tegen een mogelijk en zelfs zeer waarschijnlijk oproer der gevangenen,
een oproer waardoor zijne positie genoegzaam hopeloos zou worden. De
Spaansche gevangenen en ook de uit Gibraltar medegevoerde gijzelaars
werden op zijn last zwaar geboeid, en bij hen eene sterke wacht
geplaatst met de strengste orders tot hunne bewaking. Vervolgens koos
hij uit de grootste schepen dat wat hem toescheen het oudste en minst
zeewaardige te zijn, en besloot dit in een brander te veranderen. Er
werden dus aan boord van dit vaartuig alle mogelijke brandbare stoffen
gebracht, zooals pek, teer, zwavel, benevens zooveel kruit als men
missen kon; tevens liet hij bommen maken van pek en zwavel, gedrenkt in
teer, die geschikt moesten zijn om als granaten geworpen te worden, en
verder nam hij allerlei beschikkingen om de goede uitwerking van die
vreeselijke vernielingsmiddelen te verzekeren. De buitenhuid van dien
brander werd aan den binnenkant zooveel mogelijk uitgehakt, om op het
gegeven oogenblik des te gemakkelijker uit elkaar te springen. Nog
werden op zijn bevel op het dek ruw gehouwen houten blokken vastgezet
omkleed door matrozenplunje, breedgerande hoeden met wapens en
vaandels, zoodat men uit de verte gezien, meende dat het werkelijk
soldaten waren, die fier en onbeweeglijk het oogenblik afwachtten om
den vijand met alle macht te lijf te gaan.
Aan weerszijden werden talrijke schietgaten geboord, waardoor geronde
en geverfde balken werden gestoken, die het aanzien van kanonnen
hadden, en de Fransche vlag in top geheschen; in één woord er werd door
Montbars, die dit zoozeer verstond, geen mogelijke list verzuimd om de
ware bestemming van het schip, als brander, te bemantelen, en het
geheel en al het voorkomen te geven van een goed uitgerust en sterk
bemand en bewapend Fransch oorlogschip. Dit soort van helsche machine
werd in de voorhoede geplaatst. De overige schepen van het eskader
hielden zich op korten afstand meer achterwaarts.
In het midden van het konvooi waren in eenzelfde vaartuig al de
mannelijke gevangenen opeengehoopt; de vrouwen, de kinderen, het goud,
de juweelen en verdere kostbaarheden, in één woord het kostbaarste van
den buit bevond zich op een schip, dat onder bevel stond van Luiwammes,
die order had zich eerder in de lucht te laten springen dan zich over
te geven.
Toen al die schikkingen waren getroffen, begaven de vrijbuiters zich
aan wal, en gingen in behoorlijke orde naar de kerk waar zij met vrome
aandacht de mis bijwoonden, daarna scheepten zij zich wederom in zonder
de minste baldadigheid in de stad te plegen. Ondanks zichzelven
gevoelden de bewoners zich getroffen door de sombere maar vastberadene
trekken der vrijbuiters; zij begrepen dat die lieden gereed waren tot
het uiterste toe vol te houden, en met huivering en angst dachten zij
aan de gevolgen van den ontzettenden strijd, die zou aanvangen tusschen
het eskader der vrijbuiters en de vloot der Spanjaarden.
Tegen ongeveer vier uur in den namiddag waren al de equipages weer aan
boord. Montbars was niet van plan onder zeil te gaan eer de nacht
volkomen gevallen was; hij berekende dat bij duisteren nacht, zonder
maneschijn, de meeste kans zou bestaan om onbemerkt het kanaal te
naderen.
Montbars had zes dagen voor zijne toebereidselen noodig gehad, doch
ondanks hunne onbeschaamde opeisching en bedreiging, waren de
Spanjaarden het meer niet binnengeloopen, en duidde niets aan dat zij
gevolg zouden geven aan die bedreiging en aan hun voornemen om de
vrijbuiters te Maracaïbo te komen opzoeken. Montbars ging naar zijne
kajuit, na zich door middel van zijn verrekijker te hebben verzekerd
dat alles op het eskader gereed was, en de gezagvoerders slechts
wachtten op het sein van den admiraal, om dadelijk onder zeil te gaan.
