—Daarvoor betuig ik je mijn dank,—gaf de jonge man met eene buiging ten

antwoord, waarna hij zich tot don Sancho wendde en tegen hem

zei:—Thans, waarde neef, verzoek ik u te spreken.

—Mijnheer,—sprak daarop de markies op waardigen toon,—hoe fel de haat

zij, die tusschen onze beide families bestaat, vlei ik mij dat het u

niet zal zijn ontgaan, hoezeer ik steeds getracht heb de onzijdigheid

in het verschil te bewaren.

—Dat is zoo, mijnheer, en zeer gaarne wil ik dit erkennen,—gaf Montbars

met zekere hartelijkheid te kennen.

—Maar ik ga verder, mijnheer,—vervolgde don Sancho,—en, schoon ik mij

niet wil veroorloven een rechtstreekschen blaam te werpen op de

gedragingen van mijn vader tegenover u, verklaar ik u toch dat ik den

moed mis om zijn gansche gedrag te uwen opzichte goed te keuren. Naar

mijne meening kunnen en moeten edellieden hunne geschillen ridderlijk

bevechten van aangezicht tot aangezicht en met den degen in de hand.

Iedere andere wijze van handelen acht ik hunner onwaardig.

—Ik acht mij gelukkig mijnheer, zulk een oordeel uit uw mond te mogen

vernemen.

—Wanneer ik aan u die verklaring geef, mijnheer, en tevens u mijn

oordeel doe kennen, dan is dit omdat ik mij daartoe verplicht acht,

doch tegelijk geef ik u de verzekering dat ik dien plicht met te

grooter genoegen vervul, daar er nog altijd tusschen ons een oude

rekening moet vereffend worden. Dit is zeker bij u uit het geheugen

gegaan, dit kon ik verwachten, doch ik ben uw schuldenaar en dus de

eerste die aan die schuld moet denken. Daarvoor is het nu juist het

geschiktste oogenblik, want nu bestaat er voor mij gelegenheid mijn

schuld aan u af te doen, en ik grijp die gaarne en zonder de minste

aarzeling aan, wat daarvan ook voor mij de gevolgen mogen wezen.

—Mijnheer, ik weet volstrekt niet waarop door u gedoeld wordt!

—Ik daarentegen zeer goed, graaf, en dat is de hoofdzaak. Gij moet

weten dat een dag of drie geleden mijn neef te Sint-Domingo gekomen is

om mij uit uw naam een verklaring af te vragen. Dat is immers zoo?

—Zoo is het, mijnheer.

—Die opheldering heb ik hem niet geweigerd, doch daar het er op aan

komt, dat die even duidelijk als onwederlegbaar zij, wilde ik die niet

geven dan in uw bijzijn, overtuigd dat ik geen gevaar zou loopen door

te uwent te komen. Mijn neef heeft, dit moet ik bekennen, getracht,

zeker in mijn belang, mij van dit plan terug te houden, maar mijn

besluit stond vast, en nu weet gij de reden van dit bezoek.

—Op mijn woord, mijnheer, gij zijt mij van harte welkom,—betuigde

Montbars met ingenomenheid,—want gij handelt als een waar edelman.

—En nu,—hernam don Sancho na eene buiging voor Montbars,—verzoek ik u

beiden, mijnheeren, een oogenblik naar mij te luisteren. Ziethier wat

ik zou geantwoord hebben op de door mijn neef aan mij gestelde vragen,

zoo ik er niet de voorkeur aan had gegeven om dit hier in uw beider

tegenwoordigheid te doen. Ik roep God tot getuige en verklaar op mijn

woord als edelman, dat wat ik nu ga zeggen de zuivere waarheid is. Don

Gusman de Tudela is geen zoon van een zuster van mijn vader, den hertog

de Penaflor; mijn vader had slechts ééne zuster, en die is op

negentienjarigen leeftijd gestorven aan eene slepende ziekte in het

Carmelietenklooster te Sevilla, waar zij zich had teruggetrokken. Mijn

vader had ééne dochter, mijne zuster; die dochter is verdwenen

tengevolge van een vreemd en geheimzinnig voorval, waarbij een Fransch

edelman, de graaf de Barmont [11], betrokken was. Het is mogelijk dat

don Gusman de zoon mijner zuster is, doch dit kan ik niet met zekerheid

verklaren.

