—Tracht te zien of dit zoo is, vriendlief, en mocht het zoo zijn breng

hem dan bij mij.

De mayordomo verwijderde zich na een wenk van verstandhouding, en

verdween spoedig tusschen de dichte struiken van de savanne.

Tenauwernood had hij een honderd passen gedaan, of hij stond bijna vlak

tegenover iemand die met snellen tred naderde. Die persoon was

Francoeur, de flibustier [7].

—Ik kom laat, niet waar, Birbomono?—vroeg hij en wischte het zweet van

zijn gelaat.

—Och, neen!—gaf de mayordomo ten antwoord.—Het is nog niet veel later

dan acht uur, en als ik mij niet vergis, was de samenkomst bepaald

tegen half negen.

—Dat is waar ook! Nu, des te beter, want ik zou mij niet gaarne hebben

laten wachten. Waar is de persoon die mij heeft doen verzoeken naar

hier te komen?

—Wil mij volgen, mijnheer, hij wacht u hier kort bij.

—Wijs mij dan den weg. Ik verlang er naar hem te ontmoeten. Doch

nauwelijks kreeg de jonge man den boekanier in het oog, of hij keerde

zich zeer teleurgesteld naar Birbomono, en zei vrij barsch:—Wat heeft

dat te beduiden? Wat verlangt die man van mij? En waar is de...

—Een oogenblik geduld, mijnheer, als ik je verzoeken mag,—viel de

boekanier haastig in. Daarna wendde hij zich naar den mayordomo en

zei:—Birbomono, vriendlief, laat ons alleen, en wil er voor zorgen dat

wij door niemand lastig worden gevallen. Mocht je iets verdachts

bespeuren in de savanne, kom ons dan terstond waarschuwen.

De mayordomo groette, greep zijn geweer, en ging heen zonder een woord

te spreken. De boekanier bleef hem nakijken, doch zoodra hij hem niet

meer kon bespeuren, keerde hij zich naar den jongen man en stak dezen

zijn hand toe.

—Welkom, neef,—begon hij,—het doet mij genoegen je hier te zien.

—Hoe! Wat!—uitte Francoeur één en al verbazing.—Zoudt gij werkelijk...

—Don Sancho de Penaflor [8] zijn,—vulde de ander aan.—Ja, neef die ben

ik in hoogst eigen persoon.

—Maar de kleeding...

—Is eene zeer goed bedachte en niet minder goed uitgevoerde vermomming,

niet waar? Het kwam mij voor dat die te dezer gelegenheid den

Gouverneur van Sint-Domingo beter zou passen, dan zijn schitterend

ambtsgewaad.

—Gaarne wil ik je bekennen, waarde neef, dat die vermomming zoo

volkomen is dat ik zelfs nu, ondanks dat ik er alles van weet, moeite

heb je te herkennen.

Eene omhelzing der beide edellieden volgde en daarna gingen zij naast

elkaar zitten.

—En laat ons nu spreken over onze zaken,—hernam don Sancho,—zoo ge dit

goedvindt, want daarvoor zijn wij hoofdzakelijk hier gekomen.

—Ik ben tot je orders, neef. Doch zeg eerst, hoe zijt ge toch te weten

gekomen, waar ik was?

—Het is immers een mijner eerste plichten er voor te zorgen dat ik

alles weet, niet waar? Welnu, ik heb informaties ingewonnen en dit was

voldoende. Beste vriend, zijt ge waarlijk nog zoo onnoozel om te meenen

dat wij onder ulieden geen spionnen zouden hebben? Kom dan van die

dwaling terug, want wij hebben er verscheidene en onder hen zeer slimme

vossen die wij, onder ons gezegd, zeer duur moeten betalen. Doch nu ter

zake, herinnert ge je nog neef, ons laatste gesprek te Vera-Cruz?

—Ieder woord daarvan heb ik goed in mijn geheugen gehouden.

—En dus zeker ook trouw in acht genomen alles wat ik je toen zoo

ernstig op het hart heb gedrukt niet waar?

—Ge moet mij dit ten goede houden, maar eerlijk gesproken, weet ik

eigenlijk niet waarop ge zinspeelt.

