mijne waren nog onder de oogen gekregen; ik wachtte met de uitstalling
tot gij de goedheid zult gehad hebben daarover met uw onfeilbaren smaak
uitspraak te doen.
—Zoo! Nu reken er maar op dat ik lang niet makkelijk te voldoen ben.
—Dat zal mij juist zeer aangenaam zijn, señorita, want wat in uw oog
van waarde is, zal ongetwijfeld bij de andere dames in de kolonie ook
wel bijval vinden.
—Dat zal nog bewezen moeten worden, señor kapitein, want iedere dame
beweert dat het haar niet aan smaak ontbreekt.
—Toegegeven, señorita, alleen staat het bij mij vast, dat uw smaak vrij
wat beter is.
—Señor, señor,—lachte zij.—Wat kunt ge vleien! En wanneer denkt ge al
dat moois uit te stallen?
—Dadelijk na het ontbijt.
—En gij, señor luitenant,—bij die woorden wendde zij zich tot den ouden
zeerob, die, daar hij niets beters te doen wist, at alsof hij
uitgehongerd was, en daarbij dronk als een tempelier,—is er door u ook
iets voor mij achtergehouden?
—Door mij, señorita!—uitte hij zoo haastig met vollen mond dat hij
gevaar liep van te stikken, en keek daarbij verschrikt en verbaasd om
zich heen.—Wat zou door mij achtergehouden zijn, señorita?
—Dat weet ik niet, misschien kanten of juweelen, of mogelijk ook die
mooie gouden gekrulde kammen, die de dames te Sevilla dragen.
—Neen, neen, dat geloof ik niet.
—Wat zegt ge daar, gelooft ge dat niet? Weet ge dit dan niet zeker?
—Ja, señorita, neem mij niet kwalijk, ja, ik weet het vast en zeker. Ik
heb niets anders dan heel fijn neteldoek met gouddraad voor
muskietengaas.
—O! Dit treft heerlijk, dat moet zeker mooi zijn!—en lachend klapte zij
in de handen.—Maar hebt ge niets anders?
—Alleen nog zilveren sporen en gouden mecheros.
—Voor dames?
—Wel neen, wel neen! Voor heeren, maar señorita, als u er lust in mocht
hebben om iets daarvan aan te nemen, dan stel ik dit gaarne te uwer
beschikking.
—De sporen, dat gaas of de mecheros?
—Alles, señorita, alles wat gij maar wilt,—verzekerde hij met een
tamelijk plompe buiging.
Toen barstte het jonge meisje in zulk een schaterend gelach uit, dat de
oude zeerob daardoor letterlijk overbluft werd. Juist nu kwam een der
scheepsjongens naar den kapitein, groette dezen, en fluisterde hem iets
in het oor.
—Señor Gouverneur,—zei daarop de kapitein,—er is iemand die verzoekt u
te mogen spreken.
—Och! Wat nu weer!—antwoordde don Fernando ontevreden.—Dan moet hij
maar wachten. Ik veroorloof mij waarlijk zoo zelden een uurtje voor mij
te nemen, dat ik geen lust heb mij nu al weer dadelijk met zaken te
gaan bemoeien.
—Pardon, señor Gouverneur, maar die man zegt dat eene zeer gewichtige
zaak hem naar hier drijft, en dat gij hem op staanden voet zult
toelaten, zoodra gij zijn naam hebt gehoord.
—Ei, ei! Die sinjeur schijnt zich heel wat in te beelden! Wat voor een
soort van man is hij?
—Naar zijn uiterlijk schijnt hij een zeeman,—gaf de scheepsjongen zeer
onderdanig te kennen.
—En hoe is die zoo veelbeteekenende naam, heeft hij je dien genoemd?
—Ja, dat heeft hij, señor Gouverneur.
—Nu, hoe noemt hij zich?
—Aguirre.
—Wat!—viel de Gouverneur uit, van zijn stoel opspringende, alsof hij
een schok had ontvangen, terwijl hij doodsbleek werd.—Aguirre, zegt ge
immers?
—Aguirre, juist, señor Gouverneur.
