipt zijne bevelen op te

volgen, zonder zich te bekommeren over de gevolgen, waarvoor hij, en

hij alléén, verantwoordelijk bleef.

Thans zullen wij opnieuw het woord afstaan aan Olivier Oexmelin, den

waarheidlievenden en betrouwbaren ooggetuige aan wiens relaas wij reeds

meer dan ééne bijzonderheid hebben ontleend.

Toen Montbars de treurige ondervinding had opgedaan dat kracht noch

geweld voor den doortocht kon baten, besloot hij weer tot list zijn

toevlucht te nemen. Thans verzon hij er weer iets anders op. Daags na

den mislukten aanval, deed hij toen het begon te dagen, met de booten

van het eskader, een honderdtal vrijbuiters aan wal zetten buiten het

bereik van het geschut van het fort, naar een plek bedekt met hoog gras

en dicht struikgewas. Vervolgens moesten op zijn bevel, die

flibustiers, na daar ter plaatse zich eenige uren verborgen te hebben

gehouden, één voor één naar de booten terugkeeren, doch op Indiaansche

manier over den grond kruipende, zoodat men hen niet van uit het fort

gewaar kon worden. Waren zij aldus bij de booten gekomen dan moesten

zij zich daarin plat uitstrekken, en die dan schijnbaar leege

vaartuigen door een paar roeiers naar boord worden teruggebracht. Die

zonderlinge manoeuvre, werd den ganschen dag voortdurend herhaald in

het gezicht der Spanjaarden, om deze in den waan te brengen dat al de

bemanningen waren ontscheept.

En die list beantwoordde inderdaad aan de bedoeling. Misleid door dien

valschen schijn, twijfelden de Spanjaarden er niet aan, dat de

vrijbuiters voornemens waren den volgenden nacht van de landzijde op

het fort een aanval te doen; zij verplaatsten dus hunne stukken en

brachten die in batterij naar den bedreigden kant, waar zij al hun

macht vereenigden, zoodat aan den zeekant alles bijna zonder

verdediging bleef.

Dit had Montbars juist verwacht, op die vergissing had hij gerekend, en

met zijn gewone vaardigheid maakte hij zich dien misslag ten nutte. ’s

Avonds tegen tien uur staken de booten vol gewapende manschappen van de

schepen af en landden op den zandigen oever van het Houtduifeiland; de

flibustiers sprongen ijlings aan wal, en deden op de verschansingen een

onwederstaanbaren aanval, en tezelfder tijd heschen hunne schepen de

zeilen en passeerden zonder eenige verhindering het kanaal, terwijl zij

daarvan op een half kanonschot afstand dwars gehaald, op het fort

telkens onafgebroken de volle laag deden neerkomen.

Eerst nu werd eindelijk aan de Spanjaarden de krijgslist hunner

vijanden duidelijk, en wilden zij met den meesten spoed de stukken weer

in de vroegere positie brengen, om de bestorming der verschansingen te

beletten, maar het was te laat en te vergeefs; de vrijbuiters toch

waren reeds tot in hun midden gedrongen, hieven een woest

krijgsgeschreeuw aan, of beter gezegd, brulden dit uit, en zwaaiden in

dolle woede hunne wapens in de lucht. Er volgde tusschen belegeraars en

belegerden een gevecht van man tegen man, een vreeselijke kampstrijd,

doch waarvan de uitslag moest zijn ten voordeele van de vrijbuiters,

dank zij de behendigheid en de oneindig grootere lichaamskracht waarin

zij de Spanjaarden overtroffen. Toch bleven de Spanjaarden zich

verdedigen met bewonderenswaardige dapperheid en volharding, gedreven

door wanhoop en hun vast besluit hun leven op te offeren; zij weken

niet terug dan pas voor pas, en vielen niet eer zij gedood werden;

iedere duim gronds die door de flibustiers werd veroverd, kostte

stroomen bloeds; de verbittering was thans van weerskanten even fel, en

ieder begreep dat nu de leuze gold, sterven of overwinnen.