Na eenigen tijd werd de deur van de kajuit geopend, en twee personen,
donna Clara en Francoeur, traden binnen. Montbars groette hen met de
hand, wenkte hen om plaats te nemen en zei:—Gij moet het mij ten goede
houden dat ik u verzocht heb beiden hier te komen, doch ik verlang er
zeer naar om u zonder verwijl te spreken.
—Tot uwe orders, Admiraal,—antwoordde de jonge man en boog.
—Ik wacht uwe nadere verklaring, mijnheer,—sprak donna Clara met zachte
stem.
Montbars zweeg eenige oogenblikken met gebogen hoofd en gefronste
wenkbrauwen; langzamerhand echter helderde zijn gelaat op; hij hief het
gelaat omhoog en sprak met diepe en ingehouden stem waarin de laatste
weergalm klonk van eene met moeite bedwongene ontroering.
—Ik heb u beiden eene opheldering te geven, die inzonderheid jou
betreft, don Gusman.
—Admiraal, die naam is de mijne niet meer,—merkte de jonge man haastig
aan, doch dadelijk daarop legde donna Clara hare hand op zijn schouder
en voegde hem toe:—Laat nu den Admiraal spreken zonder dat gij hem in
de rede valt.
Verwonderd zag de jonge man haar aan, maar hij werd op haar gelaat zulk
eene goedhartige en smeekende uitdrukking gewaar dat hij boog ten
teeken van instemming.
—Het beslissende oogenblik, sinds zoo vele jaren door mij verbeid, is
eindelijk aangebroken,—verklaarde Montbars.—Naar ik hoop zal ik morgen
bij zonsopgang voor de laatste maal van aangezicht tot aangezicht
tegenover den onverbiddelijken vijand staan, wiens haat mij gedurende
mijn gansche leven heeft vervolgd. God, wiens oordeel onfeilbaar is,
zal tusschen den hertog de Penaflor en mij vonnissen.
—De hertog de Penaflor!—kreet donna Clara, en wrong verschrikt de
handen.
—De hertog de Penaflor!—mompelde de jonge man verbaasd.
—Ja, wist gij dit niet?—hernam Montbars op bitteren toon.—De hertog de
Penaflor, de Onder-Koning van Nieuw-Spanje, is in eigen persoon
aanwezig op de vijandelijke vloot, daar hij, gedreven door zijn
verregaanden haat, getuige wil zijn van den doodstrijd van zijn vijand!
Doch laat dit zijn zooals het is, en spreken wij liever over jou, don
Gusman. Ik verlang niet van je dat gij tegen uw zin deel zult nemen aan
den strijd zonder genade tegen den man, die in uw jeugd voor je heeft
gezorgd, en wien het uw plicht is, tot het tegendeel mocht bewezen
worden, te beschouwen als uw weldoener; ik wil evenmin uw geweten
geweld aan doen,—liet hij er op volgen met eene uitdrukking van wreeden
spot, die zijne toehoorders deed huiveren.—Gij behoudt dus uwe vrijheid
onzijdig te blijven in het aanstaande gevecht, zoo,—voegde hij er
bij,—uwe gevoelens je nopen daaraan geen deel te nemen.
—Maar Admiraal!—viel hij uit.
—Stil!—hernam Montbars haastig,—ik ben nog niet aan het eind.
—Mijn God!—mompelde donna Clara,—wat wilt gij dan nog meer zeggen.
—Alles mevrouw!—verklaarde hij met snijdende stem,—want eindelijk heeft
het uur geslagen waarin alles moet worden opgehelderd; het uur waarop
de waarheid aan het licht moet komen; het uur waarop deze jongman
rechter moet zijn in zijne eigene zaak, en uitspraak doen tusschen zijn
vader en zijn weldoener!
—Mijn vader?—herhaalde de jonge man een en al verbazing.—Hebt gij daar
niet gezegd, mijn vader?
—Ja, don Gusman, want alles bewijst mij dat gij mijn zoon zijt. De
papieren door den stervenden don Fernando d’Avila aan Philippe d’Ogeron
ter hand gesteld, laten in deze zaak niet den minsten twijfel meer
over.
