—Dat weet ik drommels goed, evengoed als jij, wij zullen hen dooden,

maar ten koste van welken prijs? Dit is en blijft de hoofdvraag! Doch

buitendien, ik wacht ieder oogenblik nadere en bepaalde inlichtingen;

zoolang die niet in mijn bezit zijn, zoolang ik in het duister verkeer

omtrent de voornemens der Spanjaarden denk ik er niet over iets te

ondernemen, want eerst daarna zal ik plannen tot een aanval kunnen

beramen.

—En door wien denk je die inlichtingen te verkrijgen?

—Wel door iemand dien jij zeer goed kent, je vroegeren kajuitsjongen

Zijden-Draad. Toen wij den vorigen keer hier zijn geweest heb ik hem

met opzet achtergelaten om ons op een gegeven oogenblik als wij dit

noodig mochten hebben, op de hoogte te brengen van alles wat wij

noodzakelijk moeten weten.

—Goed overlegd, jammer maar, dat Zijden-Draad verdwenen is, en wij, nu

reeds bijna twee weken hier vertoeven en in al dien tijd niets van hem

hebben vernomen.

—Hij zal wel voor den dag komen, daar kunt ge staat op maken.

Zijden-Draad is veel te slim om zoo maar in den val te loopen.

—Arm kereltje! Zij hebben hem zeker herkend, en gedood!

—Hum! Daar is hij te leep voor! En het bewijs staat vlak vóór je, kijk

maar naar ginder.

—Zijden-Draad!—viel Philippe uit.

—Wel drommels, wie zou het anders zijn? Zie je hem niet, dáár vlak vóór

de deur van je huis?

—Zoo waar, ge hebt gelijk!—riep de jonge man op verheugden toon en toen

tot den jongen die werkelijk als een standbeeld vóór de deur

stond:—Heidaar jongen, kom hier langs zij liggen en maak haast er meê!

De knaap keek om zich heen, doch nauwelijks had hij gezien wie hem

naderden of hij uitte een kreet van vreugde en snelde naar hen toe.

—Ben je daar eindelijk terug, verloren schaap!—sprak Montbars en klopte

hem goedhartig tegen de wang.—Waar kom je van daan? Ik dacht dat je

dood waart gegaan.

—Dood gegaan?—herhaalde hij,—om wat te doen, Admiraal?

—Drommels, dat weet ik zoo precies niet,—lachte Montbars.—Maar daar

wij, sinds wij hier zijn, niets van je gehoord hadden, konden wij niet

anders vermoeden dan dat de Spanjaarden je hadden vermoord of gevangen

gemaakt. Doch nog eens van waar kom je?

—Uit Gibraltar, met een slechte boot, die ik het geluk had te kapen.

—Mooi zoo! Dat is juist iets zooals ik van je verwachtte; ge zijt nog

altijd even behendig en bij de hand als vroeger. En welke gewichtige

tijdingen hebt ge ons te berichten?

—Verscheidene, maar liever niet hier, als u er niets tegen hebt.

—Ge hebt gelijk, volg mij,—zei Philippe.—Op mijn eer, dat kereltje is

nog verstandiger dan men reeds naar zijn uiterlijk zou vermoeden.

—Dank u zeer, kapitein! Welk compliment moet ik u nu maken?—vroeg hij

lachend.

—Dat is onnoodig. Kom maar mee, dan kunnen wij praten.

Zij traden het huis van Philippe binnen gevolgd door den kajuitsjongen,

die zijne vingers liet knippen en de gekste grimassen maakte, evenals

een aap die een noot zit te peuzelen. Nadat de vrijbuiters in eene

afgezonderde kamer plaats hadden genomen, gelastte Montbars:—Vertel nu

wat ge weet, maar kort en bondig.

—Dat zal gauw genoeg gedaan zijn,—antwoordde de knaap.—Wat verlangt u

te weten?

—Wat er van de inwoners geworden is, en wat de Gouverneur don Fernando

d’Avila voornemens is te doen. Zoover ik er over heb kunnen oordeelen

is hij een dapper soldaat en daarom verwondert het mij dat hij nog geen

teeken van leven gegeven heeft sinds wij het meer zijn binnengeloopen.

