haastigen tred naar het verblijf van den Gouverneur.
Het voorkomen van de stad was binnen de laatste twee uren totaal
veranderd; nog steeds waren de straten opgepropt door eene talrijke
menigte, dat is waar, doch nu hoorde men geen gelach meer en geen
gezang, nu zag men geen opgeruimde gezichten; thans werden kreten van
smart gehoord, gesnik en geween, thans was ieders gelaat bleek en
ieders blik beangst, in één woord thans heerschte overal en bij allen
schrik en bezorgdheid, die aan wanhoop grensde. Ingevolge het door den
Gouverneur uitgevaardigde bevel had de verhuizing der bevolking reeds
een aanvang genomen; gevolgd door hunne weenende vrouwen en kinderen,
en beladen met hunne rijkdommen hadden de bewoners hunne huizen
verlaten. Het was een hartverscheurend tooneel. Kwade tijdingen worden
gewoonlijk bliksemsnel verspreid; zoo had dan ook donna Juana reeds
alles vernomen. Toen don Fernando haar kamer binnentrad, zag hij haar,
half liggende op kussens, bleek van gelaat, maar met koel vastbesloten
voorkomen. Na Cigala zat in een hoek der kamer ineengedoken, weenende
en met het gelaat in de handen verborgen. Bij den eersten oogopslag
begreep don Fernando hoe hier de toestand was.—Juana, liefste kind, ge
hebt, naar ik merk, reeds kennis gekregen van het gevaar dat ons boven
het hoofd hangt.
—Helaas, ja, mijnheer,—luidde het droefgeestige antwoord.
—Ge weet dus zeker ook dat wij genoodzaakt zijn voor de overmacht te
wijken, en de stad te ontruimen.
—Ook dat is mij bekend, mijnheer.
—En daarom moet ik je verzoeken, uwe kostbaarheden voor zooverre dit
mogelijk is in te pakken, en dan met mij meê te gaan.
—Gaan wij dan heen?—vroeg zij, en sprong haastig overeind.
—Dat wil zeggen, kindlief, gij gaat heen; ik moet hier nog een poos
blijven, om zoo veel doenlijk te waken en te zorgen voor het belang van
de ongelukkige bevolking.
Zij viel weer op hare kussens neer en zei:—Goed, dan zal ik blijven
wachten.
—Hoe! Wilt ge blijven wachten?
—Wilt ge mij de beleediging aandoen, mijnheer, van één oogenblik te
gelooven, dat ik zonder u zou heen gaan?
—Wees verstandig, Juana, lief goed meisje, het gevaar is zeer dreigend;
ge weet hoeveel ik van u houd, en dan eerst zal ik gerust zijn, wanneer
ik de zekerheid heb dat gij in veiligheid zijt. Kom dus mee, want de
kapitein wacht op u.
—Ik ben den kapitein daarvoor zeer verplicht, doch ik ga niet van hier
dan met u. Neen, mijnheer, schud nu uw hoofd zoo niet, ik heb vast
daartoe besloten. Gij hebt gezegd dat gij zooveel van mij houdt, maar
evenzeer, misschien nog meer, is dat bij mij het geval, want voor mij,
arm verlaten kind zonder ouders of familie, zijt gij alles, en dit
altijd geweest. Ernstig en dringend verzoek ik u dus, er verder niet
meer over te praten, want het zou vergeefsche moeite zijn. Met u zal ik
sterven of met u gered worden.
—Juana, ik smeek het je, zie af van dit besluit, ge brengt mij door uw
voornemen tot wanhoop. Stem in mijn verzoek toe en vertrek.
—Met u, ja, zonder u, neen! Ik ben uw eigen kind niet, dit is waar,
maar ik beschouw mij als uwe dochter, en de plicht eener dochter is,
wat er ook moge gebeuren, te blijven bij haar vader. En dus, ik blijf!
