De vrijbuiters hadden het Houtduifeiland bemachtigd, en de toegang tot

het meer was dus nu vrij. Naar de vloot werd dadelijk het verkregen

resultaat overgeseind, terstond werden de zeilen gesteld en zette men

koers naar het meer om zoo dicht mogelijk onder de stad te komen. Aan

slechts enkele soldaten gelukte het te ontkomen, al de overigen werden

zonder genade gedood. De vrijbuiters vonden in het fort veertien

kanonnen van zwaar kaliber, wapens, kruit en eene aanzienlijke

hoeveelheid levensmiddelen van allerlei aard.

Door de bemachtiging van het fort was het goede succes van de expeditie

verzekerd, de val van de overige steden aan het meer moest

onvermijdelijk volgen, en het was alleen de vraag of dit na korten of

langeren tijd zou geschieden.

Zooals de kolonel aan don Fernando d’Avila had beloofd, had hij zich

zoolang mogelijk staande gehouden, doch was na dapperen strijd aan de

spits van het garnizoen gesneuveld. Die dood mocht roemrijk genoemd

worden, doch bleef bijna volslagen nutteloos, want het fort was binnen

een uur tijds overmeesterd.

XXI.

MARACAÏBO.

Door de bemachtiging van het Houtduifeiland lag de weg naar Maracaïbo

voor de vrijbuiters open; door één en denzelfden slag waren zij meester

geworden van het meer en in staat om met alle kans op goeden uitslag de

overige steden langs de kust aan te vallen. Het succes van de expeditie

kon dus genoegzaam zeker worden geacht; echter bleef de zee nog open.

Het zou dus mogelijk zijn dat de Spanjaarden van daar met aanzienlijke

macht opdaagden, den ingang van het meer versperden, zich krachtdadig

nestelden op het Houtduifeiland, den terugtocht van de vrijbuiters

afsloten, en hen zoo doende als in een muizenval opgesloten hielden.

Zooveel doenlijk moest tegen eene dergelijke gebeurlijkheid gewaakt

worden.

Montbars riep een krijgsraad bijeen waaraan hij kort en zakelijk den

toestand uiteenzette. Nog half bedwelmd door de behaalde overwinning

lieten de Broeders der Kust hem vrij om naar eigen inzicht de

maatregelen te nemen die hij in het belang van aller veiligheid

noodzakelijk achtte. De beroemde flibustier sterk door het in hem

gestelde vertrouwen en geleid door den omzichtigheid en misschien ook

wel gedreven door zekere geheime plannen die reeds lang bij hem

bestonden en welker verwezenlijking hem ongetwijfeld meer ter harte

gingen dan de schatten waarop zijn kameraden uitsluitend het oog hadden

gericht, toonde zich onder deze omstandigheden wederom geheel berekend

voor de taak die hem werd toevertrouwd. Vreezende dat door te groote

overhaasting de gunstige kansen van de expeditie gevaar liepen in de

waagschaal te worden gesteld, hield Montbars zich dus in de eerste

plaats bezig te zorgen voor een veiligen aftocht ingeval men daartoe

werd genoodzaakt. Eer dus tot eenige verdere operatie over te gaan,

liet hij met man en macht de versterkingen op het Houtduifeiland

vernielen, en het fort met den grond gelijk maken, terwijl de kanonnen

daarvan werden vernageld, daar men tijd noch middelen had ze mede te

voeren. Hoe grooten spoed ook met die werkzaamheden werd gemaakt, toch

vereischten die heel wat tijd; zoodat eerst drie dagen na de inname van

het fort de vloot gereed was om op Maracaïbo aan te houden. Groot was

de verbazing der vrijbuiters toen zij, na in de haven voor anker te

zijn gekomen, gewaar werden dat de stad totaal verlaten was.

Montbars en zijne kameraden begaven zich dadelijk aan wal, en bezochten

de aanzienlijkste huizen; doch de Admiraal vermoedde een krijgslist, en

zette dus posten uit op de Plaza Mayor, in de Kathedraal, en zelfs op

de straten die naar het vrije veld voerden. Zoodra die onvermijdelijke

voorzorgsmaatregelen genomen waren, werd overgegaan tot eene geregelde

plundering en aan de vrijbuiters volle vrijheid verleend bot te vieren

aan hunne opgewondene vroolijkheid, wat natuurlijk gepaard ging met

allerlei losbandigheid.