—Admiraal! Ik begrijp er niets meer van, ik geloof dat ik nog gek word!
Gij, mijn vader?!
—Luister verder. De hertog had een eenige dochter; het toeval wilde dat
ik het leven van die dochter redde. Toen ter tijd was ik een
aanzienlijk edelman, vol geloof, vol eerzucht, vol hoop en verwachting,
officier bij de marine van den koning van Frankrijk. De hertog moedigde
mijne liefde voor zijne dochter aan, voerde haar, als het ware, in
mijne armen, en daar Frankrijk en Spanje destijds met elkaar in oorlog
waren liet hij te Cadix ons huwelijk in het geheim voltrekken [17].
Maar slechts enkele dagen daarna ontvoerde hij zijne dochter en nam met
haar de vlucht; en toen ik mij vervoegde aan zijn paleis om van hem
mijne vrouw op te eischen, was hij reeds vertrokken en werd mij door
een bediende dit geschrift overhandigd.
Bij die woorden haalde Montbars een portefeuille uit zijn zak, deed die
open en nam er een door den tijd geel geworden papier uit, dat hij
ontvouwde.
—Ziehier wat dit geschrift inhield. Luistert.
En hij las met eene stem, bevende door toorn en misschien ook wel door
smart:
„Señor Conde!
„Gij zijt niet met mijne dochter gehuwd; ik heb u misleid door een
onwettig huwelijk. Nimmer zult gij haar terugzien. Zij is voor u
dood. Sedert een aantal jaren bestaat er een onverzoenlijke haat
tusschen uwe familie en de mijne. Ik zou u niet opgezocht hebben,
maar God heeft u op mijn weg gevoerd. Toen heb ik begrepen dat het
Zijn wil is, dat ik wraak op u zou nemen. Ik heb gehoorzaamd. Ik
geloof er in geslaagd te zijn uw hart voor altijd te breken. De
liefde, die gij voor mijne dochter gevoelt, is innig en oprecht.
Des te beter, want des te heviger zult gij lijden. En hiermede
genoeg, mijnheer. Eén raad nog: tracht er niet naar mij weer te
ontmoeten; want dan, daar kunt gij zeker van zijn, zal mijne wraak
nog feller op u neerkomen. Binnen eene maand trouwt mijne dochter
met hem door wien zij bemind wordt, en die zij altijd en
uitsluitend heeft liefgehad.
„Don Estevan de Sylva, hertog de Penaflor.”
—O! Dat is afschuwelijk!—jammerde de jonge man, die zijn gelaat in de
handen verborg.
—Toch is het nog niet alles,—vervolgde Montbars terwijl hij koel het
papier weer toevouwde en in zijne portefeuille wegborg.—Ik vervolgde
den hertog maanden achtereen dwars door Spanje en Italië, en kwam bijna
gelijktijdig met hem weer in Frankrijk, waar ik hem eindelijk
achterhaalde in een armzalig dorp dicht bij Parijs. Toen eischte ik van
hem mijne vrouw op, want zijne dochter was mijne vrouw; onze
wederzijdsche liefde had al de ingewikkelde berekeningen van zijn haat
en zijne wraakzucht doen falen. Een maand vroeger had zijne dochter het
leven geschonken aan een kind, dat de hertog dadelijk aan haar had
ontrukt nog eer zij gelegenheid had aan dat onschuldige wicht den
eersten kus te geven.
—Heb medelijden! In ’s hemels naam, heb medelijden met mij. Ben ik dan
nog niet genoeg gestraft?—smeekte donna Clara, en viel snikkend op de
knieën voor Montbars.
Een oogenblik zag hij haar aan met zonderlingen blik; toen boog hij
zich tot haar neer, kuste haar teeder op het voorhoofd, en hief haar
behoedzaam op.—De smart heiligt, en gij, arme vrouw, hebt zwaar en veel
geleden. Ik schenk u vergiffenis!—betuigde hij hoogst ontroerd.
