—Te dien opzichte behoeft ge geen zorg te hebben, dit verzeker ik u op

mijn woord van eer. Maar nu verzoek ik u dringend er zonder verder

verwijl een begin meê te maken, want ronduit gezegd, begint het mij

verbazend te vervelen.

De jonge man boog, nam plaats in een leunstoel, vlak over Montbars, en

maakte zich tot spreken gereed.

XIII.

DE OPHELDERING.

Ondanks al de heftigheid van het voorgevallene, gevoelde Montbars toch

niet de minste verbittering jegens dat jonge mensch, hoewel hij er zich

zeer over verwonderde, dat hij zoo kalm was gebleven en zonder toorn.

Met de kin in de hand leunend op de armen van zijn stoel, keek hij met

eene mengeling van droefgeestigheid en medelijden, naar dien jongen man

vlak tegenover hem, naar Francoeur, door wiens edel en fraai gelaat met

den fieren blik hij reeds bij de eerste ontmoeting met onwederstaanbare

sympathie was aangetrokken; naar dienzelfden Francoeur, dien hij,

gedreven door het rampzalige noodlot, wellicht na eenige uren

genoodzaakt zou zijn te dooden, zoo hij niet onverbiddelijk door dezen

gedood wilde worden. Tal van gedachten kruisten door zijn brein en

dringend rees de vraag bij hem op, of hij den droevigen moed zou hebben

zulk een jeugdig bestaan te vernietigen, dan wel of het niet veel beter

zou wezen dat hijzelf het was, die bij dien mogelijken kampstrijd ten

onder werd gebracht?

De jonge man bleef zijnerzijds nog een poosje nadenken, als om al zijne

herinneringen te ordenen, en begon toen te spreken, eerst zwak, zelfs

eenigszins bevende, doch van lieverlede met meer kracht, en kort

daarna, onder den invloed van het gevoel dat hem beheerschte, met vol

geluid en hartstochtelijke vervoering.

—Montbars, het noodlot maakt ons als met ijzeren hand tot vijanden, en

toch zou ik er zoozeer de voorkeur aan gegeven hebben, om door u met

toegenegenheid te worden behandeld, want ronduit verklaar ik je, dat ik

ondanks al mijn streven om je innig te haten, mij met onweerstaanbare

kracht tot je voel aangetrokken. Misschien zou een ander dit gevoel

kunnen verklaren en ontleden, ik tracht er niet naar, maar ik weet dat

het bij mij bestaat, dat het mij beheerscht, schoon het mij tot nu

heeft doen terugdeinzen voor die opheldering, die slechts met den dood

van een van ons beiden kan eindigen.

—Ook ik,—betuigde Montbars op weemoedigen toon,—gevoel dat ik je zou

hebben kunnen liefhebben, ja, werkelijk had ik je reeds lief, en zelfs

op dit oogenblik kan ik er niet toe komen je haat toe te dragen.

—Doch ongelukkig genoeg, Montbars,—hernam de jonge man,—moeten wij die

zachtere gevoelens terugdrijven naar het diepste van ons gemoed om

slechts te luisteren naar de stem van den plicht, die onverbiddelijke

stem die mij thans gelast van je eene vreeselijke verantwoording te

eischen. Ik ben geen Franschman, zooals ten onrechte door je is

geloofd, zeker naar aanleiding van de gemakkelijkheid waarmede ik uwe

taal spreek, doch ik ben althans, ik geloof te zijn, een Spanjaard.

—Gij een Spanjaard!—uitte Montbars op smartvollen toon.

—Ja, Montbars. Vergun mij nu dat ik je de geschiedenis van mijn leven

mededeel, dit is noodzakelijk om verder goed door je begrepen te

worden, doch ik zal daarbij zoo kort mogelijk zijn, en mij er toe

bepalen je niet meer te zeggen, dan wat gij noodzakelijk moet weten.

Mijne ouders heb ik niet gekend, noch mijn vader, noch mijne moeder.

—Arme jongen!—mompelde Montbars.

—Ik ben opgevoed door een oom, de broeder van mijne moeder,—vervolgde

de jonge man.—Die oom had voor mij de grootste zorg; nauwlettend hield

hij het oog over mijne opvoeding, en door zijn toedoen kwam ik bij de

marine.

