verborgen in een harer groote koffers, altijd met zich meê voerde, en
tevens een lans, die zij met verscheidene anderen tegen den muur zag
staan, en klom naar het bovenste gedeelte van het huis.
In de Spaansche koloniën zijn de daken der huizen meest altijd gebouwd
als te Venetië, en dit uit hoofde van het heerlijke klimaat; ’s avonds
dienen zij dan ook gewoonlijk tot plaats van ontspanning. In
verscheidene Amerikaansche steden maakt men die daken tot een soort van
hangende tuinen, door ze met bloemen en heesters te versieren.
Dat van het huis waar donna Juana vertoefde was op die wijze ingericht;
men vond daar zelfs een prieeltje van oranje- en citroenboomen, een
plekje dat door het jonge meisje dikwerf bezet werd, om dáár ongestoord
aan hare zoete droomerijen te kunnen bot vieren, waarbij zij echter
steeds het oog gevestigd hield op de zee, die men van deze verhevenheid
duidelijk gewaar kon worden.
Toen donna Juana op het terras gekomen was, kon zij zonder eenige
inspanning het verwarde rumoer hooren van het hevige gevecht dat in het
dichtste van het bosch kort in hare nabijheid plaats greep. Bovendien
was die plek zeer gemakkelijk te onderkennen door een dikke wolk van
rook, die boven de boomen uitsteeg.
—O, God!—smeekte zij, vouwde vroom de handen en viel op de
knieën.—Goede God! Red don Fernando! Genadige God! Behoud mijn
dierbaren Philippe!
Op dit oogenblik drong een nog veel heviger rumoer tot haar door; het
jonge meisje stond op, maakte het teeken des kruises, en ging vast
besloten naar het prieeltje, waar zij op het hoogste plekje met haar
sjerp de lans vastbond die dienen moest tot vlaggestok. Vreesachtig
keek zij om zich heen om te zien of zij door iemand was bemerkt, en
snelde toen vlug de trap af naar beneden waar zij zich in haar kamer
terugtrok. Het gevecht werd van lieverlede niet zoo merkbaar meer
vernomen en eindelijk werd het geheel en al stil. Zóó verliep uur op
uur in doodelijke stilte, en in dien tijd verkeerden donna Juana en
hare voedster, volslagen onbekend met alles wat kon hebben plaats
gehad, in onuitstaanbaren angst. De zon daalde naar den horizont, het
licht maakte plaats voor de duisternis, en eindelijk werd het nacht
zonder dat donna Juana er aan dacht te gaan slapen. De ongerustheid van
het jonge meisje werd hoe langer hoe grooter, te meer daar zij
letterlijk niets wist van de gebeurtenissen van den afgeloopen dag.
Toch had don Fernando bij het afscheid haar vast beloofd dat hij,
ingeval hij zelf niet kon komen, iemand zou zenden om haar te berichten
hoe de aanval der vrijbuiters was afgeloopen. Vierentwintig uren waren
nu reeds sinds dat tijdstip verstreken, en nog was geen sterveling
opgedaagd.
Het werd ochtend en tegen acht uur steeg de angst van donna Juana
dermate, dat zij zich niet langer kon bedwingen, zoodat zij besloot,
het kostte wat het wilde, berichten te gaan inwinnen. Zij luisterde
niet langer naar de smeekingen harer duenna, zij sloeg geen acht op al
de door de bedienden geopperde bezwaren, die haar met tranen in de
oogen bezwoeren nog wat te wachten. Vastberaden kleedde zij zich in
mansgewaad, stak een dolk en een paar pistolen in haar gordel en
gelastte dat men een paard zou zadelen. Er stonden verscheidene paarden
gezadeld en getuigd, gereed; maar donna Juana wist dit niet, want de
order daarvoor was door don Fernando in hare afwezendheid gegeven; om
tijd te winnen zorgden de bedienden er wel voor die bijzonderheid aan
donna Juana mede te deelen, en tot nog langer verwijl gingen zij naar
den corral om dáár een paard te halen. Daardoor verliepen nog ettelijke
minuten, en in dien tusschentijd liep donna Juana haastig over het
plein, luisterende naar het minste gerucht, en steeds met stijgenden
angst.