De admiraal vestigde zich in het huis dat hij bij zijn vroeger verblijf

had bewoond; een van de vertrekken werd ingericht tot uitsluitend

gebruik voor donna Clara. Sedert de vrijbuiters zich van Maracaïbo

hadden meester gemaakt, had donna Clara zich gewijd aan de verpleging

der gewonden; door hare goede zorgen was de cabildo herschapen in een

hospitaal; de bij de bemachtiging van het Houtduifeiland gewonden waren

dáár ingebracht, en dank zij hare uitnemende verzorging waren

verscheidene hunner reeds op weg van herstel. Donna Clara liet zich bij

die heilige roeping helpen door eenige arme vrouwen, die na het vertrek

van de inwoners in de stad waren gebleven, en zich nu op deze manier

tamelijk veilig konden achten, ook door toedoen van donna Clara. Het

grootste gedeelte van den dag en meermalen ook van den nacht bleef die

edele vrouw in het hospitaal te midden der zieken en gewonden, die zij

troostte en bemoedigde met zachte toespraak en innemende woorden, die

alleen de vrouw ten dienste staan, omdat die bij haar als uit het hart

wellen.

In den eersten tijd werd donna Clara bijna door iederen flibustier met

leede oogen aangezien; zij konden het niet verkroppen dat zij, en zij

alléén op de vloot aanwezig mocht zijn, haar aanwezigheid werd slechts

geduld, maar van lieverlede was hunne opinie over haar gewijzigd

geworden, en, zooals dit gewoonlijk het geval is bij menschen met een

hevig karakter, nu waren zij plotseling van het eene uiterste tot het

andere vervallen; de haat en de nijd jegens hunne weldoenster hadden

plaats gemaakt voor oprechte toegenegenheid, grooten eerbied en eene

onbegrensde toewijding; de wilde dieren waren veranderd in zachtmoedige

lammeren; één wenk, één enkele blik van donna Clara deed wonderen.

Diezelfde mannen vereerden haar nu als een heilige, en wee hem die het

durfde wagen (niet om haar te beleedigen, want zulk een voornemen kon

niemand hunner in de gedachte komen) tegen haar de minste lompheid te

begaan.

Zelfs Montbars kwam meer en meer onder den invloed die haar meegaand,

zacht, edel gemoed op zijn weerbarstig karakter oefende, en verre van

zich te verzetten tegen de algemeene vereering volgde hij en plooide

zich met geheim genoegen naar de bekoring die zij om zich verspreidde.

Doch in één opzicht bleef hij onverzettelijk en ontoegankelijk; noch

tranen noch smeekingen vermochten iets daartegen; het was als donna

Clara eene poging deed uit de diepste diepte van zijn gemoed iets op te

delven omtrent zijne wraakzuchtige plannen; alleen dan bleef hij

onverbiddelijk, want ieder ander verzoek werd dadelijk toegestaan, een

glimlach was daartoe reeds voldoende, en dikwerf voorkwam hij de

begeerten van donna Clara, door uit eigen beweging de strengheid te

verzachten die jegens de rampzalige Spaansche gevangenen werd

uitgeoefend.

Wat de verhouding van Francoeur tot de vrijbuiters betrof, die mocht in

waarheid vreemd genoemd worden; zijne gansche opleiding had gestrekt om

hem met haat tegen hen te bezielen en ondanks al zijne pogingen kon hij

er niet in slagen hen te beschouwen als zijne kameraden, terwijl toch

meermalen bij hem de vraag oprees of hij tot de wraak, die hij thans op

de Spanjaarden wilde uitoefenen, wel gerechtigd was, en of het billijk

mocht genoemd worden al zijne landgenooten aansprakelijk te stellen

voor al het onrecht dat één hunner jegens hem had bedreven.

