andere koloniën, zoo veilig gelooven de inwoners zich dáár voor iederen
overval.
—Arme Spanjaarden! Dan hebben zij niet het minste vermoeden van wat hen
boven het hoofd hangt.
—Hoe heb ik het nu, wordt gij waarlijk weemoedig bij het aanstaande lot
van de gavachos?
—Ja, ja! Want ik denk daarbij aan het vreeselijke bloedbad dat gij
onder hen zult aanrichten.
—Nooit zal ik naar mijn zin genoeg van die verwenschte natie kunnen
laten ombrengen!—viel Montbars uit op barschen toon en met woeste
blikken.
—Hebt ge dan aan hen zulk een gloeienden haat?
—Ik?! Ik zou graag, even als Nero, nieuwe straffen willen uitdenken, om
hen des te erger te doen lijden! Maar bepalen wij ons nu tot onze
zaken. Hoeveel schepen zijn er hier?
—Te Port-de-Paix?
—Te Port-de-Paix, te Margot, te Leogana, op Tortue, in één woord
overal.
—Niet bijzonder veel; hoogstens een dertig, maar daarvan zijn zeker
twaalf of veertien bijna niet in staat om zee te houden.
—Dan zijn er toch meer dan wij noodig hebben, mits dat het snelzeilers
zijn; en in dat geval koop ik ze.
—Sapperloot! Dan moet het je niet aan geld ontbreken!
—Ik ben heer en meester over de schatkist der Twaalven,—gaf Montbars
lachend ten antwoord.
—Zoo dikwerf heb ik reeds hooren spreken over die Vereeniging der
Twaalven [9],—merkte de heer d’Ogeron aan, met ietwat ontevreden
gelaat.
—Laat die je geen bezorgdheid inboezemen, mijnheer. De opperste leiding
berust in mijne handen, en die vereeniging heeft geen ander doel, dan
de glorie en het fortuin van de flibustiers.
—Goed, dan zal ik daarover niet verder spreken, doch onder voorbehoud
later daarop terug te komen.
—Ieder oogenblik ben ik daartoe bereid, mijnheer. Dus hebt gij er niets
tegen mij die schepen te verkoopen?
—Van dit oogenblik af, kunt gij er over beschikken.
—Ik dank je! Nu komt het er op aan manschappen aan te werven.
—Aan manschappen ontbreekt het niet.
—Wel mogelijk, doch ik moet mij beter uitdrukken. De mannen waaraan ik
behoefte heb, moeten geharde kerels zijn, bereid en in staat om mij tot
naar de hel te volgen, zoo ik dit eischte.
—Ik houd het er voor, dat ge zonder veel moeite die mannen wel vinden
zult.
—Heerlijk! Nu heb ik niets meer te doen dan je slechts ééne zaak zeer
dringend aan te bevelen.
—En die is?
—Alles stipt geheim te houden. Gij weet dat hier meer dan te veel
spionnen loeren en één enkel onbedacht woord zou genoegzaam zijn om
alles te doen mislukken.
—Ge zegt daar iets, waarde Montbars, dat ongelukkig genoeg maar al te
waar is, en ik moet je zelfs mededeelen, daar ge dan in tijds de
noodige voorzorgen kunt nemen, dat er, hoe het komt weet ik niet, in
den laatsten tijd een booze geest onder ons schijnt te waren. Er kan
tegenwoordig door ons geen enkel besluit meer genomen worden dat geheim
blijft; dadelijk wordt alles aan de Spanjaarden verklapt, die dus
gemakkelijk overal op hunne hoede blijven, waardoor al onze
ondernemingen mislukken.
—Dat is een zeer ernstig geval, mijnheer d’Ogeron! Dan moet er een
verrader onder ons schuilen.
—Dat heb ik ook reeds gedacht.
—En wat hebt gij toen gedaan?
—Iets dat gij zelf zeker ook zoudt gedaan hebben. Ik heb enkele der
voornaamste onder de Broeders der Kust bijeengeroepen, zooals Grammont,
Drack, Francoeur, en een paar andere; ik heb hun toen mijn vermoeden
meegedeeld en zeer ernstig op het hart gedrukt een wakend oog te
houden, niet alleen op hunne kameraden en de inwoners, maar zelfs op de
pandelingen.
—En het gevolg?
