verblijf van den admiraal en dicht bij de hut van Francoeur, waren
bestemd en ingericht voor donna Clara en haar getrouwen Birbomono. Zij
beidden hadden reeds bezit genomen van hun niet zeer ruim verblijf en
vonden zich daar als te huis.
’s Avonds tegen zonsondergang gaf Montbars bevel dat de gansche
equipage op het dek bijeen moest komen. De manschappen voldeden daaraan
terstond, want zij waren overtuigd dat hun bevelhebber hun de eene of
andere zeer gewichtige mededeeling zou doen. En daarin werden zij niet
teleurgesteld, want toen zij op het dek, even vóór den grooten mast in
het gelid stonden, besteeg de admiraal het halfdek, en wierp eerst een
blik van voldoening op hunne krachtige gestalten, met gezichten gehard
en gebruind door wind en weer, regen en zon. Daarop begon hij te
spreken met kort afgebroken doch zoo klankvolle stem, dat die,
schijnbaar zonder eenige moeite, uitkwam boven het geraas der golven
die tegen het schip sloegen, en den wind die door het want gierde.
—Broeders,—dus begon hij,—ik heb je bij een gebracht voor eene
expeditie, die ons roem en voordeel zal bezorgen, want mijn doel is om
een der rijkste stapelplaatsen der Spanjaarden op de kust van het vaste
land te overvallen. Om die expeditie, waar toe de grootste
krachtsinspanning wordt vereischt, volkomen te doen gelukken, heb ik
mij genoodzaakt gezien verscheidene schepen uit te rusten en al de
Broeders der Kust op te roepen, zoowel uit Leogana als van Groot- en
Klein-Goava. Te Port-de-Paix en Port-Margot blijven niet anders achter
dan de bewoners en enkele boekaniers. Hoe dapper die bewoners en die
boekaniers mogen zijn, toch zouden zij, klein in getal als zij zijn,
het onderspit moeten delven zoo zij flink werden aangevallen. Nu heb
ik, juist toen ik op het punt stond hier aan boord te komen, vernomen
dat de Spanjaarden gebruik willen maken van onze afwezigheid om onze
stellingen ginds aan te tasten. Zullen wij onze broeders dáár laten
vermoorden?
—Neen! Neen!—schreeuwden de vrijbuiters en zwaaiden met hunne
wapens.—Er op los! Er op los!
Met één enkelen wenk gebood Montbars stilte, en dadelijk zwegen allen.
—Ik weet waar de gavachos zich op dit oogenblik verborgen houden; niet
ver van hier ligt een fregat gereed, zij vermoeden niet dat wij zoo
dicht bij hen zijn, en dus, broeders, zoo gij het wilt, zullen wij de
armzalige klomp waarop wij nu zwalken, verruilen voor een waardig
Admiraalsschip.
Een oogenblik werd de toespraak afgebroken door een licht rumoer
ontstaan door algemeene opgewondenheid.
—Zij wanen zich zoo zeker van hunne zaak dat aan boord van dit fregat
een beul is aangenomen, opzettelijk met het doel om onze broeders te
onthalzen [12].
—Dood aan de gavachos!—brulde de equipage.
—Laat ons hen dan overvallen, ons op hen wreken en onze broeders
redden!—riep Montbars hen toe.—Wilt gij mij volgen?
—Ja, ja! Leve Montbars!
—Goed, broeders, ik had dit van je verwacht en reken op je. Dit beloof
ik je, dat het niet lang zal duren, of wij gaan met hen aan den dans.
Het gejuich en de hoera’s werden vernieuwd. Montbars verliet het
halfdek; hij had zijn doel bereikt, en wist nu dat hij naar willekeur
kon beschikken over al die mannen, die zich op de eersten wenk van hem
zouden laten dooden.
Nog twee dagen hield men den zelfden koers, echter goed zorgende om ver
genoeg uit de kust te blijven en niet bemerkt te worden uit een der
Spaansche wachttorens, waar steeds scherp uitkijk werd in acht genomen.