—Moeder! O! Zij is mijne moeder! Reeds lang heeft mijn hart mij dit
voorspeld!—juichte de jonge man in vervoering, en wierp zich in de
armen van donna Clara.—Goddank! Ik heb mijne moeder gevonden!
—Mijn zoon! O! Eindelijk, eindelijk!—riep donna Clara, en knelde hem
tegen haar boezem.
Hunne kussen en hunne tranen smolten als ineen.
—Helaas!—mompelde Montbars.—Dit is sinds jaren het eerste oogenblik van
vreugde dat de hemel mij toebedeelt.—Hij liet het hoofd op de borst
zinken.—Zal ik er in slagen het geluk van die beide zoo innig door mij
geliefde wezens te verzekeren?
Op eens rukte donna Clara zich van haar zoon, wees hem op Montbars, die
hem glimlachende aanzag, en vroeg:
—En hij?
—Mijn vader! Ja, ja! Ik heb hem lief. Mijn vader!!
Allen hielden elkaar omvat in één en dezelfde omarming. Zóó gingen
eenige minuten voorbij; alles om hen heen scheen in het niet verzonken;
het geluk van zulk eene onverwachte hereeniging had ieders gemoed
overweldigd. Montbars was de eerste die met hevige wilskracht er in
slaagde zich zelf meester te worden en zijn gewone kalmte te
herkrijgen.
—Thans...—zei hij.
—O! Vader, nu geen woord meer daarover,—viel de jonge man met
opgewondenheid in.—Ik heb nu eene moeder, die ik aanbid, een vader,
dien ik liefheb en hoogacht! Blijft mij thans iets meer te wenschen
over? Wat behoef ik nog meer te vernemen? Immers niets! En wat den
hertog de Penaflor aangaat, hem, den beul van mijn vader, den tiran van
mijne moeder, den kwelgeest van mijn jeugd, hem beschouw ik als een
monster, dat ik niet meer wil erkennen; hij behoort niet meer tot mijne
familie!
—Goed zoo, mijn zoon!—verklaarde Montbars met vreugde.
—Mijn zoon,—sprak donna Clara, en lei daarbij hare beide handen op
zijne schouders, terwijl zij hem aanzag met eene onbeschrijfelijk
smeekende uitdrukking,—dat monster is mijn vader! Zoo somwijlen God
gedoogt dat ouders hunne kinderen vervloeken, toch blijft Zijn gebod
dat kinderen hunne ouders zullen eeren!
—Moeder,—gaf hij ten antwoord met gebroken stem, terwijl Montbars op
hem een zonderlingen blik wierp,—God verwerpt toch ook die menschelijke
monsters, maar gij, gij zijt een engelachtig wezen, gij beoogt slechts
vergiffenis, doch wij, mijn vader en ik, wij....
—Zwijg, zwijg!—viel zij uit, en drukte haar hand tegen zijn
mond,—spreek geen godslastering uit, ongelukkig kind!
—Ik zal u gehoorzamen, moeder, wees daarop gerust,—verzekerde hij en
wendde zich toen met eene buiging tot Montbars, wien hij toevoegde op
afgemeten toon die door dezen ten volle werd begrepen.—Admiraal, ik ben
uw vlagofficier, mijn plaats in het gevecht is dus aan uwe zijde, en
die plaats eisch ik als een mij toekomend recht.
—Gij zult haar vervullen,—luidde het antwoord van Montbars.
—Ach!—jammerde donna Clara.—Hoe onverzoenlijk zijt gij beiden!
Op dit oogenblik werd de deur van de kajuit plotseling geopend en trad
iemand binnen. Het was Philippe d’Ogeron.
—Houd het mij ten goede, Admiraal,—begon hij groetende,—dat ik zoo
onverwachts en onaangediend binnen kom.
—Waarde Philippe,—antwoordde Montbars,—ge zijt mij altijd welkom. Wat
verlangt ge?