—Neef,—riep de jonge man uit, ten prooi aan eene geweldige

ontroering.—Wat zegt gij daar! In ’s hemels naam!

—De waarheid, don Gusman.

—Hoe! De dochter van den hertog...

—Was wettig gehuwd met dien Franschen edelman, dat herhaal ik u. Mijn

vader heeft haar van haar kind beroofd, nog eer zij dit den eersten kus

kon geven. Vervolgd door een onrechtvaardigen haat van mijn vader, is

het geluk van den graaf de Barmont vernietigd, zijn loopbaan verwoest,

en hij eveneens verdwenen.

—Ach! Dat alles is te verschrikkelijk!—kreet de jonge man, die

wanhopend zijne handen wrong.—En ik, ik, wie ben ik dan?

—Gij neef,—antwoordde don Sancho op waardigen toon,—gij zijt edel van

karakter, dapper van aard, en in staat om wat er ook moge gebeuren, je

een goede plaats in de wereld te veroveren.

—En daarin zal ik hem helpen!—betuigde de flibustier met

opgewondenheid.

—Mijn God! Mijn God!—snikte de jonge man.—Wat dacht men dan van mij te

maken?

—Dat heb ik je reeds gezegd, neef; men wilde je bezigen als een

werktuig ter verkrijging van wraak en ter voldoening van haat jegens

een man die onschuldig is en die recht heeft op al uw achting. Montbars

is geen moordenaar, Montbars is geen verleider, doch al ware hij

schuldig, dan hebt gij toch, dit herhaal ik je, het recht niet hem tot

verantwoording te roepen, neef.

—Noem mij zóó niet meer, don Sancho! Wie weet of ik wel tot uwe familie

behoor?

—Daarop kan ik geen ander antwoord geven, dan dat ik zeer aan je ben

gehecht, dat ik je ken reeds sedert uwe kindsheid, en dat ik je altijd

zal beschouwen als een mijner verwanten.

—Helaas!—uitte Montbars.—Kan de haat zoo ver gedreven worden?

—Dat blijkt u thans, graaf. Thans is door mij een heilige plicht

vervuld; hoe mijn vader ook over mijn gedrag in deze omstandigheden

moge denken, mijn geweten voelt zich gerustgesteld en ontheven van een

drukkenden last. God moge mij oordeelen!

—Uw gedrag was niet anders dan door mij verwacht werd van een man zóó

als gij, en ik betuig u mijn oprechten dank,—werd door Montbars

gezegd.—Maar,—voegde hij er niet veel meer dan fluisterend bij,—kunt

gij nu aan mij niet eenige meerdere inlichting geven?

—Daarmede zal eene andere persoon zich belasten,—werd even fluisterend

geantwoord.

—Van dit oogenblik af, mijnheer, is die persoon mij heilig. God, Wiens

macht onbegrensd is, zal genadiglijk vergunnen dat het haar gelukke te

vergeten, eveneens als ik zelf alles vergeten zal.

—Thans is het aan mij, mijnheer, om in alle oprechtheid mijn dank toe

te brengen, want door uwe laatste woorden maakt gij mij opnieuw tot uw

schuldenaar.

Die beide mannen zoo groot van gemoed als van geest, drukten elkaar met

ontroering de hand.

—En hij?—vroeg de markies en wees op den jongen man, die als

verpletterd zijn gelaat in de handen verborg.

—Met hem belast ik mij.

—Arme jongen!—zuchtte don Sancho, die daarop naar don Gusman toetrad,

en tegen hem zei met zachte, deelnemende stem:

—Moed gehouden, neef, zware rampen maken den mensch sterk! Waarom laat

ge dus uw hoofd hangen, ge hebt het recht vrij om je heen te blikken,

want gij, ge zijt evenmin een schuldige?

—Ach, neef, als gij alles wist...

—Gusman, ik weet alles; het noodlot heeft je vervolgd; ge hebt

gehoorzaamd aan een wil, die de uwe niet was, en waaraan ge je niet

hebt durven onttrekken. Laat je dus niet te erg terneerslaan.

