ontvangen, en vond dáár reeds vereenigd de meest in naam zijnde
aanvoerders der flibustiers, die allen zeer verlangden hem te
begroeten, zich hadden beijverd om haastig na de noodiging bij den
Gouverneur ter maaltijd te komen. Hoe goed ook het geheim in acht mocht
genomen zijn, toch kenden de oude vrijbuiters, die reeds zoolang de
metgezellen van Montbars waren, den vermaardsten hunner te goed, (hem
met zijne uitstekende begaafdheden en zijn ingekankerden haat tegen de
Spanjaarden), om niet te vermoeden dat zijne zoo langdurige
afwezendheid van het Schildpaddeneiland in verband moest staan met
buitengewone plannen, om er bijna zeker van te zijn dat de
ongeëvenaarde aanvoerder voor den dag zou komen met het voorstel tot
eene expeditie, zóó als alleen door hem kon worden bedacht, en waarvan
de uitvoering spoed zou vereischen.
Nu waren reeds sinds lang al de tochten der flibustiers tamelijk slecht
afgeloopen; al hunne plannen, zelfs de best beraamde, hadden schipbreuk
geleden zonder dat men precies kon uitmaken wat daarvan de oorzaak was;
steeds vonden zij de vijanden, die zij op het onverwachts meenden te
overvallen, bijzonder op hunne hoede, en kwamen zij van hunne
kruistochten terug, met schepen, door de kogels der Spanjaarden lek
geschoten, en equipages die door het Spaansche schroot sterk gedund
waren.
Voor de flibustiers, gewoon om met volle handen het geld te verkwisten
dat zij bij hunne rooftochten buit maakten, was zuinigheid een woord
dat niet bestond, zoodat er nu onder hen groote geldschaarschte
heerschte; zij kregen, zooals zij dit uitdrukten, grooten honger, en
het was dus hoog tijd dat hun een extra buitenkansje ten deel viel.
Geen wonder dus dat Montbars door hen werd ontvangen met daverende
toejuiching, en ieder zich haastte om hem de hand tot verwelkoming toe
te steken.
Het diner verliep zeer behoorlijk onder vriendschappelijk gekout
tusschen den heer d’Ogeron en zijne gasten, doch, tegen zijne gewoonte,
moedigde de gouverneur hen niet aan om de glazen te ledigen. Montbars
was stil en teruggetrokken en antwoordde meestal niet dan zeer
onvoldoende op de vragen die men hem deed. Naar het scheen peinsde hij
aanhoudend over iets; hij at genoegzaam niets en vergat telkens zijn
glas dat bijna onaangeroerd voor hem stond.
Dat alles werd herhaaldelijk en door al de Broeders der Kust opgemerkt,
en was voor hen eene nieuwe aanleiding om te vermoeden dat in het brein
van hun vermaarden aanvoerder het plan broeide tot het doen van een
grootsche onderneming; stilzwijgend verheugden zij zich daarover, maar
tegelijk vermeerderde hun ongeduldig verlangen, dat hij hun daarvan
mededeeling zou doen. Toen het dessert was opgezet, gaf de heer
d’Ogeron een wenk, waarna de bedienden zich dadelijk verwijderden en de
deuren achter zich toetrokken. De gasten bleven nu onder elkaar. Zij
waren tien in getal, met inbegrip van den gouverneur. In de eerste
plaats Montbars; dan Philippe d’Ogeron, de neef van den gouverneur;
Pierre Legrand; de ridder de Grammont; de Olonner, de vroegere
pandeling van Montbars, die zooals hij zelf hem vroeger had voorspeld,
een der geduchtste flibustiers van Tortue was geworden; kapitein Drack;
de Poleter en Morgan de Engelschman, die pas terug was gekomen uit
Jamaïca, waar hij langen tijd had vertoefd, en de Mooie Laurent [10].
—Heeren,—zei daarop de heer d’Ogeron,—daar staan likeuren, pijpen,
tabak en sigaren, weest zoo goed daarvan gebruik te maken.