—Admiraal, de duenna van donna Juana heeft mij bij uw eerste verblijf
te Maracaïbo, een ring van groote waarde ter hand gesteld. Van dien
ring heb ik tot nu geen afstand kunnen doen, doch nu wij binnen enkele
uren een hevigen strijd zullen leveren, een strijd waarin het ook
wellicht mijn lot zal wezen te sneuvelen, acht ik het mijn plicht, daar
die ring misschien later kan dienen tot opsporing der ouders van dit
zoo beproefde jonge meisje, dat kostbare kleinood aan u af te staan,
met verzoek het te bewaren bij de papieren van don Fernando d’Avila die
betrekking hebben op donna Juana.
—En dien ring?
—Hier is die,—sprak hij zuchtend, trok dien van zijn vinger en reikte
dien aan Montbars toe.
—Aan uw verlangen zal voldaan worden, beste vriend,—gaf Montbars ten
antwoord terwijl hij den ring aannam,—en als gij, wat God verhoede, in
het gevecht mocht komen te vallen, wil ik thans den eed herhalen, dat
ik als een vader zal zorgen, voor haar die zoo oprecht door je word
bemind.
—Ontvang nogmaals mijn dank, Admiraal, voor die plechtige verzekering,
ik verwachtte niets anders van de mij steeds door je betoonde
vriendschap.
En daar hij vreesde dat zijne aandoening hem zou overweldigen groette
de jonge man haastig, en verliet ijlings de kajuit.
—Zie eens, mevrouw,—zei daarop Montbars tot donna Clara,—misschien
herkent gij dezen ring. Het is helaas! het eenige geschenk van
bijzondere waarde dat ik aan u heb kunnen geven, en het werd u door uw
vader afgenomen op een oogenblik dat ge buiten kennis waart.
—Maar hoe komt het?....—vroeg zij gejaagd.
—De hertog heeft, toen hij donna Juana toevertrouwde aan de goede
zorgen van don Fernando hem gezegd dat zij de dochter was van u en den
Stenio de Bejar.
—O! Dat is een leugen!—viel zij uit.
—Dat weet ik, mevrouw, maar hij achtte dien leugen noodzakelijk tot
meerdere verwarring en verwikkeling der omstandigheden, om alle
vermoedens op een dwaalspoor te brengen, daar hij uw eenig kind zóó
verlangde op te voeden en op te leiden, dat dit eenmaal zou worden de
moordenaar of de beul van zijn vader.
—Ach! mijnheer!—riep zij met afgrijzen uit.
—Het is de waarheid!—verklaarde de jonge man op koelen toon.
—Die ring werd later aan de min van donna Juana gegeven, en zou, naar
de meening en de bedoeling van den hertog, al het geheimzinnige nog
vermeerderen. Begrijpt ge nu ten volle den ganschen toeleg van die
duivelsche berekeningen en van al die opeenstapeling van leugens en
bedrog?
—O! Het is afschuwelijk!—mompelde zij geheel ter neer geslagen.—En dat
jonge meisje?
—Wie zij is kan ik niet zeggen; waarschijnlijk een kind dat door hem
eveneens aan de ouders is ontrukt, om dienst te doen bij zijne
schandelijke plannen tegen u en tegen mij. Schenkt ge nu uw vader nog
vergiffenis?
—Ik herhaal het u, mijnheer, hij is en blijft mijn vader, en God heeft
in Zijne onuitputtelijke goedheid, de vergevingsgezindheid gesteld tot
de liefelijkste en tevens de verhevenste deugd.
Montbars wierp op haar een blik vol innige teederheid, drukte haar een
kus op het voorhoofd en verliet de kajuit om haar alleen te laten met
haar zoon. Dat bijeenzijn van moeder en zoon duurde eenige uren, maar
die uren gingen voor hen voorbij als een spanne tijds, en eerst toen de
zon aan den horizont verdween en de duisternis begon te vallen, kwam
Montbars in de kajuit terug.—Zijt ge nu gelukkig, mevrouw?—vroeg hij
glimlachend aan donna Clara.
—Zóó gelukkig dat ik helaas ducht voor de toekomst!
—De toekomst behoort aan God, mevrouw!
—Dat is waar,—antwoordde zij berustend; daarna hief zij plotseling het
hoofd op, wees op haar zoon, en sprak met kracht:—Hem vertrouw ik aan u
toe, mijnheer.