—Het gevolg is, dat wij niets ontdekt hebben.
—Bij den hemel! Dan zal ik dien verrader ontdekken, dat zal ik, dat
zweer ik u, mijnheer d’Ogeron,—verklaarde de flibustier op somberen
toon,—en dan, wee hem! Wee, wie het ook wezen moge!
—Daar hebt ge nu om een voorbeeld te noemen,—hernam de heer
d’Ogeron.—Ge zijt zoo pas te Port-de-Paix binnengeloopen, niet waar?
—Nauwelijks een uur geleden, dat weet gij.
—Juist. Welnu, sedert twee of drie dagen was reeds in de stad het
gerucht in omloop van uw aanstaande terugkomst, en men wist bovendien
nog te vertellen dat ge bepaald van plan waart, weer eene zeer
belangrijke expeditie uit te rusten. Nu vraag ik je wie en hoe kan dat
te weten zijn gekomen?
—Dat is hoogst bevreemdend en gaat alle begrip te boven, te meer daar
slechts drie personen bepaald met mijne voornemens bekend zijn; het
overige van de bemanning van den schooner vermoed wellicht iets, doch
zonder eenige zekerheid.
—En wie zijn die drie personen?
—Uw neef Philippe, voor wiens stilzwijgendheid ik borg blijf, gij zelf
en ik; doch genoeg daarover en wees gerust, ik sta er voor in dat alles
door mij zal behandeld worden op zulk eene manier, dat de verrader, wie
of wat hij zijn moge, er niet in zal slagen om van iets op het spoor te
komen.
—God geve het!—uitte de heer d’Ogeron, terwijl hij opstond.—Blijft ge
nog aan boord?
—Stellig niet. Ik ga dadelijk met je naar wal, zoo gij er niets op
tegen hebt.
—Niets liever dan dat. Hebt ge een verblijf, waar ge je intrek denkt te
nemen?
—Waarom?
—Omdat, zoo dit niet het geval mocht zijn, ik je een kamer bij mij aan
huis zou aanbieden.
—Ik blijf je daarvoor zeer dankbaar, doch kan dit zeer beleefde aanbod
niet aannemen, daar ik mij onverwijld met de besprokene zaak wil bezig
houden en dus vóór alles vereischt wordt, dat ik volkomen vrij blijf om
over al mijn tijd te beschikken, terwijl ik bovendien met mijn
kameraden nog tot overeenstemming moet komen.
—Zoo! ge komt toch van avond bij mij eten, niet waar?
—Dat zeer gaarne, ten minste zoo ge niet te laat eet, daar ik gaarne
vroeg vrij wilde zijn.
—Vijf uur, schikt je dit?
—Zeer goed, dus blijft dit afgesproken.
Daarna begaven zij zich weer naar het dek, waar de heer d’Ogeron door
de equipage der brigantijn werd ontvangen met groot gejuich, dat
gegrond was op zuivere toegenegenheid en ware hoogachting. Wij hebben
reeds vroeger medegedeeld dat de heer d’Ogeron half aangebeden werd
door de vrijbuiters, waarvan hij de meesten persoonlijk kende, en zeker
werd dit ook veroorzaakt, doordien hij bij uitnemendheid den slag bezat
om hen in hun zwak te tasten, doch tevens hen eerbied en zelfs waar dit
noodig was vrees voor zich in te boezemen. Eer de Gouverneur van boord
ging drong hij er op aan om het schip van het dek tot het ruim te
inspecteeren, (eene beleefdheid waardoor de bemanning zich zeer gevleid
betoonde), en na zijn neef en de voornaamste officieren van den
schooner bij zich op het diner te hebben genoodigd, stapte hij,
vergezeld door Montbars, in de boot die door de goede zorg van Philippe
reeds voor hem in gereedheid was gebracht.
Bij het aan wal stappen hernieuwde de heer d’Ogeron zijne uitnoodiging
aan Montbars en drong er op aan dat deze vooral niet te laat zou komen;
daarna namen de beide heeren op zeer hartelijke wijze afscheid van
elkaar, en ging ieder van hen een anderen kant uit.
