zond hij eenige vrijbuiters naar de in de bosschen verscholene
vluchtelingen om hun aan te kondigen dat zij binnen twee dagen tien
duizend piasters moesten opbrengen, daar hij anders de stad aan de
vlammen zou prijs geven. Die twee dagen verliepen zonder dat het geld
in zijn bezit kwam, en even onverbiddelijk als altijd, deed Montbars de
stad in brand steken. De weinige inwoners die er nog achter waren
gebleven, wierpen zich toen vóór de voeten van den onbarmhartigen
vrijbuiter, en beloofden een losgeld te betalen tweemaal grooter dan de
geëischte som, zoo hij er in toestemde dat de stad verder gespaard
bleef. Montbars vergunde hun het gevraagde uitstel en de twintigduizend
piasters werden na afloop daarvan hem ter hand gesteld, doch ongelukkig
genoeg was toen de stad reeds voor meer dan de helft verwoest. Aldus
werd door de vrijbuiters vaarwel gezegd aan de ongelukkige stad
Gibraltar, waar zij niets achterlieten dan puin en lijken! [14]
De bewoners van Maracaïbo hadden inmiddels hunne huizen weder
betrokken, doch werden opnieuw tot wanhoop gebracht door den terugkeer
van Montbars en de zijnen, en zij hadden daarvoor maar al te zeer
reden, want hij legde hun eene schatting op van dertigduizend piasters,
als afkoop eener hernieuwde plundering. Smeekingen hielpen niet, aan
verzet viel niet te denken, en dus bleef er voor de inwoners niet
anders over dan zich te onderwerpen.
Maracaïbo werd toen door de vrijbuiters bezet, en terwijl de
voornaamste handelaars van die stad zich beijverden het geëischte
losgeld bijeen te krijgen, begonnen de vrijbuiters, onder voorgeven dat
kloosters en kerken niet begrepen waren in de geslotene overeenkomst,
met een ijver een betere zaak waardig die gewijde plaatsen van alles te
berooven; de kostbaarheden van het altaar, de kruisbeelden, de gewijde
vaten, tot zelfs de klokken werden door hen weggevoerd, terwijl zij
sarrend op de schuchtere aanmerkingen der inwoners ten antwoord gaven,
dat dit alles hun moest dienen bij de oprichting op het
Schildpaddeneiland van eene kapel gewijd aan Onze Lieve Vrouwe van de
Overwinning. Eindelijk was men er in geslaagd de dertigduizend piasters
te kunnen betalen, en bovendien werden aan de vrijbuiters vijfhonderd
ossen afgestaan als victualie voor de vloot, daar de inwoners hoopten
op die wijze des te eerder van hen ontslagen te zullen worden.
Voor den eersten keer hielden de flibustiers trouw hun woord; zij
maakten aanstalten om spoedig en voor goed de streken te verlaten, die
zoo erbarmelijk door hen waren verwoest, toen Montbars zeer plotseling
van Francoeur, die door hem op een brigantijn ter verkenning was
uitgezonden, vernam, dat een talrijk Spaansch eskader in het gezicht
der kust kruisende was. Die tijding, hoogst waarschijnlijk door hem
verwacht, deed Montbars bijzonder veel genoegen, en dadelijk wijzigde
hij nu zijne plannen omtrent het vertrek. De vermaarde vrijbuiter kende
veel te goed de mannen die onder zijn bevel stonden om niet te weten,
dat roem voor hen weinig beteekende als die niet gepaard ging met
voordeel, en eveneens dat hij behoedzaam en voorzichtig moest handelen
om geen gevaar te loopen van door hen aan zijn lot te worden
overgelaten, wanneer men bij het verlaten van het meer in de
noodzakelijkheid zou worden gebracht, den strijd te aanvaarden waartoe
de Spaansche admiraal hen trouwens hoogst waarschijnlijk wel zou
dwingen.
