altijd goeden wind gehad en kalme zee. Vier mijlen onder den wind van
het eiland heb ik de verschillende schepen van de vloot verzameld, en
zijn wij allen te gelijk, als een vlucht gieren op Aruba neergestreken.
Hoewel ik daartoe van je geen order had ontvangen, heb ik toch, in de
meening dat die plek hier niet ver zou zijn van de plaats die moest
worden aangevallen, willen vermijden alle onnoodige berichtgevingen,
die voor ons noodlottig zouden hebben kunnen wezen. Daarom heb ik mij
meester gemaakt van het eiland, de bewoners, arm en niet zeer talrijk,
hadden zulk eene overrompeling niet van ons verwacht, en lieten zich
dus genoegzaam zonder tegenstand ontwapenen. Toen heb ik hunne booten
lek doen boren, om te voorkomen zoo enkelen hunner plan mochten hebben
daarmee te ontsnappen, en op al de toegankelijke punten van de kust
wachten op den uitkijk geplaatst, en tot nog grootere waarborg is door
mij last gegeven dat eenige booten bemand met flinke kerels wacht
zouden houden op enkele kabellengten afstand in volle zee, doch
schijnbaar alsof zij daar aan het visschen waren. Sedert onze aankomst
alhier zijn er ongeveer een dozijn kustvaarders zonder eenig kwaad
vermoeden op het eiland aangeland. Het is onnoodig je te zeggen dat
geen hunner weer vertrokken is, wij hebben hen allen gevangen gehouden,
iets waardoor zij ten hoogste werden verrast,—verklaarde hij
lachend,—en dit is alles wat ik heb te rapporteeren, Admiraal.
—Waarde Morgan,—antwoordde Montbars,—ik betuig je mijn oprechten dank
voor alles wat door je is verricht. Er konden geen betere en gepastere
maatregelen worden bedacht dan die door je genomen zijn, doch toen ik
je die gewichtige betrekking bij de vloot toevertrouwde wist ik waartoe
gij in staat waart, en kon dus volkomen gerust zijn. Thans is de
hoofdzaak middelen te beramen voor onze landing, zoo mogelijk zonder
dat die door den vijand worden bemerkt. Dit is een hoogst moeielijk
geval; de stad die wij voornemens zijn te overrompelen, ligt aan het
eind van een meer; de toegangen zijn in goeden staat van verdediging,
de stad zelf is behoorlijk versterkt, en in het bezit van een talrijk
garnizoen, onder bevel van een ervaren officier, die zich niet licht
zal overgeven, dit weet ik zeker want ik ben met hem bekend. Thans geef
ik het woord aan Philippe d’Ogeron, die met de grootste nauwgezetheid
de posities van den vijand heeft opgenomen, en bij wien, zooals ik
reeds de eer had je te zeggen het plan tot deze expeditie is ontstaan.
Wees dus zoo goed, broeder, te spreken, wij zullen met aandacht naar je
luisteren—bij die laatste woorden wendde hij zich meer tot den jongen
man.
Philippe stond op met eenigszins verhoogde kleur, eenigszins verlegen
door de herhaalde vleiende toespraak van zijn bevelhebber, doch meer
nog geërgerd door den spottenden blik dien de ridder de Grammont op hem
wierp; Philippe begreep dat door dezen, geholpen door het scherpe
inzicht der jaloezie, zijne geheimste gedachten geraden waren en
eveneens de beweegreden die hem dreef tot de begeerte om Maracaïbo te
overmeesteren, liever dan eenige andere even rijke plaats aan de kust.
Doch hij wist zich zelven te beheerschen, onderdrukte zijne ontroering,
en nam flink weg het woord.