Montbars had de grootste moeite zich te onttrekken aan de ovatie die de
Broeders der Kust hem bereid hadden daar zij voornemens waren hem in
triomf door de straten te dragen; eindelijk gelukte het hem te
ontkomen, door onverhoeds een logement binnen te gaan dat hij toevallig
in het oog kreeg en nadat de menigte lang genoeg vóór de deur had post
genomen om te bemerken dat hij niet meer voor den dag kwam ging zij
eindelijk uiteen.
XII.
HET LOGEMENT.
Het logement waarin Montbars, als het ware, gevlucht was om bevrijd te
worden van de ovatie die zijne kameraden in de overmaat hunner
opgewondenheid hem hadden willen brengen, was een zeer bescheiden
woning, dicht bij den ingang van de haven, aan den hoek van twee
straten. Zooals al de huizen in die stad was het van hout, en had het
een plat dak; langs de eerste verdieping liep een balkon, en een
zuilengang van ruw afgeschaafde boomstammen, diende tot steun voor een
breede veranda; boven de deur aan een tak van een citroenboom was eene
ijzeren roede bevestigd aan wier eind bij het minste windje een breede
blikken plaat knarste, waarop met groote geelachtige letters geschreven
stond: „Logement voor Zeevarenden.”
Bij het binnenkomen werd de deur door Montbars stevig achter zich dicht
getrokken, zoodat het in de eerste oogenblikken voor hem was alsof hij
zich in totale duisternis bevond, doch van lieverlede wendden zijne
oogen zich aan het weinige licht, en kon hij gemakkelijk de voorwerpen
onderscheiden die hem omringden. De zaal, waarin het toeval hem had
gebracht, was middelmatig groot; tafels, stoelen en banken maakten de
meubileering uit; in een hoek stonden of lagen tegen den muur, riemen,
masten, raas en netten, en aan het benedeneind van de zaal was een
buffet waarin verschillende flesschen met geestrijk of ander soort van
vocht.
De vrijbuiter keek om zich heen, bemerkte dat hij alleen in de zaal
was, en klopte toen met de greep van zijn dolk op een tafel die vlak
bij hem stond om den pandeling die belast was met de bediening der
klanten, te roepen. Daarop leunde hij met zijn elleboog op de tafel, en
met zijn hoofd op zijn hand en gaf zich over aan zijn gepeins.
Een oogenblik later deed een licht geluid hem het hoofd opheffen en zag
hij dat eene vrouw onbeweeglijk vóór hem stond, tegen het licht in,
zoodat ook door de in het vertrek heerschende duisternis de omtrekken
van haar gelaat zeer moeielijk te onderscheiden waren. Zij zag den
vrijbuiter zoo vreemd en zonderling aan dat hij daardoor ondanks
zichzelven ontroerd werd.
—Gij hebt geroepen, mijnheer,—begon zij met zachte en bevende stem.—Ik
ben tot uwe orders, wat verlangt gij?
Bij den welluidenden klank van die stem, gevoelde de flibustier eene
gewaarwording, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven; hij begon te
beven, en druppels klam zweet liepen langs zijne slapen.
—Ja,—gaf hij ten antwoord genoegzaam zonder te weten wat hij eigenlijk
zei,—ik geloof dat ik geroepen heb. Ge zijt zeker de eigenares van dit
logement?—vroeg hij zich eenigszins herstellende.
—Ja, mijnheer,—antwoordde zij, en liet langzaam het hoofd zakken.
Montbars, nog altijd onder den indruk zijner ontroering, trachtte
telkens doch te vergeefs haar gelaat beter in het gezicht te krijgen
doch ook die poging werd door haar verijdeld, daar zij zeker de
schemering nog niet genoegzaam achtte om onbekend te blijven en dus het
dikke weefsel van hare rebozo over haar gelaat trok.
—Ik ben een zeeman,—hernam de vrijbuiter,—en...
—Ik ken u,—viel zij bijna fluisterend hem in de rede.
—Hoe!—spotte hij verwonderd,—kent ge mij?
—Ja, gij zijt de onverbiddelijke aanvoerder aan wien de Spanjaarden den
bijnaam van den Verdelger gegeven hebben.
—Dat is zoo!—bevestigde hij met eene niet weer te geven uitdrukking van
haat.—Aan de gavachos schenk ik nooit genade.
Zij boog even zonder antwoord te geven.
—Kunt ge mij hier huisvesting geven?—vervolgde Montbars.