Het volle maanlicht bescheen de plaats van het gevecht en maakte de

worsteling nog afschuwelijker, daar zij de strijdenden in staat stelde

hunne slagen des te zekerder te doen neerkomen. Ondanks zijn hoogen

leeftijd verrichtte de Onder-Koning wonderen van dapperheid; het was of

hij steeds overal en bij allen was, en hij moedigde de soldaten

onophoudelijk aan zoowel door stem als door voorbeeld.

Die ontzettende kampstrijd duurde bijna twee volle uren, steeds even

verwoed, even hardnekkig, even volhardend, zonder dat noch bij de eene,

noch bij de andere partij verzwakking merkbaar werd. Niemand zou hebben

kunnen voorspellen hoe die afschuwelijke slachting zou eindigen, toen

op eens boven alles uit de stem werd vernomen van Montbars, die een

donderen „Voorwaarts!” deed hooren.

Gevolgd door zijne dapperste kameraden, doet de vermaarde en zoozeer

geduchte vrijbuiter een aanval op de dichtste drommen der Spanjaarden,

en werpt omver, verslaat of verstrooit allen die hem in den weg staan.

De flibustiers ontwikkelen al hunne kracht; de Spanjaarden beseffen dat

zij verloren zijn, doch de wanhoop doet hen stand houden; zij vechten

niet meer om te overwinnen, maar om met de wapens in de hand te vallen,

daar zij den dood verkiezen boven de schande en de kwellingen der

slavernij.

Ziedend van woede doet Montbars zijn zwaard met felle slagen neerkomen

tusschen de gelederen zijner vijanden, en roept met heesche stem

telkens den hertog de Penaflor op, wien hij steeds trachtte op te

sporen te midden van de verwarde strijders. De Onder-Koning beantwoordt

die uitdaging van zijn tegenstander; wanhopend snelt hij met de

grootste verbittering op hem toe en staat op het punt hem te naderen,

toen hij zich op eens van achteren voelt aangegrepen, op den grond

geworpen en ontwapend, terwijl Montbars die zich eindelijk vlak

tegenover den hertog bevindt, stilstaat, brullende van woede en

teleurstelling; zijn doodsvijand is de gevangene van Francoeur en

Philippe d’Ogeron. Die twee jongelieden hadden zich, als bij afspraak,

op den hertog geworpen en hem overweldigd.

—Ach!—barstte Montbars, op niet weer te geven verwijtenden toon

los.—Gij, gij, mijne getrouwsten, gij hebt mij van mijn wraak beroofd.

—Toch niet,—gaf Philippe ten antwoord.—Wij hebben die in tegendeel voor

je verzekerd.

Francoeur sloeg de oogen naar den grond en voegde er bij:—Die man moet

niet in het gevecht gedood worden.

—Dat is waar,—bevestigde Montbars.—Bij den hemel, gij hebt gelijk! Zulk

een dood zou voor hem te eervol zijn geweest! Ik dank je, jongens!

De beide mannen wisselden een blik van verstandhouding, terwijl

Montbars zich weder wierp daar waar de strijd het felste werd gevoerd.

De val van den Onder-Koning werd dadelijk bekend, en was het sein tot

de nederlaag der Spanjaarden; van dit oogenblik was hun tegenstand nog

slechts onbeduidend en ongeregeld, en kort daarna werden de enkele

dappere soldaten, die nog overgebleven waren, genoodzaakt de wapens

neer te leggen.

Twee uren later verlieten de schepen der flibustiers voor goed die

verwoeste streken, en lieten daar slechts bouwvallen en lijken achter.

’t Was feest te Port-de-Paix.