—Broeders,—zoo begon hij,—daar je verlangt dat ik je mijne meening zal
doen kennen, en ofschoon ik een der jongsten onder u ben, en mijne
ervaring bij de uwe geheel in de schaduw moet staan, zou ik het
ongepast achten uit valsche schaamte te weigeren aan uw verlangen te
voldoen, en zal gehoorzamend aan uw wil, in weinige woorden je mijn
gevoelen mededeelen. Zooals de admiraal je reeds gezegd heeft, de stad
is sterk en zal krachtig en goed verdedigd worden. Naar mijn inzien zou
het raadzaam zijn, eer wij iets tegen de stad beproeven, ons te
verzekeren of onze aanwezigheid dáár reeds bekend is geworden, dan wel
of men daarvan nog niets vermoedt. Deze streken worden bezocht door
zeer veel kustvaarders, en verscheidene van die vaartuigen zijn niet
veel meer dan roeibooten, zoodat het zeer gemakkelijk kan gebeurd zijn,
ondanks al onze waakzaamheid en al de genomene maatregelen, dat enkele
daarvan ons ’s nachts ongemerkt zijn voorbijgegaan. Mocht dit,
ongelukkig voor ons, plaats hebben gehad, dan valt er niet aan te
twijfelen of wij zijn herkend, want onze schepen zijn te zeer
verschillend van de Spaansche of Hollandsche; en dan zal nu reeds over
de gansche kust alarm zijn geslagen. Als gevolg daarvan bestaat er zeer
veel kans dat de lieden die wij willen overrompelen goed op hunne hoede
zullen zijn, en loopen wij dus gevaar zelf te vallen in den strik dien
wij hun spannen.
—Uwe opmerkingen zijn zeer juist,—gaf Montbars te kennen, na met een
blik de overige kapiteins te hebben geraadpleegd,—en welke middelen
zouden, naar je meening, moeten worden genomen om ons die zekerheid te
verschaffen?
—Wij hebben hier verscheidene Spaansche brigantijnen, het zal weinig
moeite kosten een daarvan te bemannen; wij zullen onze gevangenen
dwingen ons de seinen op te geven waaromtrent zij met de kustwachters
overeengekomen zijn. De brigantijn moet doordringen tot het meer, zelfs
zoo dicht mogelijk bij Maracaïbo en dan terug zeilen om hier rapport te
komen doen. Mocht dit voorstel worden goedgekeurd, dan verzoek ik,
belast te worden met het gezag over dien brigantijn.
—En dan verzoek ik, broeder, je daarbij te mogen vergezellen!—voegde
Grammont spotachtig er bij. Philippe beantwoordde dit met een lichte
buiging en een even spotachtig glimlachje, en nam weer plaats.
—Heeft iemand uwer tegen dit voorstel iets in te brengen,
broeders?—vroeg Montbars. Niemand gaf antwoord.
—Niet? Dan zal ik dit doen,—hernam Montbars.—De opmerkingen van
Philippe d’Ogeron zijn zeer juist, dit heb ik straks reeds gezegd, en
nu wil ik er nog bijvoegen dat die, naar mijne meening, ook zeer
gegrond zijn. Ook ik acht het werkelijk ondenkbaar dat een vloot van
vijftien groote schepen, geheel ten oorlog uitgerust, hier op deze zóó
druk bezochte kust zou kunnen verschijnen, zonder te zijn opgemerkt.