Montbars sloeg al die verschillende gemoedsbewegingen van den jongen

man, die op diens gelaat zich duidelijk afspiegelden, oplettend gade;

maar hij bleef zwijgen, hij moedigde hem evenmin in het eene opzicht

aan, als hij in het andere iets afkeurde, ook omdat hij voor zich zelf

niet eens wist welk gevoel hem voor Francoeur bezielde, en onzeker

bleef, ondanks al de vermoedens van don Sancho en donna Clara, of hij

in hem den lang verloren zoon had weergevonden; vandaar dan ook dat hij

hoewel schijnbaar onverschillig met zenuwachtigen angst de

gebeurtenissen tegemoet zag die wellicht eenmaal de waarheid aan het

licht zouden brengen van eene zaak die voor hem van zooveel gewicht

was. Één man was slechts bekend met het geheim waarvan voor de toekomst

het geluk of het ongeluk van Montbars afhing, en die man was de hertog

de Penaflor. Doch bestond er een middel om dien onverbiddelijken man te

noodzaken dat geheim op te helderen? Toch wanhoopte hij niet; hij

verbeidde den uitslag van zekere berekeningen, die, naar hij meende,

niet anders dan gunstig konden uitvallen.

Maar van al de vrijbuiters gevoelde Philippe d’Ogeron zich

ontegenzeglijk het ongelukkigste. Terwijl al zijne kameraden vol vreugd

over den behaalden triomf, al de doorgestane moeiten en gevaren

vergaten, en bot vierden aan hun lust tot brasserij en balddadigheden,

scheen hij als aan wanhoop ten prooi.

De expeditie, zoo uitstekend uitgerust, zoo beleidvol bestuurd, was een

plan alléén van hem afkomstig; dat gewaagde stoutmoedige plan, waarvoor

in het begin zelfs de dapperste zijner kameraden terug hadden gedeinsd,

was in zijn brein opgekomen, met één enkel doel; aan dat doel, de

vereeniging met haar die hij beminde, had hij alles opgeofferd, en dat

zoo vurig en reeds zoo lang begeerde doel, die met zooveel hartstocht

gekoesterde hoop, ontsnapte hem, juist op het oogenblik dat hij meende

het bereikt te hebben. Zoodra zijn schip binnen het gezicht van de stad

was gekomen, had hij, volgens afspraak, de bepaalde vlag geheschen en

met kloppend hart getuurd naar al de vensters der huizen die op de

haven uitkwamen, doch te vergeefs; geen enkel sein had het zijne

beantwoord, alles bleef dáár stil, doodsch en somber. Nauwelijks aan

wal, was hij, half ziek door smart en vrees, geijld naar het huis van

donna Juana, maar dat huis was verlaten, donna Juana was verdwenen en

geen spoor te ontdekken van de plaats waarheen zij zich mocht begeven

hebben.

Toen had hij met het geduld en het onwrikbaar vertrouwen van een echt

verliefd jong mensch de gansche stad doorkruist en afgeloopen, was alle

huizen binnengedrongen, had alle deuren geopend, en kon ondanks die

vergeefsche pogingen zijn ongeluk niet als waarheid aannemen, ieder

oogenblik niet anders verwachtende dan dat zij die hij liefhad

plotseling vóór hem zou staan, hoewel hij zeer goed wist, dat de stad

door al de inwoners was verlaten, en hij had moeten begrijpen dat donna

Juana bij zoo een algemeene vlucht niet achter zou gebleven zijn. Toen

hij eindelijk tot de overtuiging gekomen was van de werkelijkheid, toen

er voor hem geen twijfel meer overbleef dat ook de innig geliefde de

stad had verlaten, sloot hij zich uren achtereen in een kamer op en

toonde zich zoo, als volslagen, vernietigd, dat zelfs de ridder de

Grammont, hoewel zijn medeminnaar, medelijden gevoelde bij de uiting

van zulk een diepe smart, en beproefde, hoewel te vergeefs, hem

eenigermate te vertroosten of af te leiden.