Wat don Fernando ook beproefde, alles was vergeefs, zij volhardde
onwrikbaar bij haar besluit, en er bleef dus niets anders over dan toe
te geven aan haar verlangen. Toen vloog het jonge meisje op, wierp zich
in de armen van don Fernando, en barstte uit in tranen, hem snikkend en
hartstochtelijk haar dank betuigende.
—Denk nu nog eens aan mijn voorgevoel van dezen morgen,—voegde zij er
bij met een weemoedig lachje.—Zegt gij nu nog dat ik een zottinnetje
was?
—Neen, neen,—gaf hij ten antwoord.—Ik was blind, God heeft het u
ingegeven.
Den anderen dag, reeds zeer in de vroegte, was de stad doodsch en
verlaten. In de straten en op de pleinen zag men slechts nu en dan
enkele personen ronddwalen, arme drommels te behoeftig om iets van de
vrijbuiters te duchten te hebben, en die het dus onnoodig hadden geacht
voor hen te vluchten. Don Fernando bleef voortdurend op het stadhuis,
waar de vijftig soldaten geposteerd waren, de eenige die hij bij zich
had willen houden van de achthonderd man waaruit het garnizoen bestond.
Donna Juana had zich met na Cigala begeven aan boord van la Trinidad,
en de kapitein van dit schip had aan het jonge meisje zijn woord
verpand dat hij zonder don Fernando niet zou vertrekken. Al de in het
belang der bevolking beraamde maatregelen waren dus ten uitvoer
gebracht, en de daardoor gerustgestelde Gouverneur wachtte nu
onvervaard de vrijbuiters af, die niet lang op zich zouden laten
wachten.
XX.
HET HOUTDUIFEILAND.
Nadat door Montbars met Morgan de noodige schikkingen waren getroffen
voor den door hem beoogden aanval, nam hij afscheid van hem, doch deed
hem nog uitgeleide naar zijn boot en toen hij zich daarna omkeerde
stond hij vlak tegenover Francoeur.
—Och!—uitte hij.—Ik had waarlijk niet meer gedacht aan donna Clara.
—Gun mij een oogenblik, Admiraal,—sprak de jonge man op zeer
eerbiedigen toon.—Ik heb u iets te verzoeken.
—Spreek,—kreeg hij zeer goedhartig ten antwoord,—is het iets dat van
mij afhangt dan....
—Het hangt geheel en al van u af, Admiraal.
—Dan is het zoo goed als toegestaan, en hebt ge mij slechts te zeggen
waarin dat verzoek bestaat.
—Admiraal, gij hebt mij benoemd tot uw vlagofficier, niet waar?
—Dat is zoo, maar die benoeming is slechts tijdelijk geschied, in
afwachting van de eerste de beste gelegenheid om je een kommando op te
dragen.
—Houd het mij ten goede, Admiraal, doch ik zou er de voorkeur aan geven
dat gij mij het kommando dat ge mij wel hebt willen toevertrouwen
ontnaamt en mij de post van vlagofficier weder bij u liet bekleeden.
Montbars keek hem scherp aan en vroeg:—Welke reden drijft je tot dit
verzoek?
—Mijn verlangen, Admiraal, om bij u te zijn in de ure des gevaars, in
de hoop dat ik u in de hitte van den strijd eenigszins van dienst zal
kunnen zijn.
Die woorden klonken zoo oprecht, en het gelaat van den jongen man was
daarmee zoo geheel in overeenstemming dat Montbars er door werd
getroffen.
—Goed,—sprak de Admiraal en bood hem de hand,—keer terug naar den
Tijger en zeg aan uw eersten officier dat gij aan hem het gezag
overdraagt. Kom dan hier terug, de betrekking van vlagofficier is
steeds onbezet gebleven en kan dan weer door u worden vervuld.
—O! Admiraal, daarvoor betuig ik u mijn oprechten dank,—verzekerde
Francoeur in vervoering.
—Luister nog even,—vervolgde Montbars,—breng dan tegelijk de koffers en
kisten van donna Clara mee, ook zij behoort hier aan boord te komen,
want niet al onze makkers munten altijd uit in hoffelijkheid, en op dit
punt stel ik niet genoeg vertrouwen in uw opvolger, Alexandre IJzerarm,
om haar met gerustheid dáár aan boord te laten.