—En ge zijt nu reeds, ondanks uw jeugdigen leeftijd, een uitstekend

zeeman geworden, daarvan kan ik getuigenis afleggen.

—Ik heb de eer officier te zijn op de vloot van Zijne Katholieke

Majesteit.

—Hoe! Wat! Maar van waar komt het dan dat...

—Een beetje geduld, als ik je verzoeken mag,—viel de jonge man in.—Ik

heb je immers verzekerd dat gij alles zoudt vernemen?

—Het is waar! Vervolg dus, en houd mij dien onverhoedschen uitval ten

goede.

—Nu ongeveer zes maanden geleden was ik te Vera-Cruz, waar ik

verpoozing zocht van een lange en vermoeiende reis in Europa. Op een

goeden dag werd ik bij mijn oom ontboden, die, naar hij zei, mij zeer

gewichtige mededeelingen had te doen. Ik was dadelijk naar hem

toegegaan, zijn zoon was de eenige die het onderhoud bijwoonde, en toen

vernam ik de afgrijselijke geschiedenis van mijne familie.

De jonge man hield op; een zucht, een snik ontwelde aan zijn borst, hij

verborg het hoofd in zijn handen en weende. Montbars gevoelde eerbied

voor dit betoon van smart, eene smart waarvoor hij misschien meer

medegevoel koesterde dan hem lief was. Eindelijk na enkele minuten

waarin de doodsche stilte slechts werd verbroken door de gesmoorde

snikken van Francoeur, hief hij op eens het hoofd op, keek den

vrijbuiter aan met koortsachtig brandende oogen, vol uitdrukking van

verbittering en doodelijken haat en barstte los:

—Waartoe dient het nog langer je die vreeselijke geschiedenis te

vertellen. Gij kent die immers even goed als ik? Gij! Gij, de verleider

mijner moeder, die van wanhoop gestorven is met een vervloeking over je

op de lippen! Gij, de lafhartige moordenaar van mijn vader!!

Bij deze ongehoorde beschuldiging, en verregaande beleediging was

Montbars plotseling opgesprongen, alsof een slang hem vervaarlijk had

gebeten. Zijn bleek gelaat was als door een lijkkleur overtogen, zijne

oogen waren als verduisterd door een bloedig waas en met door woede

vast op elkaar geknepen lippen, ontsnapte uit zijn keel een gebrul als

dat van een wild dier. Als een tijger sprong hij op den jongen man af,

wierp hem met al zijn kracht, nog vermeerderd door zijne woede op het

tapijt en zette hem de knie op de borst; terwijl hij hem met de

linkerhand de keel toekneep, trok hij met de rechter zijn dolk uit,

zwaaide die met woest gegrijns boven het hoofd van zijn slachtoffer en

beet hem met heesche stem toe:—Ellendeling, ge zult sterven!

De jonge man zoo plotseling overweldigd door een aanval, volstrekt niet

door hem verwacht, deed geen enkele poging om te ontkomen aan de

krachtige hand, die hem gekluisterd hield; hij begreep dat iedere

wederstand nutteloos zou zijn, doch vestigde alleen een vasten blik op

zijn vijand, met eene zoo hoonende uitdrukking dat die niet te

beschrijven is; een glimlach vol verachting vertrok zijne door de

ontroering verbleekte lippen, en met luider stem beet hij driemaal

achtereen Montbars dit enkele woord toe:

—Lafaard! Lafaard! Lafaard!

Het was met den ongelukkigen jongen man gedaan, de onheilspellende

flikkering van het staal verduisterde zijn blik; geen menschelijke

macht scheen hem meer te kunnen redden, toen op eens een fijne, nette

hand, de hand eener vrouw, den arm van Montbars vatte, en tegelijk een

zachte doch smeekende stem, met een uitdrukking van smart zeide:—Zal

zóó door Montbars een kind dat weerloos aan zijn voeten ligt, worden

vermoord.