—Dan zal ik mij nader verklaren. Ik vertrouw namelijk dat ge, daar ik

je dit zoo dringend verzocht heb, je stipt hebt onthouden van alle

briefwisseling met Zijne Excellentie den hertog de Penaflor, mijn

vader, daar ge hiermeê zoudt wachten tot wij elkaar weer ontmoet

hadden, en nadat ge van mij de verdere ophelderingen zoudt ontvangen

hebben, die ik je beloofde.

—Waarde don Sancho, ik wil openhartig jegens je zijn,—verklaarde de

jonge man, doch met eenige aarzeling in zijn stem,—en als gij alles van

mij vernomen hebt, spreek dan een oordeel over mij uit.

—Goed!—uitte de markies kortaf terwijl hij de wenkbrauwen fronste,—ik

ben geheel gehoor.

—Er zijn reeds verscheiden maanden verloopen, sedert wij te Vera-Cruz

zóó onverwacht afscheid van elkaar moesten nemen, nadat de hertog de

Penaflor de goedheid had mij die zeer gevaarvolle zending toe te

vertrouwen; in dat tijdsverloop is er heel wat voorgevallen zonder dat

ik ooit iets van je vernam. Herhaaldelijk, doch altijd te vergeefs heb

ik moeite gedaan om je te ontmoeten; ik moest het er dus voor houden

dat gij òf uwe belofte vergeten hadt, òf dat gij, bij nadere

overtuiging op uw besluit teruggekomen, en niet meer van plan waart mij

die verdere ophelderingen te geven. Daarentegen ontving ik van den

hertog de Penaflor, wiens onvermoeibare werkzaamheid gij kent,

boodschap op boodschap, om mij aan te moedigen, zonder aarzeling of

ontmoediging de gedragslijn, die hij mij had afgebakend, te volgen, en

zoodoende de eervolle zending te vervullen, waardoor Spanje verlost zou

worden van hare geduchtste tegenstanders in deze wateren. Wat kon ik nu

anders doen dan gehoorzamen? Te meer daar stipte gehoorzaamheid aan de

ontvangen bevelen, niet alleen bevorderlijk zou zijn aan de belangen

van mijn land, maar evenzeer aan de voldoening mijner wraak. En

buitendien had ik mijn woord als edelman verpand, en ge weet, neef, dat

geen enkel lid van ons geslacht ooit in gebreke is gebleven zijn woord

gestand te blijven.

—O!—barstte don Sancho los, met opeen geperste lippen, en door toorn

verwrongene trekken.—Hoe herken ik in dit alles de helsche overmacht

van mijn vader, en zijn onverzoenlijken haat! Het is weer zooals

altijd, alles is door hem vooraf berekend, alles heeft hij voorzien!

—Wat wilt ge daarmee zeggen, neef? Ge maakt mij werkelijk ongerust! Wat

bedoelt ge met die woorden?

—Ga maar door don Gusman, ga maar door! Nu is het toch meer dan

waarschijnlijk te laat om je verdere ophelderingen te geven! Wie weet

welk onherstelbaar onheil er reeds is gesticht!

—Om Gods wil, don Sancho! Ge zult toch niet weigeren om uitleg van uwe

woorden te geven?—smeekte de jonge man bevende van ontroering.

—Zeg eerst alles wat ge nog te zeggen hebt, neef, en daarna... zal ik

zien of ik aan uw verzoek kan voldoen.

—Er is verder niet veel meer door mij te vertellen.—Trouw en stipt heb

ik tot nu toe de zending vervuld, die mij is opgedragen. De hertog de

Penaflor is steeds door mij op de hoogte gehouden van al de plannen en

bewegingen der flibustiers. Gisteren bij voorbeeld heb ik nog iemand

naar hem gezonden om hem bericht te geven over een zeer groote

expeditie die tegen een der havens van het vaste land op til is, en

hoogst waarschijnlijk, zal worden aangevoerd door Montbars, die ieder

oogenblik op Tortue wordt verwacht, en door de voornaamste

gezagvoerders van de Broeders der Kust. Nu is de beurt aan u neef, nu

zal ik naar u luisteren.