Hij wenkte den jongen man vriendschappelijk toe en stapte daarop naar
de kajuit waar donna Clara hem wachtte.
—Mevrouw, duid het mij, dit verzoek ik u dringend, niet ten kwade, dat
ik u zoolang heb moeten laten wachten; had het van mij afgehangen, dan
zou dit waarlijk niet zijn geschied.—Inmiddels had hij een zetel
genomen en zich vlak tegenover haar geplaatst.
—Daarvan houd ik mij overtuigd, doch ik heb tijd te over.
—Te eer,—hernam Montbars,—daar ik u kom verwittigen dat gij niet meer
naar den Tijger behoeft terug te keeren. Francoeur heeft afstand gedaan
van het kommando over dien bodem, om, volgens zijne begeerte, weer de
betrekking in te nemen die hij vroeger bij mij bekleedde. En nu heb ik
gemeend, mevrouw, dat het voor u passender was om hier bij mij aan
boord te blijven, dan te verkeeren op een schip waar gij niemand kent,
en u dus zeer eenzaam en afgezonderd zoudt bevinden.
—Ik ben u zeer dankbaar voor die oplettendheid, mijnheer,—gaf zij met
ontroering te kennen.
—Het is toch waarlijk iets van zoo weinig beduidenis, mevrouw, dat het
zulk eene dankbetuiging niet verdient, en als u de kajuit waar wij nu
zijn, bevalt, dan verzoek ik u die van nu af als uw bijzonder vertrek
te beschouwen; uw trouwe en vertrouwde Birbomono kan een hut betrekken,
vlak hier naast, zoodat hij ieder oogenblik te uwer beschikking blijft.
—Dat is waarlijk te veel goedheid, mijnheer.
—Toch niet, het is niet meer dan een staaltje van mijn plicht, doch dit
daargelaten. Mag ik u thans verzoeken mij mede te deelen waarmeê ik u
van dienst kan zijn?
—Mijnheer,—sprak zij met bevende stem,—zooals gij weet ben ik eene
Spaansche, en gij, gij beoorloogt mijne landgenooten, nu verzoek ik u,
wees niet altijd zonder eenige genade jegens hen.
Het gelaat van Montbars betrok eenigszins.
—Helaas, mevrouw! Ik durf verklaren dat het mij tot in de ziel grieft,
maar wat gij mij vraagt is juist de eenige zaak waarin ik niet aan uw
verlangen kan voldoen.
—Ach! Hebt gij dan waarlijk nog niet genoeg van dien vreeselijken naam
van Montbars den Verdelger, waarmede uwe vijanden u bestempeld hebben!
—Mevrouw, het is ongelukkig genoeg in dit opzicht maar al te waar dat
ik zelf in deze zaak eigenlijk niets te zeggen heb. De wetten van onze
Vereeniging luiden stellig en bepaald, en ik moet mij daaraan
onderwerpen even goed als al mijne broeders. Bij die wetten is het ons
verboden aan de Spanjaarden genade te verleenen, of hen vrij te laten.
—Maar mijnheer, al uwe vrienden maken toch gevangenen.
—Dan moeten zij het voor zich weten te verantwoorden dat zij de wet
verkrachten, ik voor mij zou dit niet kunnen, om de eenvoudige reden,
dat die wetten door mij zijn gemaakt, en bijgevolg ik dus, meer nog dan
een hunner, gehouden ben daaraan te gehoorzamen.
—Het zij zoo, mijnheer,—zuchtte zij,—dan zal ik niet langer er op
aandringen. Gods wille geschiedde! Vergeet wat ik tot u gezegd heb, en
vergeef mij dat ik het waagde op die manier tot u te spreken.
Montbars stond op, groette zeer beleefd en verliet de kajuit om zich
weer naar het dek te begeven.