De vrijbuiter keek op, zonder echter zijn vijand te bevrijden van de

drukkende knie op diens borst. De eigenares van het logement stond vlak

naast hem, bleek, bevende, geheel ontroerd, als een standbeeld van de

smart, schoon, ondanks hare tranen, als de Niobe der oudheid, en zag

hem aan met eene uitdrukking, zóó smeekend, zóó teeder, en toch zóó

onderworpen, dat geen schilder in staat zou zijn dit weer te geven. De

flibustier sloeg de oogen neder onder den machtigen blik van die zwakke

vrouw, die een magnetischen invloed op hem scheen uit te oefenen.

—O!—die kreet uitte hij zacht en half snikkend. Toen was het alsof hij

de overmacht gevoelde van eene onbekende kracht, grooter dan de zijne;

hij stond langzaam op, stak den dolk weer in zijn gordel, deed een paar

passen achterwaarts om zijn vijand gelegenheid te geven eveneens op te

staan, sloeg de armen kruiselings over de borst, en bleef, met gefronst

voorhoofd, waarop het zweet zichtbaar was, en met somberen blik, en

kalme en waardige houding met opgeheven hoofd staan, als een leeuw, die

alles rustig afwacht.

Zoodra de jonge man zich vrij gevoelde, sprong hij op, en stond in één

oogwenk weer ter been; maar eveneens beheerscht door het zoo

indrukwekkende als statige voorkomen van die vrouw bleef ook hij

onbeweeglijk staan, schoon bevende door woede, doch toch zonder naar

zijn degen of dolk te tasten. De vrouw, die zoo te juister tijd en als

door de Voorzienigheid geroepen, te voorschijn was gekomen om een moord

te verhoeden, die zonder hare onverwachte tusschenkomst, ongetwijfeld

onder haar dak zou bedreven zijn geworden, zag eenige oogenblikken met

de meeste aandacht naar de beide tegenstanders; daarna deed zij een

paar schreden vooruit en plaatste zich tusschen hen, als om eene

vernieuwing van den strijd te voorkomen. Toen wendde zij zich tot

Montbars en voegde hem toe:

—Mijnheer, verblind door uwe onzinnige drift stond gij op het punt eene

afschuwelijke misdaad te begaan.

—Dat is zoo, mevrouw,—gaf de vrijbuiter ten antwoord met zooveel

zachtaardigheid dat zijn vijand daarover versteld stond,—en dit zou ik

eeuwig berouwd hebben. Daarom betuig ik u mijne dank voor uwe

tusschenkomst.

—Later zult gij mij nog inniger dank zeggen,—sprak zij met nauw

hoorbare stem.

—Wat wilt gij daarmee zeggen, mevrouw?

—Voor dit oogenblik niets,—hernam zij, waarna zij zich naar den jongen

man keerde en zei:

—Mijnheer, de beleedigingen vernederen nog meer hem die ze uitspreekt,

dan hem tot wie die gericht worden. Vervolg nu, in plaats van u te

laten vervoeren door uw toorn, waartoe gij u gerechtigd waant, het

verhaal dat door u was begonnen op eenvoudige wijze, waardig u zelven

en hem die u aanhoort. Misschien zal er dan eenig licht dagen over deze

geheimzinnige geschiedenis, en zult gij tot het besef komen, dat gij

geen slachtoffer zijt, maar een werktuig dat dient tot de bevrediging

van den haat van een ander.

Die woorden, met bijzonder overleg gekozen, gaven het jonge mensch veel

te denken, des te meer daar men tegen hem dien eigen dag bij de

bijeenkomst in de Groote Vlakte bijna diezelfde woorden had gebezigd;

hij gevoelde zich vernederd door dit soort van zedelijken dwang dien

men op hem scheen te willen toepassen; en dit had bij hem eene

verkeerde uitwerking, daar hij nu trachtte in verzet te komen tegen

zulk een eisch van onderdanigheid, waartoe hij ongezind was iemand het

recht te geven.