Plotseling vernam zij een vrij hevig geraas in de struiken en een
twaalftal mannen drongen er door heen, onder welke zij don Fernando
d’Avila gewaar werd. Het jonge meisje ijlde naar de poort, en haastte
zich die open te maken. De vluchtelingen, want dat zij niet anders
waren toonden hunne gehavende en met bloed bevlekte kleederen en hunne
bleeke gezichten, drongen overhaast naar het plein waarvan de poort
onmiddellijk achter hen werd gesloten. Don Fernando d’Avila was gewond;
hij liep moeielijk, leunende op zijn degen en ondersteund door een
zijner onderhoorigen; zoodra hij donna Juana in het oog kreeg, uitte
hij een kreet van vreugd.
—Heer, mijn God, zij gedankt! Ik kom nog in tijds. Paarden, in ’s
hemels naam, paarden! Dadelijk, dadelijk paarden!!
Maar na die woorden zonk hij ineen, en viel zonder bewustzijn ter
aarde; zijne krachten waren eerder bezweken dan zijn moed. Donna Juana
snelde hem te hulp. Don Fernando bloedde hevig uit twee vervaarlijke
wonden; er viel dus op dit oogenblik niet aan vluchten te denken.
Het jonge meisje gelastte dat men haar voogd in huis moest dragen, en
hield zich terstond onledig met al de verzorging die zijn toestand
vereischte, terwijl zij de verpleging der overige gekwetsten aan na
Cigala overliet. Die arme lieden waren er niet veel beter aan toe dan
hun bevelhebber; allen waren in meerderen of minderen graad gewond, en
overal waar zij gestaan hadden, was op den grond een bloedig spoor
zichtbaar. Het mocht een wonder genoemd worden dat zij het huis nog
hadden kunnen bereiken, zoozeer waren allen uitgeput en verzwakt.
Thans behoefde men zich niet meer in pijnigende onzekerheid te achten,
thans was iedere twijfel opgeheven; men behoefde slechts één blik te
werpen op het rampzalige voorkomen van die lieden, die blik was even
voldoende als het uitgebreidste rapport. De zege der flibustiers stond
met duidelijke letters op hunne door angst en vrees verwrongene
gelaatstrekken en in hunne schuw dwalende en verbijsterde oogen te
lezen. Door de goede zorgen van donna Cigala, vonden zij een rustplaats
op bossen stroo in een schuur, en werden zij dáár verzorgd en hunne
wonden verbonden. De flauwte van don Fernando was alleen veroorzaakt
door bloedverlies en overmaat van vermoeidheid bij eene overhaaste
vlucht door genoegzaam ondoordringbare bosschen, doch spoedig kwam hij
weder bij. Hij bedankte donna Juana en wilde toen opstaan doch het
jonge meisje hield hem terug en zei op meewarigen toon:—Daarvoor zijt
gij nog veel te zwak. Gij moet eerst eenige uren uitrusten.
—Uren! Geen enkele seconde!—viel hij heftig uit.—Men vervolgt ons, dit
weet ik zeker, wij moeten vluchten, ijlings vluchten. Als ik te zwak
ben om te paard te stijgen, moet men er mij maar op binden, maar ik
herhaal het u, kindlief, wij moeten dadelijk vluchten, ieder minuut die
ge verliest is een minuut minder van uwe vrijheid.
—Goed, daar gij het eischt zal ik gehoorzamen.
—Ja, ja, doe zoo! Waar zijn de anderen?
—Zij liggen op stroo in een schuur.
—Goed, uwe bedienden moeten zich wapenen. Haast je! Haast je!
Op eens stond hij op van de rustbank waar hij lag, scheen een oogenblik
scherp te luisteren en riep toen met eene onbeschrijfelijke uitdrukking
van wanhoop:—O! Mijn God! Het is te laat, te laat! Daar zijn zij! Sluit
de poorten! Barrikadeer alles of gij zijt verloren!