Het eskader der flibustiers was in vollen triumf dáár teruggekeerd van

die glorierijke expeditie naar Maracaïbo, en de bemanningen met

schatten beladen waren ontscheept. Als naar ouder gewoonte onbezorgd

voor den dag van morgen, hadden de Broeders der Kust zich dadelijk te

buiten gegaan in de onzinnigste brasserijen, waarbij al die rijkdommen

weer werden verspild, die hun zooveel inspanning, zooveel gevaren en

ontberingen, zooveel bloed gekost hadden. Met uitzondering van den

Onder-Koning, waren de Spaansche slaven opgesloten in tijdelijke

gevangenissen, om later aan de inwoners en aan de boekaniers verkocht

te worden. De hertog de Penaflor en enkele zijner officieren, die

ongelukkig genoeg voor hen, niet in het laatste gevecht waren

gesneuveld, werden gehuisvest in het verblijf van den Gouverneur, in

afwachting van het losgeld, dat voor hen moest worden opgebracht.

Er was een algemeene raadsvergadering der flibustiers belegd geworden,

waarbij de heer d’Ogeron het voorzitterschap bekleed had. In die

bijeenkomst bracht de plaatsvervanger des Konings in de eerste plaats

hulde en dank aan Montbars, voor de uitnemende en schitterende wijze,

waarop de expeditie door hem was bestuurd. Koel was die hulde door den

Admiraal aangehoord, en door hem alleen het woord gevraagd om als een

recht voor zich te eischen, dat de Onder-Koning aan hem zou worden

overgeleverd. Tevergeefs had de heer d’Ogeron getracht tegen dien eisch

in verzet te komen, want Montbars beriep zich op de wet der

flibustiers, die naar hij aantoonde duidelijk en bepaald sprak, en daar

ook de meerderheid der aanwezige vrijbuiters partij gekozen had voor

den Admiraal, was de heer d’Ogeron wel genoodzaakt toe te geven. Hij

had er zich dus aan onderworpen om den hertog ter beschikking te

stellen van Montbars, doch onder voorwaarde dat aan hem als Gouverneur

een uitstel van ééne week zou worden verleend, eer hij den gevangene

uitleverde. Toen was Montbars op zijn beurt gedwongen geweest die

voorwaarde aan te nemen, waarop hij zich verwijderd had met ingehouden

toorn.

Gedurende die week had de heer d’Ogeron herhaaldelijk geheime

bijeenkomsten met zijn neef en diens vriend Francoeur gehad; en had

zelfs aan den jongen man eene geheime zending opgedragen, zoodat sedert

zes dagen niemand hem meer te Port-de-Paix had gezien. Ook Montbars

scheen onzichtbaar geworden; hij had zich in zijn huis opgesloten,

waarvan de toegang onverbiddelijk geweigerd werd zelfs aan zijne

intieme vrienden, uitgezonderd twee hunner, met name Michel de Baskiër,

en Luiwammes. Die uitzondering bevreemde niemand, want het was algemeen

bekend dat zij beiden behoorden tot zijne oudste kameraden, en met hart

en ziel aan hem gehecht waren. Eindelijk was de week, die door den heer

d’Ogeron als uitstel bedongen was, ten einde, en op den morgen van den

laatsten dag, liet de gouverneur Montbars, verwittigen dat hij gereed

was den gevangene aan hem uit te leveren.

Bij het ontvangen van dit bericht betrok het gelaat van den flibustier;

hij vermoedde, dat er achter die schijnbare toegevendheid van den heer

d’Ogeron een adder onder het gras schuilde. Zonder echter zijn

achterdocht te laten blijken, verliet hij dadelijk zijn huis, en begaf

zich naar de woning van den Gouverneur, door Michel den Baskiër, en

door Luiwammes vergezeld. De heer d’Ogeron wachtte Montbars in zijn

salon af, ontving hem daar met innemende beleefdheid en verzocht op

hoogst gewonen toon dat hij hem zou volgen naar de kamer van den

gevangene. Montbars sloeg een scherpen blik op het rondborstige en

openhartige gelaat van den Gouverneur en zei:—Vergun mij één enkel

woord.

—Wel twee, als gij dat wenscht, waarde vriend,—ontving hij ten

antwoord.

—Gij noemt mij daar uw vriend, naar ik hoor, is het niet?—vroeg

Montbars eenigszins wantrouwend.

—Zeer zeker! Gij zijt dit immers, niet waar?—luidde de wedervraag.

—Dat is zoo, mijnheer, ik ben dat. Het is u bekend niet waar dat de

hertog de Penaflor mijn doodsvijand is?