—Mevrouw,—antwoordde hij op hoogst beleefden toon, die echter niet vrij

was van een lichten zweem van spot,—dank zij uwe edelmoedige

tusschenkomst heeft die man dáár, die mij onder zijn knie gekneld

hield, mij niet gedood; daarvoor betuig ik u zeer onderdanig mijn dank,

niet omdat ik zoozeer aan mijn leven gehecht ben, dan wel omdat de aan

mij opgedragen taak nog niet is vervuld; noch mijn vader, noch mijne

moeder is gewroken. Echter komt het mij voor dat de mij door u bewezene

dienst, waarvoor ik u eeuwig dankbaarheid ben verplicht, u echter geen

recht geeft u met mijn zaken in te laten, die, veroorloof mij u dit

onder het oog te brengen, mij alleen aangaan en waarin gij u dus niet

behoort te mengen.

Een koele, snijdende, en minachtende glimlach vertrok even de lippen

van de dame.

—Wat weet ge daarvan?—zeide zij.—Zie naar dien man dáár, zooals ge hem

zoo even hebt genoemd. Hij heeft mij herkend, daar ben ik zeker van, en

het recht dat gij mij betwist, wordt mij door hem in al zijne

uitgestrektheid toegekend.

—Zoo is het, mevrouw,—erkende Montbars.—Hoewel sedert de laatste maal

dat wij elkaar ontmoet hebben jaren na jaren langzaam en droevig zijn

voorbijgegaan, heb ik u herkend, en gaarne erken ik dat uwe

tusschenkomst alleszins geoorloofd en rechtmatig is.

—Welnu, als dit zoo is, dan zal ik die zaak als afgehandeld

beschouwen,—antwoordde het jonge mensch koel.—Overigens is het mij

tamelijk onverschillig of dit geheim al dan niet bewaard blijft.

Gedreven door nog een restje van hoffelijkheid tegen dien man dáár, heb

ik zijn eerloos gedrag niet voor ieders oog willen bloot leggen. Doch

gij eischt dat ik zal spreken, welnu dan zal ik dit doen.

—Doe dit, mijnheer, en misschien zal dan, even als mevrouw u reeds

heeft gezegd, spoedig aan ons blijken op wien de schuld moet vallen van

die verregaande eerloosheid, waarover je op zulk een hoogen toon

spreekt.

—Wat heeft uw zoogenaamde oom,—vroeg daarop de dame, toen hij met zijn

ontzettende mededeelingen ten einde was,—u gelast.

—Mijn zoogenaamde oom mevrouw!—viel de jonge man heftig uit.

—Ja, mijnheer, uw zoogenaamden oom! Dat houd ik vol, ten minste tot het

tegendeel daarvan bewezen is.

—Doch hoe kunt gij iets van die gansche geschiedenis weten, daar ik er

nooit één enkel woord over gerept heb?

—Doordat ik straks, hier achter de deur verborgen, alles gehoord heb.

—O! Hebt gij zóó gespionneerd!

—Ja! En daardoor uw leven behouden!

Hij boog het hoofd; nogmaals gevoelde hij zich overwonnen, en erkende

de nutteloosheid van verder verzet.

—Ik ben,—vervolgde hij, terwijl hij thans tot het besluit kwam alles

openhartig te vertellen,—zooals ik u reeds gezegd heb, officier bij de

Spaansche marine; op last van mijn oom heb ik mijn ontslag ingediend en

verkregen, en heb mij toen als matroos doen aanmonsteren op een schip

van flibustiers.

Montbars huiverde.—Met welk doel?—vroeg hij.

—Met het doel om geheel op de hoogte te komen van uwe strijdkrachten,

van al uwe hulpmiddelen en van uwe gansche organisatie, in één woord om

je daardoor te kunnen overwinnen en voor goed en voor altijd al die

zeeschuimers-schuilhoeken te vernietigen, die schandvlekken voor de

menschheid zijn.

—Of met andere woorden,—sprak Montbars met snijdenden spot,—uw oom

heeft onder het schoonschijnende voorwendsel van eene ingebeelde

wraakneming een spion van je gemaakt! Ik moet zeggen dat is een zeer

waardige rol voor een Castiliaansch edelman!

—Mijnheer!—viel de ander heftig uit. Doch dadelijk daarna beheerschte

hij zich en vervolgde:—Een spion! Nu goed, laat dit zoo zijn, doch in

mijne oogen was de rol, die ik moest spelen, niet zoo laag, het doel

dat ik beoogde veredelde in mijn oogen althans wat die in de oogen van

het algemeen verachtelijks moet hebben.