En ondanks al de pogingen van donna Juana om hem tegen te houden, wilde
hij naar buiten om de bedienden te wapen te roepen. Van onder de
struiken werd een kort afgebroken geblaf gehoord, dat snel het huis
naderde. Kort daarna werd men een grooten hond gewaar, die met
opstaande haren, de tong uit den bek, en den neus langs den grond, kwam
aanhollen alsof hij een spoor volgde, daarop werd herhaaldelijk de stem
van een man vernomen die, nog onzichtbaar, in het Fransch het dier
toeriep:—Zoek, Monaco, zoek, brave hond.
Bij de poort gekomen, bleef het dier staan, om bijna nog verwoeder te
blaffen.
—Vervloekt beest!—brulde don Fernando woedend.—Door dat dier is ons
spoor ontdekt, en vallen wij onzen vijanden in handen.
Hij trok een pistool uit zijn gordel, en loste het op den hond, maar
het schot was niet goed gemikt en de hond bleef ongedeerd.
—O! Wat hebt ge nu gedaan!—kermde donna Juana.—Dát is onze ondergang.
Don Fernando liet in wanhoop het hoofd op de borst zinken.
—Blijf daar, Monaco,—zoo liet die stem zich weer hooren.—Koest, beste
hond, koest, wij komen!
Een aanval op het huis scheen nu onvermijdelijk. De Spanjaarden waren
vast besloten zich tot het uiterste te verdedigen, en de gedachte zich
over te geven kwam zelfs niet bij hen op, want zij wisten te goed wat
zij van hunne woeste tegenstanders te wachten hadden.
Even als te Maracaïbo was het Philippe’s eerste zorg geweest na zijne
komst te Gibraltar om, geleid door Zijden-Draad die hem tot gids moest
dienen, te hollen naar de woning van donna Juana. Maar weer wachtte hem
dezelfde teleurstelling. Het huis was verlaten. Tevergeefs vloog de
jonge man van de eene kamer naar de andere; overal en telkens bleek hem
duidelijk dat er een overhaast vertrek had plaats gegrepen, en de jonge
dame was ook hier nergens te vinden. Philippe raapte een zakdoek op die
op een der meubels lag en zeker vergeten was, een zakdoek nog vochtig
van de tranen die donna Juana zeker bij haar vertrek gestort had.
Philippe drukte er herhaaldelijk een kus op, en ging wanhopig heen,
niet wetende waarheen hij nu zijne schreden zou richten.
—Wel weet ik,—zei Zijden-Draad tegen hem,—dat don Fernando hier in den
omtrek een landhuis heeft, maar wáár, dat zou ik niet kunnen zeggen,
want ik ben er nooit geweest.
—Wat te doen?—mompelde Philippe en drukte den zakdoek tegen zijne
lippen, alsof het fijne weefsel in staat ware voor hem het raadsel op
te lossen van het tegenwoordige verblijf zijner beminde.
—Wacht eens,—riep op eens Zijden-Draad.—Daar valt mij iets in! Nog is
alles niet verloren!
—Wat wil je daarmee zeggen?—vroeg Philippe haastig.
—Laat mij maar begaan. Misschien krijgt gij straks weer eenige hoop.
De jongen had Tributor in het oog gekregen, die, gevolgd door zijn hond
Monaco, jacht maakte op de Spanjaarden.
—Hei! Tributor!—schreeuwde de jongen.
De pandeling keek om en vroeg:—Wat wil je van mij?
—Ik? Niets,—gaf de jongen ten antwoord,—maar kapitein d’Ogeron heeft je
iets te zeggen.
—Hier ben ik,—hernam de pandeling.—Hier, Monaco!
De reus liep dadelijk naar Philippe aan wien hij zeer was gehecht,
sinds de kapitein hem een grooten dienst had bewezen.—Wat verlangt gij,
kapitein?