Nu was het juist de hoop dat het tot zulk een strijd zou komen, dat
Montbars het gansche plan tot deze expeditie had ontworpen, eene
expeditie, tot nu toe met zooveel stoutmoedigheid als beleid door hem
volgehouden, eene expeditie ook, die zulke enorme voordeelen voor de
deelhebbers had opgeleverd. Onmiddellijk liet hij de toebereidselen tot
het vertrek staken, kondigde aan dat de vijand met aanzienlijke macht
bij den ingang van het meer was komen opdagen, en voegde er bij dat met
het oog op de gebeurtenissen die verwacht moesten worden, de verdeeling
van den buit niet zou geschieden op het Koe-eiland, zooals eerst
overeen was gekomen, maar dadelijk hier te Maracaïbo, zoodat dus ieder
terstond in het bezit gesteld van zijn deel der veroverde schatten, des
te feller zijne bezitting zou verdedigen, zoo het tot een gevecht met
de Spanjaarden mocht komen.
Dit besluit werd zeer goed opgenomen door de vrijbuiters, daar zij,
ondanks hun vertrouwen in hunne aanvoerders, toch er zeer op gesteld
waren hoe eer hoe beter te kunnen beschikken over hun deel in den
behaalden buit. Er werd dus eene algemeene samenkomst gelast van al de
vrijbuiters, op den volgenden dag ’s ochtends acht uur in de
voornaamste kerk van Maracaïbo, die voor dit doel behoorlijk werd
ingericht. Op het bepaalde uur waren reeds al de vrijbuiters gewapend
in de kerk gekomen, en hadden zij zich zwijgend rechts en links in het
gelid geplaatst; dicht bij het koor waren banken gezet voor de
aanvoerders van de expeditie, die daar plaats namen, al naarmate hunne
bemanning aankwam. Midden in de kerk was een ontzaglijke hoop goederen
en zaken van allerlei aard bijeengebracht; dit was de buit en de
opbrengst van de dubbele plundering te Maracaïbo en te Gibraltar.
Eerst hoorden de flibustiers de mis aan in stille aandacht en als
geloovige lieden; geknield op de zerken, deden zij hunne gebeden en
bleven in die houding al den tijd dat de dienst aanhield, eerst
opstaande toen de geestelijken zich in de sacristie hadden
teruggetrokken. Toen stond ook de admiraal van zijn zetel op, besteeg
de trappen van het hoofdaltaar, en zwoer met de hand op het evangelie,
dat hij niet het minste of geringste had achtergehouden van den
algemeenen buit, en dat hij geen aanspraak maakte op een grooter
aandeel dan hem toekwam volgens de bepalingen van het reglement der
vereeniging zooals die waren opgenomen in de monsterrol.
Na de vervulling van die plechtigheid, ging men over tot de berekening
van den buit, en het gezamenlijke bedrag, met inbegrip van alles, ook
van de kleinodiën en het gebroken zilverwerk, dat geschat werd op tien
kronen per pond, werd gesteld op de hoogst aanzienlijke som van
zeshonderd en zestigduizend piasters, een bedrag gelijkstaande met een
millioen, achtmaal honderd duizend gulden, nog ongerekend vijftig
duizend piasters, dus nog honderd vijftig duizend gulden, als opbrengst
van de plundering door de matrozen afzonderlijk gedaan, en die volgens
aangenomen gebruik, aan hen werden afgestaan.
Nadat het deel des Konings was afgezonderd, ontving ieder voor zich
zijn aandeel, doch vooraf was ingehouden de vergoeding toekomende aan
de gewonden, en de belooningen van de chirurgijns der vloot, welke
beide uitkeeringen in geld of in slaven werden voldaan, en ook nog het
deel voor de gesneuvelden of overledenen, dat aan hunne verwanten of
vrienden moest worden afgestaan, na behoorlijk ingeleverde
bewijsstukken. Het doet ons goed te kunnen verzekeren dat al die
verrichtingen aangevangen in goed vertrouwen op hunne aanvoerders,
eindigden zonder den minsten twist en tot volkomen bevrediging van een
ieder.