—Dat is toch heel licht te begrijpen. Hij wacht u af.

—Hoe! Wacht hij mij af?

—Zeker, Admiraal, luister maar even.

Toen begon de kajuitsjongen te vertellen wat er voorgevallen was, en

hoe alles zich had toegedragen; op welke wijze de Gouverneur bericht

had gekregen van de aanwezigheid der vrijbuiters bij het eiland Aruba,

en hoe hij, oordeelende dat Maracaïbo niet in staat was een aanval te

wederstaan, last had gegeven de stad te ontruimen, en eindelijk hoe die

ontruiming had plaats gegrepen onder de oogen van den Gouverneur, die

zich het allerlaatst had ingescheept, na zich verzekerd te hebben, dat

verreweg de meesten der inwoners in veiligheid waren aan boord der

schepen, om zich naar Gibraltar of Merida te begeven.

—Goed, heel goed!—gaf Montbars te kennen.—Het komt mij juist te pas te

vernemen dat ik die aangename verrassing aan schipper Aguirre te danken

heb; dat zaakje hoop ik later hem betaald te zetten.

—O! Admiraal,—merkte de jongen lachend aan,—gelooft u dat hij er zin in

heeft op u te blijven wachten? Neen waarachtig niet! Zoodra hij den

troep had ontscheept dien hij naar het Houtduifeiland moest

overbrengen, heeft hij er haast achter gezet; hij heeft zich wel

gewacht weer het meer binnen te loopen, maar daarentegen het ruime sop

gekozen.

—Hoe langer hoe beter!—verzekerde Montbars.—Op die manier heb ik des te

meer kans hem spoedig weer te ontmoeten. Maar nu nog iets over den

Gouverneur. Wat heeft die uitgevoerd?

—Hij! Nu Admiraal, gij kunt er op aan dat die van zijn tijd goed heeft

gebruik gemaakt en gij kunt er eveneens op aan dat het verkeerd van u

geweest is om hier zoo lang te blijven.

—Wel, wel, hoor eens aan!—lachte Philippe,—mijnheer Zijden-Draad

vermeet zich den Admiraal de les te lezen!

—Toch niet kapitein, ik herhaal slechts wat ik heb hooren zeggen.

—Vertel meer jongen, vertel meer!—viel Montbars ongeduldig uit.

—Dadelijk, Admiraal,—zei de knaap die daarop vervolgde, zoo ernstig als

een officier die verslag doet,—zooals ik u reeds heb gerapporteerd zijn

de inwoners van Maracaïbo uitgeweken naar Gibraltar en naar Merida; ik

moet daar nu nog bijvoegen, dat zij in die beide plaatsen op de

hartelijkste wijze ontvangen zijn, onder betuigingen van deelneming met

hun ongelukkig lot. Zoodra don Fernando d’Avila zich verzekerd had dat

al die lieden zoo veel mogelijk en zoo goed doenlijk waren gehuisvest,

heeft hij, als een oud soldaat die zich niet licht laat beetnemen en

veel naam heeft gemaakt tijdens de oorlogen in Vlaanderen....

—Genoeg van die lofspraak en al die uitweidingen!—viel Montbars

ongeduldig in en stampte driftig op den vloer.—Ik begin waarachtig te

gelooven dat die kwajongen een loopje met mij denkt te houden.

Zijden-Draad keek hem schuins aan en bemerkte zeker dat het nu geen

tijd was om zijne gewone aardigheidjes aan den man te brengen, waarom

hij zijn rapport op minder hoogdravenden toon vervolgde:

—Don Fernando d’Avila,—hernam hij,—is uitgetrokken aan het hoofd van

vierhonderd soldaten, waarbij zich aansloten vierhonderd inwoners van

Gibraltar, allen goed gewapend en behoorlijk uitgerust. Die uitgelezen

troep heeft met den meesten spoed aan den zeekant verschansingen

opgeworpen en er een hollen weg, die van de landzijde naar de stad

loopt, onbruikbaar gemaakt, en daarentegen door het bosch een anderen

aangelegd om dienst te kunnen doen bij een mogelijken terugtocht.