Ook ik geloof dus dat onze aanwezigheid bekend en alarm geslagen is,
ja, ik ben er zelfs genoegzaam zeker van, dat men op dit eigen
oogenblik nu ik tot u spreek, in alle dorpen te wapen snelt en overal
zich bereid maakt om krachtdadig wederstand te bieden. En derhalve
moet, mijns inziens, juist om al die redenen, het voorstel van Philippe
niet in aanmerking komen. In de eerste plaats omdat als wij daartoe
besloten, voor ons veel kostbare tijd zou verloren gaan, die aan onze
vijanden te nutte zou komen, daar zij des te meer gelegenheid zouden
hebben zich te versterken en de schatten in veiligheid te brengen, die
wij voornemens zijn hun te ontrooven. Maar bovendien meen ik, al werden
de Spanjaarden die list met den brigantijn niet gewaar, al lieten zij
dat vaartuig rustig zijn zending volbrengen, de berichten die ons bij
zijn terugkomst worden meegedeeld ons toch niet dienstig zullen kunnen
wezen ten opzichte eener landing, want wij zullen toch wel niet zoo
naïef zijn een oogenblik te veronderstellen dat een vloot als de onze
onbemerkt het meer zou kunnen binnen vallen. Philippe d’Ogeron die even
als ik bekend is met de plaatselijke gesteldheid dáár, weet zeer goed
dat iedere andere weg voor ons is afgesloten, en dat het doen van een
landing op het een of ander punt der kust, ter einde over land op
Maracaïbo aan te rukken, gelijk zou staan met tot op den laatsten man
al ons volk in de waagschaal te stellen; want, en ook dit weet hij zeer
goed, die marsch zou moeten geschieden door een land, met holen, en
moerassen en modderpoelen, waar ontelbare rivieren zich kruisen, een
land bedekt door dichte wouden waar zware boomen met bladen zoo scherp
als een mes den doorgang beletten, een land bevolkt door ontembare
wilden, echte kannibalen, tegen wie wij onophoudelijk te kampen zouden
hebben.
—Dan zou het eene onverantwoordelijke dwaasheid zijn, zoo wij ons
blootstelden aan al die gevaren met zoo weinig kans op goeden
uitslag,—werd door Morgan opgemerkt.
—Wat is dan uwe meening?—vroeg Pierre Legrand.
—Wel!—riep de Olonner en sloeg daarbij met de vuist op de tafel.—Mij
wordt het al duidelijk en klaar welk plan de Admiraal heeft, dit zal
toch wel niet anders zijn dan onvervaard op te trekken, den toegang tot
het meer te forceeren en met al onze macht een aanval op de stad te
beproeven. Wat drommel! Al stonden die duivelsche gavachos tegen ons
als tien tegen één, dan zijn wij toch immers kerels ferm genoeg om hen
het vuur na aan de schenen te leggen, zou ik zoo denken! Het zou
waarachtig de eerste keer niet zijn dat wij dat deden!
—Wat zegt gij er van, Admiraal? Wat zegt gij er van?—riepen de meeste
hem toe.
—Ja, Montbars,—hernam de Olonner,—zeg hoe gij er over denkt. Gij zijt
het beste in staat om ons in dit opzicht voor te lichten.
—Broeders,—gaf Montbars ten antwoord en stond daarbij op,—het is juist
zooals de Olonner heeft gezegd, hij heeft mijn plan reeds geraden. Het
voorstel dat ik je wilde doen is dus het zijne. Geen tijd gunnen aan
den vijand om tot zich zelven te komen, den doortocht forceeren en met
alle kracht een aanval op de stad doen. Ik wacht uwe beslissing af.
—Wel verduiveld!—vloekte de Olonner, die dit tot eene slechte gewoonte
maakte.—Die beslissing kan niet anders zijn dan eene toestemming in wat
gij verlangt dat wij zullen ondernemen, daar sta ik borg voor, want ge
hebt zoo helder als klaar het ware van onze positie blootgelegd, door
te bewijzen dat ieder ander plan van ontscheping ondoenlijk is.
Morgan raadpleegde nog even met de overige kapiteins en verklaarde
daarna uit aller naam:
—De leden van den raad keuren het door den Admiraal voorgestelde plan
goed, en zij verzoeken hem dit ten spoedigste uit te voeren.
—Broeders,—sprak Montbars,—de vloot zal binnen een paar uren onder zeil
zijn, zorgt er dus voor dat alles klaar is om de ankers te laten
glippen, en dat de landingstroepen gereed zijn voet aan wal te zetten.
Keert terug naar uwe schepen, om de noodige maatregelen te nemen. Ik
sluit de zitting van den raad. Waarde Morgan,—voegde hij er nog bij,—u
moet ik verzoeken nog enkele oogenblikken hier aan boord te blijven,
daar wij samen nog een en ander te bespreken hebben, om elkaar goed te
verstaan.
—Ik ben tot je orders, broeder,—gaf Morgan ten antwoord.