Nadat al de onderhoorigen vertrokken en slechts de gezagvoerders in de
kerk gebleven waren, die ook aanstalten maakten heen te gaan, werden
zij daarin tegengehouden door een wenk van den ridder de Grammont die
hun toeriep:—Een oogenblik, Broeders! Ik heb nog aan het oordeel van
den raad eene zeer gewichtige zaak te onderwerpen.
—Spreek!—antwoordde de admiraal uit aller naam.—Wij luisteren naar je.
—Er is immers bij de monsterrol bepaald dat al wat op de Spanjaarden
mocht worden buit gemaakt, met inbegrip der slaven, gelijkelijk door
ons moet worden verdeeld?
—Zeer zeker is dit bepaald, en staat het beschreven in de
monsterrol,—bevestigde Montbars.
De flibustiers begonnen aan die zaak hunne aandacht te wijden; Grammont
wisselde met Philippe een tartenden blik, en vervolgde met sarrenden
glimlach:—Hoe komt het dan dat een van ons, een zeer voornaam officier
der vloot, een man, in één woord, die èn om zijn rang èn om zijn naam
ten voorbeeld moest strekken niet slechts van onbaatzuchtigheid maar in
de eerste plaats van eerlijkheid, zich veroorloofd heeft zich op eigen
gezag eene slavin toe te eigenen, en haar aan den algemeenen buit te
onttrekken?
—Als een van ons zulk eene laakbare handeling gepleegd heeft,—gaf
Montbars op strengen toon te kennen,—dan heeft hij zich aan twee
misdrijven schuldig gemaakt. Vooreerst van bedrog jegens zijne
broeders, en vervolgens van ontduiking van de bepalingen der
monsterrol, en verbreking van den eed vrijwillig door hem uitgesproken
ten aanhoore van ons allen en met de hand op het evangelie. Zeg mij wie
die man is, en hij zal gestraft worden.
—Die man...—hernam Grammont met spottende stem, doch Philippe drukte
hem de hand op den schouder en viel hem eensklaps in de rede, en
zei:—Het is aan mij daarop antwoord te geven, kapitein Grammont, want
ik ben de man die door u wordt beschuldigd. Laat mij u er dus voor
behoeden eene laagheid te begaan.
—Eene laagheid!—barstte de kapitein los en sprong driftig op.
—Ik heb dat woord gebruikt en trek het niet terug. Waar en wanneer gij
wilt zal ik u daarvan rekenschap geven.
—Dan dadelijk!
—Laat ons vooraf de zaak afhandelen die je op zulk eene ongepaste
manier te berde hebt gebracht, daarna zal de andere aan de beurt komen,
wees daar gerust op.
—Kom tot kalmte, Grammont, en gij, Philippe, vervolg. Wat hebt gij te
uwer verdediging in te brengen?—vroeg Montbars, steeds even bedaard en
koel.
—De vrouw, of liever het jonge meisje, waarvan nu sprake is, werd
werkelijk door mij gevangen gemaakt, en het is waar dat ik haar niet
gevoegd heb bij de slaven bestemd om bij den buit te worden verdeeld.
Doch ik geloof mij te mogen beroepen op Montbars zelf, die mij tot
belooning voor het door mij ontworpen plan van deze expeditie, heeft
toegestaan voor mij zelven een slaaf of slavin, naar eigen keuze, te
behouden; en dat Montbars zijn woord gestand zal blijven, dat staat bij
mij vast.
—En dit zal ook bepaald en zeker het geval zijn,—bevestigde
Montbars.—Bovendien is alles wat daar door Philippe gezegd is de
letterlijke waarheid. Ik heb gemeend dat de macht die aan mij door het
vertrouwen mijner broeders is verleend, ver genoeg zou strekken, om
zulk eene onbeduidende belooning toe te staan aan den man, door wiens
toedoen wij zulk een ontzaglijken buit hebben behaald.
—Dat recht hadt gij, broeder, en hebt gij nog,—verklaarde de Mooie
Laurent. [15]—Als ik dit zeg vertrouw ik te spreken namens al de
broeders.