—Bravo! Dat is eene betere manier van rapporteeren, kereltje,—sprak

Montbars nu weer op welwillenden toon.—En kunt ge mij ook zeggen hoe

die verschansingen in elkander zitten?

—Ja, Admiraal, dat kost niet veel moeite.

—Vertel dan wat ge er van weet.

—Vooreerst heeft men een gracht gegraven, tien voet diep en vijftien

breed, en goed gezorgd dat de uitgegraven grond glooiend naar de

stadszijde werd opgeworpen; daarna heeft men achter die helling, om die

te stutten, palen in den grond bevestigd, overal met de noodige

openingen om er de kanonnen te plaatsen.

—En staan die stukken daar reeds?

—Nu, of ze! Zeker vijfentwintig voor het minst.

—Hum!—uitte Montbars, het hoofd schuddende.—Dan zal het voor ons een

zwaar werk wezen, die verschansing te bemachtigen.

—Kom, kom!—bracht Philippe er tegen in, onbezorgd als altijd.—Het fort

van het Houtduifeiland is toch ook wel door ons genomen, niet waar?

—Dat is zoo, maar dit was niet zóó goed versterkt. En wat doen de

Spanjaarden nu, jongen?

—Zij wachten u af, Admiraal, en gelooven vast en zeker dat zij u allen

zullen doen verdrinken.

—Nu, dat zal te bezien staan.

—Ja,—voegde Philippe lachende er bij,—dat valt nog te eer te

betwijfelen omdat wij allen vrij goede zwemmers zijn. Hoe denkt gij nu

te handelen, Admiraal?

—Keer naar boord terug, waarde Philippe, ge zult te dien opzichte

spoedig mijne orders vernemen.

—Dus vertrekken wij dáár heen?

—Nog heden, vriendlief. Zijt ge nu tevreden?

—Volkomen.

—Dan tot straks, en neem dien kleinen schelm met je mee.

Philippe vertrok, gevolgd door Zijden-Draad.

—En nu,—begon de knaap, terwijl hij den kapitein aankeek,—iets onder

ons.

—Wat, onder ons?

—Ja,—antwoordde de knaap met een vroolijk gelaat,—ik heb een brief voor

u.

—Een brief voor mij?—herhaalde de jonge man in vervoering.—Is het

werkelijk waar?

—Zeker! En tot bewijs, zie maar, hier is die.

Tegelijk stelde hij hem een verzegeld briefje ter hand, dat door

Philippe gretig aangenomen, en met verrukking gelezen werd.

—Die lieve, beste Juana!—uitte hij half luid, en kuste het briefje

herhaaldelijk.—Dus hebt ge haar gezien?

—Wie meent u?—vroeg de knaap met een guitig gezicht.

—De dame die dit briefje aan mij geschreven heeft.

—Of ik! Nu, kapitein, dat is er een die veel van u houdt zou ik zeggen.

Maar dat doet er niet toe, want zij is heel, heel mooi en goed ook. Zij

heeft mij naar u toe gezonden.

—En heeft zij niets tegen je gezegd?

—Niets gezegd?! Luister eens, kapitein, zij heeft over niets anders

gesproken dan over u, en als ik u dat alles moest oververtellen, dan

zou er geen eind aan komen.

—Maar je weet toch waar zij woont, niet waar?

—Dat zal waar zijn. Zij heeft mij zelfs in haar huis opgenomen, ik weet

dus best, reken daar maar op, den weg daarheen.

—Ge moet nu verder bij mij blijven. Ga mee naar boord, en dan kunt ge

mij alles over haar vertellen, zult ge?

—Niets liever dan dat, kapitein, vooral ook als ik u daarmee eenig

genoegen doe.

—Goed, goed! Ge zijt een ferme jongen.

Dien eigen dag werd aan boord van het fregat een kanonschot gelost,

waardoor al de equipages naar hunne schepen werden teruggeroepen.