Ieder stak de hand uit en greep naar welgevallen pijp of sigaar. De
Gouverneur stond op, liep een paar keeren door de zaal en deed toen de
deuren open, waarop men in de gang op eenige passen afstand Luiwammes,
Tributor, Michel de Baskiër en Pitrians in het oog kreeg, die daar op
stoelen gezeten en zwaar dampten.
—Gij ziet,—vervolgde de gouverneur, terwijl hij zijn plaats aan tafel
weer bezette,—dat wij onder goede hoede zijn, en ten minste dezen keer
in alle gerustheid over onze zaken kunnen spreken, zonder vrees dat
onze woorden in verkeerde ooren zullen vallen.
De vrijbuiters juichten de genomene voorzorg zeer toe, te meer daar die
hun voorspelde dat er eene ernstige beraadslaging zou plaats grijpen,
waarbij zij veel belangrijks hoopten te vernemen.
—Maar toch,—hernam de gouverneur,—raad ik je aan niet al te luid te
spreken, want de muren zijn niet bijzonder dik, en wie weet hoeveel
spionnen daar buiten als luistervinken rondfladderen!
Montbars greep een flesch die vóór hem stond, schonk zijn glas
boordevol, zonder er op te letten welke likeur het was, en dat zeer
sterke rum bleek te zijn, en hief het in de hoogte:
—Broeders,—dus begon hij,—ik drink op eene expeditie roemrijker dan er
ooit eene door de flibustiers ondernomen is, eene expeditie die wij
gezamenlijk zullen maken, zoo gij mij waardig keurt over jelui het
bevel te voeren. Ik drink op onze wraak op de gavachos! Doet mij
bescheid!
Na die woorden bracht hij het glas aan zijne lippen, en ledigde het in
één teug tot op den laatsten droppel.
—Op onze wraak op de gavachos!—riepen al de vrijbuiters en volgden zijn
voorbeeld, door de glazen in één teug te ledigen.
—Ei, ei!—liet Pierre Legrand hooren.—Het schijnt dat er iets aan de
hand is.
—Dat is immers altijd het geval als Montbars er bij is?—merkte de
Olonner aan, die zich vergenoegd in de handen wreef.
—Goddam!—vloekte Morgan,—ik geloof goed te hebben gedaan met hier terug
te komen.
—Heeren,—sprak de Gouverneur,—Montbars vraagt het woord, ik verzoek je
naar hem te luisteren.
—Te meer omdat dit zeer waarschijnlijk wel der moeite waard zal
zijn,—voegde de Poleter op lustigen toon er bij.
—Stilte! Luisteren! Stilte!—riepen de meesten.
In één oogwenk heerschte de diepste stilte.
—Broeders,—hernam Montbars,—ik moet beginnen met je mijne dank te
betuigen voor de blijken van sympathie mij door je betoond ter
gelegenheid van mijne terugkomst in uw midden, ofschoon het voor den
eersten keer is dat die terugkomst geschiedt zonder dat een enkel prijs
gemaakt schip door mij op sleeptouw werd aangebracht en zonder dat gij
een enkelen gavacho aan de raas van mijn schip hebt kunnen zien hangen.
Die schijnbare verandering heeft je zeker te denken gegeven, en
misschien is daarvan de slotsom geweest dat door je vermoed wordt, dat
ik van groote plannen zwanger ga. Welnu kameraden, als dat het geval
is, dan hebt gij je daarin niet bedrogen. Mijne plannen zijn groot,
zelfs zoo groot dat ik die bijna aan mij zelf niet durf bekennen,
ofschoon ik reeds meer dan twee maanden dag en nacht aan niets anders
heb gedacht, en herhaaldelijk al de kansen, die er voor of tegen
pleiten nauwgezet heb overwogen.
Bij eene dergelijke inleiding werd de aandacht der vrijbuiters nog
vermeerderd, zoodat men bij de ademlooze stilte gemakkelijk zelfs het
gonzen van een muskiet zou gehoord hebben, ondanks dat er tien personen
in de zaal bijeen waren.