Eindelijk verdween die inzinking om plaats te maken voor een aanval van

even overdreven verbittering. Half woedend liep hij naar Montbars om

hem te betuigen dat het verlaten van de stad door de Spanjaarden niet

anders kon zijn dan een krijgslist waarom hij zich aanbood met eenige

manschappen de omliggende bosschen te gaan doorzoeken.

—Best mijn vriend, doe zoo,—zei Montbars met een veelbeteekenenden

glimlach;—die raad is goed, te meer daar die door jou gegeven wordt.

Doe het dus zoodra ge dit goedvindt, al ware het van daag, en als onder

de lieden, die gij zeker vinden zult, misschien ook vrouwen mochten

zijn in wie ge belang stelt, dan zal ik het zóó weten te schikken dat

die vrouwen aan jou worden toebedeeld, en aan geen ander.

—Daarvoor zeg ik je dank, en reken op uwe belofte die ik je te

gelegener tijd en plaats zal herinneren.

—Vriendlief, dat zal geheel onnoodig wezen. Ga nu.

Philippe liet zich dit niet ten tweeden male zeggen, want hij verlangde

te zeer er naar om met die menschenjacht te beginnen. Hij bracht een

zestigtal vrijbuiters bij elkaar en vertrok met hen naar de bosschen.

Den eigen avond kwam hij te Maracaïbo terug en bracht tachtig

gevangenen mee, meer dan vijftig muildieren beladen met buit en

buitendien nog een som gelds ter waarde van meer dan vijftig duizend

gulden.

—Bravo!—uitte Montbars, nadat hem rapport was gedaan over dezen

tocht.—Dat is een mooi begin. Die proef moet herhaald worden!

— Morgen,—luidde het antwoord.

Werkelijk vertrok hij den anderen morgen weer. De andere vrijbuiters

kregen ook wel zin met hem mee te gaan, te eer daar de plundering van

de huizen en kerken vrij wat minder had opgeleverd dan men had

verwacht, iets wat zeer gemakkelijk is te begrijpen, daar de inwoners

tijd te over hadden gehad om hun geld en hunne kostbaarheden in

veiligheid te brengen, en daarvan behoorlijk gebruik hadden gemaakt.

Die jacht hield eenige dagen achtereen aan, nu eens met wat meer dan

weder met minder goed gevolg, doch toch altijd voldoende in zooverre

het betreft het behalen van buit; de vrijbuiters waren dus zeer in hun

schik; doch Philippe werd hoe langer hoe mistroostiger; al zijne

metgezellen begrepen niets van zulk eene vreemde houding, en er waren

er onder hen die niet anders meenden dan dat hij op het punt stond van

gek te worden. Op zekeren avond nadat hij aan Montbars had medegedeeld,

met een gelaat somberder dan ooit, dat hij honderd muildieren had

meegebracht beladen met buit en goud ter waarde van meer dan honderd

duizend gulden, zei de bevelhebber tegen hem:

—Beste vriend, ge hebt er niet goed slag van dat zaakje aan te pakken,

zooals het behoort; ik zal er mij eens mee bemoeien. Hebt gij

gevangenen gemaakt?

—Ruim honderd,—werd zuchtend ten antwoord gegeven.

—Goed, en wat voor soort van lieden?

—Ik heb er niet op gelet.

—Dat is verkeerd, kom mee, dan zullen wij ze gaan opnemen.

—Waartoe zou dat dienen?

—Dat zult ge zien. Wat drommel, kom dan toch mee! Waar zijn zij

opgesloten?

—Ik geloof in de kerk van San Francisco.

—Goed, ga mee.

Zij gingen er heen, onderweg hield Montbars eenige vrijbuiters aan, die

niets te doen hadden, en nog nuchter genoeg waren om hem te

vergezellen. Het was zoo, de gevangenen waren opgesloten, allen door

elkaar, in de kerk van San Francisco, op één na de grootste van de

stad, en de deuren werden bewaakt door op post gezette vrijbuiters, die

bezig waren met drinken en dobbelen. Montbars liet de deur voor zich

openen en trad de kerk binnen gevolgd door Philippe en zijn geleide.