—Dat is vreemd! Waarde kapitein, hebt ge voor mij, hier of daar het
doet er niet toe waar, een plekje beschikbaar, waar ik met dien man
eenige oogenblikken, zonder gestoord te worden, kan spreken?
—Mijne kajuit is te uwer beschikking, señor Gouverneur.
—Opperbest! Wees zoo goed mij daarheen den weg te wijzen, en dien man
dáár ook te doen komen. Lieve Juana, in mijne afwezigheid, en die zal
slechts van korten duur zijn, zullen de beide heeren je al dat moois
wel laten zien.
—Ga gerust, mijnheer,—antwoordde donna Juana,—ik hoop niet dat dit
gesprek tengevolge zal hebben, dat gij lang van ons wegblijft.
De Gouverneur volgde den kapitein van la Trinidad naar diens kajuit,
waar deze hem achterliet, doch niet dan na met de breedsprakige
hoffelijkheid van de Spaansche beleefdheid, hem verzocht te hebben zich
hier als tehuis te gevoelen en diensvolgens te handelen. Een oogenblik
daarna klonk er op de kajuitstrap een zware stap, en voorafgegaan door
den scheepsjongen trad schipper Aguirre binnen. Don Fernando gelastte
door een wenk den jongen weg te gaan, wendde zich toen naar den spion,
die zeer onderdanig bij de deur was blijven staan en vroeg:—Zoo, zoo,
schipper Aguirre, gij hier! Het is een wonder je in deze streken te
zien. Welke goede wind brengt je hierheen?
—Het is geen goede wind, gestrenge heer,—klonk het dubbelzinnige
antwoord.—Ik houd het zelfs voor een zeer slechten.
—En wij hebben hier reeds langer dan een maand het prachtigste weder.
—De ergste stormen komen niet altijd uit de lucht, edele heer.
—Neen! Ge bedoelt zeker dat de menschen daarvan dikwerf de oorzaak
zijn, niet waar?
De spion boog zwijgend.
—Waar komt ge vandaan?
—Regelrecht uit Vera-Cruz, op een brigantijn die daarvoor uitsluitend
door Zijne Excellentie den Onder-Koning in hoogst eigen persoon werd
uitgerust.
—Door den hertog de Penaflor!
—Ja, gestrenge heer.
—Hum! Dan schijnt die zaak zeer ernstig!
—Meer dan dat, edele heer. Het is eene zaak van het hoogste gewicht!
—Zoo! Nu ik verwacht nadere verklaring.
—Hier is een brief voor u, gestrenge heer, van den Onder-Koning die u
van alles op de hoogte zal brengen, beter dan ik dit zou kunnen
doen.—Bij die woorden trok hij uit de voering van den bol van zijn hoed
een brief die daar verborgen was geweest.
Don Fernando greep er haastig naar, en brak dien met bevende hand open;
lang was die brief niet, doch de inhoud van de weinige regels was zóó
gewichtig dat de Gouverneur verbleekte ondanks zijn erkende en
beproefde dapperheid.
—En,—vroeg hij een oogenblik later, toen hij weer opkeek,—zijn die
berichten waar en echt?
—Geheel en al naar waarheid, en stipt overgebracht, edele heer. Ik zelf
bracht ze aan Zijne Excellentie den Onder-Koning.
—En hoe zijt ge daarmee bekend geworden?
—Door niemand anders dan mijzelven. Ik heb oogen en ooren gebruikt.
—Dus wordt door de vrijbuiters eene expeditie uitgerust?
—Eene ontzaglijke expeditie.
—Maar misschien is die niet tegen ons gericht?
De spion lachte minachtend.
—Om hier te arriveeren heb ik dwars door eene vloot moeten stevenen,
door eene vloot van meer dan twaalf schepen, die met korte slagen
laveerde om te Aruba voor anker te komen.
—En wie voert het bevel over die vloot?
—Montbars de Verdelger zelf.
Don Fernando huiverde bij dien zoozeer geduchten naam.
—Weet ge ook of Montbars zich nu reeds onder al de schepen van die
duivelsche kerels bevindt?
—Nog niet, gestrenge heer, hij is van zijn koers afgeweken om zich
eerst meester te maken van het fregat la Perla en van vier
brigantijnen, schepen die door den Onder-Koning waren uitgerust om de
stichtingen der vrijbuiters op Tortue te vernielen.