Don Sancho stond op, keek den ander een oogenblik zeer droefgeestig

aan, drukte de hand op zijn schouder, en voegde hem op meewarigen toon

toe:—Thans heb ik je niets meer te zeggen, arme jongen! Ge zijt

overgeleverd aan de macht van een man, die je het hart zal breken,

zonder dat ge in staat zult zijn je er tegen te verzetten. Je wreekt je

zelven niet, maar het is tot bevrediging van zijn eigen haat, waaraan

hij je dienstbaar gemaakt heeft. Arme kerel! Ge zijt niets dan een

werktuig in zijne handen!

—Maar wat moet ik dan doen? Zeg mij, in ’s hemels naam, wat ik doen

moet?

Don Sancho aarzelde een poos, en sprak eindelijk somber:—Don Gusman, ik

mag geen nadere verklaring geven. Tracht de bedoeling mijner woorden te

raden.

—Hoe kan ik dat? Het hoofd loopt mij om!—viel de ander radeloos uit.

—Ik wil je herinneren aan de woorden van den heiligen Remigius tot

Clovis: „Verbrand wat ge aangebeden hebt, aanbid wat gij verbrand

hebt.”

—En wat wil dit zeggen?—vroeg don Gusman gejaagd.

—Dat wil zeggen,—werd door den markies ten antwoord gegeven met nog

somberder stem,—dat wil zeggen dat de hertog de Penaflor mijn vader is

wien ik gehoorzaamheid en ontzag verschuldigd ben, met andere woorden

en kort af, dat wil zeggen, dat ik zwijgen moet. Maar als vriend en

bloedverwant geef ik je nog eene laatste en hoogst ernstige

waarschuwing, thans is het mij niet geoorloofd duidelijker tot je te

spreken, maar wees voorzichtig, don Gusman, wees voorzichtig.

Hij maakte zich gereed heen te gaan.

—Een woord nog, één enkel woord slechts, dat mij ten minste tot

leidraad kan dienen, in al die geheimzinnigheid!

—Ik mag niet meer zeggen.

—O! Het is of ik vervloekt ben!—barstte don Gusman los, als verpletterd

door overmaat van smart.

—Misschien wel!—beaamde don Sancho met onbeschrijfelijk

medelijden.—Doch verlies alle hoop niet, en doe uw best te raden wie

werkelijk uwe vijanden zijn. Vaarwel!

—Zal ik je nog terug zien?

—Ja.

—Wanneer?

—Dat weet ik niet, maar waarschijnlijk te laat om een vreeselijke

ontknooping te verhoeden, zoo je de bedoeling mijner woorden niet

begrepen hebt. Nog eenmaal, vaarwel, beste neef en denk aan den

heiligen Remigius.

Daarna drukte hij hem de hand en ging heen.

—Helaas! Helaas!—riep de jonge man uit, radeloos wanhopend.—Genadige

God! Wie zal mij tot gids zijn in zulk een ondoordringbare geheimenis?

Hij hoorde eenig gerucht en keek dadelijk op, wellicht zich vleiende

met de hoop, dat zijn neef, met zijn smart bewogen, zou terug zijn

gekomen, doch spoedig bemerkte hij zijne dwaling, het was Birbomono,

die naar hem toekwam.

—Zullen wij naar Port-de-Paix terugkeeren, señor?—vroeg de mayordomo.

—Laat ons opstappen,—werd kortaf geantwoord, en zonder er verder een

enkel woord bij te voegen begaf don Gusman zich op weg, voorafgegaan

door Birbomono, die voor hem het pad baande.

XI.

DE TERUGKOMST.

Tijdens Francoeur, Martial, of wel don Gusman de Tudela, al naar de

lezer verkiest hem te noemen, vertoefde op de plaats der bijeenkomst in

de Groote Vlakte aan de oevers van den Artibonite, waar zijn neef don

Sancho de Penaflor hem bescheiden had, heerschte er te Port-de-Paix een

buitengewone opgewondenheid. Eene voor de gansche bevolking hoogst

belangrijke tijding, had zich met de snelheid van een loopend vuurtje

verspreid en de inwoners hadden terstond daarop hunne huizen verlaten,

kroegen en herbergen waren leeggeloopen, en de menigte begaf zich in

groote haast naar den kant van de haven, onder luid vreugdegejuich

elkaar stootend en verdringend, daar ieder er het eerst bij wilde wezen

om een goed plaatsje te veroveren.