—Waarom niet zoo u dit verlangt? Doch gij hebt immers uw eigen huis,
dat gij kunt betrekken.
—Gaat dit u aan?
—O, neen!—antwoordde zij zachtmoedig.—Daarin hebt gij gelijk, ik heb
mij daarmee niet te bemoeien.
—Zijn er bij u nog meer aanvoerders van de vrijbuiters?
—Drie, mijnheer.
—Wie zijn dat?
—Francoeur, de ridder de Grammont, en kapitein Drack.
—Zoo. Kunt ge mij een afgescheiden kamer geven?
—Wat verstaat gij door afgescheiden, mijnheer? Houd mij die vraag ten
goede, maar ik begrijp u niet best, mijnheer, want ik ben eene
Spaansche en dus minder vertrouwd met de Fransche taal.
—O! zijt gij eene Spaansche?—vroeg hij kortaf.
—Dat wil zeggen,—werd haastig ten antwoord gegeven—ik ben in Spaansch
Vlaanderen geboren.
—Zoo!...—liet hij hooren, en keek haar lang en scherp aan, doch
vervolgde alsof hij aan die mededeeling weinig gewicht hechtte.—Met een
afgescheiden kamer, bedoel ik een vertrek dat niet met de overige in
verband staat, en waar ik dus ongestoord uit- en in- kan gaan zonder
kans van lastig gevallen en zoo noodig zelfs zonder gezien te worden.
—Zulk eene kamer heb ik tot uwe beschikking.
—Goed, dan betrek ik die. Hier hebt ge iets in voorschot.—En bij die
woorden wierp hij eenige goudstukken op de tafel.
—Het is mijne gewoonten niet, voorschot aan te nemen,—gaf zij haastig
te kennen en schoof het geld met zenuwachtig gebaar van zich.
—Dan is dat zoo goed als verloren geld,—merkte hij eenigszins bits
aan,—want het is mijne gewoonte om nimmer terug te nemen wat ik eens
gegeven heb.
Een oogenblik aarzelde zij, toen streek zij de goudstukken naar zich
toe.
—Maar gij dient dan toch te weten hoeveel ik voor uwe huisvesting in
rekening zal brengen.
—Dat acht ik geheel onnoodig. Ge weet dat ik rijk ben en met zulke
kleinigheden bemoei ik mij niet.
—Wilt gij dan tenminste de kamer eerst gaan opnemen?
—Ook dat is overbodig. Als het vertrek is zooals ge mij hebt gezegd,
zal het juist voor mij geschikt zijn, daar ben ik zeker van.
—Wanneer wilt ge de kamer betrekken?
—Liefst dadelijk.
Hij stond op, dit gesprek begon hij drukkend te vinden, hij gevoelde
zich tegenover die vrouw in gedwongen verhouding, hoewel hij zich
volstrekt geen rekenschap kon geven waaraan hij dit moest toeschrijven.
—Vergun mij nog een paar woorden,—hernam zij.
—Spreek,—gaf hij kortweg ten antwoord en ging weer zitten.
—Ik wilde u verzoeken mij een gunst te bewijzen.
—Eene gunst? En dat aan mij!
—Ja, mijnheer,—luidde het zeer ootmoedige antwoord.
—Ge kent mij, ge zijt eene Spaansche en toch vraagt ge mij je eene
gunst te bewijzen!—viel hij uit, en trok de schouders op.
—Ik gevoel dat ik ongelijk heb, maar ik moet toch deze gunst juist van
u vragen daar gij de eenige zijt die daaraan kunt voldoen.
—Nu, als het er dus mee staat, spreek dan maar op; ik luister mits het
niet te lang duurt.
—Niet langer dan enkele minuten, mijnheer.
—Goed, toegestaan.
Juist op dit oogenblik werd de deur opengedaan, en traden een paar
personen binnen. Zij keek op, deinsde verschrikt terug, en verzocht
door een wenk den vrijbuiter haar te volgen.
—Kom mee,—hernam zij,—ik zal u naar uwe kamer brengen.
—En ge moest mij iets vragen.
—Later, op een ander oogenblik misschien,—luidde hortend en stootend
het antwoord, daar zij hare ontroering niet kon bedwingen.