Het inwendige van de kerk bood een hartroerend schouwspel aan. Er

stonden zeer verward opeengehoopt twee- tot driehonderd ongelukkigen,

mannen, vrouwen en kinderen; sommigen zwaar gewond lagen kermend op de

zerken en iedereen klaagde jammerlijk, want zij kenden de

barbaarschheid der vrijbuiters en wisten dat de eenige weldaad die zij

van hen te wachten hadden bestond in een spoedigen dood, bevrijd van

ondenkbare martelingen.

Montbars overzag met koelen blik de gansche menigte die bevangen werd

door siddering bij het zien van dien man met zulk een somber en

onverbiddelijk gelaat, die zich scheen te verheugen over al hun leed.

—Pitrians,—zei Montbars,—ge hebt nog al een fijnen neus, en dus, kerel,

moest ge eens van die caballeros er een stuk of wat uitzoeken die ge

meent dat het beste in staat zouden zijn om een flink losgeld te

betalen. Breng die dan vóór mij.

Pitrians trad vooruit, drong ruw tot in het midden van den troep door

en begon met cynische onverschilligheid hen op te nemen, nu en dan een

der gevangenen naar voren stootende, om daarna zijn onderzoek onder het

fluiten van een vroolijk deuntje te vervolgen, en daarbij de gevangenen

als het ware voor den gek houdende. Eenige minuten later had hij een

vijftiental uitgekozen, en hen genoodzaakt vlak vóór Montbars op een

rij te gaan staan, dat door allen bevende werd gedaan.

—Goed zoo, mijn jongen,—zei Montbars daarna,—voor het oogenblik zijn er

genoeg. Luister nu eens hier.—Pitrians naderde.—Houd je

gereed,—vervolgde Montbars en gaf hem een onheilspellenden wenk.

—O, zoo!—uitte Pitrians.—Naar het schijnt moet er een pretje volgen.

—Meer of minder, dat hangt van jou af.

—Goed, goed, laat dat maar aan mij over.

De gevangenen bevroedden niet waarom zij van hunne metgezellen waren

afgezonderd en evenmin wat men van plan was met hen uit te voeren, doch

een geheim voorgevoel overviel hen dat zij bedreigd werden door een

vreeselijk gevaar en allen trilden, als bladeren die door een stormwind

worden heen en weer geschud. Montbars trad een paar passen vooruit, en

voegde hen met forsche stem toe:

—Hei caballeros, laat ons eens een paar woorden met elkaar praten. Gij

lieden dáár, zijt allen notabelen van de stad, hoe zijt gij er toe

gekomen om even als vossen en konijnen in een hol te kruipen, in plaats

van stilletjes in uwe huizen te blijven, dat zeker voor iedereen veel

beter zou geweest zijn? Het heeft er veel van af of gij allen stapel

gek zijt geworden! Gelooft gij dan waarachtig dat het ons aan middelen

ontbreekt om te weten te komen waar uwe stadgenooten zich verborgen

houden en waar zij hunne schatten hebben verstopt? Wat hebt gij met uw

geld gedaan? Geeft daarop antwoord.

Vol angst keken de gevangenen elkaar aan, eindelijk besloot een hunner

uit aller naam te spreken, en zei:

—Machtige heer, onze bezittingen zijn in uwe handen, gij hebt u meester

gemaakt van al onze have en goed.

—Ge liegt, señor, doch ik weet wel hoe ik je tot bekentenis zal

brengen. Pitrians, nu is het jou beurt.

Pitrians kwam nader, en had in zijn hand een eindje touw zoo dik als

een pink; hij wikkelde dit tweemaal om het hoofd van den gevangene die

het woord had gevoerd even boven diens slapen, lei er een lossen knoop

in en zag toen naar Montbars.

—Zijt ge van plan,—hernam Montbars,—om antwoord te geven op deze twee

vragen. Waar zijn uwe stadgenooten? Waar is uw geld?

—Ik weet het niet,—stotterde de gevangene.

—Ga je gang, Pitrians.