—En?—viel de Gouverneur in met angstige gejaagdheid.
—Montbars heeft door entering het fregat genomen op de rivier Efferra,
is daarna binnengevallen ter ree van Puerto del Principe, heeft de
brigantijnen overvallen en doen zinken en de equipage der rampzalige
schepen onverbiddelijk omgebracht, en zal nu binnen een paar etmalen te
Aruba arriveeren, waar zijn vloot hem verwacht, om dan tot handelingen
over te gaan.
—Dan zij God ons genadig!—kreet don Fernando en liet op een zetel zich
neerzinken,—want, tenzij er een wonder geschiede, zijn wij verloren!
XIX.
DE CABILDO.
Er heerschte een oogenblik stilzwijgen.
Don Fernando, overstelpt door het ontzettende bericht dat hij zoo
onverwacht had ontvangen, verpletterd door ontroering en genoodzaakt
tot de erkentenis van de onbeduidendheid der verdedigingsmiddelen
waarover hij beschikken kon, scheen niet in staat tot geregeld denken.
Somber en onbeweeglijk stond de spion tegenover hem, steeds wachtende
of het zoo plotseling afgebroken gesprek zou worden hervat. Maar don
Fernando d’Avila was een oud soldaat met onverminderde energie, dapper
tot het vermetele, en nu de eerste slag ontvangen was, een slag die
hard was aangekomen, werd hij zich zelven weer meester, ieder spoor van
ontroering of aandoening verdween van zijn gelaat, en hij toonde zich
even kalm en koel als naar gewoonte.
En waarom ook niet? Wat gaf hij om den dood? Hij die in zoo menig
gevecht den dood dapper te gemoet getreden, en als getart had, den dood
van den krijgsman, die geveld wordt in edelen strijd door de hand van
den vijand! Had hij gesidderd, had hij zich als vernietigd gevoeld bij
dit zoo plotselinge bericht van een hoogst waarschijnlijken aanval der
flibustiers op de kolonie waarvan het gezag aan hem was toevertrouwd,
dan was dit niet veroorzaakt door vrees voor het vreeselijke gevaar dat
hem bedreigde, neen, dit was alleen ontstaan door zijne bekendheid met
de vrijbuiters, tegen wie hij meer dan eens hardnekkig gestreden had.
Hij wist maar al te goed dat na de behaalde overwinning, hunne
wreedheid nog grooter was dan hunne vermetelheid gedurende den strijd,
en dat dan leeftijd zoo min als kunne genade vonden in de oogen dier
vervaarlijke tegenstanders, meer nog, dat de vrouwen vooral het meest
van hen te duchten hadden.
Hoe luttel de middelen mochten zijn waarover hij kon beschikken, toch
besloot hij daarvan gebruik te maken, niet zoozeer om den slag af te
wenden waarmee hij werd bedreigd, als om die minder hard te doen
neerkomen, en zoo hij de stad niet kon redden, dan wilde hij ten minste
trachten de inwoners te behoeden voor de rampen die het gevolg zijn van
eene overrompeling en bestorming.
—Schipper, kan ik je vertrouwen?—vroeg hij aan den spion en keek dien
doordringend aan.
—Zijne Excellentie, de Onder-Koning stelt het volste vertrouwen in mij.
—Is uw brigantijn nog al ruim?
—Ruim genoeg om voor een korten tocht een honderdtal manschappen te
bergen.
—Goed, ge hebt mij reeds begrepen. Keer naar uw schip terug, maak alles
gereed om dadelijk onder zeil te gaan, en wacht mijne verdere orders
af.
De spion stond klaar om heen te gaan.
—Wacht nog even,—riep de Gouverneur hem toe,—weet dat ge mij met uw
leven borg blijft, dat geen enkel woord over dit alles over uwe lippen
komt.
—Dat zweer ik, gestrenge heer!
—Goed! Ga.
Schipper Aguirre vertrok en een oogenblik daarna verscheen de
Gouverneur weer op het dek.
—Wel,—vroeg Juana aan hem.—Waren die berichten nu werkelijk zoo
gewichtig?