—Doe naar uw goeddunken, maar dáár zie ik juist een mijner kennissen
met wien ik gaarne eenige woorden zou wisselen.
—Kent gij Francoeur dan?—vroeg zij gejaagd.
—Is dat zoo’n wonder? En gaat het u aan?
—Mij! O, neen, niets!
—Dan zult ge ons nu wel willen alleen laten, naar ik verwacht.
—Ik zal heengaan. De man die dáár bij den heer Francoeur staat, is mijn
pandeling, die kan hier blijven om u te bedienen.
—Goed, goed!—luidde het op ongeduldigen toon.—Welk eene zonderlinge
vrouw!—mompelde Montbars binnensmonds, terwijl hij haar nastaarde toen
zij de zaal verliet.—Zij is voor mij een raadsel. Doch hoe kom ik er
toch toe om mij zooveel aan haar gelegen te laten liggen? Misschien
doordien het is alsof ik haar vroeger ontmoet heb, maar waar en hoe,
dat kan ik mij niet herinneren.
Hij ging naar Francoeur, die zich op een stoel had laten neervallen,
als overweldigd door hevige gemoedsbeweging, doch toen hij Montbars
hoorde naderen, keek hij op, stak hem de hand toe en zei:—Welkom te
Port-de-Paix.
—Dank!—gaf Montbars ten antwoord en drukte hem daarbij de hand.—Maar
wat scheelt je? Ge ziet zoo bleek en ontdaan... Er is je toch geen
ongeluk overkomen?
—Neen, och neen, het is niets! Let er maar niet op. Ik schaam er mij
eigenlijk over dat ik mij dus aanstel. Ik heb de anderendaagsche
koorts, en die hindert mij, maar dat is ook alles. Het schijnt dat de
lucht hier niet goed voor mij is.
—Maar, vriendlief, hoe kunt ge zoo iets denken! Het klimaat hier is
immers zoo goed als men wenschen kan!
—Ja... mogelijk heb ik dan kou gevat te Leogana.
—Nu wat er de oorzaak van zij, doet er niet toe,—gaf Montbars te
kennen, daar hij zeer goed bemerkte dat de jonge man om de eene of
andere reden, niet voor de waarheid wilde uitkomen,—doch in ieder geval
hoop ik dat de ziekte of ongesteldheid wat dan ook, je niet zal
beletten deel te nemen aan eene nieuwe expeditie, die ik van plan ben
te ondernemen.
—Gij weet dat het mijn grootste verlangen is je daarbij te vergezellen.
—Goed, sla toe, dan blijft dit afgesproken.
—Is er nu spraak van een belangrijken tocht?
—Daarover zult ge zelf later kunnen oordeelen,—antwoordde Montbars
glimlachend.
Gedurende dit gesprek tusschen de beide vrijbuiters, had de pandeling,
die niemand anders dan Birbomono was, de zaal op en neer gedrenteld, en
hier en daar een tafel of een stoel recht gezet.
—Luister eens, vriend,—riep Montbars hem toe,—ik heb zoo even hier in
huis een kamer gehuurd, ga eens met mij mee om mij den weg te wijzen.
—Tot uwe orders, mijnheer.
—Gaat gij heen?—vroeg Francoeur hem terwijl hij zeer gejaagd opstond.
—Ja, doch maar even; ik heb behoefte om een poosje rust te nemen.
—Dat spijt mij,—hernam de jonge man steeds even haastig en gejaagd,
want nu het toeval ons zoo bij elkaar heeft gebracht, had ik die
gelegenheid gaarne waargenomen om je eene opheldering te vragen.
—Eene opheldering van mij?—vroeg Montbars met verbazing.
—Ja, wel te verstaan, zoo gij mij dit veroorlooft.
—Is daarbij dan zooveel haast?
—Dringende haast, dit verzeker ik je.
—Dit bevreemdt mij. Geldt het dan zulk eene ernstige zaak?
—Eene zaak waarbij het voor mij eene levensvraag geldt,—verklaarde hij
met half verstikte stem.
Montbars keek hem een poos met de grootste verwondering aan.
—Die woorden verbazen mij zeer,—hernam hij eindelijk.—Onze kennismaking
is nog sinds kort, en in ons vroeger leven zijn wij nooit met elkaar in
aanraking geweest, hoe is het dus mogelijk dat ge van mij zulk een
gewichtige mededeeling kunt verwachten?