De kapiteins groetten en vertrokken naar hunne bodems, uitgezonderd
Morgan, die met Montbars in het vertrek bleef waar de beraadslaging had
plaats gehad, en Francoeur die, volgens afspraak, wachtte tot donna
Clara gereed zou wezen met hem mede te gaan, en in dien tijd op het dek
op en neer liep.
XVIII.
SCHIPPER AGUIRRE.
Tijdens de komst der flibustiers op het eiland Aruba dat zij bezetten
om van daar, volgens hunne uitdrukking, als een vlucht gieren neer te
strijken op Maracaïbo, heerschte in die rampzalige stad, zoo geheel
onbekend met het gevaar dat haar boven het hoofd hing, groote drukte;
ieder was dáár recht in zijn schik, allen lachten en dansten, in één
woord overal hield men feest; want het waren juist de dagen waarop
gewoonlijk de schepen uit Europa arriveerden. De uit Spanje verwachte
vloot was dan ook de golf binnen gestevend, doorgedrongen tot het meer,
en vóór de stad ten anker gekomen. Gedurende acht maanden van het jaar
bleven de kolonisten genoegzaam aan hun eigen lot overgelaten; te ver
verwijderd van groote en voorname steden zooals Vera-Cruz, konden zij
zich niet dan met groote moeite al het noodige verschaffen voor de
noodzakelijkste behoeften en kregen dus ten laatste daaraan groot
gebrek; met verlangen zagen zij daarom uit naar de aankomst der
koopvaardijschepen die nieuwen voorraad aanbrachten en hen in de
gelegenheid stelden al de voortbrengselen van den bodem, zooals tabak,
cacao, timmerhout, benevens goud, zilver en paarlen, waarmede hunne
magazijnen overpropt waren, te verruilen tegen levensbehoeften,
kleedingstukken, gereedschappen en allerlei Europeesche artikelen.
Dezen keer waren, als door eene bijzondere beschikking, de schepen
direct uit Cadix aangekomen, zonder onderweg eenige andere haven aan te
doen, zoodat de ladingen nog onaangebroken waren; de kolonisten hadden
dus overvloed van keus om te voorzien in hunne behoeften of te voldoen
aan hunne begeerten.
Voortdurend zag men in de stad verschijnen recuas van muildieren,
waarvan ieder zwaar belast was met eene dubbele baal, en die,
voortgedreven uit de dorpen en de haciendas van het binnenland, het
vroolijke geluid hunner schelletjes in de straten deden weerklinken. Op
last van den Gouverneur waren op de Plaza Mayor tenten opgeslagen, en
jacales van takken gebouwd om tot tijdelijke magazijnen en kramen te
dienen aan de kooplieden, die er hunne waren voor ieders oog konden
uitstallen. Om kort te gaan het was een voortdurende kermis, die een
maand lang zou duren, en gedurende welke de bevolking, door den grooten
toevloed van vreemdelingen bijna verdubbeld was. ’s Avonds waren de
straten, als door een tooverslag, geïllumineerd, en op alle pleinen
werd gedanst met de opgetogenheid en de opgeruimdheid, die zoo
aantrekkelijk en eigenaardig zijn bij alle meer zuidelijke volken wier
karakter zich meest altijd kenmerkt door vroolijkheid, onbezorgdheid en
natuurlijke ongedwongenheid.
Don Fernando d’Avila had heel wat te doen om de orde te handhaven in
zulk een warboel, en te zorgen dat het bij alle handelsverrichtingen en
verdere inkoopen en verkoopen op loyale wijze toeging, want de
Europeesche handelaars maakten er geen gewetenszaak van om honderd
piasters te vragen voor iets dat geen hoogere waarde dan tien piasters
bezat, en het was dus niet te verwonderen dat er dikwerf geschillen en
vechtpartijen ontstonden die door den Gouverneur tenauwernood konden
worden bijgelegd, daar de kolonisten zoo min als de Europeanen er toe
gebracht konden worden naar verstandige en bezadigde taal te luisteren.