—Ik wil,—vervolgde Montbars met zijn duidelijke en zoo klankvolle stem,
terwijl hij op die woorden drukte,—versta mij wel, ik wil op de
Spanjaarden zulk eene schitterende wraak nemen, dat honderd jaren later
de herinnering daaraan nog zoo levendig zal bestaan, dat hunne
kleinkinderen beven zullen zoo zij slechts den naam hooren van de
Broeders der Kust! Gedurende mijn afwezigheid is er onder u veel
voorgevallen; verscheidene onzer broeders, en daaronder menigeen die
hoog stond aangeschreven, zijn verraden en verkocht door spionnen die
zich onder ons genesteld hebben, en achter onze geheimste
beraadslagingen gekomen zijn; die broeders zijn gevallen en strikken en
hinderlagen waar zij een eerloozen dood hebben ondergaan, want in het
oog der gavachos zijn wij niets dan ladrones, en als zoodanig worden
wij door hen behandeld. Die broeders zullen op roemvolle wijze door ons
worden gewroken, dit zweer ik u! Iedere druppel van hun bloed zal
betaald worden, door stroomen bloed van onze vijanden!
Ondanks de aanbeveling van den heer d’Ogeron werd die toespraak
afgebroken door daverende kreten van bijval; door hun haat tegen de
Spanjaarden op te roepen, had de spreker de gevoeligste snaar zijner
toehoorders aangevoerd, en was er in geslaagd hun een onbeperkt
vertrouwen in te boezemen.
Zoodra de stilte hersteld was, vervolgde Montbars:
—En voor ditmaal is er bij mij geen spraak van eene gewone expeditie.
Nu denk ik er niet over om op avontuur te gaan kruisen, neen! Wat ik nu
bedoel, wat ik nu verlang dat is de oorlog, en een oorlog zonder
genade. Wilt gij mij volgen?
—Ja, ja!—luidde de kreet, als met één stem.
—Tot naar de hel, als het moet!—voegde de Olonner er bij.
Philippe, de eenige die wist welk doel Montbars beoogde, drukte zijn
hand tegen zijn hart als om het minder snel te doen kloppen doch kon er
slechts met moeite in slagen om zijne vreugde te verbergen; want het
gevolg van het goede succes der expeditie was voor hem, de vereeniging
met donna Juana, en het overige liet hem koel.
—Wij vertrekken dus gezamenlijk broeders, doch ieder behoudt het gezag
over zijn eigen schip.
—Maar wij zijn slechts met ons negen,—werd door Pierre Legrand in het
midden gebracht.
—Daarin vergist ge u, broeder, ons getal zal veertien bedragen.
—Dan maken wij een vloot uit,—merkte Morgan onverschillig aan.
—Zoo is het, broeder,—stemde Montbars eenvoudig toe,—eene vloot waarvan
gij, zoo ge dit begeert, de vice-admiraal zult zijn.
—Zoo ik dit begeer? Goddam, twijfelt ge daar nog aan?—viel de ander
uit, en sprong op alsof hij een schot kreeg.
—Dan blijft dit bepaald en afgesproken, broeder!—sprak Montbars, en
drukte hem de hand. Daarna vervolgde hij:
—Doch, broeders, daar het verraad ons van alle kanten omringt, en de
Spaansche spionnen steeds op de loer liggen, eisch ik van uwe zijde het
onbepaaldste vertrouwen, met andere woorden, ik verg van u dat gij mij
in het bezit laat van mijn geheim tot het oogenblik zal gekomen zijn,
waarop ik het noodig acht je mijn plan geheel en al te ontvouwen. En
dan, wees daar zeker van, dan zult gij allen versteld staan over het
grootsche van het doel waartoe ik je uitnoodig. Neemt gij dit aan?
—Wij nemen het aan!—werd weder als in koor geantwoord.
Montbars gevoelde zich gestreeld door zulk eene onvoorwaardelijke
toestemming, die hem opnieuw tot bewijs verstrekte van den grooten
invloed dien hij op zijne kameraden bezat.