Den derden dag tegen twee uur ’s morgens gaf Montbars order om bij te
leggen. Er was niet veel wind, met kalme zee en zonder erge afdrijving.
Men bevond zich toen kort onder den wind bij de rivier Efferra. Twee
booten werden op last van Montbars zoo stil mogelijk te water gelaten.
Honderd-vijftig manschappen namen daarin plaats, daarop hielden de
vaartuigen af, en wendden den boeg naar de kust.
De riemen waren vooraf met werk omwoeld, de booten werden in snelle
vaart gebracht, zonder daardoor veel geraas te maken en lieten de
brigantijn in de volle ruimte achter, om, in afwachting hunner
terugkomst, onder bevel van Francoeur te blijven laveeren.
Na ongeveer een paar uren roeiens kwam men aan de monding der rivier.
Toen scheidden de beide booten, de eene hield op den rechter, de andere
op den linker oever aan. Zij gleden in stilte voort onder de zwaar
getakte wortelboomen, die aan weerskanten van den oever stonden, en
voeren bijna ter lengte van een mijl den stroom op. Op een sein van
Montbars had de ontscheping plaats onder de grootst mogelijke stilte,
de manschappen gingen plat op den grond liggen achter de twee booten,
die dus dienst deden als verschansing, met den vinger aan den trekker
van hun geweer, om gereed te zijn bij iedere gebeurtenis, en zóó
wachten zij het aanbreken van den dag af.
Even na zonsopgang werden zij zeer dicht bij hen, iets verder de rivier
op, het Spaansche fregat gewaar dat zich gereedmaakte onder zeil te
gaan. Dit fregat was een prachtig schip zooals in die dagen trouwens de
meeste schepen der Spaansche marine waren. Niet meer dan een half jaar
was er verloopen sinds het op een der werven van Cadix was afgebouwd,
en het deed nu zijn eerste reis naar de kust. Montbars trilde van
vreugd toen hij het schip in het oog kreeg, immers bleek nu dat
schipper Aguirre hem niet bedroog, en de admiraal zulk een spoed had
gemaakt, dat de vier brigantijnen, die deel moesten nemen aan den
tocht, geen tijd hadden gehad zich bij het fregat te voegen; dit schip
was dus nog alléén.
De flibustiers hielden met het grootste ongeduld hun oog er op
gevestigd; eindelijk werd het als overdekt met zeilen en stond op het
punt om uit te loopen. De Spanjaarden stonden, zonder eenig kwaad
vermoeden, in groepjes op het dek, in bewondering over de mooie groene
en belommerde oevers waartusschen zij zeilden. Op eens, juist op het
oogenblik toen het fregat zich bevond tusschen de beide lijnen der
hinderlagen, deed Montbars een kreet hooren. Terstond daarop knalde
knetterend een salvo op zoo korten afstand afgevuurd, dat bijna door
ieder schot een slachtoffer viel, dank ook de onvergelijkelijke
behendigheid der vrijbuiters. Geen wonder dat na zulk eene onverwachte
begroeting de grootste wanorde heerschte op het dek van het rampzalige
schip; toch snelden kort daarop de kanonniers naar hunne stukken, en
begonnen zij op de struiken het schroot als een hagelbui te doen
neerkomen, doch daar de vrijbuiters buiten het gezicht en zich schuil
hielden, was het geheel en al vergeefs dat van het fregat op hen
geschoten werd, en slechts nuttelooze verspilling van de munitie. Met
verbazende behendigheid voerde Montbars zijn manschappen langs de
oevers, steeds het juiste oogenblik aangevend waarop zij plat op den
grond moesten gaan liggen om het vuur der Spanjaarden te ontwijken, en
toch er voor zorgend dat hunne schoten onafgebroken knalden. Op die
manier werd het gevecht vijf uren lang volgehouden zonder dat door de
vrijbuiters één man werd verloren, wat alleen te danken was aan de
afdoende voorzorgen van hun bevelhebber. Tegen den vollen middag begon
Montbars te bemerken, dat het vuur der Spanjaarden verzwakte; slechts
enkele soldaten vertoonden zich nog op het dek; het bloed vloot met
stroomen uit de spuigaten, en de vrijbuiter begreep dat nu het
oogenblik om een eind aan de zaak te maken gekomen was.