Leeftocht werd ingescheept, de gevangenen aan boord gebracht, en daarna

ging de vloot onder zeil, slechts één schip vóór Maracaïbo

achterlatende, om zich te verzetten tegen een terugkeer der Spanjaarden

en in het bezit te blijven van de stad. Donna Clara en haar getrouwe

Birbomono scheepten zich in op een brigantijn die onder het gezag stond

van Tributor. Zij had er op aangedrongen de expeditie mede te maken, en

haar besluit was door de vrijbuiters met ingenomenheid en oprecht

gemeende dankbaarheid begroet. De overtocht duurde drie dagen; reeds

naderde die aan het eind, reeds vertoonden zich aan de blikken der

vrijbuiters de stad, met de talrijke landhuizen die haar als een gordel

omsluiten, en nog altijd had Montbars geen enkel woord tegen hen

gesproken, noch iets medegedeeld van al de inlichtingen die hij van

Zijden-Draad ontvangen had, terwijl hij ook aan Philippe zeer ernstig

gelast had, daarvan niets te doen uitlekken, waaraan door dezen stipt

werd voldaan, daar hij zeer goed begreep van hoe groot gewicht het was

daarover het stilzwijgen te bewaren, daar eene expeditie die zoo

gevaarlijk was en met zoo vele bijna onoverkomelijke moeielijkheden zou

gepaard gaan, zijne kameraden ondanks al hun beproefde dapperheid had

kunnen afschrikken. En nochtans geschiedde dit, wat trouwens niet

anders verwacht had kunnen worden.