—Ja, ja!—beaamden al de aanvoerders.
—Grammont heeft ongelijk,—sprak ten overvloede Luiwammes.
De kapitein beet zich tot bloedens op de lippen en het kostte hem
blijkbaar inspanning niet te spreken.
—Dus, broeders, ben ik in uwe oogen volkomen gerechtvaardigd?—vroeg
Philippe.
—Ja, ja!—klonk het hem toe.
—Daarvoor zeg ik je dank, doch in eigen oogen zou ik dit niet zijn, zoo
ik je iets verzweeg.
—Spreek op, broeder, spreek!
Philippe wendde zich naar den rechterkant van de kerk, waar in een
zijkapel een biechtstoel stond en zei:—Wees zoo goed hier te komen,
mevrouw.
De biechtstoel werd opengedaan en donna Clara naderde de gezagvoerders.
Allen bogen eerbiedig voor haar, zelfs Grammont groette haar, schoon
een blos van schaamte zijn gelaat kleurde, daar hij al het laaghartige
van zijne handelwijze begon te bevroeden.
—Heeren,—ving donna Clara aan,—op den dag na de bemachtiging van
Gibraltar bracht kapitein Philippe ’s avonds tegen zes uur, bij mij aan
huis eene jonge dame en eene oude dienstbode. Die jonge dame had hevige
zenuwtoevallen. Ik stelde den kapitein voor haar bij mij te houden en
te verzorgen en op te passen; dat was juist wat de kapitein verlangde,
met dat doel had hij haar bij mij gebracht. Voor het lot van die jonge
dame gevoelde ik groote belangstelling; het gelukte mij haar tot
herstel te brengen. Toen verzocht ik den kapitein haar aan mij af te
staan, en hij gaf mij ten antwoord dat de diensten die ik aan de
expeditie had bewezen die vraag mijnerzijds ten volle billijkten,
zoodat ik van dit oogenblik de volkomene beschikking verkreeg over het
lot van het jonge meisje. Heeren, ziedaar het ware en eenvoudige
verslag van de feiten. Sinds dien tijd is de arme gevangene te mijnent
gebleven, en heeft mij met al hare kracht bijgestaan aan de taak
waaraan ik mij heb gewijd.
—Mevrouw,—antwoordde Montbars, wien het moeielijk viel zijne ontroering
te bedwingen,—wij allen zijn aan kapitein Philippe dank verschuldigd
voor zijn edel gedrag in deze omstandigheden. Die jonge dame behoort u
toe.
Grammont boog een knie ter aarde voor donna Clara.—Mevrouw,—sprak hij
met gesmoorde stem,—mijn gedrag was dat van een ellendeling, maar gij,
gij zijt een engelachtig wezen en daarom durf ik hopen op uwe
vergiffenis.
—Sta op, mijnheer,—voegde zij hem toe op zachten doch droevigen
toon.—Ik schenk u vergiffenis, en ik beklaag u.
Donna Clara groette de vrijbuiters, die opnieuw eerbiedig voor haar
bogen, en verliet met langzamen tred de kerk.
—En nu tusschen ons, kapitein,—zei Grammont tegen Philippe.—Tegenover
die dame heb ik de begane dwaling hersteld, maar tegenover u...
—Genoeg!—gelastte Montbars streng, terwijl hij zich tusschen hen beide
plaatste.—Weet gij, die met de voorschriften der monsterrol zoo goed
bekend zijt, dan niet dat tusschen Broeders der Kust ieder tweegevecht
ongeoorloofd is gedurende den duur eener expeditie en dat gij je den
doodstraf op den hals haalt indien gij het waagt een uwer broeders uit
te dagen? Begeef je aan boord van je schip kapitein, en geen woord
verder met uw tegenpartij. Zijt gij beiden weer op Tortue dan staat het
aan ulieden om die zaak al dan niet door het zwaard te beslechten, maar
tot dien tijd gelast ik, geen bedreigingen en geen uittartingen meer.