—O God!—snikte donna Clara, die haar hoofd in de handen verborg en half
wanhopend op een zetel neerzonk.—O God! Ben ik nog niet zwaar genoeg
gestraft voor eene misdaad waaraan ik onschuldig ben. Groote God! Welke
smarten hebt Gij mij nog toebedacht, te midden van deze onverzoenlijke
menschen!
Zij knielde voor een kruisbeeld door haar gehecht aan den wand van het
schip en bleef verzonken in gebed; zoo ging voor haar de dag voorbij;
toen Birbomono met een licht de kajuit binnentrad vond hij haar
bewusteloos aan den voet van het kruis; hij nam haar op, lag haar in
een hangmat en wendde de hulpmiddelen aan die door haar toestand werden
vereischt. Donna Clara sloeg de oogen weer open, doch bleef zwak en
moedeloos, de wanhoop had haar aangegrepen.
—Arme vrouw!—klaagde de mayordomo, die kort bij haar in de schaduw
bleef zitten om zoo noodig haar verder hulp te bieden.
Den ganschen nacht bleef donna Clara zacht snikken en weenen; eerst
tegen den morgen sliep zij in, overmeesterd door vermoeidheid. Toen
stond Birbomono zeer behoedzaam op, en verliet de kajuit op de teenen
loopend uit vrees dat hij zijne meesteres in haar slaap zou storen.
Kort daarna begon het te dagen, en het oogenblik naderde waarop groote
gebeurtenissen zouden plaats grijpen, want, zooals de lezer zich zal
herinneren was door Montbars gezegd, dat hij besloten had het
Houtduifeiland aan te tasten. Den vorigen avond, tegen zonsondergang,
was door Montbars eene lichte boot bestegen, bemand door twaalf
matrozen, en zoo dicht mogelijk onder de kust gekomen, om, zelf
onzichtbaar door de zware deining, met behulp van een verrekijker op te
nemen wat aan wal voorviel. Hij had verscheidene zware booten bemerkt
tot overladens toe bemand, die met kracht van riemen op het
Houtduifeiland aanhielden; die booten waren langs het strand gaan
liggen en hadden daar hunne passagiers ontscheept. Het gevaar niet
achtende waar aan hij zich blootstelde door nog meer te naderen, het
gevaar van ontdekt en gevangen te worden genomen, had Montbars, die
zich zeer ongerust maakte over die heimelijke ontschepingen, aan zijne
matrozen gelast om zoo dicht mogelijk naar het eiland te roeien.
Het mocht voor hem gelukkig worden geacht dat de zon onder gegaan en
het vrij donker was, nu toch kon hij de verkenning zoo ver uitstrekken
als hij dit noodig oordeelde. Toen bemerkte hij, door middel van een
uitnemenden nachtkijker, dat al de aangebrachte personen, hoogst
waarschijnlijk soldaten, zeer druk bezig waren den grond om te graven,
en daaruit maakte hij op, wat ook werkelijk het geval was, dat hunne
werkzaamheid bestond in het oprichten van verschansingen, die dienen
moesten tot meerdere verdediging van het eiland. Die mannen waren dan
ook de vijftig soldaten, door don Fernando d’Avila, onder bevel van
kolonel don Santiago Tellez afgezonden, ter versterking van het
garnizoen. De vrijbuiter was voldaan over wat hij te weten was gekomen,
achtte het onnoodig nu nog langer daar te vertoeven, en haastte zich te
laten wenden om zijn schip te bereiken, waar hij tegen middernacht
aankwam. Dadelijk daarop werd Francoeur door Montbars naar de andere
schepen gezonden, met last aan de gezagvoerders dat zij bij het
aanbreken van den dag onder zeil moesten zijn, en in een halven cirkel
op het eiland aanhouden, doch het aan het fregat overlaten in de
voorhoede te blijven.