—Ik moet er nog bijvoegen,—sprak daarop de heer d’Ogeron,—dat Montbars
al zijne plannen aan mij ontwikkeld en daarover met mij beraadslaagd
heeft, en tevens dat ik daarmeê zoo volkomen instem, dat ik het eene
groote eer zou achten mij persoonlijk bij de expeditie aan te sluiten,
indien mijne betrekking mij niet verplichtte hier te blijven.
De verzekering hun door den gouverneur gegeven, behoefden de
flibustiers niet, want zij waren reeds genoegzaam overtuigd dat de zaak
die Montbars op het oog had evenzeer zou voldoen aan hunnen dorst naar
wraak als aan hun verlangen naar voordeel; echter werd toch hunne
opgewondenheid nog grooter na die verklaring van een man die door hen
allen zoozeer werd geacht, en hun door zijne vroegere heldendaden
zooveel vertrouwen inboezemde; zij werden dus des te meer bevestigd in
het genomen besluit om blindelings het fortuin van den vermaardsten
vrijbuiter te deelen.
—Luistert nu goed toe, broeders,—vervolgde Montbars,—want ik wensch nog
iets te zeggen over het materieel onzer expeditie.
Weer luisterde men ernstig en aandachtig.
—De heer d’Ogeron heeft te mijner beschikking gesteld zeven schepen,
die hier moeten worden uitgerust en onder het gezag gesteld van
Luiwammes, Michel de Baskiër, den Olonner, den ridder de Grammont, den
Poleter, Drack en Pitrians. Zeven anderen zullen worden aangekocht te
Leogana en Port-Margot, en komen onder bevel van Pierre Legrand,
Philippe d’Ogeron, David, de Mooie Laurent, Morgan, Barthélemy en Roc
de Braziliaan. Morgan wordt vice-admiraal van de vloot en voert zijn
vlag op het grootste en zwaarst bewapende schip. Om bij de spionnen
geen achterdocht op te wekken moeten de schepen zeer in het geheim
worden uitgerust, hetzij aan de kleine of de groote Goava, hetzij te
Leogana. Ieder schip dat geheel gereed is, behoort onmiddellijk onder
zeil te gaan en zee te kiezen, om het overige van de vloot af te
wachten op eene plaats die te gelegener tijd door mij zal worden
aangeduid, want, daar het plan van dezen tocht van mij is uitgegaan,
acht ik het billijk, dat ik mij het opperbevel daarover voorbehoud.
Hier viel de heer d’Ogeron den spreker in de rede, daar hij als
Gouverneur geen enkele gelegenheid ooit liet voorbijgaan, om zijn gezag
te bevestigen.
—Dat is zóó billijk,—sprak hij,—dat ik uit naam des Konings, uw meester
en den mijnen, de benoemingen door u, Montbars gedaan, bekrachtig. Ik
zal de eer hebben zoowel al de officieren als aan u zelven, in het
bezit te stellen van de aanstellingen die Zijne Majesteit mij
gemachtigd heeft uittereiken.
De vrijbuiters betuigden aan den Gouverneur hun warmen dank voor die
gunstige beschikking, buiten welke zij het toch zeer goed hadden kunnen
stellen, daar de geldigheid hunner benoeming ook zonder die
bekrachtiging onbetwistbaar bleef, doch opnieuw strekt dit ten bewijze
dat de menschen, hoe en waar ook geplaatst overal en te allen tijde
dezelfde zijn, en een stuk perkament uitgevaardigd in naam van een
Souverein, in hunne oogen steeds iets van groote beteekenis is, zelfs
al wordt door hen diens gezag niet ten volle erkend.
De heer d’Ogeron, zeer voldaan over de manier waarop zijn aanbod was
ontvangen, gaf een wenk aan Montbars om zijn toespraak te vervolgen.
—Zorgt er vooral goed voor,—hernam deze daarop,—dat gij iedere
onbescheidene vraag van de zijde uwer equipage voorkomt, en daarom zal
het, mijns inziens, goed zijn dat de aanwerving uitsluitend geschiedt
aan boord. Dáár moet dan ook, zoodra een matroos zich verbindt, de
monsterrol worden geteekend, en hem gelast worden aan boord te blijven.