—Wat te doen? O! God! Wat moet er van mij worden?!

—Twee wegen staan je open. Òf ge moet mij volgen, en dan, dit zweer ik

je, zal ik als een goed bloedverwant voor je tegen en jegens allen

partij trekken, òf ge moet hier blijven onder uwe nieuwe vrienden, en

als ik het goed bedenk, dan geloof ik dat die nieuwe weg de beste voor

je zou wezen.

—Neef, hoe zou ik dit durven wagen, na alles wat er is voorgevallen?

Ben ik iets anders dan een ellendeling, een verrader, een... spion!!

Langzaam was Montbars naar hem toegekomen en drukte de hand op zijn

schouder, terwijl hij hem daarbij met zachten drang toevoegde:

—Hef het hoofd op. Don Gusman de Tudela hoort tot het verledene en van

nu af ken ik je alleen als Francoeur, de dappere Broeder der Kust.

—Hoe!—riep het jonge mensch uit.—Schenkt gij mij dan waarlijk

vergiffenis daar gij die woorden spreekt?

—Men schenkt alleen vergiffenis aan schuldigen, en Francoeur kan dat

niet zijn,—verklaarde Montbars ernstig.

—Neen, nooit!—riep Francoeur in vervoering.—Van dit oogenblik af,

behoor ik je toe. Doe met mij wat gij wilt!

—Goed, mijn jongen! Droog uwe tranen, van nu af zult ge in mij een

vader vinden.

Toen sloeg hij zijne armen open, met eene ontroering die bij iemand als

hij iets zeer buitengewoons was. Francoeur wierp zich snikkend aan zijn

borst, en lang duurde die innige omhelzing. Daarop deed zich een licht

geraas aan de deur hooren, die zachtjes werd opengestooten; het bleeke

en onderworpene gelaat van donna Clara vertoonde zich. Montbars ging

regelrecht naar haar toe, nam haar bij de hand, en bracht haar verder

de kamer in, die zij betrad, vreesachtig en beschroomd, maar toch met

stille hoop.

—Francoeur,—sprak Montbars tot den jongen man,—zoo gij in mij een vader

gevonden hebt, zie dan hier in haar eene voortreffelijke vrouw, die bij

jou de plaats van eene moeder zal bekleeden. Heb haar lief alsof zij

dit werkelijk was, want zij koestert voor jou eene onbegrensde liefde.

—Ja!—verklaarde zij met onuitsprekelijke ontroering,—gij zult mijn zoon

zijn, ge zijt het reeds!

—Stil, Clara, stil,—waarschuwde Montbars goedhartig.—Ge moest je eens

bedriegen.

—O!—uitte zij en zag hem aan met een dier blikken, die alles

ophelderen.—Bedriegt eene moeder zich ooit?—en in de overmaat van haar

geluk knelde zij den jongen man tegen haar hijgenden boezem.

—Zulk een zaligheid, na zulk eene vreeselijke smart,—juichte de jonge

man.—God zij gedankt en geprezen!

—O, ja! Eere zij Zijn naam,—hernam donna Clara,—want Zijne

rechtvaardigheid is onfeilbaar!

Montbars wist zich meer te beheerschen dan de overigen, en achtte het

meer dan tijd dat aan dit tooneel een eind kwam.

—Duid het mij niet ten kwade, don Sancho,—sprak hij,—dat ik u al dien

tijd schijn vergeten te hebben. Wij hebben alleen aan u dit zóó

gelukkig oogenblik te danken, en trachten dit te verlengen als echte

egoïsten, zonder te denken aan uw vrij gevaarlijken toestand hier in de

stad, waar ge, buiten ons, ieder tot vijand hebt.

—Op mijn woord, waarde graaf,—gaf de markies ten antwoord met

aantrekkelijke vroolijkheid,—door uw geluk ben ik eveneens in eene

stemming gekomen om alles om mij heen te kunnen vergeten, maar toch

moet ik u bekennen dat ook ik geloof dat het hoog tijd voor mij wordt

om te maken dat ik weg kom. Ik voel mij hier lang niet op mijn gemak en

had er een lief ding voor over om er uit te komen zooals ik er in

gekomen ben, zelfs op gevaar van voor een lafaard door te gaan. Als dus

mijne oude kennis Birbomono nog eens mijn gids zou willen zijn, dan

neem ik hartelijk graag zijne hulp aan, om daardoor uit de verlegenheid

te geraken.