—Ik?—werd met verwondering gevraagd.
—De kapitein,—haastte Zijden-Draad zich in plaats van Philippe te
antwoorden,—zou wel eens willen weten of Monaco zulk een goede
speurhond is als door jou wordt beweerd.
—Wel drommels! ’t Kost weinig moeite om dat te bewijzen,—verzekerde de
reus, die met welgevallen zijn hond streelde.—Neem er de proef maar van
op menschen of op dieren. Breng hem op het spoor en hij zal het volgen.
—Dat zullen we dan eens zien, ouwe jongen. Kom met ons mee, als de hond
het spoor volgt, waarop wij hem zullen brengen, en dit tot het eind
volhoudt, dan kan je er duizend francs mee verdienen. Staat je dit aan?
—Of het! Want ’t is net zoo goed alsof ik die duizend francs reeds in
mijn zak heb.
—Ba! Wat een gebluf op zoo’n hond!
—Monaco is een zeer goed dier,—antwoordde de reus eenigszins
geraakt,—en bluffen is mijn gewoonte niet.
—Nu, ook al goed, kom maar mee.—Daarop wendde de jongen zich tot
Philippe, en vervolgde:—Die hond zal ons terug doen vinden wat wij
verloren hebben.
—O!—uitte de kapitein.—Als zoo iets mogelijk was!
—Wat belet ons het te beproeven?
—Jij hebt gelijk,—luidde het gejaagde antwoord.—Dit moeten wij doen.
—Volg mij!—hernam de jongen.
Zij sloegen de richting in naar het vrije veld; maar na eene opmerking
van Zijden-Draad, dat men waarschijnlijk genoodzaakt zou wezen zich een
heel eind van de stad te verwijderen, dacht Philippe dat het niet kwaad
zou zijn zich door eenige vrijbuiters te doen vergezellen en klampte
onder weg achtereenvolgens een dertigtal aan, die dadelijk bereid waren
hem te volgen. Buiten de stad werd stil gehouden en door den reus
gevraagd:
—Welken kant moeten wij op?
—Dat moet jouw hond weten,—antwoordde de jongen,—hij is nu onze gids.
—Hier,—zei Philippe tegen den reus.—Hier heb je een doek, laat je hond
dien beruiken.
—Doe nu je best, oude jongen,—voegde Zijden-Draad er bij,—want denk er
aan, duizend francs zijn er mee gemoeid.
—Hou jij je er maar buiten,—hernam de reus bits,—ik heb immers al
gezegd dat het net zoo goed is alsof ik die in mijn zak heb.
Toen nam hij den hond bij den nek, hield hem den doek voor en streelde
hem.
—Zoeken, Monaco, zoeken! Pak aan, beste hond, pak aan!
Monaco snoof herhaaldelijk langs den zakdoek, begroef er zijne snoet in
en wentelde de doek eenigen tijd in alle richtingen om; toen stak hij
zijn kop in de hoogte, en keek zijn meester aan met oogen die naar men
zou gewaand hebben, getuigden van menschelijk begrip. Tributor liet het
dier los. De hond liep dadelijk met den neus op den grond in een cirkel
rond en deed dit eenige keeren, doch telkens werd de cirkel kleiner. Op
eens bleef hij stilstaan, stak den kop in de hoogte, scheen de lucht op
te snuiven, blafte een paar malen kort afgebroken, keek toen zijn
meester aan, en liep recht voor zich uit met de snelheid van een pijl.
—Het spoor is gevonden,—verzekerde Tributor.
—Dan op weg! Op weg!—riep Philippe.
De vrijbuiters snelden den hond achterna. Het was kort bij zeven uur ’s
avonds toen de jongen Tributor in het oog had gekregen en op de
gedachte gekomen was of Monaco ook van dienst zou kunnen wezen; nu
stond de zon dus reeds gereed onder te gaan. Ondanks dit late uur
aarzelden de flibustiers geen oogenblik verder te gaan. ’s Ochtends
tegen twee uur begon de hond, die men aan een lange lijn vasthield,
daar men vreesde hem in de duisternis uit het oog te verliezen,
teekenen van onrust te geven, en telkens kwam hij weer terugloopen.