—Enteren, broeders!—gelastte hij, en was de eerste die in zijn boot
sprong.
—Enteren! Enteren!—brulden de vrijbuiters en sprongen hem achterna.
In een oogwenk was men bij het fregat, dat door hen aan alle zijden te
gelijk werd aangevallen, daar zij het overal besprongen, beklommen, of
er krampachtig tegen opklauterden. Ondanks de zware verliezen die de
Spanjaarden hadden ondergaan, boden zij heldhaftig wederstand en
verdedigden zich voet voor voet op hun terrein, maar, wijkend voor de
overmacht en den schrik, overweldigd bij het zien van die zoo gevreesde
flibustiers die als onoverwinbaar werden beschouwd, duurde het slechts
kort eer zij genoodzaakt werden het dek te ontruimen, en een toevlucht
te zoeken in het ruim, waar nog eenige oogenblikken een strijd werd
doorgezet, die als geheel nutteloos kon worden beschouwd.
—Geen kwartier geven!—donderde Montbars hun toe.
—Geen kwartier!—herhaalden de vrijbuiters, en toen ving eene
vreeselijke slachting aan. Op dat oogenblik snelde een neger toe, en
viel, half dood van angst, voor den Admiraal op de knieën.
—Wie zijt ge?—werd hem door Montbars gevraagd.
—De beul,—luidde het snikkende antwoord.
—O! Zoo!—riep Montbars met daverende stem.—Broeders, hier is de beul
aan wien door den Gouverneur van Havannah was opgedragen je te
onthoofden. Dit is immers waar, ellendeling?
—Helaas, ja! Señor kapitein.
—Welnu! Dan zult ge bij den hemel! je taak vervullen! Broeders, brengt
de gevangenen hier.
Toen viel er op het bloedige dek van het schip een afgrijselijk tooneel
voor. Al de Spaansche gevangenen werden vlak bij den grooten mast
gebracht, waar men hen dwong te knielen, terwijl de vrijbuiters hen
omringden.
—Hier, pak aan,—gelastte Montbars aan den neger, wien hij een bijl
toestak—die lieden zijn veroordeeld, begin je werk.
De slachting nam een aanvang; de beul onthoofde al de gevangenen, tot
op één na.
—Houd op,—beval Montbars, die met hardvochtig oog dit moordtooneel had
gadegeslagen.—Ik schenk je genade,—voegde hij den laatsten gevangene
toe,—mits dat je dien man doodt, die al je vrienden heeft onthoofd.
De gevangene sprong als een tijger toe, wierp zich op den overbluften
beul, vatte de bijl uit diens hand en deed met één enkelen slag het
hoofd van den romp vliegen. De neger viel als een blok op die massa
lijken der mannen die door hem waren vermoord.
—Zoo is het goed!—hernam Montbars.—Ge zijt vrij en kunt gaan, maar
neen,—wacht nog even.
Daarop haalde hij een zakboekje voor den dag, scheurde er een blaadje
uit, en schreef daarop met bloed, de gebeurtenissen die hadden plaats
gehad; toen gaf hij die zonderlinge depêche aan den gevangene, die zich
meer dood dan levend waande, en zei:—Breng dit papier aan den
Gouverneur van Cuba en vertel hem de straf, die Montbars den Verdelger
heeft voltrokken aan den beul dien hij voor hem bestemd had. Ga heen!