—Dan zal ik wachten tot wij weer ginds op het eiland zijn!—riep hij
ziedende van woede.—Maar dan....
—Dan kunt gij handelen naar goedvinden,—viel Montbars in en voegde er
terstond bij,—Broeders, binnen een uur moeten wij onder zeil zijn.
Houdt alles gereed om de Spanjaarden warm te ontvangen, zoo zij lust
mochten gevoelen ons den doortocht te beletten.
—Bij den hemel!—riep Luiwammes.—Laten ze dat maar uit hun hart laten!
Daarop werd de kerk door allen verlaten en gingen zij naar de haven,
waar hunne booten op hen lagen te wachten. Ondanks alle door Montbars
genomene voorzorgen, om voor zijne kameraden verborgen te houden, niet
zoozeer de aanwezigheid van het Spaansche eskader want hiermeê waren
zij bekend, maar uit hoeveel schepen het bestond en hoe die bemand
waren, bracht het vreugdegejuich door de inwoners van Maracaïbo
aangeheven op het oogenblik waarop de vloot het anker lichtte en gereed
was onder zeil te gaan, de vrijbuiters tot het besef van de volle
waarheid.
Twaalf groote oorlogsschepen, met zes-en-veertig honderd koppen bemand
en met vierhonderd stukken van zwaar kaliber gewapend lagen dwars bij
den toegang tot de golf en verstopten in letterlijken zin den
doortocht. Buitendien was het door de vrijbuiters ontmantelde fort op
het Houtduifeiland weer in bruikbaren staat gebracht, voorzien van de
noodige stukken en van een garnizoen, vijfhonderd man sterk. De
Onder-Koning van Nieuw-Spanje was in eigen persoon op het eskader
aanwezig.
Bij zulke vernietigende tijdingen ontzonk de moed zelfs aan de
stoutmoedigste vrijbuiters; zij vervielen tot doffe wanhoop en
weigerden botweg eenige poging te wagen om den doortocht te forceeren.
Hun toestand, dit moet erkend worden, was dan ook hachelijk, hoogst
kritiek; hunne schepen waren slechts van middelbare grootte en daarbij
zwak bewapend, zoodat ze verreweg onder moesten doen voor de goed
bewapende oorlogsschepen der Spaansche marine; ook kwam daar nog bij
dat de pest de bemanning met een derde verminderd had, terwijl het
getal der strijdbare manschappen eveneens belangrijk was gedund, daar
al de gewonden of verminkten die niet in staat waren om deel te nemen
aan het gevecht toch opgenomen waren op de vloot, en hun aantal meer
dan tweehonderd beliep. Om kort te gaan de vrijbuiters konden hoogstens
vijftienhonderd weerbare manschappen tegenover de macht der Spanjaarden
stellen.
Intusschen was een brigantijn onder parlementaire vlag te Maracaïbo
aangekomen. Die brigantijn bracht voor de aanvoerders der expeditie een
brief van den Onder-Koning waarbij hij hen opeischte zich op genade of
ongenade over te geven. Dit schrijven eindigde met deze vernietigende
woorden, die den dapperste het bloed in de aderen deed verstijven.
„Indien ik morgen bij zonsopgang geen twintig gijzelaars heb
ontvangen, onder wie in de eerste plaats zich behooren te bevinden,
Montbars de Verdelger, Francoeur, Philippe d’Ogeron, Pierre
Legrand, de Olonner, Grammont, Morgan, de Roodkop en de Mooie
Laurent [16], die ten voorbeeld voor allen zullen dienen, zal ik
het meer instevenen, u te Maracaïbo komen opzoeken, en al werd die
stad door u ook in een hoogoven veranderd, dan zult gij toch dáár
in mijne handen vallen en door mij behandeld worden met al de
gestrengheid die gij verdient.”