De Admiraal was tot het inzicht gekomen dat de Spanjaarden bekend waren
met zijne aanwezigheid, en wilde hun den tijd niet laten den toegang
tot de golf zoodanig te versterken dat het ondoenlijk zou worden die te
forceeren; daarom besloot hij den aanval in linie te beproeven, en zich
tot iederen prijs meester te maken van het Houtduifeiland, daar van het
bezetten dier stelling, waardoor de ingang van de baai werd beheerscht,
voor hem den goeden uitslag van de expeditie afhing.
Voor de Spanjaarden was het in waarheid een grootsch maar tevens
geducht schouwspel, een vloot van vijftien schepen die bij het
aanbreken van den dag als uit de golven scheen op te rijzen, naar de
golf van Maracaïbo te zien koers houden; doch de in het fort
geposteerde soldaten, waren allen kernachtige kerels aangevoerd door
ervaren officieren; en ieder hunner was evenzeer bereid om het leven op
te offeren. Met woede en toorn, maar ook met een gevoel van trots zelfs
eenigermate van voldoening, zagen zij hun geduchte vijanden hunne
versterkingen naderen, die vijanden voor wie zij zoo dikwerf het
onderspit hadden moeten delven, en zij brandden van verlangen om eene
schitterende weerwraak te nemen.
Toen de schepen op slechts enkele kabellengten van het eiland
verwijderd waren, wendden zij, op een sein van het Admiraalsschip hunne
zijden daarnaar toe en bleven stil liggen. Een vuurpijl die uit den
wachttoren was afgestoken, diende tot waarschuwing aan het Spaansche
garnizoen dat de vloot der vrijbuiters zich gereed maakte het kanaal
van de golf te passeeren; de kanonniers werden dus met brandende lont
bij hunne stukken geplaatst om op het eerste sein den doortocht die
volkomen door het fort werd beheerscht, onder vuur te nemen. Er verliep
een vrij langen tijd waarin, naar het scheen, niets door de vrijbuiters
werd uitgericht. De Spanjaarden begrepen niets van eene dergelijke
werkeloosheid en wisten niet waaraan die moest worden toegeschreven,
doch op eens bemerkten zij dat van het fregat een boot werd afgezonden
die, voorzien van een parlementaire vlag, met kracht van riemen op het
eiland aanhield.
—Wat moet dat beteekenen?—werd door den vroegeren kommandant aan den
kolonel gevraagd.
—Niet anders,—luidde het antwoord—dan dat die lieden dáár
waarschijnlijk iets hebben voor te stellen.
—Zouden wij er over denken om met zulke ellendelingen te
onderhandelen!—viel de officier woedend uit.—Dat zou eene schande van
ons zijn! Ik ga dadelijk order geven die vervloekte boot in den grond
te boren.
En reeds stond hij gereed om naar de dichtst bijzijnde batterij te
gaan, doch haastig hield de kolonel hem tegen en zei:
—Doe dit vooral niet! Ik heb order ontvangen om het hier zoo lang
mogelijk uit te houden, en dus is het zaak om hun tijd te doen
verliezen, daardoor zal aan dit bevel veel beter voldaan worden.
—Neem u dan het gezag over, kolonel—gaf de ander verstoord ten
antwoord,—want vive Dios! ik bedank er voor om met die bandieten
praatjes te gaan houden.
—Goed,—uitte de kolonel,—ik neem de verantwoordelijkheid op mij.
Waarlijk, het is nu het geschikte oogenblik niet om zich al te trotsch,
en evenmin om zich licht geraakt te toonen. De hoofdzaak is nu, de stad
te redden; laat mij dus mijn gang gaan.
—Doe zooals u goeddunkt, kolonel! Gij zijt buitendien ouder in rang dan
ik, derhalve moet ik gehoorzamen.