—Hier schijnt het spoor zich te kruisen,—merkte Tributor op.—Het beste
zou zijn dat wij hier bleven tot het dag wordt.
Niemand had daar iets tegen; zulk een dwaaltocht, uren achtereen, over
bijna onbegaanbare wegen, had, zooal niet den moed, dan toch de
krachten zelfs van den sterkste te zeer aangetast, en ook Philippe
ondervond dit daar hij halfdood van moeheid was. Men bleef dus waar men
was, en ieder zocht een geschikt plekje om zoo goed als kwaad het ging,
er den nacht door te brengen. Niet lang daarna waren allen in een
gerusten slaap gedompeld. Bij het krieken van den dag werden zij
wakker. Die enkele uren van gezonden slaap waren genoegzaam voor hen om
zich verfrischt en weer flink te gevoelen. De hond werd nu opnieuw
losgelaten, nadat men het dier nogmaals den zakdoek had laten
besnuffelen. Een paar minuten later had Monaco het spoor teruggevonden
en rende even hard voort als den vorigen avond, gevolgd door al de
vrijbuiters, met Tributor aan hun spits, die telkens schreeuwde:
—Pak ze, Monaco, pakken als een brave hond!
Die tweede tocht duurde lang; eerst tegen acht uur hoorden zij den
hond, dien zij reeds eenige minuten uit het oog hadden verloren,
verwoed blaffen.
—Ginds is iets aan de hand,—verzekerde Tributor.—Monaco staat.
—Dan dadelijk er op los!—gelastte Philippe hijgend.
Tributor hitste den hond opnieuw aan, en toen viel plotseling een
schot.
—Carambo!—vloekte de reus, die een sprong deed als een tijger.—Daar
vermoordt men mijn hond. Koest, Monaco, koest, wij komen, wij komen!
Steeds bleef de hond even verwoest blaffen, en op eens bevonden de
vrijbuiters zich buiten het bosch vóór een huis, en vlak bij de poort
waar Monaco nog altijd stond.
—Nu geloof ik toch dat wij aan het eind van het spoor gekomen zijn,
he?—vroeg Tributor met voldoening.
—Wel drommels,—viel Zijden-Draad uit.—Zoo’n tweede hond is er niet! En
wat heb ik dat netjes verzonnen!
—Blijft allen staan!—gelastte Philippe.
Hij trad vooruit, nam het huis nader op, en spoedig teekende zijn
gelaat hoe gelukkig hij zich gevoelde, daar hem de vlag in het oog was
gevallen die boven uit het prieeltje wapperde.
—Eindelijk! Eindelijk!—riep hij uit.—Goddank, ik heb haar
teruggevonden!
Zonder een oogenblik te bedenken welk eene onvoorzichtigheid hij
beging, liep hij regelrecht naar het huis, waaruit hem barsch werd
toegeroepen:—Wie daar?
—Goed vriend,—luidde onmiddellijk het antwoord.
—Ik heb geen vriend onder de ladrones. Terug of ik schiet!
De vrijbuiters voorzagen dat het tot een gevecht zou komen, en hielden
hunne wapens gereed. Maar wat niemand verwacht had, gebeurde; na die
ruwe toespraak bleef het een vrij lange poos zeer stil en daarna werden
plotseling de luiken van het tralievenster weg geschoven, en verschenen
twee personen; een daarvan was don Fernando d’Avila, de tweede donna
Juana, nog altijd in manskleederen. Philippe was op het punt naar de
jonge dame toe te ijlen, doch een wenk van haar hield hem terug.
—Wat verlangt gij?—vroeg don Fernando op somberen toon.
—Dat dit huis door u wordt overgegeven, waar gij u toch niet kunt
staande houden!—gaf Philippe ten antwoord.
—Ons aan u overgeven!—hernam de Gouverneur schamper en bits.—Dan is het
beter te sneven met de wapens in de hand.