Pitrians trok een pistool uit zijn gordel, stak de loop in den knoop,

en begon toen het wapen om te draaien tot het touw zóó vast om den

schedel werd gekneld dat het letterlijk in het vleesch drong. De

gevangene leed onuitstaanbare pijn; het was of zijne oogen uit de

holten zouden springen, zijn gelaat werd paarsch, bloedig schuim

vertoonde zich in de hoeken van zijn mond, en hij schreeuwde

erbarmelijk.

—Geef antwoord,—gelastte Montbars barsch.

De gevangene spande al zijne krachten in, zijne oogen stonden

verwilderd en waren met bloed beloopen, en hij stamelde met heesche

stem.—Ik weet het niet. Heere God, wees mij genadig.

—Haal nog wat vaster aan, Pitrians,—gelastte Montbars, en trok de

schouders op.

—Hoe dwaas toch van zoo’n mensch om zich zóó te laten pijnigen!—merkte

Pitrians zeer leuk op terwijl hij het touw nog vaster aanhaalde.

—Ik weet het niet. Doodt mij, ellendelingen,—brulde de gevangene, langs

wiens gelaat het bloed vloeide, want het touw was door de huid heen

gekneld.

—Blijf zoo verstokt niet, arme duivel, dat is eene malle gewoonte; het

is maar een kuur,—vermaande Pitrians die steeds bleef draaien. Hoezeer

de ongelukkige zich vast had voorgenomen alle smart standvastig te

verdragen, toch werd die gruwelijke foltering hem te zwaar en hij gaf

te kennen dat hij zou antwoorden. Montbars wenkte en Pitrians knoopte

het touw los.

—Stomme kerel,—mopperde hij,—wat hebt ge er nu aan zóó gehavend te

zijn?

Het koord was zoo vast in het vleesch gegroefd dat Pitrians het met

zijn hand los moest rukken. Het gelaat van den gemartelde was zoo

verwrongen dat het niet menschelijk meer kon genoemd worden.

—Vertel me wat ge weet,—grijnsde Montbars,—nu je eindelijk lust tot

praten schijnt te hebben gekregen.

—Wat moet gij weten?—stamelde de arme man, die half bewusteloos op de

zerken viel, maar de waardige Pitrians was vlug bij de hand, gooide hem

een puts water over het gezicht en zei:

—Die arme tobberd, het is te kras voor hem geweest! Wat een verwijfd

kereltje!

Bijgekomen en iets minder pijn gevoelende door dit ruwe maar toch niet

ongepaste middel kon de gevangene zich ten minste eenigszins opheffen.

—Wat is er geworden van den gouverneur en zijne pupil?—werd door

Montbars steeds even norsch gevraagd.

—Zij zijn uitgeweken naar Gibraltar.

—Zoo! Weet je dat zeker?

—Ja.

—En de inwoners?

—De meesten zijn diep de bosschen ingetrokken met de soldaten van het

garnizoen. Ga hen dáár maar volgen dan zullen zij het je duur betaald

zetten.

—Zijn zij zoo vast besloten te vechten?

—Zij zullen volhouden tot aan den laatsten man.

—Dat is een blijde tijding,—verklaarde Montbars en wreef zich

genoeglijk in de handen,—want als die lieden zooveel lust hebben tot

vechten, dan moeten zij ook heel wat te verdedigen hebben. Waar zijn

hunne schatten verborgen?

—Te Gibraltar, te Merida en in de bosschen.

—Zie zoo! Nu heb je ten minste iets bepaalds verteld. Vaarwel!

—Wees vervloekt!—gilde de ander en zonk weer ineen.

—Wat moet er met dat arme schepsel worden uitgevoerd?—vroeg Pitrians

meewarig.

—Ba!—uitte Montbars.—Doe wat ge wilt. De kerel deugt nergens meer toe.

Toen keerde hij zich om, glimlachte tegen Philippe en vroeg: Nu weet ge

wat ge weten wildet, niet waar?

—Ten naastenbij,—luidde het antwoord.

—En wat dan nog meer?

—Van u vernemen wie je gezegd heeft dat ik Juana liefheb?

—Dwaze jongen! Kan ik dit dan niet geraden hebben?