Bij het zien van al de schikkingen die getroffen waren in het belang

der verdediging, bij het zien van dat omwoelde en gekapte terrein, van

al dat onder water gezette land, van die holle wegen, die elkaar in

alle richtingen kruisten, van die stevige palissaden, van die geduchte

batterijen, na het aanschouwen van dat alles, maakte zich gedurende

eenige oogenblikken van de flibustiers een gevoel meester dat hun tot

nu toe onbekend was gebleven, en werden zij overvallen door zulk een

panischen angst, dat Montbars voorzag dat alles totaal verloren zou

zijn, zoo hij dit niet onmiddellijk te keer ging. Een wimpel die op het

Admiraalsschip geheschen werd, riep zonder verwijl een krijgsraad

bijeen, samengesteld uit de gezagvoerders van de vloot en de dapperste

vrijbuiters van de expeditie. Toen allen vereenigd waren in de daarvoor

bestemde ruimte, stond Montbars op en eer iemand tijd had om de een of

andere meening te uiten nam hij het woord en sprak met luider

stem:—Broeders! ik heb je weer bij mij aan boord doen komen, omdat men

met mannen, zooals gij zijt, recht door zee moet gaan en de dingen bij

hun waren naam moet noemen. Verre dus van mij om het te willen

bewimpelen dat het tot dusverre behaalde succes onzer expeditie door

ontelbare moeielijkheden wordt bedreigd. De Spanjaarden, in tijds

bekend geworden met den val van Maracaïbo, hebben ruim gelegenheid

gehad om hier alles zóó in te richten, dat zij ons warm kunnen

ontvangen: zij zijn naar hier afgetrokken om schitterende weerwraak te

nemen over de door hen geledene nederlagen. Hunne soldaten zijn talrijk

in den krijg verhard, hunne aanvoerders ervaren officieren, en allen,

soldaten zoowel als officieren, hebben gezworen liever te sterven dan

zich over te geven. Zij zijn in het bezit van kanonnen van zwaar

kaliber, en in hunne magazijnen ligt een massa krijgsbehoeften. Gij

bemerkt nu, broeders, dat ik de waarheid niet verbloem, maar je die

veeleer doe kennen; maar de Broeders der Kust behooren niet tot die

mannen die zich laten beangstigen of afschrikken door moeielijkheden en

hindernissen. Als de Spanjaarden bedacht zijn geweest op en nu besloten

tot zulk een hardnekkigen wederstand, dan is dit hoofdzakelijk omdat al

hunne schatten te Gibraltar zijn opeengehoopt! Die schatten dus, die

ongehoorde buit, moeten wij aan hen ontrooven, of die verliezen

tegelijk met een leven dat verder dan voor ons waardeloos zou zijn. Als

wij overwinnaars zijn, en ik zeg je wij zullen het wezen, dan is het

een onberekenbaar fortuin dat door uw moed en uwe dapperheid je ten

deel zal vallen! En waarom zou het fortuin ons nu op eens den rug

toedraaien nadat het ons zoo herhaaldelijk heeft begunstigd? Nog altijd

ben ik immers uw bevelhebber, ik, de man dien men den bijnaam heeft

gegeven van den Verdelger! Volgt dus mijn voorbeeld! Denkt aan onze

vroegere dagen, toen waren wij lang zoo machtig niet als nu, maar wij

dachten er niet aan onze vijanden te tellen dan nadat zij vóór onze

voeten lagen. Handhaaft dus op nieuw den door u verkregen naam! Het

gevaar is groot, maar nog grooter na den zege de roem en de buit die

het loon zullen zijn voor onze pogingen!

Die toespraak, gesproken met vaste stem en levendige gebaren, door den

man in wien zij het grootste vertrouwen stelden, had op de vrijbuiters

eene buitengewone uitwerking; zij werden door die woorden als op nieuw

bezield door de oude hartstochten waardoor zoo vele ongehoorde feiten

wisten tot stand te brengen; eene huivering van woede voer over allen

heen, het verlangen naar den strijd, het uitzicht op dien ontzaglijken

buit, deed hunne oogen bliksemen, en Montbars hield zich overtuigd dat

hij zijne zaak gewonnen, en nog niets verloren had van zijn overmacht

op den geest zijner metgezellen. Hij wilde nu het ijzer smeden terwijl

het heet was, begrijpende dat het er op aan kwam het geschikte

oogenblik niet ongebruikt voorbij te laten gaan en besloot dus

onmiddellijk naar de wapens te doen grijpen.

—Voorwaarts, broeders!—donderde hij hun toe.—Zoo ik, u aanvoerende,

val, wreekt dan mijn bloed, door dat der Spanjaarden! Maar weet, dat

zoo iemand uwer aarzelt of wijkt, ik dan dien lafaard niet waardig

onder ons te leven, met mijn bijl zal neerhouwen! Te wapen dus,

broeders, te wapen!

—Te wapen! Te wapen!—werd door alle vrijbuiters herhaald, hunne wapens

boven het hoofd zwaaiende. Die kreten weerklonken over de gansche

vloot, en voerden de aandrift en de opgewondenheid der vrijbuiters ten

toppunt.

Bij het aanbreken van den dag werden vijfhonderd manschappen zonder

meerdere wapens dan een korten sabel, twee pistolen en dertig patronen

aan wal gezet. Zij allen waren kernachtige kerels met zorg gekozen uit

de gansche bemanning der vloot. Voet aan wal zettend, omhelsden zij

elkaar als lieden die er niet op rekenden elkander weer te zien, en na

dien plicht vervuld te hebben begonnen zij met vasten tred hun marsch.

Tot gids diende hun een Spanjaard, een arme stakkerd, door hen te

Maracaïbo gevangen gemaakt, die op hoop van een rijke belooning, zich

bij de vrijbuiters had aangesloten; doch ongelukkig genoeg wist die man

genoegzaam niets van de maatregelen door den Gouverneur genomen,

terwijl ook de inlichtingen door Zijden-Draad gegeven, verre van

afdoende konden genoemd worden; spoedig zou Montbars daarvan de bittere

ondervinding opdoen.

De gids geleidde de vrijbuiters naar den ingang van den hollen weg,

doch dáár gekomen bleek het hun dadelijk dat het ondoenlijk was dien in

te slaan, want die weg was van afstand tot afstand doorsneden door

breede sloten voorzien van scherp gepunte staken. Men werd dus

genoodzaakt terug te trekken en een omweg te maken in de richting van

het woud, maar toen deden zich andere hindernissen op, door de natuur

geschapen. Toch gelukte het hun om tot op een pistoolschot afstand een

Spaansche verschansing te naderen, doch plotseling week de grond onder

hunne voeten en zonken zij tot aan de knieën in een stinkenden

modderachtigen poel, en op hetzelfde oogenblik werden zij overstelpt

door een hagelbui van schroot uit zes kanonnen op hen afgeschoten. Doch

ook dit was niet in staat hen tegen te houden en zij bleven voortrukken

met zulk eene volharding, dat die zelfs de onverschrokkenste soldaten

vrees moest inboezemen.