—Hoe groot moet de bemanning van ieder schip zijn?—vroeg Morgan.
—Minstens honderdvijftig, en hoogstens twee honderd.
—Drommels!—viel Pierre Legrand uit.—Dat is zoo goed als een heel leger!
—Dat moet het ook zijn, want hoogstwaarschijnlijk zullen wij eene
landing doen. Zijn wij dan ook eenmaal onder zeil, ver buiten het
gezicht en gehoor der spionnen, dan zal ieder gezagvoerder een
landingsafdeeling formeeren van tachtig uitgelezen manschappen.
—Ei, ei!—deed Roc de Braziliaan hooren.—Elf honderd man
landingstroepen! Moeten wij er misschien op uit zooals vroeger Cortez,
en gaan wij Mexico veroveren?
—Wie weet!—zei Montbars glimlachend.
—Caramba! zoo als die schelmachtige gavachos zeggen, dat zou een kolfje
naar mijn hand zijn, en hoe denkt gij daarover, broeders?
—Zeker zou dit eene zeer voordeelige zaak wezen, als er kans was dat
zij gelukte,—meende de Poleter op ernstigen toon te moeten opmerken.
—Op mijn eer!—verklaarde de ridder de Grammont,—Montbars blijft toch
altijd dezelfde! Het is een lust om met hem er op uit te gaan en men
kan er altijd op rekenen, dat hij ons de eene of andere verrassing
bereidt.
—Maar broeders,—voegde Montbars er nog bij,—denkt er vooral aan bij de
aanmonstering, hoezeer het eene hoofdvereischte is, dat de wapens en
het kruit van ieder man in behoorlijken staat zijn.
—Laat die zorg daarover gerust aan mij over,—verzekerde Morgan—daarop
zal ik nauwlettend toezicht houden.
—En nu, broeders, heb ik niets meer te zeggen. Ik reken er op dat gij
niet alleen flink en ferm, maar vooral met den meesten spoed in alles
te werk zult gaan, want hoe eer wij kunnen vertrekken hoe beter de kans
tot slagen voor ons zal wezen.
—Hoe veel tijd staat gij ons toe voor de gansche uitrusting?
—Een week; dat is lang genoeg.
—Binnen een week zullen wij gereed zijn.
—Thans heb ik er slechts dit nog bij te voegen, broeders. Om de
spionnen zooveel mogelijk van het spoor te brengen, moet het den schijn
hebben alsof ik niets met de expeditie heb uit te staan, en mij
daarmede volstrekt niet bemoei; dus moeten alleen Morgan, Philippe en
Luiwammes van tijd tot tijd bij mij komen, om mij van alles op de
hoogte te houden. En nu broeders, het is tijd om onze bijeenkomst te
sluiten, ik ga heen, en laten wij dit ieder afzonderlijk doen, en ieder
zijn eigen weg volgen. Vaartwel!
—En, heeren, houd uwe aanstellingen in gedachte, overmorgen zullen die
te uwer beschikking zijn!—werd hun ter herinnering door den Gouverneur
toegevoegd.
Montbars vertrok, de overigen lieten niet na zijn voorbeeld te volgen,
en de heer d’Ogeron bleef alleen achter.
—Wat zou men met zulke lieden niet kunnen uitvoeren, indien er slechts
mogelijkheid was hen te temmen!—sprak hij in zichzelf.—Maar, bij den
hemel! hoe zwaar die taak moge wezen, toch zal ik die beproeven, en,
met Gods hulp, twijfel ik er niet aan of die zal mij gelukken.
XV.
DE MARKIES DON SANCHO DE PENAFLOR
Verscheidene dagen waren verloopen; noch don Gusman, noch Birbomono
waren te Port-de-Paix teruggekomen. Montbars wist niet waaraan zulk
eene lange afwezendheid kon worden toegeschreven; hij werd door een
ongerustheid, waarvan hij zich geen rekenschap wist te geven, gekweld,
en telkens als hij zijne gastvrouw ontmoette, wendde hij zich af om
haar bleek gelaat niet te zien, en hare koortsachtig brandende
betraande oogen te ontwijken, die met zulk een uitdrukking van
smartvolle onderwerping op hem gevestigd werden, dat dit hem te erg
aandeed.