—Ik stel mij tot uwe orders, señor markies,—antwoordde de mayordomo die

inmiddels was binnen gekomen.—Wij kunnen vertrekken, zoodra dit door u

verlangd wordt.

—Dan liefst dadelijk, vive Dios! want het is of hier de grond onder

mijne voeten brandt!

—Vaarwel dan, don Sancho,—sprak Montbars.—Het spijt mij dat wij moeten

scheiden, want ik voel mij zeer aan u gehecht, maar wij staan tegenover

elkaar in zulk eene moeielijke verhouding, dat de beste wensch dien ik

u kan toevoegen, mijns inziens hierin moet bestaan, dat wij elkaar

nooit meer ontmoeten.

—Wij zijn in vroegere dagen nog eens gescheiden met een dergelijk door

u gebezigd woord, en toch hebben wij elkaar nu wedergezien.

—Dat is zoo, doch wie weet wat hierna zal gebeuren!

—Een enkel woord nog, mijnheer.

—En dat is?

—Mijn vader?

—Opzoeken zal ik hem niet; dit is alles wat ik u kan beloven. Doch God

verhoede dat ik hem op mijn weg ontmoete!

—Het zij zoo! Vaarwel! Na die belofte vertrek ik geruster. Houd goeden

moed, neef, en vergeet mij niet.—Bij die woorden omhelsde hij den

jongen man hartelijk.

—Birbomono, aan uwe goede zorgen vertrouw ik den markies toe.

—Ik sta in voor de veiligheid van den markies, señor.

—Nog eens, vaarwel! kom mee, Francoeur.

De jonge man volgde Montbars; zij verlieten de zaal, en lieten den

broeder en de zuster achter, met den trouwen mayordomo. Zoodra zij in

het salon waren, sprak Montbars.

—Droog uwe oogen af, Francoeur, herstel je, en toon mij dat ge een man

zijt, want zij aan wie ik je nu ga voorstellen, en die van nu af uwe

broeders moeten blijven, zijn mannen in den waren zin van dit woord.

Montbars schoof den grendel weg, deed de deur open en beiden traden in

de slaapkamer, waar de drie vrijbuiters met elkaar zaten te praten.

—Neem het mij niet kwalijk, broeders, dat ik je zóó lang heb laten

wachten; hier ben ik eindelijk,—zei Montbars.

—Ei, kijk!—riep Grammont.—Daar is mijn maat, wie ik al sinds eene week

gezocht heb! Wat drommel, kerel, waar hebt ge gezeten?

Montbars haastte zich daarop te antwoorden, en te zeggen:—Ik had hem

eene geheime zending toevertrouwd.

—O! dat is iets anders, dan heb ik er niets op aan te merken.

—Broeders,—hernam Montbars,—Francoeur zal mijn vlagofficier zijn. Wil

dus, wat ik je verzoek, hem als zoodanig erkennen.

De vrijbuiters, die veel met den jongman ophadden, wenschten hem geluk,

dat hij door Montbars gekozen was ter vervulling van eene zeer

gewaardeerde betrekking, waarop reeds menigeen doch steeds vergeefs

gevlast had; en na eenige oogenblikken hervatte men het ernstige

onderhoud dat zoo onverhoeds door de onvoorziene terugkomst van

Birbomono was afgebroken.

XVI.

HET ADMIRAALSSCHIP „DE TIJGER”.

De vloot der flibustiers was sinds een paar dagen onder zeil; slechts

één enkel schip lag nog op de nu verlatene reede van Port-de-Paix voor

anker; op dit schip, iets meer naar zee vast gemeerd aan een dood

lichaam, waren de marszeilen geheschen, de onderzeilen hingen los, en

het was dus in staat om op het eerste signaal ook onder zeil te gaan.