Op het plein gekomen hoorden zij in de kerk een pistoolschot en haastig

keken zij om. Pitrians had den Spaanschen gevangene een kogel door den

kop gejaagd, om den rampzalige van zijn onuitstaanbare pijnen te

verlossen, en dit strekt ten bewijze dat Pitrians teer van gemoed was

en zijn medemensch een medelijdend hart toedroeg.

XXII.

GIBRALTAR.

De kerk uitgaande, had Montbars de vrijbuiters die door hem mede waren

genomen, weggezonden, daarna zijn arm onder dien van den jongen man

gestoken en was toen met hem naar diens woning gegaan. De beide

Broeders der Kust liepen aldus naast elkaar voort, zonder een enkel

woord te wisselen; de een zoowel als de ander bleef verdiept in

gepeins. Op eens stond Montbars stil, keek Philippe strak aan en vroeg

hem:—Waar denkt ge over?

—Ik?—gaf de jonge man ten antwoord, en keek plotseling op.—Ik denk er

over hoe verbazend veel rijkdom dáár in Gibraltar moet opgehoopt zijn.

Montbars begon hartelijk te lachen en zei:—Vriendje, jij meent geen

enkel woord van alles wat ge daar zegt.

—Niet?—viel Philippe uit.

—Neen, zeker niet! Zal ik je eens vertellen waarover of liever aan wie

gij dacht?

—Ga uw gang, dat wil ik wel eens hooren, maar ik zeg het je.

—Nu dat zullen we eens zien!—hernam Montbars.—Letterlijk zal ik den

loop van je gedachten herhalen.

—Letterlijk! Nu wordt het toch al te kras.

—Toch niet, dat is juist het gepaste woord. Terwijl wij daar zoo naast

elkaar arm in arm voortloopen hebt ge tot je zelven gezegd: die

Montbars is toch op mijn eer een zonderlinge kerel! Daar blijft hij nu

hier te Maracaïbo, waar de inwoners niets hebben achtergelaten, hier te

Maracaïbo, dat nu niet veel meer is dan een geruïneerde stad, zijn tijd

verknoeien en verbeuzelen, terwijl aan den anderen kant van het meer

vlak tegenover hier, Gibraltar ligt, eene stad te rijker omdat al de

bewoners van deze streek daarheen al het kostbaarste hunner bezittingen

hebben gevoerd. Hij heeft, om zoo te zeggen, zijn arm maar uit te

strekken om in het bezit te komen van al die schatten, en toch verroert

hij geen vin! En dan wil ik er nog niet eens over spreken, dat als hij

dat deed, ik in staat zou worden gesteld om de vrouw te ontvoeren, die

ik zoo innig bemin, en die voor mij veel grootere waarde heeft dan al

het goud dat dáár in Gibraltar is opgehoopt. Hoe komt hij er toe om

hier tijd te verliezen en te talmen, in plaats van met man en macht den

vijand aan te tasten, die reeds als half overwonnen kan worden

beschouwd, en als verlamd door onze behaalde overwinning. Biecht me

eens op, broeder, heb ik je gedachte goed wedergegeven?

—En als dit nu eens het geval ware, wat zoudt ge dan daarop te

antwoorden hebben?—werd met inwendige verbittering gevraagd.

—Heel wat, waarde vriend. In de eerste plaats dit, dat onze vijanden

zeer op hunne hoede zijn. Als zij op Gibraltar terug zijn getrokken,

dan is dit met het bepaalde doel zich daar hardnekkig te verdedigen!

—En wat doet er dat toe?

—Voor jou niets, voor mij zeer veel! Voor mij is dat eene hoogst

ernstige zaak, en ik heb er alles behalve lust in om hals over kop een

sprong in den blinde te doen, waar het, zooals hier, geldt eene zeer

hachelijke expeditie, waar wij te doen zullen krijgen met lieden die,

in hun laatsten schuilhoek gedreven, zullen vechten pro aris et focis

(voor haardstee en altaar) zooals het in het Latijn luidt, en eer tot

den laatsten man zullen sterven dan een voet te wijken.

—Welnu, dan zullen wij hen doen sterven!

De goudzoekers · 第 17 / 23 段