—Een drogreden is geen verontschuldiging, mijnheer!—gaf Montbars koel

ten antwoord.—Doch het doel waarvan gij gewag maakt, is toch niet het

eenige dat door je werd beoogd?

—Dat is zoo, ik had een nog veel heiliger plicht te vervullen, ik moest

den verleider mijner moeder, den moordenaar van mijn vader, ontdekken,

en mij op hem wreken.

—Zeker door hem te vermoorden?—vroeg Montbars ironisch.

—Neen, door mij van hem meester te maken, en hem als een dief en

moordenaar te laten ophangen.

—Ellendeling!—bulderde Montbars.—Dus bekent ge je verraad?

—Ik beken wat door mij verricht is, en op dat alles ben ik trotsch.

—Gij zijt het dus die in de laatste maanden al onze plannen aan de

Spanjaarden hebt verklapt?

—Ja, dat ben ik!

—Ongelukkige! Weet ge dan niet dat de straf die je wacht, ontzettend

is?

—Dat weet en wist ik zeer goed,—luidde eenvoudig het antwoord.

—En beeft ge niet bij die gedachte?

—Waarom zou ik dat? Toen ik de taak op mij nam, die ik moest vervullen,

wist ik welk lot mij stond te wachten indien ik ontdekt werd, en ik heb

bij voorbaat al de kansen die voor en tegen mij waren goed berekend.

Toch heb ik tegen u dit gewaagde spel aangevangen waarbij mijn hoofd

tot inzet diende. Ik vertrouwde dat God met mij zou zijn, daar de zaak,

die ik wilde bevorderen, billijk en rechtvaardig is. God heeft mij

verlaten, het zij zoo! Ik onderwerp mij aan Zijn ondoorgrondelijken

wil, zonder murmureering, maar ook zonder zwakheid. Ik ben in uwe

macht, doe met mij wat je goed dunkt. Ik heb het spel verloren, en zal

den inzet weten te betalen.

—Ja,—hernam Montbars vergramd, doch op ijskouden toon,—heden nog zult

gij uw verdiende straf ondergaan.

—Houd op!—sprak de dame, en strekte haar arm uit, als om Montbars terug

te houden.—Zwijg nu, en wacht nog enkele minuten. Dat jonge mensch

heeft alles nog niet gezegd.

—Hoe! Heeft hij alles nog niet gezegd?

—Hij heeft nog verzuimd ons zijn naam op te geven, dan eerst kunnen wij

er zeker van zijn dat hij waarlijk een edelman is, zooals hij

voorgeeft. Misschien is hij niet anders dan een laaghartige spion, een

ellendeling van lagen stand die alleen ter wille van het geld met onze

vijanden gemeene zaak heeft gemaakt.

Terwijl zij dit zei had de dame een zonderlingen blik met Montbars

gewisseld, die door hem toestemmend was beantwoord.

—Zoo!—liet de jonge man hooren, met eenigszins triomfeerenden lach.—Dat

had ik verwacht! Maar ge zult bedrogen uitkomen als ge daarop rekent.

Sterven moet ik en zal ik, doch gij zult niet weten wien door je ter

dood wordt gebracht.

Teleurgesteld maakte Montbars driftig een gebaar, doch werd weer

tegengehouden door de dame, die hernam:

—Weer bedriegt ge u, want al zijn wij nu nog niet bekend met uw naam,

toch behoeft het ons niet veel moeite te kosten om dien te weten te

komen.

—Daar twijfel ik hard aan!—luidde het tartende antwoord.

—Dwaas kind!—voegde zij hem toe, op medelijdenden toon.—Dwaas kind! Ge

waant u sterk, omdat ge u vast besloten en eerlijk gevoelt, en toch

zijt ge niets meer dan de speelbal van hen die u omringen!...

—Mevrouw!—viel hij uit.