Dat schip was van geringe tonnenmaat, en bewapend met niet meer dan

vier kleine ijzeren kanonnen; het had volstrekt geen geducht voorkomen,

terwijl de logge en zware vorm deed vermoeden dat het in Holland

gebouwd was. Toch was deze bodem door Montbars gekozen om de

Admiraalsvlag te voeren. Hoe men hem ook had aangeraden zich op een

ander in te schepen flinker en solider van bouw, sterker bewapend, en

vooral beter zeiler, toch was hij van dit besluit niet af te brengen;

op al de gemaakte bedenkingen, had hij geantwoord, dat de goede schepen

door zijne vrienden zouden worden bezet, dat hij zorgen zou niet te

laat op de plaats der bijeenkomst te verschijnen, en dat men zich over

hem niet ongerust behoefde te maken, daar hij voor die keuze bijzondere

redenen had.

De overige vrijbuiters en zelfs de heer d’Ogeron begrepen dat verdere

aanmerkingen niets zouden uitwerken, en het dus het beste was hem zijn

eigen zin te laten volgen, daarbij tevens als zeker aannemend, dat de

vermaarde flibustier achter die schijnbare zelfverloochening meer dan

waarschijnlijk een of ander stout waagstuk verborgen hield, te meer

daar zij hadden opgemerkt, dat Montbars, mocht hij zich ook al tamelijk

onverschillig toonen over de meer of minder goede hoedanigheid van zijn

schip, des te moeielijker te voldoen was wat de bemanning betrof, die

eerst na lang wikken en wegen werd te zamen gebracht en bestond uit

tweehonderd manschappen, die door hem zelf, om het zoo eens uit te

drukken, uitgepikt waren uit de meest beroemde flibustiers.

Doch wat er van dit alles zijn mocht, op den dag waarover wij het nu

hebben, gaf Montbars aan zijn vlagofficier Francoeur, ’s ochtends

tusschen zeven en acht uur de laatste orders; Francoeur stapte toen in

een sloep, vergezeld door donna Clara en Birbomono, die verzocht hadden

aan de expeditie deel te mogen nemen, om de gewonden te verbinden en te

verplegen, iets wat hun was toegestaan, ondanks de uitdrukkelijke

bepaling van de wet, waarbij de toelating van vrouwen op de schepen der

vrijbuiters verboden was; daarna verliet Montbars het logement, en

stapte naar het havenhoofd.

Iemand gekleed als boekanier, met zijn pijp tusschen de tanden en de

handen op zijn rug, liep op de havendam op en neer en keek nu en dan

met een blik van ware voldoening naar een ranken schooner, die op een

paar kabellengten van het havenhoofd lag te wiegelen. Nu moet dan ook

erkend worden, dat die slanke schooner, vlak op het water liggend, goed

en netjes afgewerkt, een juweel van een schip was, waard om door een

kenner in alle deelen te worden opgenomen. Ook de man, met wien wij ons

nu bezig hebben te houden, was zóó verdiept in die beschouwing, dat hij

Montbars niet eens hoorde naderen, en eerst toen deze vrij onzacht de

hand op zijn schouder deed neerkomen, gewaar werd dat de vrijbuiter

achter hem stond.

—Hei, hei! Schipper! Slaapt ge bijgeval?—vroeg Montbars.

—Neen, neen, señor!—werd haastig geantwoord en even gauw den hoed tot

groet afgenomen.—Ik keek maar naar mijn brigantijn.

—Zoo! Nu, kom eens een eindje hierheen,—hernam Montbars,—want wij

hebben samen nog eene rekening te vereffenen.

—Och, caballero, dat heeft al den tijd,—luidde het flikflooiend

antwoord.

—Toch niet, daar is integendeel veel haast bij, want ge moet binnen een

half uur vertrokken zijn.

—Ik zal vertrekken zoodra gij dit verlangt, señor.

—En hoe eerder hoe liever, niet waar?—vroeg de vrijbuiter op sarrenden

toon.—Ge zijt hier toch zeker niet erg op uw gemak, is het wel?

—Señor, ik ducht hier niets, sinds gij mij uwe bescherming hebt

toegezegd.

—Dat heb ik, doch zooals ge weet op zekere voorwaarden, die ge je zeker

nog wel herinneren zult.