De kolonel liet dadelijk op het fort een parlementaire vlag hijschen en
tegelijkertijd gaf hij last een boot te bemannen. Toen de boot van de
vrijbuiters op den afstand van een geweerschot bij het fort was
gekomen, bleef die stil liggen en haalden de roeiers de riemen in. De
kolonel was reeds in de boot gestapt, die hij had laten gereed maken,
en zoodra hij bemerkte dat de vrijbuiters niet verder kwamen, liet hij
op hen aanroeien. De beide booten waren weldra niet verder dan een
pistoolschot van elkaar. Montbars, die zich persoonlijk in de boot der
vrijbuiters bevond, stond op, nam zijn hoed af en sprak:
—Heb de goedheid, señor, langs zij aan te leggen. Ik geef mijn woord
tot pand, dat gij van onze zijde noch bedrog noch verraad te wachten
hebt.
—Wie of wat is mij daarvoor een waarborg?—vroeg de kolonel.—Ik ben de
Gouverneur van het fort.
—En ik de Admiraal van de vloot,—antwoordde Montbars.—Ten overvloede
ziet gij dat hier in mijn boot niet meer zijn dan vier ongewapende
matrozen, terwijl gij vergezeld zijt door twintig goed gewapende
manschappen. Wij zouden dus veeleer reden hebben voor u bevreesd te
zijn.
—Gij hebt gelijk,—erkende de kolonel en gelastte den bootsman:—Ga langs
zij liggen.
De twee booten kwamen boord aan boord. Montbars greep den rand van het
grootere vaartuig om het tegen te houden, en wipte met vluggen sprong
er over heen, om dadelijk naast den kolonel plaats te nemen. Werkelijk
was de flibustier ongewapend.
—Gij ziet, caballero, dat ik u voorga met een blijk van vertrouwen.
—Señor,—antwoordde de kolonel op waardigen toon.—Gij zijt thans onder
de hoede van de Castiliaansche eer.—Montbars beantwoordde dit met eene
hoffelijke buiging.
—Door u wordt eene bijeenkomst verlangd, señor,—vervolgde de
kolonel.—Mag ik u verzoeken mij daarvan verklaring te geven.
—Voor die verklaring, caballero, zijn een paar woorden voldoende. Ik
verlang eenvoudig van u de overgave van het fort.
De kolonel begon te lachen en zei:—Op mijn woord dat klinkt kort en
bondig, en gij valt met de deur in het huis, zooals men wel eens zegt.
—Dat is mijne gewoonte, caballero. Mag ik u nu op mijn beurt verzoeken,
daarop te antwoorden.
—Señor, ik zal uw voorbeeld volgen en heb voor dat antwoord slechts één
woord noodig: Nooit!
—Dan moet ik u onder het oog brengen, mijnheer, dat het nestige fortje
waarover gij het bevel voert, geen weerstand kan bieden aan de geduchte
overmacht waarmee het zal worden aangevallen.
—Dat is iets, mijnheer, wat alléén mij aangaat. Dat nestige fortje,
zooals gij het gelieft te noemen, is aan mij toevertrouwd. Zoo ik er
niet in slaag om het te behouden, dan zal ik bij de verdediging
sneuvelen, zóó als het een krijgsman past.
—En waarlijk, señor, dat zal een roemrijke dood zijn, doch... geheel
nutteloos.
—Dat blijft de vraag, señor. Daarbij gij zijt niet bekend met den staat
onzer middelen tot verdediging.
—Toch wel, minstens even goed als gij zelf. Denk nog eens aan graaf de
l’Atalaya en zie mij nu goed aan,—en na die woorden nam hij zijn hoed
af en streek te gelijk zijn haar naar achter.
—Hoe is het mogelijk!—liet de verbaasde kolonel zich ontvallen.
—Dat was ik, mijnheer, ik! Brengt die ontdekking geen wijziging in uwe
plannen?
—Volstrekt niet, señor! Mijn besluit blijft even vast.
—Luister nu kalm en bedaard,—voegde Montbars hem toe op verzoenenden
toon.—Gij zijt een dapper man, maar waarom laat gij u drijven door
overdreven trots en valsch eergevoel om het onder uw bevelen geplaatste
garnizoen nutteloos op te offeren? Ik geef er u mijn woord op, dat ik u
in staat zal stellen eervol te capituleeren.