Langzamerhand, dit gevoelde hij, verstierf de haat dien hij haar had
toegezworen, om vervangen te worden door een innig gevoel van
medelijden. Hij zag het oogenblik naderen waarop hij zich niet langer
in staat zou gevoelen den vreeselijken eed gestand te blijven, die eens
door hem was uitgesproken. Ondanks al de pogingen die hij aanwendde om
zijn gerechtvaardigden toorn weder op te wekken, kwam hij tot de
zekerheid dat ondanks het driedubbele staal dat zijn hart als met een
pantser omsloot, dit toch ongenoegzaam bleek om hem te beschermen bij
eene langere worsteling tegen de vrouw, die hij zoo innig had bemind,
de vrouw die door die liefde zoozeer had geleden en wier leven er als
het ware door vernietigd was. Alles pleitte voor haar in zijn hart;
hare langdurige boetvaardigheid, haar edele zelfverloochening, hare
stille onderwerping, en zelfs hare schroomvallige teederheid, die zich
telkens uitte door al de zorgen die zij zonder zijne voorkennis aan hem
wijdde, terwijl zij toch bijna altijd onzichtbaar bleef. Thans, na zulk
eene reeks van jaren sedert de misstap door de arme vrouw bedreven,
vroeg hij zich af, of er nu voor hem werkelijk nog reden bestond om
onverzoenlijk voor haar te blijven, en of het niet beter ware het uur
der vergiffenis niet langer te verschuiven. Maar dan verhief zich weer
de herinnering aan alles wat hij geleden had, dan kwam bij hem weer de
gedachte op aan het onwaardige verraad waarvan hij het slachtoffer was
geworden, en aan de onverdiende rampen als gevolg daarvan; die
herinnering en die gedachte troffen als dolksteken zijn hart, opnieuw
werd hij door woede aangegrepen, en als hij zich dan van donna Clara
afwendde, mompelde hij in zich zelf:
—Neen, nog is de boete niet volkomen, nog is de schuldige niet
gekastijd. Ik wil geen zwakheid betoonen eer ik mijn werk der wrake
voltooid heb.
En dan, dan namen zijne trekken, waarop een zachtere uitdrukking
verspreid lag, weer de vroegere onwrikbare gestrengheid aan; somber
trokken zich zijne wenkbrauwen samen, onheilspellend schitterden zijne
oogen, diepe rimpels verschenen op zijn vaalbleek voorhoofd, en weer
was hij dan de onverbiddelijke man, zooals hij bezworen had te zullen
blijven.
En toch, wij herhalen het, hij begon te wankelen; zijne stroefheid voor
die arme vrouw was slechts een masker en zijn nog immer even felle haat
tegenover zijne andere vijanden week tegenover haar langzamerhand om
van lieverlede plaats te maken voor eene aanstaande vergiffenis en
verzoening. De weinige dagen die hij met donna Clara onder hetzelfde
dak te Port-de-Paix had doorgebracht, hadden veel bijgedragen om dit
werk des vredes zeer te bevorderen, zoodat zelfs het geringste toeval
in staat zou zijn het te voltooien.
Het was avond; Montbars bevond zich in zijn kamer met Morgan, den
ridder de Grammont en Philippe, en besprak met hen de toebereidselen
tot de expeditie, die zeer snel vorderden; verscheidene schepen waren
reeds geheel uitgerust en dadelijk daarna in zee gestoken en zouden den
volgenden dag bij zonsopgang door andere worden gevolgd, zoodat de
gansche sloot binnen een paar dagen onder zeil zou zijn; de zaken waren
zóó geheim en met zooveel beleid behandeld, dat niettegenstaande zulk
een aanzienlijk getal vrijbuiters was ingescheept, door de Spanjaarden,
naar men uit alles meende te mogen opmaken, nog niets was bemerkt,
ondanks de onafgebroken waakzaamheid en bijzondere slimheid hunner
spionnen. De drie vrijbuiters waren juist in druk gesprek over de
laatste schikkingen die nog bepaald moesten worden, toen er een paar
keeren zeer bescheiden geklopt werd op de deur van de kamer waar zij
zaten. Montbars gaf door een wenk aan de anderen te kennen dat zij
moesten zwijgen, stond op, en deed de deur open. Birbomono stond vóór
den drempel en een paar andere personen, diep in hunne mantels gedoken,
hielden zich eenigszins ter zijde buiten het licht.