—Stemt gij er in toe, naar mij te luisteren?
—Zeker, wanneer ge maar wilt.
—Dan liefst dadelijk.
—Goed, ik zal luisteren.
—Ja, maar niet hier; wat ik je te zeggen heb, is alleen voor jou
bestemd.
—Mij wel! Volg mij dan in mijne kamer, tenzij ge liever wilt dat wij
ons naar de uwe begeven.
—De plaats waar is mij tamelijk onverschillig, onder voorbehoud dat wij
maar alleen zijn.
Montbars gelastte door een wenk aan Birbomono, om hun de besprokene
kamer te wijzen; daarna gingen die drie de zaal uit, en onder weg
fluisterde de mayordomo den jongen man toe:
—Maar caballero! Wat gaat gij beginnen?
—Op de eene of de andere manier moet er een eind aan komen,—gaf de
ander ten antwoord, met verwilderden blik.—Mijn toestand word
onverdraaglijk!
Birbomono liet het hoofd op de borst zakken, zonder eenig antwoord te
geven. Na eenige treden een trap te zijn opgeloopen, deed de mayordomo
eene deur open, en bracht de beide heeren in een vrij goed gemeubileerd
vertrek.
—Dit is uwe kamer,—zei hij tegen Montbars.
—Goed. Ge kunt nu wel heengaan.
De mayordomo vertrok en sloot de deur achter zich dicht. Het eerste
vertrek diende tot spreekkamer; de vrijbuiters vertoefden daar niet,
maar begaven zich naar het tweede dat een salon scheen te zijn.
Montbars nam plaats in een leunstoel en noodigde door een wenk den
jongen man uit dit eveneens te doen, doch Francoeur schudde ontkennend
het hoofd, en bleef staan. De stilte die daarna volgde duurde tamelijk
lang, en werd het eerst door Montbars verbroken.
—Ik wacht op hetgeen gij mij te zeggen hebt!—zei hij.
Francoeur sidderde, en hief haastig het hoofd op, dat tot op zijn borst
was gezonken.
—Montbars,—begon hij langzaam en met sombere stem,—gij hebt den naam
iemand te zijn van wiens onversaagdheid geen wedergade wordt gevonden.
—Wat!—liet Montbars hooren, één en al verbazing over de zonderlinge
inleiding waarmee dit gesprek werd aangevangen.
—Ja,—hernam Francoeur,—gij gaat door voor iemand vol onversaagden moed,
in één woord voor een dier mannen die voor niets terugdeinzen,
hoogstens zich over iets verwonderen kunnen.
—Dat alles is mogelijk,—gaf Montbars koeltjes ten antwoord,—maar wat
ter wereld heeft mijn meerdere of mindere moed uitstaande met die zoo
gewichtige opheldering, die je van mij verwacht?
—Dat zal ik je zeggen, Montbars. Men heeft mij gezegd, dat gij sinds
gij op de Kust zijt, meer dan eens een tweegevecht hebt gehad, en het
duel tusschen boekaniers gaat meestal gepaard met doodelijken afloop.
—Ter zake, mijnheer, ter zake, dat verzoek ik je dringend!—viel
Montbars uit, wiens toorn gaande werd gemaakt, en die gevoelde dat hij
zich niet lang meer zou kunnen beheerschen.
—Altijd heeft het geluk u begunstigd, en gij zijt steeds ongedeerd
gebleven bij dergelijke ontmoetingen, niet waar?
—Ligt het in uwe bedoeling mij te beleedigen?—klonk de driftige vraag.
—Neen, mijnheer,—werd zacht, zelfs bijna weemoedig ten antwoord
gegeven.—Alleen verzoek ik u dringend mij te willen antwoorden.
—Nu, dan! Ja, mijnheer! God heeft mij steeds beschermd, want altijd was
de zaak die ik voorstond, rechtvaardig!
—God!—herhaalde Francoeur ten toppunt van verbazing.—Noemt gij den naam
van God, Montbars?!
—Zeker, jong mensch! En waarom zou ik dat niet? Doch thans niet meer
daarover, en nog eens voeg ik u toe, ter zake!