Nu moet erkend worden dat die tijding voor de Broeders der Kust van het

hoogste gewicht en al die opschudding wel degelijk waard was; de

wachter die aan de punt Marigot op den uitkijk was geplaatst, had de

aankomst geseind van een schooner, bemand door de vermaardste

flibustiers van Tortue, een brigantijn die reeds zoo lang geleden

vertrokken was, dat men die verloren of door de Spanjaarden genomen

achtte en er aan wanhoopte haar ooit terug te zien. Geen wonder dus dat

men uitermate verheugd was, en geestdrift ieder had aangegrepen.

Werkelijk was het die schooner; begunstigd door een flinke bries liep

het schip onder volle zeilen snel en lustig de haven binnen, en reeds

kon men de Broeders der Kust, die in groepjes op het dek stonden en

vroolijk met hunne mutsen wuifden ten bewijs van eene gelukkige

terugkomst, gemakkelijk onderscheiden.

Knarsend viel het anker neer, de zeilen werden gegeid, en de heer

d’Ogeron, die met zijne officieren op de uiterste punt van het

havenhoofd stond, en dit oogenblik met ongeduld verbeidde, kon zich

niet langer bedwingen, en stapte haastig in de prauw, die voor hem

gereed lag en nu met krachtige riemslagen naar de brigantijn werd

geroeid.

Montbars zelf stond bij den valreep gereed om hem te ontvangen en stak

de hand uit om hem aan boord te helpen, maar de Gouverneur greep den

valreep en sprong ondanks zijne gezetheid vlug en behendig op het dek.

—Wees welkom, mijnheer d’Ogeron!—sprak Montbars, en deed dit vergezeld

gaan door een hartelijken groet.

—Dubbel welkom gij zelf!—uitte de Gouverneur opgeruimd.—Wel verduiveld!

Ik dacht niet anders of gij allen waart naar de grondvergadering

gegaan, want het kwam geen oogenblik bij mij op, dat gij je door de

gavachos zoudt hebben laten snappen. Ik verzeker je dus, waarde

Montbars, dat er mij nu een heel pak van het hart genomen is.

—Ik zeg je oprechtelijk dank voor die woorden, mijnheer, en acht het

een bijzonder voorrecht voor mij je hier te mogen zien, want ik heb

zeer veel met je te bepraten, zoodat, wanneer gij niet zoo dadelijk aan

boord gekomen waart, mijn eerste bezoek bepaald aan u zou zijn geweest.

—Hum! Hum!—liet de heer d’Ogeron schertsend hooren.—Dan schijnt er wat

nieuws op til te zijn?

—Zoo is het.

—Dan hebt ge zeker eene goede reis gemaakt?

—Een uitmuntende.

—En hoeveel brengt ge mee?

—Niets.

—He! Noemt ge dit dan eene uitmuntende reis?

—Zeker.

—Daar kan ik niet goed bij! Verklaar je nader.

—Zeer gaarne, en liefst op staanden voet, zoo gij daar niets tegen

hebt.

—Twijfelt ge daar aan? Ik ben immers zonder verwijl uitsluitend aan

boord gekomen om het verslag over de expeditie uit uw eigen mond te

vernemen.

—Nu, dan kan het niet beter. Wees zoo goed met mij naar mijn kajuit te

gaan.

—Waarvoor is dat noodig? Mij dunkt dat wij dat hier ook wel kunnen

afhandelen.

—Ja, als wij over koetjes en kalfjes hadden te praten, maar niet nu ik

met u iets te bepraten heb, dat tusschen ons moet blijven.

—Wel drommels!—liet de andere hooren, en wreef zich in de handen.—Wat

spreekt ge geheimzinnig! Ik hoop toch dat de kool de sop waard is,

he?—werd er spottend bijgevoegd.