—Ja, dat is zóó.

—Dan weet ge zonder twijfel ook dat ik voornemens ben mij op hem te

wreken.

—Dit verwachtte ik reeds, maar eveneens dat die wraak u waardig zal

zijn.

— Ge zult daarover straks kunnen oordeelen. Er wordt dus open spel

tusschen ons gespeeld?

—Bepaald, mijn vriend, reken daar op. Ge hebt thans vrijheid den

gevangene met u te voeren, zoodra ge dit goedvindt. En ik stel mij voor

dat dit alles is wat gij verlangt te weten. Is het niet zoo?

—Juist! Laat ons dan gaan.

—Kom mee!

Montbars, steeds vergezeld door de beide flibustiers, volgde den

Gouverneur. Zij liepen verscheidene vertrekken door, eindelijk deed de

heer d’Ogeron de laatste deur open en trad Montbars een vertrek binnen

waar de hertog de Penaflor zich bevond, doch de hertog was niet alleen;

er was een talrijk gezelschap bij hem vereenigd. Dit gezelschap bestond

uit de volgende personen: don Sancho de Penaflor, de zoon van den

hertog, donna Clara, donna Juana, Francoeur, Philippe d’Ogeron, en iets

meer achteraan, de mayordomo, Birbomono.

Zoodra de hertog Montbars in het oog kreeg, stond hij op, naderde hem

een paar stappen, groette ceremonieel, en sprak onmiddellijk zonder den

ander tijd te laten het woord te nemen:—Met ongeduld werd gij door mij

verwacht, mijnheer.

—Zoo!—uitte Montbars met moeite, terwijl hij met fonkelenden blik al de

aanwezigen monsterde. Daarop wendde hij zich tot den heer d’Ogeron om

dien met bittere minachting toe te voegen:

—Ik betuig u mijn dank, mijnheer, voor de zeer loyale manier waarop gij

uw woord gestanddoet.

—Een oogenblik geduld, mijnheer,—antwoordde de Gouverneur uiterst kalm.

—Graaf,—sprak de hertog,—ik weet dat ik uw gevangene ben en ben gereed

u te volgen, doch ik verzoek, eer gij overgaat tot de voltrekking der

wraak die gij zeker voornemens zijt op mij te nemen, mij eenige

oogenblikken toe te staan. Ik ben meer dan tachtig jaren oud, mijnheer,

mijn leven kan dus niet meer van langen duur zijn,—gaf hij met droeve

bitterheid te kennen,—en ik gevoel dat voor mij het uur tot

boetedoening eindelijk aangebroken is.

—Mijnheer,—antwoordde Montbars op somberen toon,—ik verlang verder

niets meer van je te hooren. De man, die mij gedurende zijn gansche

leven zonder gegronde redenen met een onverzoenlijken haat vervolgd

heeft, de man, die mij zoo ontzettend heeft doen lijden, dat ik dit

nooit kan vergeten, de man, die nu eindelijk door mij overwonnen en in

mijn macht is, zal het niet gelukken om door een lafhartig en te lang

verschoven berouw mijn gemoed te verteederen en voor medelijden

toegankelijk te maken.

Een koortsachtige gloed overtoog het gelaat van den hertog, die een

droefgeestigen blik wierp naar zijn zoon; toen hernam hij met zachte

stem.

—Neen, mijnheer, het is geen lafhartig en te laat berouw waardoor thans

mijn gedrag wordt geregeld. Thans, nu ik in uwe macht ben, bezielt mij

tegen u dezelfde haat als vijfentwintig jaar geleden. Ik haat u even

fel, en die haat zal mij bijblijven tot aan mijn jongsten snik.

—O! Nu herken ik u weder!—viel Montbars uit.

—Doch,—vervolgde de hertog, zonder op dien uitroep acht te geven,—eer

ik mij in uwe handen stel, heb ik aan u in het bijzijn van allen die

hier tegenwoordig zijn eene verklaring af te leggen.