—Houd goeden moed, mevrouw, en voor hem blijf ik u borg,—hernam hij
kalm. Daarop wendde hij zich tot den jongen man en zei:—Kapitein, laat
drie aangestoken lantaarns aan den top van den fokkemast hijschen, het
is tijd om onder zeil te gaan.
Francoeur ging dadelijk heen om de ontvangene order uit te voeren.
—Nu moest ge eenige uren rust nemen,—hernam Montbars,—al die
aandoeningen matten u te erg af.
—Neen,—gaf zij ten antwoord en wees op het Christusbeeld dat tegen den
wand hing.—Ik zal gaan bidden tot Hem in Wiens handen ons lot berust,
en Hem smeeken dat Hij ons genadig zij!
Montbars boog voor haar en vertrok zonder iets meer te zeggen. Aan de
order door den Admiraal gegeven, was door zijn vlagofficier dadelijk
voldaan, en nauwelijks waren de drie aangestoken lantaarns naar den top
van den fokkemast geheschen of op alle bodems werd het geraas door de
kaapstanders veroorzaakt gehoord, zoodat er geen vol kwartier verliep
eer de schepen alle onder zeil waren in de aangegeven richting, en met
uitgedoofde lichten Maracaïbo verlieten. Den ganschen nacht koerste men
onder klein zeil, en tegen drie uur ’s morgens werd bijgelegd en dit
een paar uren volgehouden. Toen het begon te dagen, kreeg men de
Spaansche vloot in het oog, die in de volmaaktste orde vóór het kanaal
ten anker lag, vlak boven het Houtduifeiland, waar het fort zeer goed
hersteld en op krachtige wijze bewapend scheen.
Het schip, waarop de Onder-Koning zich bevond, lag geankerd in het
midden van het nauwe kanaal dat het Kijk-Uit-eiland scheidt van het
Houtduifeiland; op dien bodem werd dadelijk alles in gereedheid
gebracht tot een warme ontvangst van den vijand, wiens onbezonnen
vermetelheid in het oog van den Onder-Koning alle palen te buiten ging.
De brander die aan de spits bleef van het eskader der flibustiers, werd
door den Onder-Koning gehouden voor het Admiraalsschip, en hij gaf
order om dit te laten naderen, schoon hij zich er zeer over
verwonderde, dat met zulk een sterke bemanning en op zulk een korten
afstand het vuur nog niet geopend werd; doch daaruit besloot hij dat de
vrijbuiters, volgens hunne gewoonte, de voorkeur gaven aan eene
entering; die overtuiging bracht hem er toe om ook van zijn schip geen
enkel schot te laten lossen, en hun eerst de volle laag te geven,
zoodra het ’t zijne wilde aanklampen. Dit misbegrip of liever die
vergissing der Spanjaarden kwam Montbars uitnemend te stade, daar
enkele goed gemikte schoten voldoende zouden zijn geweest om het brooze
vaartuig in den grond te boren, want het was werkelijk niet veel meer
dan het geraamte van een schip. Ongelukkig genoeg voor hen, bespeurden
de Spanjaarden hunne dwaling te laat, en eerst toen de brander op het
punt stond hen te bereiken. Toen waren al hunne pogingen, zoowel die om
het vaartuig af te houden als om het eene andere richting te geven,
vruchteloos. Slechts enkele flibustiers onder bevel van Francoeur
maakten de bemanning uit van den brander; zij maakten hem los van zijn
sleper, wierpen eenige enterdreggen in de raas van het schip van den
Onder-Koning en sprongen toen ijlings in hun boot om zich met kracht
van riemen te verwijderen van de plek waar de ontploffing zou plaats
hebben. Die gansche manoeuvre was met zooveel beleid uitgevoerd dat
toen de Onder-Koning last gaf om den brander af te weren, het daarvoor
reeds te laat was; toch verloor hij zijn tegenwoordigheid van geest
niet en liet onmiddellijk eenige matrozen, voorzien van bijlen, aan
boord daarvan overspringen om de masten te kappen en het schip te doen
zinken; maar het vuur had de buitenhuid reeds aangetast en de eerste
bijlslagen baanden aan de vlammen een doortocht, en ze sloegen
onstuimig en verwoed naar buiten, voorafgegaan door dikke en
verstikkende rookwolken. Aangewakkerd door een scherpe bries uit het
oost-noord-oosten, die uit volle zee kwam opzetten, verkreeg de brand
na verloop van enkele minuten zulk een omvang, dat het schip van den
Onder-Koning er niet aan kon ontkomen, en ondanks al de inspanning van
matrozen en soldaten om het vuur te bedwingen, was de totale ondergang
reeds te voorzien.