De gevangene werd toen in een boot gezet, die de vrijbuiters hem
afstonden, en spoedde zich naar land, half krankzinnig van angst en
wanhoop. Maar de taak waarmede Montbars zich had belast was hiermede
nog niet voltooid. De lijken der Spanjaarden werden over boord gegooid,
het dek afgespoeld en afgedwijld zoo goed als kwaad dit ging, daarna de
zeilen gesteld, en eindelijk liep toen het schip in zee; doch in plaats
van de ruimte te kiezen, wat door de vrijbuiters werd verwacht, gaf de
admiraal last dat men langs de kust moest houden.
Tegen vier ure ’s namiddags kwam het fregat met volle zeilen op de
reede van Puerto-del-Principe aan. De vier brigantijnen lagen daar nog
ten anker. Montbars liet hen aanvallen. De Spanjaarden zoo onverwachts
en onverhoeds overvallen, boden slechts geringen wederstand en binnen
een half uur waren die vier brigantijnen door de vrijbuiters
overmeesterd. Die vaartuigen waren knappe schepen, goed bewapend en
genoegzaam nieuw; doch ongelukkig had Montbars geen volk genoeg om die
te bemannen, en daarenboven moest hij zich haasten, want in de stad
werd de alarmklok geluid, het volk liep te wapen, en begon zich reeds
op den oever te verzamelen.
Montbars gaf last om de kostbaarste zaken uit de buit gemaakte schepen
weg te voeren, en toen die alle aan boord van het fregat waren
gebracht, werden de brigantijnen lek gestooten en in den grond geboord
met hunne gansche bemanning die op het dek gekluisterd lag.
—Ziezoo!—uitte toen de flibustier met onheilspellenden glimlach.—Nu
hebben wij onze broeders gered, en kunnen er gerust toe overgaan aan
ons zelven te denken, en ons met nuttiger zaken bezig te houden.
De vrijbuiters wendden het fregat een paar keeren en losten telkens de
volle laag op de talrijke menigte langs den oever; daarna kozen zij de
ruimte vervolgd door de machtelooze wanhoopskreten van hunne doodelijk
verschrikte vijanden. Tegen ongeveer zeven ure ’s avonds, voegde het
fregat zich bij den Tijger die nog altijd laveerde op korten afstand
van de kust. Montbars wilde zich zeker niet aan donna Clara vertoonen
met handen als het ware nog rookend en rood door het bloed harer
rampzalige landgenooten, die zoo onbarmhartig door hem om het leven
waren gebracht, en droeg dus het bevel over den Tijger aan Francoeur
over, hem bijzonder op het hart drukkende donna Clara met de grootste
voorkomendheid en den meesten eerbied te behandelen. Vijftien
manschappen deed hij op den Tijger overgaan tot versterking der
bemanning, en hijzelf bleef op het fregat, aan welks grooten mast nu de
admiraalsvlag werd geheschen.
Na het nemen van al die verschillende schikkingen hielden de beide
schepen denzelfden koers, in de richting van het eiland Aruba, dat door
Montbars als verzamelplaats voor de gansche vloot was aangewezen, en
waar dan ook naar alle waarschijnlijkheid de overige schepen reeds
zouden zijn aangekomen.
De overrompeling met zooveel stoutmoedigheid door den geduchten
flibustier ten uitvoer gebracht, deed den Spanjaard als het ware van
schrik verstijven en had in de toekomst ontzettende gevolgen.
XVII.
DE RAAD DER FLIBUSTIERS.
Wij hebben reeds in een der voorgaande hoofdstukken medegedeeld, bij
eene beschrijving van de golf van Maracaïbo of Maracaye zoo als de
flibustiers haar noemden, dat tien of twaalf mijlen zeewaarts bij den
ingang van de golf verscheidene eilandjes liggen, onder anderen Aruba,
en las Monjes. Die beide eilandjes, vroeger aan de Spanjaarden
onderworpen, waren bevolkt door Indianen, die de Castiliaansche taal
spraken, doch thans onderhoorig waren aan de Staten-Generaal der
Vereenigde Nederlanden, die na de verovering van Curaçao over die
eilanden gouverneurs aangesteld en er garnizoen gelegd hadden, niet
zoozeer om de vruchtbaarheid dier streken, want nauwelijks werd daar
genoegzaam voedsel gewonnen voor de geiten en paarden die er in groot
aantal aanwezig waren, maar meer omdat zij dienden als marktplaatsen
voor den uitgebreiden slavenhandel die tusschen de Spanjaarden en de
Hollanders gedreven werd.