Zulk een trotsche en zoo dreigende taal ging alle palen te buiten en
had niet de uitwerking die de Onder-Koning zich daarvan ongetwijfeld
had voorgesteld. Daardoor toch werd aan de vrijbuiters tot zelfs de
minste hoop op eenige vrijgevigheid benomen, daardoor ook herkregen zij
hun dolzinnigen overmoed, en hun onwrikbare stoutmoedigheid, daardoor
ontstond bij hen de grootste verontwaardiging, daar men het waagde hen
op zulk een minachtende wijze toe te spreken. Montbars verlangde dat
die brief met luider stem zou worden voorgelezen aan al de Broeders der
Kust. Na die lezing nam hij het woord.
—Bij den hemel, kameraden,—riep hij hun toe.—Ik herken je niet meer!
Zijt gij er de mannen naar om je zóó te laten beleedigen, door iemand
die het nog nooit gewaagd heeft zich met ons te meten? Zijt gij bereid
om de smadelijke kastijding te ondergaan, waarmede die onbeschaamde
tegenstander uw erkenden moed wil bezwalken? Goed, het zij zoo!
Onderwerp je aan hem! Maar ik voor mij, ik wil geen deel nemen aan zulk
eene lafhartige handeling. Ik heb mij in je bedrogen, gij zijt niet de
mannen waarvoor ik je hield, gij zijt thans niet veel meer dan bevende
vrouwen, die schrikken voor de stem van een Spanjaard, en daarom laat
ik je vrij in uw besluit. Strekt uwe armen uit om geketend te worden,
en gaat de hand kussen van uw beul.
Die vinnige toespraak ontlokte hun een dof gemompel; een blos van
schaamte steeg op het gelaat der flibustiers, en de daardoor ontstane
woede gaf hun den ouden moed terug.
—Voer ons aan naar den vijand,—riepen zij Montbars toe,—en wij zullen
vechten zoolang er nog bloed in onze aderen vloeit! Zelfs de gewonden
zullen je kruipende volgen. Voorwaarts, Montbars! Blijf ons aanvoeren!
—Zijt gij dan vast besloten mij te gehoorzamen?—vroeg Montbars ernstig.
—Ja, ja! Beveel! Wij behooren je toe!
—Goed!—hernam Montbars, die zijn hoed afnam en de hand op zijn hart
drukte.—Dan zweer ik je plechtig, broeders en kameraden, dat die
onbeschaamde Spanjaard met zijn leven boeten zal voor zijne bluffende
woorden, en tevens, dat wij ongedeerd zullen ontkomen aan de nederlaag,
die hij zich reeds zeker waant ons te zullen toedienen!
—Leve Montbars!—brulden de vrijbuiters in vervoering.
Nu was alle vrees verdwenen, en de vrijbuiters twijfelden niet langer
of zij zouden overwinnen.
—En nu, kameraden,—hernam Montbars,—eisch ik van u een eed, dat gij
vechten zult tot uw laatsten snik, zonder genade te vragen.
—Dat zweren wij!—werd hem als uit één mond toegeroepen, terwijl zij hun
wapenen zwaaiden.
Daarop wendde Montbars zich tot den Spaanschen officier, die belast met
de overhandiging van den brief van den Onder-Koning, de verschillende
wisselingen van dit tooneel had bijgewoond.
—Keer naar uw meester terug, señor,—voegde Montbars hem met de diepste
minachting toe,—en deel hem alles mede wat door u hier is gehoord en
gezien. Zeg hem ook dat de Broeders der Kust gewoon zijn voorwaarden te
stellen, maar er nooit over denken om zich die te laten opleggen! Ga
señor, uwe zending hier is afgeloopen, hier in ons midden hebt gij
niets meer uit te richten. Vertrek!
De officier groette en vertrok begeleid door Morgan, die hem naar de
brigantijn bracht, om hem te vrijwaren voor beleedigingen der
vrijbuiters, die in groote menigte door de straten dwaalden, en
waarschijnlijk, zoo de parlementair alleen ware geweest, er geen
bezwaar in gezien zouden hebben hem overhoop te steken, zoo hevig was
hun haat tegen iederen Spanjaard, doch vooral op dit oogenblik.