Zoo was het ook; in minder dan een half uur was het prachtige schip
omgeslagen en een prooi der golven geworden, het grootste gedeelte der
bemanning kwam bij die ramp om, en aan slechts enkele personen,
waaronder de Onder-Koning, gelukte het, half dood van vermoeienis en
uitputting, den zandigen oever van het Houtduifeiland te bereiken.
De strijd was aldus op wanhopende maar schitterende wijze door de
flibustiers aangevangen.
XXVI.
VAN AANGEZICHT TOT AANGEZICHT.
Al dien tijd had Montbars met scherpen blik het verloop dier
gebeurtenissen waargenomen, en dadelijk maakte hij zich de algemeene
verslagenheid, die bij de Spanjaarden was ontstaan door dit voor hen
zoo noodlottige onheil, ten nutte, om de ondernemendste zijner
kameraden tot den aanval op een tweede schip aan te voeren, dat
geënterd en bijna zonder slag of stoot genomen werd op hetzelfde
oogenblik dat het schip van den Onder-Koning in de golven verdween.
Grammont had een derde schip aangeklampt, en eveneens geënterd en
leverde een verwoed gevecht tegen de tot wanhoop gebrachte Spanjaarden.
Die strijd werd gevoerd met de grootste hevigheid; herhaaldelijk
teruggeworpen sprongen de flibustiers weer even spoedig aan boord van
het aangetaste vaartuig, en stonden eindelijk op het punt de zege te
behalen, toen Grammont te midden van hen nederstortte geveld door een
bijlslag die zijn schedel kliefde. Verschrikt en ontsteld door den dood
van hun gezagvoerder, aarzelden en wankelden de vrijbuiters; de
Spanjaarden daarentegen verdubbelden hunne pogingen en nog eenige
oogenblikken werd het gevecht voortgezet.
Zóó ging het langs de geheele linie, het gansche eskader der
vrijbuiters kwam nu op de Spaansche vloot af en ieder hunner schepen
wierp enterdreggen en haken in het want der vijandelijke bodems, waarop
over de geheele linie een gevecht ontstond van man tegen man.
Overal was de strijd hevig en verwoed, en nergens werd er aan gedacht
genade te vragen of te geven; vier Spaansche schepen sprongen in de
lucht, liever dan zich over te geven; de overigen, onthutst door zulk
eene opeenstapeling van onvoorziene rampen, dachten aan niets dan aan
het dreigende gevaar te ontkomen. Zij kapten overhaast de kabels en
lieten zich afdrijven naar het Houtduifeiland, om onder de beschutting
te komen van de verschansingen die waren opgericht uit de bouwvallen
van het fort. Zoodra zij aldaar aan wal gekomen waren, lieten zij hunne
schepen zinken om te voorkomen dat de vrijbuiters ze zouden
bemachtigen.
Die zoo prachtige en geduchte Spaansche vloot was totaal vernietigd en
toch had het gevecht nog geen uur geduurd. Het gebeurde had veel van
een wonder; de vrijbuiters en Montbars zelf begrepen niet hoe het hen
had kunnen gelukken, om in zulk een korten tijd, met een verlies van
hoogstens vijf of zes manschappen, en met zulke zwakke hulpmiddelen
zich te redden uit den bijna wanhopigen toestand niet alleen, maar
zelfs bovendien nog eene volkomen overwinning te behalen. Geen wonder
dat hunne vreugde onbegrensd was, en de algemeene opgewondenheid ten
toppunt klom; zij omhelsden elkaar, zij wenschten elkaar telkens geluk,
en daverend en herhaaldelijk klonk jubelend de naam van Montbars, als
hun redder en bevrijder.