—Mijnheer,—werd door Montbars op waardigen toon aangemerkt,—ik begrijp

niet welk recht de hier aanwezigen hebben om tegenwoordig te zijn bij

de behandeling van zaken die uitsluitend ons persoonlijk aangaan.

—Mijn vader heeft zich minder juist uitgedrukt, mijnheer,—meende de

markies te moeten inbrengen,—vergun mij daarom eer wij verder gaan, ook

om allen twijfel die mijn aanwezigheid alhier omtrent mijn bedoelingen

zou kunnen geven, te verbannen, u vóór alles de verzekering te geven

dat mijne aanwezigheid niet met de minste vijandige gezindheid jegens u

in verband staat, integendeel verklaar ik gaarne en openlijk, niet

alleen dat ik zekere verplichtingen aan u heb, maar tevens dat ik ware

achting gevoel voor uw karakter.

—Het zij zoo, mijnheer. Maar hoe meent gij dan uwe tegenwoordigheid

hier te kunnen rechtvaardigen?

—Bedenk, mijnheer, dat ik de zoon ben van den hertog de Penaflor. Is er

nog eene andere rechtvaardiging noodig?

—En ik,—voegde donna Clara er bij, die met gevouwen handen smeekend

Montbars naderde,—laat ik u ook mogen toevoegen.... hij is mijn vader.

—Hij heeft mij in mijne kindsheid verzorgd,—mompelde Francoeur, als

antwoord op den vragenden blik van Montbars.

De flibustier antwoordde niet, zijn voorhoofd betrok, zijn hoofd zonk

op de borst. Al de aanwezigen wachtten in spanning, en eene doodsche

stilte heerschte in de zaal.—Dus,—hernam Montbars met vaste stem:—Mijne

vrouw, mijn zoon, mijne vrienden, gij allen vereenigt u om aan den

leeuw zijn prooi te ontrukken! Gij allen dringt er bij mij op aan, dat

ik afstand zal doen van mijn wraak, en toch is de hoop dat eenmaal dit

verlangen zou worden vervuld, het eenige geweest dat mij al die jaren

moed heeft gegeven om te blijven leven en te worstelen tegen de smart

die mij verteerde. Ach! Wee, wee over mij, dat ik den moed miste mijn

eigen bestaan te vernietigen, dien dag toen ik met een vreeselijken eed

zwoer dat ik mij zou wreken! Ellendeling die ik ben, nu ik mij zwak

gevoel tegenover al die tranen en smeekingen!...

—Mijnheer,—viel de hertog in op trotschen toon.—Ik moet u opmerken dat

ik u niet gesmeekt of gebeden heb.

—Och, zwijg mijnheer,—riep Montbars uit.—Ziet gij dan niet, dat ik

medelijden met je heb, en dat ik je vergiffenis schenk?

—Mij vergiffenis schenken!—uitte de hertog.

—Zwijg, zeg ik nog eens. Ja, ik schenk je vergiffenis omdat zij die je

omringen goed en braaf zijn, en ik hen niet verantwoordelijk wil

stellen voor je eerloos gedrag. Ik schenk je vergiffenis, omdat ik dit

ook deed aan uwe dochter, die zich een oogenblik zwak heeft betoond. Ik

schenk je vergiffenis ook omdat gij, ondanks al je pogingen, er niet in

zijt geslaagd mijn zoon tot een nietswaardige te maken. Vertrek! Gij

zijt vrij. Ik schenk je je losgeld zelfs kwijt. Markies, ik geef u uw

vader terug.

—O! Die beleedigingen zijn te verregaande!—viel de hertog uit.—Neem je

in acht, mijnheer, want nog is tusschen ons niet alles uit, en duur zal

ik je die smadelijke taal betaald zetten.