—Trekt over ons heen, wij zijn overwinnaars!—schreeuwden de vrijbuiters

die verminkt of bloedende in dien modderpoel waren

gevallen.—Voorwaarts, broeders, voorwaarts!

Ten laatste slaagden de vrijbuiters er in, om het moeras te boven te

komen, waarin het een oogenblik scheen dat allen zouden verzinken.

Thans hadden zij een vaster terrein bereikt, en daardoor vermeerderde

hun moed; reeds geloofden zij de grootste moeielijkheden achter den rug

te hebben, toen op eens uit het dichtste van het struikgewas dat hen

omringde opnieuw eene geduchte losbranding op hen werd afgevuurd,

terwijl tegelijkertijd eene batterij van vijfentwintig stukken haar

schoten op hun flank uitbraakte.

Zelfs de dappersten werden in wanorde gebracht, de anderen begonnen te

aarzelen, en durfden niet verder te gaan, en van de voor- tot aan de

achterhoede heerschte algemeene ontzetting. Het vuur van de batterij

hield met verdubbelde kracht aan, de dood waarde tusschen de gelederen

der vrijbuiters, die met tientallen tegelijk vielen; alles en allen

kwamen in verwarring, en de aanvallers weken in wanorde terug naar het

moeras. Zoo er geen hulp opdaagde, hulp zonder eenig verwijl, dan was

alles verloren, en bleef de zege aan de Spanjaarden. Maar Montbars is

er bij, Montbars heeft alles gezien. Gevolgd door Philippe, Michel de

Baskiër, Luiwammes, de Mooie Laurent, Pierre Legrand, Pitrians, de

Olonner en een veertigtal anderen, die allen besloten hadden te

overwinnen of te sterven, was het hem, als door een wonder, gelukt,

ongedeerd dwars door het terrein dat door het vuur der batterij

bestreken werd, heen te komen. Eer men tijd had om den op den hoek

geplaatste stukken op hen te richten, wierp hij zich op den grond langs

den kant en bereikte toen de helling van de verschansing. Doch hoe deze

te bestormen zonder ladder? Zal hij zijne stoutmoedigheid met zijn

leven moeten betalen? Philippe fluistert hem iets toe, Montbars

glimlacht. Plotseling wijkt het gros der vrijbuiters, en nemen zij de

vlucht onder het uiten van angstige kreten.

De Spanjaarden meenende dat zij nog slechts te doen hadden met het

rampzalige overschot van een afgezonderd en ontmoedigd troepje, en

alleen gehoor gevende aan hunne verblinde woede, stormden uit hun

verschansing en vielen met het zwaard in de vuist op de gehaatte

vijanden aan. Nu echter veranderde het tooneel. Juist op dien uitval

had Montbars gehoopt, en de vrijbuiters keerden nu even plotseling om

als zij op de vlucht schenen gegaan te zijn, waarna een afgrijselijk

gevecht ontstond. Ook de Spanjaarden vochten en waren dapper maar niet

zoo krachtig als hunne tegenstanders, dus ook niet bestand tegen een

strijd van man tegen man waar geen andere wapens dienstig zijn dan de

sabel en de dolk; zij wilden dus ten spoedigste zich terugtrekken

achter hunne verschansingen, te meer daar hun artillerie niet kon vuren

op de verwarde menigte, daar dan zoowel vriend als vijand zou gedood

worden. Kwartier werd niet gegeven, aan genade werd niet gedacht, het

bloed stroomde, en het werd meer een bloedbad dan een gevecht.