Morgan nam op beleefde manier afscheid van den officier, en begaf zich
toen weer naar zijne kameraden, die nog raadsvergadering hielden in
dezelfde kerk waar dien eigen morgen de buit was verdeeld.
Toen de Spaansche officier aan boord van zijn schip zich in veiligheid
rekende, ontsnapte hem een zucht van verlichting, daar hij niet had
durven hopen, ongedeerd te blijven bij zulk eene zending naar
dergelijke lieden. Zonder tijd te verliezen liet hij het anker lichten
en enkele minuten later, koerste de brigantijn met volle zeilen naar
den ingang van het meer om zich weêr te voegen bij de vloot van den
Onder-Koning. Toch achtte de officier zich niet buiten alle gevaar eer
het eskader van de vrijbuiters geheel uit zijn gezicht was, en voor hij
de hoog getopte masten der Spaansche schepen weer in het oog kreeg.
XXV.
EEN HUISELIJK TAFEREEL.
De haat is een slechte raadgever. De hertog de Penaflor had, door zich
te laten leiden door den haat dien hij Montbars toedroeg, een grooten
misslag begaan. Als hij het meer onverhoeds was binnengeloopen en
dadelijk met alle kracht een aanval op de vrijbuiters had gedaan, dan
was er geen twijfel aan geweest of deze zouden door zijne plotselinge
verschijning aan het hoofd van zulk een geduchte overmacht, geheel
ontmoedigd zijn geworden. Dan zou hij hen zeker overwonnen en
genoodzaakt hebben, zoo al niet om de wapenen neer te leggen, dan toch
stellig om afstand te doen van den buit en de slaven, die zij bij deze
expeditie hadden overmeesterd, en tevens hen zoo gekortwiekt hebben,
dat zij voor langen tijd er niet aan zouden durven denken hunne
stoutmoedige overvallen op de Spaansche koloniën te wagen. Maar bij den
hertog de Penaflor had zijn persoonlijke haat de overhand op zijn
plichtsgevoel, en toen hij de vrijbuiters geen andere keuze liet dan
tusschen de smadelijkste oneer of den dood, wekte hij bij hen de
vroegere energie weder op, en bezielde hen met het vaste besluit tot
den laatsten man te strijden, en tevens met de hoop van door moed en
standvastigheid een nederlaag te voorkomen, en aan hem te ontkomen.
Olivier Oexmelin, zelf een vrijbuiter en chirurgijn aan boord van een
hunner schepen, heeft een zeer omstandig relaas geschreven van deze
expeditie, die natuurlijk ook door hem is bijgewoond; aan dit verslag
ontleenen wij al de bijzonderheden over de maatregelen door Montbars
genomen, om met eer en glorie te geraken uit den hachelijken toestand
waarin hij zich thans bevond.
Meer dan ooit toonde de vermaarde vrijbuiter bij deze gelegenheid
hoezeer hij op de hoogte was van zijn taak, en hoe onuitputtelijk in
het bedenken van krijgslisten. Ook hij liet zich leiden door haat, dit
moeten wij toegeven, maar hij liet zich door dien haat niet zoozeer
verblinden dat hij daardoor zijn plicht als bevelhebber uit het oog
verloor; wel was zijn grootste begeerte om een schitterende weerwraak
te nemen op den man die hem nu reeds sinds tal van jaren onverbiddelijk
vervolgde, maar niet minder sterk was zijn streven om al de lieden te
redden die zich aan hem en zijn goed fortuin hadden toevertrouwd.
Naar beide deze drijfveeren regelde hij zijne handelingen en toen hij
al de kracht zijner overreding had aangewend om den terneer geslagen
moed van zijne kameraden weer op te wekken, toonde hij zichzelf een
voorbeeld van energie en wilskracht, in het overwinnen van de grootste
hinderpalen. List moest het scherpste wapen zijn dat hem de zege op de
Spanjaarden deed behalen en dat wapen zou ook nu weer door hem
aangewend worden.