—Gij zult dat zelf kunnen beoordeelen zoo gij met mij naar beneden

gaat.

—Gaarne, gaarne, maar vertel mij eerst even hoe het komt dat ge op een

brik zijt uitgevaren en op een schooner terugkomt?

—Ei, ei!—luidde het antwoord.—Heb je dat reeds opgemerkt?

—Dat was toch waarachtig gauw genoeg te zien, dunkt mij.

—Het komt omdat mijn brik die tamelijk oud en zoo lek als een zeef was,

bij een stormvlaag onder mijn voeten is weggezonken en ik met enkele

metgezellen verplicht ben geworden, op het vaste land een schuilplaats

te zoeken.

—He! op het vaste land midden onder de gavachos. Maar beste vriend, dan

hebt ge u letterlijk gewaagd in het hol van den wolf.

—Dat is zoo, maar zooals ge ziet, ben ik er ongedeerd uitgekomen.

—Het zou er ook waarachtig hier mooi uitgezien hebben als dit niet het

geval ware geweest.

—Wel mogelijk,—luidde het eenigszins droefgeestige antwoord.—Maar

misschien zal dit mij een volgenden keer niet weer gelukken.

—Kom, kom! Dat weet ge niet!

—Wie weet! zooals de gavachos zeggen, doch wat daarvan zij, gij ziet

mij nu springlevend weer, zeer bereid, dit zweer ik je, om op nieuw er

de proef van te nemen wat ook later de gevolgen mogen zijn. En als gij

het mij nu veroorlooft zal ik je nu naar mijne kajuit voorgaan.

—Doe zoo, daar ge dit noodig schijnt te vinden.

De Gouverneur volgde Montbars, die hem naar zijn kajuit bracht en

plaats deed nemen aan een tafel waar rum, water, suiker, citroen en

notenmuskaat gereed stond. Gewoon aan de gastvrijheid der flibustiers

maakte de heer d’Ogeron dadelijk een grogje voor zich klaar en

middelerwijl werd Philippe even door Montbars ter zijde genomen om hem

met een paar woorden te gelasten, dat niemand tot de kajuit mocht

worden toegelaten. De jonge man groette zijn oom, wisselde met dezen

een paar woorden ter verwelkoming, en haastte zich toen weer naar het

dek, waar zijn eerste zorg was een wacht bij de luikklep te plaatsen,

met uitdrukkelijken last te zorgen dat niemand naar beneden ging. De

beide heeren waren er nu zeker van niet lastig gevallen noch beluisterd

te zullen worden en konden er dus nu in alle gerustheid toe overgaan

hunne zaken te behandelen. Montbars zette even de lippen aan zijn glas,

en opende daarna het gesprek.

—Waarde mijnheer d’Ogeron,—zoo begon hij.—Hebt gij nog altijd evenveel

vertrouwen in mij?

—Het onbepaaldste vertrouwen, beste vriend—werd onmiddellijk en zonder

de minste aarzeling door den Gouverneur verzekerd.—Maar zeg mij eens

waarom doet gij mij zulk eene zonderlinge vraag?

—Omdat ik, hoewel bijna zeker van het antwoord dat ik zou ontvangen, er

toch behoefte aan had dit nog eens uit uw mond te vernemen.

—Welnu, dan zult ge er mee voldaan zijn, niet waar?

—Volkomen!

—Op je gezondheid!

—Op de uwe!—Zij klonken.

—Ik had echter nog eene andere beweegreden,—hernam Montbars.

—Wel drommels! Dacht ge nu waarlijk dat ik dit niet begrepen had? En

wat is die beweegreden?

—Deze, dat ik je iets onmogelijks heb voor te stellen.

—Voor jou Montbars bestaat er niets onmogelijks!

—Meent gij dit?

—Ja, het is mijne vaste overtuiging, dit verzeker ik je op mijn woord.

—Dank je. Nu, dan zal alles wel losloopen.

—Goed! Maar waarin bestaat dan die onmogelijke zaak?

—Laat ik eerst een gesprek in uw geheugen terugroepen dat wij enkele

dagen vóór de herovering van het Schildpaddeneiland met elkander

hadden.