Francoeur werd gewaar dat het vuur uit de verschansing had opgehouden;

hij verzamelde een groot gedeelte van de Broeders der Kust en voerde

hen aan tot hulp voor Montbars. Van dat oogenblik verklaarde de zege

zich bepaald ten gunste der vrijbuiters, die over een hoop lijken

binnen de verschansing drongen. Zeshonderd soldaten of inwoners van

Gibraltar verloren in dit gevecht het leven, het overschot gaf zich op

genade of ongenade over en werd zonder mededoogen door de overwinnaars

gedood. [13]

Beschermd door een ongelooflijk geluk, had Montbars zelf niet de

geringste schram ontvangen, doch meer dan zestig vrijbuiters waren

gevallen als offers van deze overwinning, en meer dan het dubbele van

dit aantal zoo vreeselijk gewond, dat er geen hoop bestond hen in het

leven te behouden.

Gibraltar werd dus genoodzaakt zich over te geven.

XXIII.

MONACO.

Na zijne aankomst te Gibraltar, had don Fernando d’Avila een

allerliefst landhuis gehuurd, op eenige geweerschoten afstand van die

stad, maar zoo geheel in het dichtste der bosschen verborgen, dat men

zeer precies met de ligging bekend moest zijn om den weg daar heen te

vinden. Levensbehoefte en provisie van allerlei aard waren er naar toe

gevoerd, en voor weelderige meubileering gezorgd, want zijne bedoeling

was, zoo er een aanval der flibustiers mocht plaats grijpen, dat huis

te doen dienen als een wijkplaats voor zijne pupil. Zoodra dan ook de

vloot der vrijbuiters in het gezicht kwam, haastte de Gouverneur zich

om, vergezeld van eenige vertrouwde bedienden, donna Juana en hare

voedster naar die woning te brengen, waar zij voorloopig in veiligheid

zouden zijn. Daarna keerde hij terug om zijn post bij het te verwachten

gevecht te betrekken, een post door hem zelf gekozen, en natuurlijk

dáár waar het grootste gevaar bestond, echter niet dan na aan zijne

vertrouwste bedienden nadrukkelijk last te hebben gegeven, steeds

paarden gezadeld gereed te houden, om, in geval van nederlaag, met de

beide vrouwen naar Merida te kunnen vluchten, waarheen hij zelf hen

wilde geleiden, zoo hij zoo gelukkig mocht zijn ongedeerd aan den

strijd te ontkomen.

De beide dames bleven dus alleen achter ten prooi aan hevige

ongerustheid, eene ongerustheid die nog vermeerderde bij het hooren van

het onheilspellend gedonder van het geschut en het kort afgebroken

geknetter van de geweerschoten, wat zij duidelijk konden onderscheiden.

Donna Juana luisterde naar het rumoer van dien strijd, met vrees en

toch ook met hoop doch durfde geen wenschen te uiten noch voor de eene,

noch voor de andere partij; want bij de eene stond haar voogd, bij de

andere de man dien zij liefhad. Het werd haar ondoenlijk stil te

blijven zitten, gestadig liep zij uit het eene vertrek naar het andere,

ging naar den tuin, dwaalde over het voorplein, in één woord deed alle

pogingen om hare ongerustheid te bedwingen. Eindelijk ten einde raad,

kon zij niet langer wederstand bieden aan de ontroering die dreigde

haar geheel te overmeesteren, en besloot zij, zonder de gevolgen te

bedenken, of beter gezegd juist die gevolgen berekenende met die

slimheid der liefde waardoor alles gerechtvaardigd en alles vergoelijkt

wordt, om op den top van het huis de vlag te hijschen, die Philippe

haar als een sein had achtergelaten.

—Als de Spanjaarden overwinnen,—overwoog zij bij zich zelve,—kan dit

volstrekt geen kwaad, want ik zal licht iets kunnen verzinnen,

voldoende voor mijn voogd, om die handeling als onbeduidend te

rechtvaardigen, en als de flibustiers in triomf hier heen komen en die

vlag zien, dan zal die mij juist beschermen, daar het de vlag is van

een hunner voornaamste aanvoerders.

De goudzoekers · 第 18 / 23 段