Zoo werd don Fernando door al die bemoeiingen, hoezeer ook geheel tegen
zijn wil, als het ware genoodzaakt zich minder aan zijne pupil gelegen
te laten liggen, die bijna altijd als in hare vertrekken opgesloten
bleef; doch de jonge dame beklaagde zich niet over zulk eene
afzondering; zij scheen daarentegen zich er gelukkig door te gevoelen
en kon nu ongestoord al hare gedachten wijden aan hem dien zij lief
had. Een groot gedeelte van den dag bracht zij op het balkon door, half
verborgen achter de zonneschermen, steeds naar het meer turende en
verdiept in eene reeks van droomerijen. Somtijds keek zij even op om
naar na Cigala te kijken, die gewoonlijk dicht bij haar zat en te
vragen, met haar lief vleiend stemmetje:
—Zeg eens, na Cigala, zoudt ge denken dat mijn lieveling nu gauw terug
zal komen?
De oude vrouw schudde dan met een onvergenoegd gezicht het hoofd, gaf
meestal geen antwoord, of zoo zij dit een enkelen keer deed, dan was
dit op knorrigen toon, en binnensmonds eenige woorden brommende die
door de jonge dame niet verstaan werden; echter moet hier bijgevoegd
worden, dat deze er zich ook niet veel moeite voor gaf, want veel
liever hield zij zich bezig met hare eigene gedachten en verviel ook
spoedig weer in zoet gepeins.
Reeds meer dan eens had na Cigala beproefd donna Clara tot het inzicht
te brengen hoe verkeerd het was zulk een eenzaam en eentonig leven te
leiden, waarin zij nu zoo zeer behagen scheen te hebben, en dat het
voor haar veel beter zou zijn, om te zamen uit te gaan, de stad eens
door te wandelen en de winkels te bezoeken, waar de Europeesche waren
uitgestald, en zij zulk eene ruime keuze zou hebben voor hare inkoopen.
Eene verleidelijke uitnoodiging, want de beschouwing van dergelijke
benoodigdheden en ook van dergelijke kostbare prullen is voor iedere
vrouw, hetzij dame, hetzij dienstbode een genot, ja, meer dan dit, want
hoe dikwerf worden daardoor de oogen zoo verblindend aangetrokken, dat
vele van haar tot doemwaardige handelingen overgaan, en den duivel in
handen vallen.
Iederen keer dat de duenna hierop aandrong had donna Juana dit niet
anders beantwoord dan door kortweg neen te zeggen, of hoogstens
bepaalde zij zich tot de verklaring, dat zij niets gaf om kanten of
juweelen, zich heel goed vond dáár waar zij was, en veel liever stil
tehuis bleef; waarna zij weer verviel in de zoo geliefde en nu zoo
onaangenaam afgebroken overdenkingen.
Weer werd op zekeren morgen die aansporing door de duenna herhaald,
maar nu nog veel dringender dan vroeger; de jonge dame gevoelde zich
juist dien dag zeer droefgeestig gestemd, zonder dat zij zich daarvan
reden wist te geven, want zij kon niets bedenken waardoor dit ontstaan
zou kunnen zijn; zij ging naar de deur zeker om zich te verwijderen en
daardoor ontslagen te worden van de vervelende op- en aanmerkingen
harer voedster, toen die op eens werd opengedaan en don Fernando de
kamer binnentrad.
—Beste Juana, ik kom je vragen om met mij naar de haven te gaan,—gaf
hij haar te kennen zonder eenige voorafspraak,—de kapitein van la
Trinidad is, naar hij zegt, in het bezit van kostbare Mechelsche
kanten, en prachtig met gouddraad gestikte stoffen. Hij zou je die
zaken zeer gaarne laten zien, want hij houdt er zich van verzekerd dat
uwe keus als wet zal gelden, en de stoffen waaraan gij de voorkeur
geeft, bij iedereen in trek zullen komen. Hij heeft ons uitgenoodigd
bij hem aan boord, zonder omslag en onder ons, te komen ontbijten, en
ik heb dit voor ons beiden aangenomen. Die kapitein is iemand van
groote verdienste en het is mij veel waard hem eenigen dienst te kunnen
bewijzen. Wees dus zoo goed je klaar te maken en je daarmee te haasten,
want die kapitein wacht ons op den havendam daar hij zelf ons aan boord
van zijn schip wil brengen.