—Luister maar,—vervolgde zij en deed of zij dien uitroep niet had

gehoord.—Mijn pandeling Birbomono, heeft u een brief ter hand gesteld,

waarin ge werd uitgenoodigd tot eene samenkomst; dezen morgen zijt ge

daarheen geweest, naar de Groote Vlakte, aan den oever van den

Artibonite, niet verder dan drie uren van hier. Dáár hebt ge langer dan

een uur gesproken met iemand, gekleed als boekanier, die u omarmt en

als neef begroet en behandelt, en zijt ge nu onnoozel genoeg om te

gelooven, dat wij, voor wie het van zooveel belang is van alles wat

hier voorvalt op de hoogte te zijn, dat wij zeg ik dien man niet zouden

kennen?

—Zeker geloof ik dat, zeker zóó onnoozel ben ik, want als gij wist wie

die man is, dan zou hij nu uw gevangene zijn, of ten minste gij zoudt

getracht hebben u van hem meester te maken.

—Weer dwaalt gij, mijnheer! Wij kennen dien man zeer goed, en toch

laten wij hem vrij, want schoon hij Spanjaard is draagt die man ons

geen kwaad hart toe, en zelfs heeft hij ons meer dan eens groote

diensten bewezen.

—En zijn naam?

—Zijn naam? Daar ge wilt dat ik dien zal noemen, zult ge hem hooren.

Hij heet don Sancho de Penaflor, en is namens den Koning van Spanje,

Gouverneur over het eiland Hispaniola.

—Don Sancho de Penaflor!—riep Montbars, en sprong op van verrassing.—O!

Nu is alles mij opgehelderd!

—Misschien!—werd veelbeteekenend door de dame aangemerkt.—Er begint ten

minste eenig licht in de duisternis te komen, doch laten wij ons niet

verheugen eer het volle dag is.

De jonge man gevoelde zich als verpletterd, en liet zich droefgeestig

ontvallen:—O! Groote God!

—Don Sancho hier!—zei Montbars.—Wist ge dit donna Clara?

—Dit moest ik immers weten?—zeide zij eenvoudig.

—Dat is zoo!—erkende hij opgewonden.—Bij den hemel! Wat daarvan ook de

gevolgen voor mij moge wezen, zien wil ik en zal ik hem!

Donna Clara was den jongen man meer genaderd en zei tegen hem:

—Gij houdt veel van don Sancho en ook hij houdt van u. Zoo ge zijn raad

had gevolgd, zoudt ge wellicht niet in den toestand zijn waarin ge

thans verkeert; doch wat geschied is, is geschied, en het is nutteloos

daarop nu weer terug te komen. Luister nu naar mij. De hertog de

Penaflor heeft u gezegd, dat Montbars uwe moeder verleid en uw vader

vermoord heeft. Zoo is het immers?

—Ja,—stamelde de jonge man, overweldigd door al zijn leed.

—O!—barstte Montbars los.—Dat is weer juist iets voor dien

onverbiddelijken man! Daarin herken ik hem geheel! Uw naam,

jongman,—liet hij er gebiedend op volgen.

—Don Gusman de Tudela,—luidde het antwoord, gegeven zonder verdere

aarzeling.

—Welnu! Gij don Gusman de Tudela, geef mij uw woord van eer, dat gij

geenerlei poging zult doen om te ontvluchten.

—Dat geef ik je, Montbars,—gaf hij openhartig ten antwoord.

—Goed ik neem het aan. Birbomono zal met je naar Sint-Domingo

vertrekken. Ge hebt zeker de noodige middelen om ieder oogenblik en

zonder eenig gevaar in de hoofdstad van het eiland door te dringen,

niet waar?

—Ja, die middelen bezit ik.

—Best! Dan gaat gij daar aan don Sancho mededeeling doen van het

vreeselijke tooneel dat tusschen ons heeft plaats gegrepen en van alles

wat tusschen ons is gesproken zonder tittel of jota te vergeten.

—Dat zal ik doen.

—Tevens moet gij don Sancho bezweren bij wat hem het heiligste ter

wereld is, je te zeggen, of ik schuldig ben aan de misdaden, waarvan de

hertog de Penaflor, zijn vader, mij tegenover jou beticht heeft. Zoo

daarop een bevestigend antwoord volgt, kom dan terug en gij zult mij

bereid vinden je alle eerherstellingen en iedere voldoening te geven,

die gij van mij eischen zult.