—Hier ben ik,—begon Birbomono half fluisterend, na een beleefde
buiging.
—En in gezelschap, naar het schijnt,—merkte Montbars aan.
—Kan ik vrij uitspreken?
—Is het iets gewichtigs?
—Ja, en dat vooral geheim moet blijven.
—Zoo! wacht even ik kom dadelijk terug.
Hij sloot de deur en ging weer naar zijne kameraden.
—Broeders,—sprak hij.—Ik krijg daar bezoek van iemand die, naar hij
zegt, mij iets van het hoogste gewicht heeft mede te deelen. Weest dus
zoo goed en gaat nu eenige oogenblikken in mijne slaapkamer.
—Wel, mij dunkt Montbars, dat het dan beter zou wezen dat wij heen
gingen, dan zijt gij geheel vrij,—opperde Morgan.
—Neen, doe dat niet want als ik met hem gesproken heb en dat zal niet
lang duren, dan zal ik je weer noodig hebben.
—Ga dan uw gang, wij zullen blijven, en middelerwijl doen alsof wij
doof en stom waren.
—Goed,—zei de ander glimlachend.
Montbars liet hen in zijn slaapkamer gaan, stiet de deur achter hen
toe, schoof daar een grendel voor, nam een kaars op, waarmee hij door
het salon stapte en deed toen het tweede vertrek open waar hij de kaars
op een tafel plaatste, en de deur ook sloot.
—Mijne heeren,—begon hij,—ik ben tot uwe orders, weest zoo goed plaats
te nemen, en mij te zeggen wat de reden is van uw bezoek.
—Naar ik meen, caballero, heb ik hier niets meer te verrichten?—zei
Birbomono.—Als gij het goedvindt zal ik heengaan en op het portaal
blijven wachten.
—Goed,—zei Montbars kortaf.
De mayordomo boog en ging heen; nauwelijks was de deur achter hem
gesloten of een der beide onbekenden deed een paar passen voorwaarts,
wierp den mantel weg, nam hoogst beleefd zijn hoed af, en zei met
hoffelijke buiging:
—Graaf, veroorloof mij vóór alle dingen u te begroeten.
—Markies de Penaflor!—ontsnapte aan Montbars die ten hoogste verbaasd
en verrast was.
—Stil toch, stil toch!—viel don Sancho schertsend in.—Wel verduiveld,
vergeet toch niet, dat mijn naam hier juist niet zoo algemeen in goeden
reuk staat, zoodat het alles behalve noodig is dien zóó luid uit te
bazuinen!
—Gij hier! Gij!
—En waarom niet, graaf, ik ben immers in uw huis? Wat zou ik hier te
duchten hebben, dat vraag ik u?
—Van mij niets, mijnheer, dat is zoo; toch betuig ik u er mijn dank
voor, dat gij u daarvan overtuigd houdt. Maar als anderen wisten, dat
gij hier in de stad zijt?
—Dat zullen zij niet te weten komen, ten minste niet eer, naar ik hoop,
dan na mijn vertrek van hier, en dit zal onmiddellijk plaats grijpen,
na afloop van ons gesprek.
—Sta mij dan toe mijnheer, mijn eerste vraag aan u te herhalen. Wat is
de reden van uw bezoek? En mag ik tevens vernemen wie de persoon is die
u vergezelt?
—Dat ben ik,—antwoordde don Gusman, die zich nu ook van zijn mantel
ontdeed.
—Gij hebt goed gedaan terug te komen, wat daarvan ook bij u de
aanleiding moge zijn.
—Ik had je immers mijn woord verpand?
—Dat is zoo, en geloof mij, daar vertrouwde ik op.