—Gewichtig genoeg, kindlief, om mij te noopen je te verzoeken dadelijk
met mij aan wal te gaan, terwijl ik mij bij den kapitein moet
verontschuldigen dat ik zoo onverhoeds het schip verlaat, waar wij zoo
heusch door hem zijn ontvangen.
De kapitein boog en zei:
—Señor, in afwachting van wat misschien noodig zou kunnen zijn heb ik
reeds een boot voor u gereed doen houden.
—Daarvoor ben ik u zeer verplicht, caballero, maar de bezichtiging van
uwe koopwaren is, naar ik hoop, slechts tijdelijk uitgesteld en zal dus
later geschieden. Gaat ge met ons meê?
—Zoo gij mij dit veroorlooft, ja, señor Gouverneur.
—Ge zult mij daarmeê zelfs genoegen doen. Kom, Juana, kindlief, wij
hebben ons hier reeds te lang opgehouden.
—Maar zijn die tijdingen dan werkelijk zoo gewichtig?—herhaalde zij,
daar zij angstig begon te worden.
—Zoo al niet ernstig dan toch dringend genoeg, en daarom moet ge u wat
haasten.
Men ging van boord, en enkele minuten later stapten zij aan de kade uit
de boot, en bevonden zich weldra te midden van eene talrijke
luidruchtige, vroolijke en drukke menigte. Don Fernando’s gelaat
betrok; die onbezorgde opgewondenheid deed hem pijnlijk aan, hij gaf
een wenk aan een officier die op de havendam een sigaar stond te
rooken, en dadelijk naar hem toekwam; hij fluisterde hem iets in het
oor, zeker een order die door anderen niet verstaan behoefde te worden.
De officier verwijderde zich haastig, en met versnelden tred; don
Fernando bood daarna zijn arm aan zijne pupil en vergezeld door den
kapitein van la Trinidad ging hij met haar, ook zeer overhaast, naar
zijn woning, waardoor de bij het jonge meisje ontstane angst sterk werd
vermeerderd. Op het plein van zijne woning nam de Gouverneur afscheid
van donna Juana, kuste haar op het voorhoofd, en toen hij gezien had
dat zij verdwenen was in dat gedeelte van het huis waar hare kamers
waren, wendde hij zich tot den kapitein en zei:—Kom meê.
—Waar gaan wij heen?
—Naar de cabildo.
De kapitein keek verbaasd op en vroeg:—Wat is er toch gaande,
Excellentie?
—Ik heb een zeer noodlottig bericht ontvangen,—luidde het meer
gefluisterd dan gesproken antwoord.—Ga mee, ge zult alles maar al te
vroeg vernemen.
In Spanje en in de Spaansche koloniën geeft men den naam van cabildo
aan het stadhuis, dat wil zeggen aan den zetel van de regeering.
Toen don Fernando vergezeld door den Gouverneur dáár aankwam, waren de
officieren van het garnizoen en de notabelen der stad er reeds
vereenigd in de zaal waar de beraadslagingen werden gehouden. Zij
stonden, in groepjes bijeen, met elkaar te praten over en te gissen
naar de redenen tot zulk eene buitengewone oproeping. Met ernstig
gelaat en zwaren stap trad de Gouverneur binnen en nam plaats op den
zetel voor hem bestemd op eene estrade achter in de zaal.
—Señores en caballeros,—dus begon hij,—weest zoo goed mij uw volle
aandacht te schenken, want nog geen uur geleden heb ik berichten
ontvangen, die ik mij verplicht acht u onmiddellijk mede te deelen.
De officieren en notabelen haasten zich de plaatsen in te nemen, die
hen volgens het ceremonieel toekwamen. Nadat ieder gezeten en de stilte
hersteld was, stond de Gouverneur op, vouwde den brief open die hem
door schipper Aguirre aan boord van la Trinidad was ter hand gesteld en
zei:
—Señores, gelieft mij aandachtig aan te hooren, want vive Dios! het is
eene zaak die u allen betreft.