—Zeker, señor, zeker, en ik blijf bereid aan die voorwaarden op loyale

wijze te voldoen.

—Hum!—deed Montbars hooren.—Genoeg daarover, wij zullen het er maar

voor houden, dat ge op dit oogenblik twee pannetjes te vuur houdt,

schipper Aguirre.

—Señor!—stamelde de ander verbleekende.

—Natuurlijk, want de Spanjaarden betalen je om ons te bespionneeren, en

ik van mijn kant geef je geld om bij de Spanjaarden den spion te

spelen, maar dat doet er nu niet toe. Wees dus maar niet ongerust,

schipper Aguirre, de zaken zullen beter voor je afloopen dan gij wel

denkt. Maar nu ter zake. Waarin bestaan de inlichtingen die je aan

Francoeur moest overbrengen?

—Heeft hij je dan gezegd...?—viel de schipper uit, verbaasd en

doodelijk ongerust.

—Alles,—vulde Montbars aan.—Volg nu mijn raad, en spartel niet langer

tegen, ik herhaal en verzeker je, dat de zaken dan goed voor je zullen

afloopen.

—Nu, señor, het betreft eene zeer ernstige zaak.

—Zoo, en waarin bestaat die?

—Señor, een Spaansch fregat, bemand met driehonderd flinke kerels, en

bewapend met zes-en-veertig stukken, heeft last ontvangen het

Schildpaddeneiland te overrompelen.

—Zoo, en waar ligt op dit oogenblik dat fregat geankerd?

—Aan de Rio Efferra, señor, op de Westkust van Cuba.

—Goed, ik ken die plek.

—De door den Gouverneur van Cuba genomen maatregelen zijn zeer kras.

Vier goed uitgeruste brigantijnen moeten zich bij dat fregat voegen om

aan die ladrones.... O! neem mij niet kwalijk! ik meen om aan de

flibustiers alle hoop om zulk een macht te kunnen wederstaan, te

benemen.

—Dat is zeer goed bedacht! En waar zijn nu die brigantijnen?

—Voor anker te Puerto del Principe op de zuidkust van Cuba, maar zij

kunnen ieder oogenblik onder zeil gaan, om zich bij het fregat, dat op

hen wacht te voegen en dan gezamenlijk tot den aanval over te gaan.

—Is dit alles, schipper Aguirre? Hebt ge niets vergeten?

—Nog slechts één ding, señor. Maar waarlijk, ik durf u dit bijna niet

te zeggen.

—Kom, kom, ga je gang maar man, ’t komt er nu op een beetje meer niet

op aan.

—Querido, señor,—luidde het antwoord, met ietwat bevende stem.—Vergeet

niet dat gij mij dwingt tot spreken.

—Ja, ja! spreek op!

—Welnu, señor, de Spanjaarden zijn er zoo zeker van dat de vrijbuiters

den dans niet kunnen ontspringen en zoo vast besloten hun geen genade

te verleenen, dat op uitdrukkelijken last van den Gouverneur aan boord

van het fregat een negerslaaf is ingescheept om, na de overwinning, de

functie van beul waar te nemen.

—Wel verduiveld, die heeren Spanjaarden denken aan alles,—spotte

Montbars,—en nemen vroeg voorzorgen. Is er nu nog iets?

—Niets, señor! zoo waar als ik eens in den hemel hoop te komen!

—Goed, maar zoo ge mij bedriegt, al waart ge dan ook in plaats van in

den hemel, in de hel, dan zal ik u ook dáár weten te vinden.

—Ik zal er wel voor zorgen, señor.

—Luister nu goed. Ge wordt door den Onder-Koning van Mexico betaalt om

ons te spionneeren. Daar is niets tegen te zeggen. Ge moet dadelijk het

anker lichten en onder zeil gaan naar Vera-Cruz, verstaat ge mij?

—Ja, señor, de Onder-Koning bevindt zich juist nu dáár.

—Des te beter. Ge moet hem zeggen, en ik voorspel dat hij je daarvoor

ruim zal beloonen want de zaak is dat wel waard, dat een sterke vloot,

bemand met twee duizend flibustiers, onder bevel van Montbars den

Verdelger kruisende is voor het gouden Castilië, tusschen de golf van

Dariën en die van Venezuela, met het doel eene landing te beproeven en

een der havens aan de kust te overweldigen.