—Uw leven en dat van allen die er zich in bevinden zal gespaard
blijven, en uw goederen onaangeroerd.
—Ja, gespaard zooals dat van de inwoners van Maracaïbo en Gibraltar, en
zoo zou het ook met onze goederen gaan. Welken waarborg geeft gij mij
voor de nakoming van die belofte?
—Mijn woord van eer, caballero, het woord van ridder Philippe d’Ogeron.
Een oogenblik heerschte er stilzwijgen. Don Fernando deed, hoezeer met
groote moeite en leunend op zijn degen een schrede voorwaarts en
zei:—Luister naar mij.
De jonge man naderde.
—Ik ben,—hernam de Gouverneur steeds even somber,—de voogd van deze
jonge dame; zij heeft mij zoo even bekend dat zij u liefheeft; hoe en
waar die liefde ontstaan is, kan ik nu op dit oogenblik niet nader
onderzoeken; zij zegt dat gij een man van eer, en een echt edelman
zijt. Wilt gij er een eed op doen dat zij door u gerespecteerd en
beschermd zal worden?
—Dat zweer ik!
—Ik aanvaard dien eed, ik vertrouw op uw woord! Tegenover stervenden
liegt men niet, en ik ga sterven.
—Mijnheer!—kreet de jonge dame.
—Stil, stil, donna Juana, wij hebben geen tijd te verliezen, laat mij
uitspreken. Die jonge dame hier is mij, toen zij nog een zeer klein
kind was, toevertrouwd door den hertog de Penaflor; in deze
portefeuille zult gij de stukken vinden die de waarheid bewijzen van
wat ik u daar gezegd heb. Neem die portefeuille aan.
Bij die woorden haalde hij een portefeuille uit zijn zak en stelde die
aan Philippe ter hand.—Gij zweert dus dat gij uw woord trouw zult
blijven?—hernam de oude man op plechtigen toon.
—Dat zweer ik niet alleen wat betreft donna Juana, maar ook ten
opzichte van uwe metgezellen en in de eerste plaats van u zelven.
—O! Wat mij betreft dat is onnoodig, ik zal wel voor mij zelven weten
te zorgen,—verzekerde hij met droeven glimlach.—Ik roep God tot getuige
dat ik gedurende mijn gansche leven getrouw mijne plichten als Christen
en als soldaat ben nagekomen. Ik ga dus den dood tegemoet zonder mij
iets te verwijten te hebben. Donna Juana, maak de poort open.—Haastig
werd door haar daaraan voldaan.—Komt allen hier,—riep don Fernando met
luider stem tot zijne manschappen.—Werpt uwe wapenen weg, gij allen
zijt gevangenen.
—Neen,—sprak Philippe dadelijk daarop tot de soldaten die zich achter
hun bevelhebber geschaard hadden.—Behoudt uwe wapenen, dappere kerels,
gij zijt allen vrij.
—Gaat, gaat, kinderen!—uitte de Gouverneur, en groette hen met de
hand.—Maakt u het zoo goedgunstig verleende verlof ten nutte om je zoo
spoedig doenlijk in veiligheid te stellen,—en toen hij bemerkte dat zij
aarzelden, zeker uit gehechtheid aan hun meester, werd er door hem
bijgevoegd op een toon die geen weerspraak gedoogde:—Gaat, ik wil en
gelast het.
Toen snelden de arme duivels naar het heestergewas, waar zij spoedig
tusschen de struiken verdwenen, zonder dat een der vrijbuiters zich
verwaardigd had het hoofd om te draaien en hen na te kijken.
—Mijnheer,—hernam de Gouverneur,—ik betuig u mijn dank voor uwe
loyaliteit. Donna Juana, leef gelukkig, blijf altijd aan mij denken, ik
heb je als een vader liefgehad.
—O! Neen!—snikte het meisje dat zich in zijne armen wierp.—Zóó zullen
wij niet scheiden.