Vijf-en-dertig dagen na hun vertrek uit Port-de-Paix waren al de
schepen der vrijbuiters zonder eenige uitzondering vereenigd bij het
eiland Aruba, waar de bijeenkomst op last van Montbars moest plaats
hebben. Zoodra Morgan bij het eiland was aangekomen, bestond zijne
eerste werkzaamheid in de overmeestering daarvan; daarna deed hij al de
booten en prauwen der bewoners lek stooten, om hen te beletten zee te
kiezen, en zette op al de toegankelijke plekken der kust posten op den
uitkijk. Daar het door die verstandige voorzorgen voor ieder der
bewoners zoo goed als onmogelijk was geworden om het eiland te verlaten
en elders hulp te gaan zoeken, was de veiligheid der vrijbuiters voor
het oogenblik ten minste genoegzaam verzekerd, en konden zij er bijna
vast op rekenen, dat hunne tegenwoordigheid in deze streken niet bekend
zou worden dan op het tijdstip waarop zij goed zouden vinden zelf
daarvan het bewijs te leveren.
Montbars wachtte op de komst der gezagvoerders, die hij allen bij zich
aan boord ontboden had; over de verschansing leunend dwaalde zijn oog
over het water en peinzend keek hij naar een boot die van den Tijger
was afgevaren en recht op het fregat aanhield. Drie personen zaten
achterin, eene daarvan was eene vrouw, en zoodra Montbars haar gewaar
werd, betrok zijn gelaat waarop, schoon niet zeer merkbaar, toch een
meer of minder ontevredene trek te voorschijn kwam; echter slaagde hij
er in dien te doen verdwijnen en ging met een glimlach om de lippen
naar den valreep aan stuurboord om het gezelschap te ontvangen dat met
de boot langs zij van het fregat was gekomen. Na de gebruikelijke
begroetingen begon Francoeur op hoogst eerbiedigen toon.
—Admiraal, door mevrouw is aan mij hare begeerte te kennen gegeven zich
aan boord van uw schip te begeven, en ik heb gemeend mij niet tegen dit
bezoek te mogen verzetten, vooral ook, omdat mevrouw verlangt een
onderhoud met u te hebben.
—Gij hebt er zeer goed aangedaan door mevrouw mede te brengen,
kapitein. Het doet mij zeer veel genoegen haar hier te zien, en ik stel
mij geheel te harer beschikking; alleen spijt het mij dat mevrouw geen
gelegener uur heeft gekozen dan dit, daar mijne plichten mij op dit
oogenblik verhinderen, zoo lang en ongestoord met haar in gesprek te
blijven, als ik wel zou wenschen.
—Ik heb al den tijd te wachten, mijnheer,—werd door haar ten antwoord
gegeven,—tot uwe bezigheden u zullen veroorloven mij een onderhoud toe
te staan. Zoo gij mij dat vergunt, zal ik hier blijven tot de
vergadering, die door u gepresideerd moet worden, afgeloopen is, daarna
keer ik met de boot waarmee ik hierheen ben gekomen, weer terug naar
den Tijger, en dus zal toch het vertrek van den kapitein niet al te
lang worden vertraagd, want ik heb u slechts een paar zaken mede te
deelen.