Zoo mogelijk werd het nog stiller, en de nieuwsgierigheid nog meer
gaande gemaakt. De Gouverneur wierp een blik over de aanwezigen en
begon de depêche voor te lezen:
„Aan den Señor kolonel don Fernando d’Avila, Gouverneur namens
Zijne Katholieke Majesteit, over de provincie Venezuela, Maracaïbo
en andere plaatsen.
„Señor Kolonel!
„Wij vernemen uit zekere en betrouwbare bron dat de Fransche en
Engelsche ladrones, die den naam van flibustiers hebben aangenomen,
in strijd met het volkenrecht, de bezworen trouw, en den thans
tusschen de drie koninkrijken bestaanden vrede, op dit oogenblik
eene machtige vloot uitrusten bestaande uit twaalf of veertien
schepen, en bemand met drieduizend bandieten, met het doel, zooals
dit op hoogen toon door hen verzekerd wordt, de steden der
provincie, die onder uw gezag staat, te overvallen en te
plunderen.”
Na de mededeeling van dit bericht, uitten de aanwezigen kreten van
verontwaardiging en schrik, waardoor de Gouverneur genoodzaakt werd de
lezing een oogenblik te staken.
—Luisteren, heeren, luisteren,—voegde hij hun toe met kalme en ferme
stem,—ik ben nog niet aan het eind.
En daarna hernam hij te midden van doodsche stilte en doffe ontroering:
„Ik acht het onnoodig, señor kolonel, u aan te bevelen de noodige
maatregelen te nemen die het belang van den dienst des Konings
vereischen. Ik ben te zeer overtuigd van uw erkende dapperheid, en
uwe groote ervaring om u de handelingen voor te schrijven die onder
deze omstandigheden door u moeten worden verricht. Slechts heb ik u
te verwittigen dat zoo gij u enkele dagen staande en die ladrones
in bedwang kunt houden, gij er op rekenen kunt dat u uit Vera-Cruz
zulke aanzienlijke hulp en versterking zal worden toegezonden, dat
het u, hieraan twijfel ik niet, gelukken zal die bandieten-horde te
vernietigen, die nu van plan is u aan te vallen. Wanhoop dus niet,
señor kolonel, en verdedig ook thans even dapper de Castiliaansche
eer, als dit reeds zoo herhaaldelijk door u is gedaan! Leve de
Koning!
„Hiermede, señor kolonel, bid ik God, dat Hij u in Zijne heilige
hoede neme!
„De Onder-Koning van Nieuw-Spanje:
Hertog de Penaflor,
„Caballero cubierto, Grande van Spanje der eerste klasse, enz.
enz.”
Die brief bevatte nog enkele regels tot naschrift, maar don Fernando
achtte het raadzaam daarvan de voorlezing achterwege te laten. De
inhoud van dit naschrift was als volgt:
„Nog moet ik u verwittigen, señor kolonel, dat de ladrones worden
aangevoerd door de beruchtste schelmen van hunne verfoeielijke
vereeniging, en dat de twee voornaamste bevelhebbers zijn Montbars
de Verdelger en de Engelschman Morgan, een paar ellendelingen, die,
zooals ieder weet, nooit genade aan de overwonnenen schenken,
zoodat dit eene aansporing te meer is om u liever te laten dooden,
dan u over te geven.”
Don Fernando hield de inhoud van dit naschrift voor zich alléén, want
zoo hij ook daarvan aan de vergadering mededeeling had gedaan, dan zou
de reeds wankelende moed zeker totaal vernietigd zijn geworden, daar
vooral de naam van Montbars een onoverkomelijke vrees bij velen teweeg
bracht. Na de lezing van den brief van den Onder-Koning heerschte er
gedurende eenige minuten zulk een verward en hevig rumoer door
geschreeuw, vervloekingen en verwenschingen, dat het den Gouverneur
ondoenlijk bleef zich te doen verstaan; eindelijk verminderde het
tumult van lieverlede, don Fernando haastte zich daarvan gebruik te
maken en nam toen het woord.
—Thans,—sprak hij op barschen toon,—is het geen oogenblik om te
jammeren of te weeklagen, thans moet gehandeld worden, de tijd dringt
ons. Volgt mijn raad zonder een oogenblik te talmen, en dan sta ik er
voor in, zoo al niet dat de stad behouden zal blijven, dan toch dat gij
in staat zult zijn om uwe gezinnen te redden, en uw vermogen te
behoeden voor de roofzucht dier bandieten.