—Ik heb u reeds gezegd, dat mijn besluit vast en onveranderlijk blijft.
—Is dat uw laatste woord?
—Het laatste,—werd kortaf door den kolonel geantwoord.
—Dat dan uw noodlot vervuld worde, doch gij zijt verantwoordelijk voor
al het bloed dat vergoten zal worden!
—Daarover laat ik met gerustheid het oordeel aan God! Ik vertrouw op
Zijn almacht en goedheid!
—Dat Hij u dan ter hulp kome, want dat is de eenige uitkomst die u
overblijft. Vaarwel, señor! Binnen een kwartier laat ik met de
vijandelijkheden een aanvang maken.
—Wij zullen trachten, señor, u warm te ontvangen.
De beide heeren groetten elkaar beleefd. Montbars stapte weer in zijn
boot, die terstond afstak en naar het fregat werd geroeid, terwijl de
kolonel haast deed maken om zoo spoedig mogelijk aan wal te komen.
—Welnu?—vroeg de Gouverneur toen de kolonel op het fort was gekomen. De
kolonel trok zijn degen en zei:
—Heeren, maakt u gereed voor het gevecht en vergeet niet dat wij te
doen krijgen met mannen die nooit kwartier geven.
Iedereen spoedde zich naar zijn post, vast besloten niet te kort te
schieten in de vervulling van zijn plicht. Wij moeten hier nog even
opmerken, dat de laatste handeling van Montbars, een handeling die
geheel en al in strijd was met de gewoonten van den vermaarden
vrijbuiter, alleen het gevolg was van de dringende bede van donna
Clara; toch moeten wij er als in één adem bijvoegen, dat hij, toen hij
zijn toestemming daartoe gaf, wellicht een geheim voorgevoel had dat
daarvan toch niet het minste resultaat te verwachten was.
Nauwelijks was de Admiraal aan boord terug, of er werden met de vloot
verscheidene signalen gewisseld en zeer kort daarna kon men gewaar
worden dat tal van zwaar bemande booten de schepen verlieten, en zich
langzaam naar wal richtten. Dat eskadertje bestond uit vijfentwintig
barkassen, bemand met ongeveer vijfhonderd man en was bestemd om eene
landing te beproeven. Montbars, Morgan en de voornaamste gezagvoerders,
voerden het aan. De Spanjaarden lieten de booten tot onder geweerschot
naderen. Plotseling schoten de kanonniers hunne stukken af, en het
eskader werd begroet met een hagelbui van kruit. De vrijbuiters
beantwoordden dit vuur niet; rustig roeiden zij voort, onder het zingen
van een statig lied wat altijd hunne gewoonte was, en zonder zich in
het minst te bemoeien met hunne makkers, die door een schot mochten
getroffen zijn. Ten tweede male werden de stukken gelost en
onmiddellijk volgde daarop het derde vuur.
—Voorwaarts!—bulderde toen Montbars, trok den degen en sprong in zee.
—Voorwaarts! Voorwaarts!—herhaalden de vrijbuiters die ook uit de
barkassen sprongen, en hem volgden, zonder er over te denken of zij
dicht genoeg bij den wal waren om grond te voelen. De Spanjaarden
verdubbelden hun vuur; de avonturiers bereikten het strand, en ijlden
naar de palissaden die, met aarde bedekt, den vijand als voorposten
dienden. De vervoering van de aanvallers was onwederstaanbaar; de
palissaden werden in één oogwenk uit den grond gerukt of verbroken; de
Spanjaarden overhoop geworpen en vertrapt of gewurgd; de vluchtenden,
met het zwaard in de hand, achterna gezeten en op zulk een korten
afstand vervolgd dat Franschen en Spanjaarden te gelijker tijd het fort
binnen stormden. De vrijbuiters wierpen zich onmiddellijk op de
kanonniers, doodden hen bij hunne stukken, zonder hen tijd te laten die
nog eens af te vuren, en keerden de mond der kanonnen terstond naar de
vluchtende soldaten, die nu door het schroot als weggemaaid werden.