—Zijt gij daartoe bereid?—viel de ander in op verrukten toon.

—Daarop verpand ik mijn woord van eer,—gaf Montbars plechtig ten

antwoord,—maar mocht don Sancho je daarentegen zeggen, dat ik niet

alleen onschuldig ben aan die misdaden, maar zelfs meer dan twintig

jaren vervolgd wordt door eene even onverzoenlijken als

onrechtvaardigen haat, wat zal je dan doen? Antwoord mij daarop?

—Wat ik dan zal doen?

—Ja, dit verlang ik te weten.

—Dan verpand ik op mijn beurt mijn woord van eer, dat ik, als hij mij

dit zegt, mij in je handen zal overleveren, om met mij geheel naar uw

goeddunken te handelen.

—Ik houd je aan uw woord. Ga, mijn vriend, want ondanks alles wil ik je

nog zóó blijven noemen. Ga, het is nu nog niet veel later dan drie

uren; als ge zonder talmen vertrekt kunt ge vóór zonsopgang in

Sint-Domingo wezen.—Daarop wendde hij zich tot donna Clara en vroeg op

onbeschrijfelijk goedhartigen toon:—Is het zóó naar uw verlangen

geschikt, mevrouw?

—O!—kreet zij terwijl zij, uitbarstende in gesnik, aan zijne voeten

knielde.—Ge handelt grootsch en edel zooals altijd!

Montbars hief haar met vriendelijken glimlach op, en fluisterde haar

bemoedigend toe:—Houd moed arme vrouw, blijf hoop koesteren, arme

moeder!

Een uur later verliet don Gusman, vergezeld door Birbomono,

Port-de-Paix, en zette het in galop op den weg naar Sint-Domingo.

XIV.

EEN DINER BIJ DEN HEER D’OGERON.

Na een lang onderhoud met donna Clara, (een onderhoud dat zelfs geheim

bleef voor Birbomono, die toch reeds sinds jaren het volle vertrouwen

zijner meesteres genoot) verliet Montbars het logement en begaf hij

zich naar de woning van den heer d’Ogeron, om dáár, volgens zijne

belofte, te gaan dineeren.

Reeds meermalen hebben wij gezegd dat de Broeders der Kust den

gouverneur hooge achting toedroegen, dat zij tevens zeer op hem waren

gesteld, doch tegelijk groot ontzag voor hem koesterden. Zijn huis

stond bekend als het aangenaamste van de gansche kolonie en ieder wist

dat men daar uitstekend werd onthaald, en er steeds een uitgekozen

gezelschap vond. De heer d’Ogeron, een edelman nog van het oude ras,

wist in alle opzichten de eer van zijn huis op te houden, doch had

daarenboven een bijzonderen tact om aan zijne tafel menschen te

vereenigen in staat om elkaar goed te verstaan en wederkeerig naar

waarde te schatten, iets wat waarlijk geen geringe taak mocht heeten in

een land waar de bevolking grootendeels bestond uit ruwe, eerlooze

lieden, ware schipbreukelingen van de Europeesche beschaving, wier

gemoedsaard zoo wederspannig was, dat zij niet dan hoogst onwillig

bogen onder het lichtste juk, dat men hun wilde opleggen.

Overigens was de verhouding van den heer d’Ogeron daar ter plaatse zeer

zonderling, want hij bevond zich te midden van lieden, die zijn titel

van Gouverneur des Konings, tenauwernood schoorvoetend verdroegen, dan

wel inderdaad erkenden, en ieder oogenblik gereed waren tegen de

onbeduidendste zijner beschikkingen in verzet te komen. De oude edelman

had dus groote behoefte aan al zijne energie en zijne groote bekendheid

met de gewoonten en manieren der vrijbuiters, onder wie hij jaren lang

geleefd en met wie hij vroeger menige kruistocht meegemaakt had, om

zich in zijne betrekking te Port-de-Paix goed te handhaven en de

gewichtige belangen, die de Koning aan hem had toevertrouwd, niet in

gevaar te brengen.

De goudzoekers · 第 10 / 23 段