—Uwe begeerten, mevrouw, beschouw ik als bevelen,—hernam Montbars, en
liet daarop volgen terwijl hij den arm naar de zee uitstrekte, die over
eene zekere ruimte als bedekt was met booten die alle op het fregat
aanhielden,—doch gij ziet, mevrouw, dat het mij, hoezeer dit mij spijt,
op dit oogenblik onmogelijk is om met u te spreken, want daar ziet gij
mijne officieren die op mijn last hier aan boord komen. Wees dus zoo
goed en doe mij de eer tijdelijk gebruik te willen maken van mijne
bijzondere kajuit; zoodra ik vrij ben zal ik mij haasten, dáár bij u te
komen.
Donna Clara boog, tot bewijs van instemming met dit voorstel, groette
Francoeur, en volgde een scheepsjongen aan wien door Montbars was
gelast haar den weg naar zijn kajuit te wijzen.
De sloepen kwamen langs zij van het fregat, en de kapiteins bestegen
achtereenvolgens het dek, waar zij ontvangen werden met de militaire
eerbewijzingen, die bij de marine van alle landen in zwang zijn, waar
het geldt officieren van hoogen rang. Montbars stond bij den valreep,
drukte de hand van zijne kameraden en wisselde met hen eenige
vriendschappelijke woorden, zoodra zij hun voet op het dek hadden
gezet. De officieren begaven zich naar het vertrek dat ingericht was
tot vergaderplaats van den raad; twee vrijbuiters, met het geweer bij
den voet, stonden op wacht bij de deur, om te zorgen dat de bijeenkomst
ongestoord blijven, en niets van de beraadslaging bekend zou worden.
Eene ronde tafel met een groen kleed stond in het midden en daar om
heen waren zetels geplaatst. Er waren vijftien kapiteins tegenwoordig,
allen gezagvoerders van de schepen waaruit de vloot bestond, en allen
behoorende tot de meest in aanzien zijnde aanvoerders der flibustiers.
Reeds vroeger zijn hunne namen door ons vermeld. Montbars presideerde,
daarin bijgestaan door Morgan. Francoeur, als de jongste fungeerde als
secretaris; vóór den zetel, dien hij moest innemen, waren papier,
pennen en inkt geplaatst. Op een wenk van den Admiraal namen de
officieren plaats.
De wetten der vrijbuiters waren kort en duidelijk; onder meer werd
daarbij bepaald, dat als eene expeditie werd uitgerust waarbij de
gezagvoerder slechts één schip onder zijn bevel had, geen besluit door
hem mocht genomen worden dan na toestemming zijner equipage, daar al de
leden daarvan beschouwd werden als zijne mededeelhebbers, die even veel
belang bij het goede succes der expeditie hadden als hij zelf en bij
gevolg ook recht, stem in den raad te hebben. Ieder voorstel dat ter
tafel werd gebracht, moest met algemeene stemmen worden aangenomen,
anders werd het geacht verworpen te zijn, terwijl het aan den
voorsteller verboden bleef zich daardoor beleedigd te toonen.
Ingeval echter dat er spraak was van eene meer gewichtige expeditie,
als die welke thans door de vrijbuiters zou ondernomen worden, luidden
die bepalingen eenigszins anders, in zoo verre namelijk dat de
equipages der verschillende schepen geacht werden hunne rechten te
hebben overgedragen aan de gezagvoerders onder wier bevel zij stonden,
zoodat deze voor hen moesten optreden; doch de uitslag der stemming
bleef onveranderd, elk besluit moest steeds eenparig genomen worden, en
zelfs slechts één stem tegen werd voldoende gerekend om een voorstel
onherroepelijk als verworpen te beschouwen. Zulk eene wijze van
handelen mocht in beginsel eenige verdienste bezitten omdat daardoor
het belang van ieder en allen gewaarborgd werd, doch het groote gebrek
daarvan bestond hierin dat de discussies dikwerf in het oneindige
werden gerekt, zonder dat men tot een afdoend besluit kwam. Doch
daartegen kan worden aangevoerd dat de voornaamste officieren mannen
waren van goeden naam en erkende verdiensten, en dat zij die jonger
waren of hunne minderheid gevoelden, hoogst zelden in oppositie kwamen
en daarentegen met vol vertrouwen met hunne stemmen bekrachtigden,
alles wat werd voorgesteld; en dientengevolge liep gewoonlijk zulk eene
raadsvergadering zeer kalm af.