—Laat hooren, laat hooren! Wat moet er gedaan worden?—schreeuwden allen
te gelijk.
—Luistert liever bedaard in plaats van zoo dolzinnig te
schreeuwen—donderde hij hun toe, en stampte zelf in de uiterste drift
op den vloer.
Ieder zweeg.
—Het is gelukkig voor ons—vervolgde hij,—dat de Spaansche vloot hier op
de reede ligt, en onze haven vol is met schepen van allerlei grootte.
Haast u dus uwe vrouwen en kinderen met uw kostbaarste zaken op deze
schepen te brengen, die zullen naar Gibraltar overvaren. Maracaïbo kan
geen beleg doorstaan en het is dus beter deze stad te verlaten. Wij
moeten die door de bandieten laten bezetten zonder wederstand te bieden
en terwijl die schelmen dan hier hun tijd zullen verspillen door te
plunderen en te verbrassen het weinige wat wij hier achter hebben
gelaten, moeten wij werken, werken met man en macht om de versterkingen
van Gibraltar, die toch reeds zeer beduidend zijn, nog te vermeerderen
en krachtiger te bevestigen. Als de bandieten het durven wagen ons ook
dáár aan te vallen, dan hebben wij groote kans, dit acht ik genoegzaam
zeker, om hen zóó toe te takelen, dat zij voor langen tijd er genoeg
van zullen hebben weer eene nieuwe expeditie naar deze streken uit te
zenden. En vergeet daarbij niet, dat de Onder-Koning aan ons spoedige
hulp heeft toegezegd, het is dus zeer waarschijnlijk dat die bandieten
weinig lust zullen gevoelen ons in dien schuilhoek aan te vallen. Geeft
dus met den meesten spoed van dit alles kennis aan uwe medeburgers en
zorgt nu goed dat zij dadelijk alles in gereedheid brengen voor hun
vertrek. Allen die morgen bij zonsopgang nog te Maracaïbo zijn achter
gebleven, zullen dáár blijven. Ik vertrouw dat gij mij begrepen hebt,
gaat dus heen. U, Señores officieren, verzoek ik hier te blijven.
Haastig en in verwarring snelden de burgers naar de deuren en in een
oogwenk was de zaal door hen ontruimd. Bijna dadelijk daarna hoorde men
buiten klagen en gejammer en daarin mengden zich spoedig de sombere
toonen van den alarmklok die in alle kerken geluid werd.
Zoodra de Gouverneur zich overtuigd had, dat al de burgers vertrokken
en alleen de officieren gebleven waren, sprak hij de laatsten
toe:—Caballeros wij hier, wij zijn krijgslieden en zullen ons niet zoo
licht laten ontmoedigen, want wij kennen onzen plicht. Ik hoef u dus
niet uit te noodigen dapper in den dienst des Konings te strijden,
Kolonel don Santiago Tellez!
—Excellentie!—antwoordde de kolonel, die vooruit trad.
—Neem onder uw bevel vijftig flinke manschappen en ga met hen naar de
haven; dáár zult gij een schipper aantreffen, een zekeren Aguirre.
Scheep u met uwe onderhoorigen in op zijn brigantijn, en laat u
overbrengen naar het Houtduifeiland, waar het garnizoen niet meer
bedraagt dan vijfenveertig man. Gij moet het daar zoo noodig, minstens
één dag tegen de ladrones uithouden.
—Excellentie, ik geef er u mijn woord op, dat ik het twee dagen lang
zal verdedigen.
—Goed, des te beter! Vaarwel, kolonel!
—Vaarwel, Exellentie. Gij zult spoedig het bericht van mijn dood
vernemen, doch kunt er staat op maken, dat ik mijn leven duur aan die
bandieten zal verkoopen.
Hij boog en vertrok, voor het uiterlijk zoo kalm alsof hij eene
wandeling ging maken. De Gouverneur versmoorde een zucht en
vervolgde:—Kapitein Ortega, doe vijftig soldaten opzitten en zendt hen
in alle richtingen uit, om de buitenlui te waarschuwen dat de ladrones
in aantocht zijn; u kunt gaan.