Met innige verachting trok Montbars de schouders op en zei spottend en

vernietigend:

—Afgeleefde grijsaard, gij kunt thans niets kwaads meer uitrichten; al

je duivelsche kuiperijen zijn ontmaskerd en verijdeld; zelfs weet ik

alles omtrent dat ongelukkige jonge meisje, dat gij in mijn oogen

ongetwijfeld voor het kind van je dochter wildet laten doorgaan,

terwijl zij niet anders is dan dat van een uwer vertrouwdste bedienden,

want al hare geboortebewijzen zijn in mijn bezit! Ga, gij zijt

volslagen overwonnen, want gij blijft alléén staan, beladen met de

verachting van allen, die je kennen. Ik zou geen heviger marteling noch

harder kastijding voor je kunnen bedenken dan deze, om je je ellendig

bestaan te laten voortslepen, waaraan gij je zoo krampachtig vastknelt!

Gij zult dus leven, bedenk dit wel, omdat ik het je vergun en ook omdat

ik het beneden mij acht mij verder op je te wreken daar gij te zwak

zijt en geen macht genoeg meer bezit om den strijd tegen mij vol te

houden.

—Ellendeling! Ge zult sterven!—barstte de hertog los, en wierp zich met

een dolk in de hand op Montbars, die hem dit wapen ontrukte, en het ver

weg wierp, terwijl hij hem terugstootte en verachtelijk

toebeet:—Vertrek, moordenaar!

—Ach!—jammerde de hertog.—Weer overwonnen, nog eens overwonnen!

—Ja!—hernam Montbars.—Weer en telkens overwonnen, omdat, ondanks al

mijne gebreken en mijne fouten, God met mij is, en mij tegen je woede

beveiligt.

Doch de hertog hoorde die woorden niet; overvallen door stuipachtige

trekkingen, wankelde hij en stortte in de armen van zijn zoon en zijne

dochter. Plotseling was zijn gelaat geheel veranderd; koud zweet

druppelde langs zijne slapen, zijne oogen met bloed beloopen, rolden

verwilderd in de holten en zijn gansche lichaam schokte en trilde

onrustbarend.

—God!—mompelde hij met holle stem,—God! God! Altijd.... O! Ellendeling!

Ellendeling!....

Op eens vermande hij zich, ontsnapte aan de handen zijner kinderen, die

hem tegen wilden houden, keek zijn vijand die onbeweeglijk en koel

bleef staan, met de woede van een krankzinnige aan, naderde hem een

paar stappen, hief den arm op, als om hem in het gezicht te slaan, en

herhaalde met snijdende stem:

—Vervloekt!... Wees vervloekt!....

Maar machteloos viel zijn arm langs zijne zijde neer. Een nieuwe schok,

nog heviger dan de vorige deed zijn gansche lichaam trillen, en hij

viel, als een eik die door den bliksem wordt getroffen, vóór de voeten

van Montbars die geen enkele beweging maakte om hem te ontwijken, en

hem met opgeheven hoofd en een glimlach om de lippen had afgewacht.

Men snelde naar den hertog toe om hem op te beuren, maar hij was reeds

dood. Zijne trekken waren door den doodstrijd geheel vertrokken, maar

de wijd geopende oogen behielden ook nog na zijn verscheiden dezelfde

uitdrukking van onverzoenlijken haat, die aan het verbleekte gelaat van

dezen doode een afschuwelijk en afgrijselijk voorkomen gaf.

Twee maanden na al de gebeurtenissen die wij verhaald hebben, liep de

logger de Meeuw met volle zeilen de haven van Dieppe binnen; op het dek

van dien logger stonden acht personen, die de kusten van het dierbare

vaderland met zoete ontroering begroetten. Die acht personen waren: de

heer d’Ogeron, die naar Frankrijk terugkeerde daar koning Lodewijk XIV

hem terug had geroepen, Montbars, of liever de graaf de Barmont, donna

Clara, Philippe, donna Juana, don Gusman de Tudela, na Cigala en

Birbomono.

Philippe en donna Juana, sedert eenige weken door het huwelijk

verbonden, gingen de wittebroodsweken op het oude kasteel van de graven

de Barmont doorbrengen, bij Montbars en donna Clara wier hart, zoo

langen tijd als verdoofd door al hun leed, weer begon te herleven en

als te ontluiken, ook onder den invloed van het reine en onbewolkte

geluk van de beide jongelieden.

De goudzoekers · 第 22 / 23 段