Het jonge meisje beet zich op de lippen, toonde een pruilend gezichtje,
zei eerst goeden morgen tegen haar voogd, dien zij dien dag nog niet
had ontmoet en voegde hem daarop toe met ietwat kwijnende stem:—Ik voel
mij waarlijk te ongesteld om uit te gaan, señor, en dus zoudt gij mij
zeer veel genoegen doen er niet bij mij op aan te dringen u bij dit
bezoek te vergezellen.
—Kom, kom,—gaf hij lachende ten antwoord,—ge ziet er beter uit dan ooit
en vandaag juist zoo frisch en blozend als de mooiste roos. Wees nu
eens goed en lief, Juana, en weiger mij dit niet, want daardoor zoudt
ge de oorzaak zijn, dat ik mijn woord tegen dien braven kapitein niet
hield, en dit zou mij voor den goeden man zeer spijten. Buitendien
geloof ik stellig dat de frissche lucht je goed zal doen.
—Dit heb ik al zoo dikwijls tegen haar gezegd, maar zij wil naar mij
niet luisteren,—werd in het midden gebracht door de oude vrouw, die
zeer in haar schik was, nu zij hulp kreeg van een kant van waar zij die
niet verwacht had.
—Houd den mond, na Cigala,—viel donna Juana toornig uit.—Het is of ge
het er altijd op toelegt mij te kwellen.
—Hoor dat nu eens aan...—mompelde de oude vrouw, sloeg de handen ineen
en de oogen naar den hemel.—Heere God, wat zijn die kinderen toch
ondankbaar!
—Kan ik er op rekenen dat ge met mij zult meegaan, Juana?—hernam don
Fernando.
—Als gij dit eischt, ja, señor,
—Laten wij elkaar goed verstaan, kindlief. Eischen doe ik niets, alleen
verzoek ik het, en verzoek ik het zeer dringend. Maar als ge er zoozeer
tegen zijt, dan geef ik mijne begeerte op en zullen wij er niet verder
over spreken. Ik hoop dat de kapitein zich mijne verontschuldigingen,
ook uit uw naam gegeven, zal laten welgevallen, daar ge begrijpt, dat
als gij niet mee wilt gaan, het voor mij geheel onnoodig is om dit
bezoek af te leggen.
Hij groette zijne pupil en stond gereed heen te gaan, doch zij snelde
naar hem toe, greep zijn hand en zei haastig:—Och, señor! Waarlijk gij
moet het mij niet kwalijk nemen, en heusch het spijt mij zóó als ik
iets doe of zeg dat u onaangenaam is, maar, geloof mij, ik weet niet
wat mij vandaag scheelt, en toch kan ik er mij niet tegen verzetten. Ik
heb mij nog nooit zóó gevoeld.
—Zoudt ge dan werkelijk ziek zijn, kindlief?—vroeg hij met vaderlijke
bezorgdheid.
—Ik weet het niet, ik kan het u niet zeggen, maar dit is zeker dat ik
ieder oogenblik zou kunnen uitbarsten in een huilbui, en zoo gedrukt
ben ik, alsof ik door een groot gevaar werd bedreigd.
—Kom, kom,—sprak hij lachend en geruststellend,—ge zijt een
zottinnetje! Ge hebt het den laatsten tijd doorgezet om zóó afgezonderd
te leven als een kluizenares, en dat is de schuld van dit alles.
—Och, neen, señor! Lach niet, dit verzoek ik u, want waarlijk ik lijd
erg,—en de tranen kwamen reeds in hare oogen.
—Maar, lief kind, als dit nu wezenlijk het geval is, dan moet ge naar
bed gaan, en zullen wij den dokter laten komen.