—Nu gij dat begeert, señor, zal ik dit zeggen.

—Ik eisch het zelfs, doch zorg er goed voor, schipper Aguirre, dat ge

open spel met mij speelt, want het minste verraad zou je duur te staan

komen. En buitendien daar de berichten die gij hebt over te brengen

waarheid behelzen, zult ge dus daarmee aan uw land en aan den

Onder-Koning een grooten dienst bewijzen en als ge die taak uit dit

oogpunt beschouwt, zal die voor je verre van onaangenaam zijn, maar

bovendien zeer voordeelig voor hen, want ieder werk moet betaald

worden, en daarom pak aan, hier hebt ge al vast iets op rekening, en

zoo ik tevreden ben over de manier waarop ge je zending vervult, dan

zal het daarbij niet blijven.

En hij liet eene zware beurs met goud in de hand vallen, die schipper

Aguirre hem angstvallig toestak.

—En nu genoeg, tot weerziens,—hernam Montbars,—en dat de duivel je

bescherme!

Bij die godslasterlijke woorden maakte de Spanjaard het teeken des

kruises; Montbars keerde hem lachend den rug toe, liet hem staan, en

begaf zich naar den heer d’Ogeron, die hem te gemoet kwam. Een

oogenblik bleef schipper Aguirre verbluft over zulk een zonderling

afscheid van den vrijbuiter, doch spoedig herstelde hij zich, stak de

goed gevulde beurs in zijn zak, stapte in eene prauw, die voor hem

klaar lag, en roeide snel naar zijn schip, bij zich zelf zeggende:—Ja,

verwenschte ladron, ge kunt er op aan dat ik niet te kort zal schieten

in die zending, moogt ge daardoor eindelijk de gerechte straf ondergaan

voor al uwe misdaden.

Kort daarna werden van de brigantijn de ankers geligt en het schip naar

volle zee gekoerst.

De heer d’Ogeron wilde Montbars niet laten vertrekken zonder hartelijk

afscheid te nemen en de laatste wenschen uit te spreken voor het goede

succes van de zóó gevaarlijke onderneming. Na een druk gesprek van

eenige oogenblikken drukten de beide heeren elkaar welmeenend de hand

en scheidden daarna. Montbars stapte in een boot die hem naar boord

bracht, en de heer d’Ogeron bleef onbeweeglijk op het uiterste van den

havendam staan, daar hij zich niet wilde verwijderen eer het schip

onder zeil was. Daarop behoefde hij niet lang te wachten, nauwelijks

toch had Montbars den voet op het dek gezet of de marszeilen werden

allen tegelijk bijgehaald, de meertouwen gekapt, de raas gericht, en

toen helde het schip naar bakboord over, viel af, en schoot vooruit,

waardoor de onderzeilen vol liepen; daarop verwijderde het zich met

snelle vaart, geholpen door een flinke bries uit het Zuid-Zuid-Westen.

Ondanks het logge en zware voorkomen had de Tijger, dit was de naam van

het schip, toch goede eigenschappen, en daartoe hoorde, dat het een

flinke zeiler was, goed zee kon houden en vrij wat doek kon verdragen.

De kusten van Hispaniola waren weldra door de nevels van den horizont

uit het gezicht geraakt, en de Tijger bevond zich nu in volle zee. Toen

gaf Montbars aan zijn vlagofficier den koers op, en daalde af naar zijn

kajuit, na gelast te hebben dat men hem dadelijk moest waarschuwen, zoo

men iets bijzonders gewaar werd. De eerste zorg van den Admiraal, na

een vluchtigen blik door het vertrek voor hem persoonlijk bestemd, was

eene nauwkeurige inspectie over de gansche inrichting van het schip.

Francoeur, die uitsluitend daarmee belast was geweest, had zich van die

taak als een hoogst ervaren officier gekweten. Montbars had niets aan

te merken, en vond alles overal in uitstekende orde.

De goudzoekers · 第 12 / 23 段