Hij lachte droevig, en mompelde terwijl hij haar omhelsde:
—Eer dan ge denkt, arm kind! Mijn zegen schenk ik je!
Hij schoof haar van zich af en wendde zich tot Philippe die
onbeweeglijk voor hem stond en hem oplettend gadesloeg.
—Een oud krijgsman zooals ik, vraagt geen kwartier, en geeft zijn degen
aan niemand over, zelfs niet aan zulk een dapper edelman als gij.
Vaarwel, alles wat ik heb liefgehad! Leve Spanje!...
En eer men kon vermoeden wat zijn voornemen was, trok hij een pistool
uit zijn gordel en schoot zich door het hoofd. Donna Juana slaakte een
kreet van wanhoop en snelde naar hem toe, doch viel bewusteloos in de
armen van Philippe.
—Kameraden, bewaart het stilzwijgen over alles wat hier is
voorgevallen,—verzocht hij aan de vrijbuiters.
—Dat zweren wij!—verklaarden zij, daar allen zich getroffen gevoelden
door deze zoo tragische als onvoorziene gebeurtenis.
—Waarachtig!—uitte Tributor.—Het is jammer dat hij zich gedood heeft,
want zoo waar ik leef, hij was een dapper soldaat. Koest, Monaco,
koest, brave hond.
XXIV.
TEN EINDE RAAD.
Sedert de verovering van Gibraltar was een maand verloopen; de
vrijbuiters waren teruggekeerd naar Maracaïbo, en die terugtocht geleek
meer op eene vlucht dan op een zegetocht. Zoo was het ook; de
flibustiers hadden werkelijk de vlucht genomen, niet voor menschen maar
voor een veel geduchteren en onverbiddelijken vijand, de zwarte pest!
Met een paar woorden moeten wij ophelderen waardoor die ontstaan, en
hoe het dus noodzakelijk was geworden voor de vrijbuiters om met den
meesten spoed terug te trekken.
De Spaansche gevangenen waren in een verwarden troep opeengehoopt in de
kerken; vrouwen, kinderen, grijsaards, zelfs de slaven, allen bevonden
zich daar door elkander. Waren zij eenmaal achter slot en grendel, dan
bemoeide men zich verder niet met hen, en dus stierven zij van honger
en gebrek, zonder dat hunne erbarmelijke klachten de vrijbuiters één
oogenblik weerhielden bij de plundering die, naar hunne gewoonte,
stelselmatig en geregeld geschiedde en uitgevoerd werd met eene
onbaatzuchtigheid die men bij zulke lieden niet zou hebben verwacht,
daar al de buit in massa werd bijeengebracht, in afwachting van de
verdeeling, volgens het daarvoor bestaande reglement.
In de eerste dagen had men de lijken der Spanjaarden neergegooid in
booten die geen dienst meer konden doen, en die vaartuigen als zij vol
waren in zee gesleept en doen zinken; maar spoedig vonden de
vrijbuiters dit een vervelend en tevens een zeer walgelijk werk, daarom
hielden zij daarmee op; vandaar dat, zoowel de gevangenen die in de
kerken van honger waren omgekomen, als de vrijbuiters die iederen dag
in de huizen der stad stierven tengevolge van de bekomene wonden, zelfs
niet door de geringste laag aarde werden bedekt, en tot aas dienden
voor de insecten en de roofvogels. Die even stuitende als roekelooze
onbezorgdheid moest door allen weldra duur worden betaald, want het
natuurlijke gevolg in een zoo warm klimaat was, het uitbreken van een
pestziekte. Een zeer groot aantal der vrijbuiters stierf daaraan bijna
oogenblikkelijk, en nog verscheidene anderen bezweken daar hunne oude
wonden weer openbraken en daarin koudvuur ontstond. Eindelijk werd de
sterfte zoo groot, dat de vrijbuiters begrepen hoe een langer verblijf
geen ander gevolg kon hebben, dan hun totalen ondergang, zoodat geen
hunner het Schildpaddeneiland ooit weer zou betreden.