—Neen, neen, dan ga ik liever uit, dan zal ik met u meegaan. Ik geloof
eigenlijk dat gij gelijk hebt, en dat de frissche lucht dit akelige
gevoel verdrijven zal.
—Wilt ge dan nu waarlijk toch met mij meegaan, Juana? Maar laat ik je
dan herinneren dat ik je op geenerlei manier mijn wil verlang op te
dringen.
—Daarvoor zeg ik u dank, señor, doch bij nader inzien twijfel ik er ook
niet meer aan of de buitenlucht zal mij goed doen. Gun mij even den
tijd om mijne rebozo te halen en een mantille om te slaan.
—Ik zal wachten tot ge daarmee klaar zijt.
—Binnen een paar minuten. Kom mee, na Cigala.
En vlug en levendig als een vogeltje verliet zij het vertrek.
—Ach! Hoezeer wenschte ik dat zij mijne dochter ware!—sprak de bejaarde
officier in zich zelf, en versmoorde daarbij een zucht.
Kort daarna keerde het jonge meisje terug, en vroeg schertsend:
—Lang ben ik niet weggebleven, is het wel?
—Ge zijt een lief, best kind, steeds even voorkomend en bekoorlijk.
—Ei, ei!—antwoordde zij guitig.—Nu ik doe wat gij wilt, vindt gij mij
weer aardig en krijg ik een prijsje!
Zij gingen naar buiten. Half weg van de haven, kwamen zij den kapitein
van la Trinidad tegen, wien het, ongeduldig door het lange wachten op
den havendam, goed had gedacht hun een eind te gemoet te gaan. Die
kapitein was een nog jeugdig man, met verstandige en sprekende
gelaatstrekken; hij had vroeger bij de Spaansche marine gediend, en
ging door voor een kundig en ervaren officier. Een boot die gereed lag
tot ontvangst der bezoekers, kwam op een wenk van den kapitein vlak
onder de trap van het havenhoofd aanleggen, en enkele minuten waren
voldoende om langs zij van het schip te komen; een prachtigen
driemaster, bewapend met tien bronzen stukken, die meer had van een
oorlogschip dan van een vreedzamen koopvaarder. De grootste orde
heerschte aan boord, en de Gouverneur en zijne pupil werden aan
stuurboordzij ontvangen, met de eerbewijzingen aan zijn rang
verschuldigd.
Onder een tent, die achter den grooten mast was opgeslagen, stond een
tafel gereed, gedekt voor vier personen. De officieren werden aan den
Gouverneur voorgesteld door den kapitein, die daarna zijn luitenant,
een ouden zeerob, die reeds lang met hem had gevaren, uitnoodigde om de
vierde plaats aan tafel te bezetten, echter niet dan na daartoe aan don
Fernando d’Avila vergunning te hebben gevraagd, eene vergunning die hem
trouwens dadelijk werd toegestaan; daarop liet de kapitein onmiddellijk
opdisschen. Op den maaltijd was niets aan te merken, de gerechten waren
keurig, en de wijn uitstekend.
Het was of donna Juana zich inspande om de wispelturige wreveligheid,
door haar dien morgen betoond, weer goed te maken; of wellicht was zij
onder den invloed geraakt van het vreemde der omgeving, de drukte op de
ree, en het heerlijke uitzicht op het landschap. Wat daarvan zij, het
zoo drukkende gevoel scheen geheel geweken, zij was vroolijk en
innemend, spraakzaam en opgewekt, en had er schik in om den ouden
luitenant te plagen en met hem te schertsen, schoon de goede man weinig
begreep van haar guitigheden, en nog veel minder van hare geestigheden
en daarbij zulk een ongelukkig figuur maakte dat de uitgelatenheid van
het jonge jolige schepseltje steeds aanhield.
—Wel, Juana,—vroeg haar voogd,—hebt ge er nu nog spijt van dat ge met
mij zijt meegegaan?
—Och! Praat daar niet meer over, don Fernando, ik was een zottinnetje,
en ben nu heel en al beter. Señor kapitein, hebt ge veel moois aan mij
te laten zien?