Eer de vergadering geopend werd, achtte Montbars het gepast aan zijne
kameraden verslag te doen van de manier waarop hij zich meester had
gemaakt van het Spaansche fregat en de vier brigantijnen, die bestemd
waren geweest om de schuilplaatsen der flibustiers te verwoesten. Van
al de aanwezigen ontving hij hartelijke gelukwenschingen en toejuiching
over dit stoute wapenfeit waardoor hij meester geworden was van een
prachtig schip, het mooiste en zwaarst bewapende van de vloot, terwijl
het daardoor bovendien voor de Spanjaarden, ten minste voor den eersten
tijd, onmogelijk was geworden iets tegen de vestingen van de Broeders
der Kust te ondernemen. Na de niet geringe opgewondenheid, veroorzaakt
door de gloeiende woorden waarmee Montbars zijn verslag had
voorgedragen, werd hem verzocht de zitting te openen, waaraan hij
terstond gehoor gaf, te midden der grootste aandacht en algemeene
nieuwsgierigheid.
—Broeders en vrienden,—sprak hij,—met zeker genoegen stel ik mij voor,
dat thans nu gij allen vereenigd zijt op de plek die door mij is
opgegeven als de plaats der bijeenkomst, thans nu uwe schepen geankerd
zijn in het gezicht dier rijke kust, waaraan door de Spanjaarden den
naam gegeven is van het Gouden Castilië, dat thans het doel van onze
expeditie geen geheim meer voor je zal zijn, of dat gij er minstens
iets van zult vermoeden, doch om je niet langer in het onzekere te
laten en daar het uur tot handelen is aangebroken zal ik het je doen
kennen. Mijn doel is dat wij Maracaïbo en de omliggende steden zullen
bemachtigen. Kameraden, hoe denkt gij over dit plan?
—Admiraal,—werd uit aller naam door Morgan ten antwoord gegeven,—wij
zijn van meening dat het plan uwer waardig is, en rekenen het ons tot
eer je aan de verwezenlijking te mogen helpen.
—Toch, broeders, moet ik ronduit bekennen,—vervolgde Montbars,—dat het
eerste denkbeeld van dit plan niet bij mij is opgekomen. Eere wien eere
toekomt. Het eerste denkbeeld daartoe is ontstaan in het brein van
Philippe d’Ogeron, die reeds sinds eenige dagen de kust opnam, toen het
toeval mij dáár deed landen in eene prauw met een paar kameraden, daar
ik bij een stormvlaag met slechte zee, mijn schip, te oud geworden om
zee te houden, onder zeil verspeeld had en te gronde zag gaan. Wij
behooren ons compliment dus te maken aan onzen jeugdigen en dapperen
kameraad, want hem komt de eer toe het eerste het plan te hebben
geopperd tot deze expeditie, ik heb niet anders gedaan dan het te
overwegen en uit te werken, en zooveel mogelijk overal de noodige
inlichtingen in te winnen, om het met uwe zeer gewaardeerde hulp te
volvoeren.
Ingenomen door die bescheidenheid van Montbars, gaven de officieren
door toejuiching te kennen hoezeer zij daarover voldaan waren; want
allen waren bevoegde beoordeelaars van flinke handelingen op ieder
terrein, doch slechts weinigen hunner achtten zich in staat de
zelfverloochening in die mate te betrachten. Montbars hernam, zich
thans tot Morgan wendende:
—Nu gij het doel van ons streven kent, verzoek ik aan onze
vice-admiraal mij verslag te doen over uwe verrichtingen na uw vertrek
uit Port-de-Paix.