Kapitein Ortega ging dadelijk heen.
—En aan u, kolonel don José Ortez,—hernam de Gouverneur,—draag ik het
bevel over het garnizoen over. Trek daarmee af naar Gibraltar; gij laat
hier niet meer achter dan vijftig manschappen, mits geschikte en
gewillige kerels. Naar ik vermoed zult gij mij begrepen hebben.
—Volkomen, Exellentie.
—Nog moet ik u ten sterkste aanbevelen stipt er voor te zorgen dat geen
enkel wapen, en niets van de krijgsbehoeften hier achter blijft, want
het zou te groote dwaasheid zijn als wij de ladrones in staat stelden
daarvan voor hunne kanonnen gebruik te maken.
—Dat zou werkelijk meer dan dwaas zijn, Exellentie. Waar moeten die
soldaten post vatten?
—Hier op de cabildo.
—Goed, en wanneer moet ik vertrekken?
—Met het laatste konvooi inwoners. Vaarwel, kolonel!
—Toch niet, Exellentie, tot weerziens!
—Wie weet?—mompelde de Gouverneur. Ook die kolonel verwijderde zich en
toen bleef de gouverneur slechts over met één persoon, den kapitein van
la Trinidad.
—Hoe nu!—uitte don Fernando, zoodra hij hem gewaar werd.—Zijt ge nog
hier, kapitein?
—Ja, Exellentie, ik was er op gesteld bij u te blijven.
—Doch, houd het mij ten goede dat ik u dit onder het oog breng,
kapitein, dit is waarlijk geheel in strijd met uw eigen belang.
—Exellentie, ik heb iets opgemerkt,—gaf de kapitein te kennen, zonder
bepaald de opmerking van den Gouverneur te beantwoorden.
—En waarin bestaat dit, kapitein?
—Dat gij, sedert wij hier in de zaal zijn, u druk hebt bezig gehouden
met anderen, doch aan u zelven niet schijnt te denken.
—Dat is immers mijn plicht?
—Zeer zeker! Verre zij het dus van mij door die opmerking eene
afkeuring te bedoelen.
—Welnu dan?
—Welnu, dan dunkt mij dat thans uwe beurt gekomen is en daarom juist
ben ik hier gebleven. Door u is last gegeven om naar Gibraltar af te
trekken en zeker hebt gij daarvoor afdoende redenen.
—Zeer gewichtige, en zeer afdoende, kapitein.
—Maar als zoodanig kunt gij niet laten gelden uw voornemen om te
sneuvelen, zonder glorie en zonder eenig voordeel, hier aan het hoofd
van een onnoozel troepje manschappen. Buitendien hebt gij eene pupil,
en uw plicht is het ook voor haar te zorgen.
—Mijne pupil zal de overtocht naar Gibraltar doen aan boord van uw
schip.
—Alleen?
—Met u.
De kapitein schudde het hoofd en zei botweg:—Neen!
—Hoe!—uitte don Fernando hoogst verbaasd;—weigert gij mij dit?
—Niet ik weiger, Excellentie, maar zij zal dit doen.
—Kom, kom, hoe krijgt ge het in het hoofd dit te beweren, kapitein!
—Vraag het haar, en dan zullen wij nader spreken; doch luister even,
Excellentie, en houd dit goed in gedachte. Van daag nog of stellig
dezen nacht zullen al de schepen naar Gibraltar uitzeilen, doch één zal
hier blijven en wel het mijne. Ik heb er een eed op gedaan dat ik u
hier niet achter zal laten.
De Gouverneur bleef een oogenblik in gepeins, toen stak hij hem de hand
toe, en sprak met bewogen stem:—Het zij zoo, kapitein, ik neem uw
aanbod aan, doch ik moet u vooraf waarschuwen dat ik mijn post niet
verlaat dan als de laatste en op het uiterste oogenblik, eerst dan als
voor mij niets anders meer te doen overblijft.
—Vive Dios! Dacht gij dat ik iets anders van u verwachtte?
—Kom nu mee, dan gaan wij naar mijne pupil.