—Zoo zij het dan, Montbars! Ik verlang met je te vechten, en daar ook
ik het er voor houd, dat de zaak waarvoor ik strijd, heilig en
rechtvaardig is, hoop ik op mijn beurt, dat God mij beschermen en ik je
dooden zal.
Montbars deinsde ontroerd terug.
—Wat beduidt die comedie, mijnheer,—vroeg hij op hoogen toon,—of zijt
ge gek?
—Ik ben niet gek, mijnheer, en speel evenmin comedie,—luidde het nu
meer rustig gegeven antwoord.
—Dus beteekent dit werkelijk eene uitdaging?
—Zeer stellig eene uitdaging!
—Ge wilt mij dus dooden?
—Dat hoop ik te doen.
—Maar dat gaat zoo maar niet, voor zoo iets is geen naam te
vinden!—barstte Montbars los, en begon met groote stappen in de kamer
op en neer te loopen.—Gij kent mij te nauwernood en ik heb je nooit
eenig verdriet aangedaan, en nog veel minder u eenig onheil berokkend.
—Zoudt gij dat denken?
—Hoe! Of ik dat denk? Neen, ik ben er zeker van.
—Dan vergist gij u zeer, mijnheer. Gij hebt mij zeer veel kwaad gedaan,
ja, zelfs mij een onherstelbare ramp toegebracht!
—Ik!
—Ja, gij, señor, gij zelf!
—Kunt ge dat naar waarheid getuigen?
—Dat verzeker ik u op mijn woord van eer.
Montbars zweeg eenige oogenblikken, en bleef in gepeins; ten laatste
hernam hij:
—Luister eens, hoe vreemd en zonderling het voorstel schijnt dat je mij
doet, ik neem het aan.
—Daarvoor betuig ik je mijn dank.
—Ja maar, hoor nog even. Ik neem het aan, dit herhaal ik, doch op ééne
voorwaarde.
—Welke?
—Dat ge mij vooraf zegt wie ge zijt, en welke de beweegredenen zijn,
die je nopen dus te handelen, en wie de lieden zijn die je daartoe
hebben aangezet.
—Maar!!
—Doe geen verdere pogingen! Dit besluit is onherroepelijk!
—Maar toch...
—Hoe nu! Ik moet bekennen, dat ik je meer dan dwaas begin te vinden! Ge
komt hier zonder de minste aanleiding twist met mij zoeken, en mij
rondweg zeggen dat ge verlangt mij te dooden, en dacht ge nu misschien
dat ik dit mij maar zoo dadelijk zou laten welgevallen. Maar waarde
heer, dat is nog erger dan louter onzin! Bedenk wel dat ik geen lust
heb te vechten met den eersten den besten, die het goed mocht vinden om
mij zonder grond of reden te beleedigen. Neen, neen, mijnheer, dat gaat
niet aan, reken er niet op dat ge mij noodzaken zult je voldoening te
geven, zelfs al waart ge laag genoeg mij eene van die beleedigingen aan
te doen, die alleen door bloed kunnen worden uitgewischt. Wees dus
gewaarschuwd, want ik verzeker je dat ik je bij het eerste gebaar of
bij het eerste woord, neerschiet als een dollen hond. Nu kent ge mijne
voorwaarden, en kunt spreken of zwijgen naar goedvinden, mij is dit
tamelijk onverschillig.
—Welnu, mijnheer, dan zij het zoo! Daar gij er dus op aandringt zal ik
spreken! En toch, geloof mij, zou het wenschelijker voor u wezen indien
ik zweeg, want dan zou ten minste uwe eer onbezoedeld blijven.
—Ik vermeen mijnheer, zelf de beste rechter te zijn, in alle zaken
waarbij mijne eer mocht gemoeid zijn. Spreek dus, zonder vrees en
zonder eenige terughouding.
—Dat zal ik, doch beschuldig dan niemand anders dan je zelven over de
gevolgen die mijne woorden zullen veroorzaken.
—Nog eens, en thans voor de laatste maal, herhaal ik je, dat ik van je
verlang eene ronde, openhartige en volkomen voldoende verklaring, en ik
voeg er bij, dat ik geen enkel oogenblik beducht ben voor de gevolgen
daarvan.
—Ik zal dan aan je verlangen voldoen, en naar ik hoop zal er daarna
niet de minste aanleiding voor je overblijven tot een weigering om mij
voldoening te geven.