—Doe zoo, wij hebben al den tijd.

—Toen heb ik je gezegd, indien gij het je nog herinnert, dat onze

Vereeniging, zoo die op meer solide grondslagen gevestigd was, in staat

zou zijn de Spaansche macht te doen beven en sidderen, en dat wij dan,

zoo wij wilden, krachtig en sterk genoeg zouden zijn om aan den handel

der Spanjaarden in de Amerikaansche koloniën een knak toe te brengen,

zoo al niet dien geheel te vernietigen.

— Juist, diezelfde woorden zijn door je gebezigd, en ik heb de

bedoeling daarvan zoo ten volle begrepen, dat ik er toen ten sterkste

op aangedrongen heb, zoo spoedig mogelijk te trachten Tortue te

heroveren, als een uitnemend strategisch punt om den vijand in bedwang

te houden.

—En als gevolg daarvan hebben wij het Schildpaddeneiland hernomen.

—Ja, en de gavachos zullen dit nimmer meer in hun bezit krijgen,

tenminste zoolang ik de eer zal hebben uw Gouverneur te zijn, dit

verzeker ik je!

—Daaraan twijfel ik ook geenszins, doch ik geloof dat thans de tijd

daar is, om een goeden slag te slaan.

—Nu zal ik dan eindelijk iets vernemen,—meende de oude heer die met

kleine slokjes zijn grogje uitdronk—en naar de manier waarop die zaak

door u word ingeleid, vermoed ik dat die allesbehalve eene kleinigheid

is.

Montbars lachte even, en zei schertsend:

—Men kan voor u toch niets verborgen houden!

—Kom, kom! Vertel er nu meer van.

—Moet ik open spel met u spelen?

—Zeker.

—Zult gij mij niet beschuldigen, een halve dwaas of een dweeper te

zijn?

—Noch het een, noch het andere. Ik houd je voor een zeer ernstig man,

die geen expeditie, welke ook, zult wagen, dan na daarvan eerst goed

alle kansen te hebben overwogen.

—Nu als dit het geval is, wil je dan verder luisteren.

—Ik ben geheel gehoor.

—Ik heb je reeds verteld, dat ik, na het verlies van mijn schip, de

toevlucht naar het vaste land had genomen. Waarheen denkt gij dat het

toeval mij heeft gebracht?

—Ja, hoe kan ik dit gissen?

—Ongeveer een paar mijlen onder den wind in de golf van Maracaïbo.

—Ei, ei, ik ken die. Behalve de gavachos houden zich daar wilden op,

met wie men ook liever niet in aanraking moet komen. Ge zult het er dus

wel kwaad te verantwoorden gehad hebben, waarde Montbars!

—Toch niet, want nauwelijks was ik aangeland, of ik ontmoette daar uw

neef Philippe, die zijn brigantijn in eene verlatene kreek aan de kust

verborgen had.

—Wat drommel had de snaak dáár uit te voeren?

—Dat weet ik niet, en ronduit gezegd heb ik hem daarnaar niet eens

gevraagd.

—Dan zal ik dat doen, daar kunt ge op aan!

—Dat is iets wat u aangaat. Doch toen is bij mij de gedachte ontstaan

op een nieuw plan.

—Dat is juist iets voor een man als gij,—verklaarde de Gouverneur, met

eene hoffelijke buiging.—En wat is dat plan? Ik twijfel er niet aan of

het zal er een wezen, dat meer dan gewone stoutmoedigheid vereischt.

Montbars beantwoordde zijn buiging.

—Och!—zei Montbars op onverschilligen toon.—Het is eigenlijk zoo

ingewikkeld niet. Het is zeer eenvoudig en bestaat alleen maar in de

verovering van Maracaïbo.

—Maracaïbo te nemen!—viel de heer d’Ogeron uit, van zijn stoel

opspringend.—Maracaïbo te nemen!—herhaalde hij.

—Anders niet. Hoe denkt gij daarover?

—Wel verduiveld! Ik ben er geheel en al door verbluft! En ge doet, naar

uwe gewoonte, mij die vraag als met het pistool op de borst.

—Zijt gij er dan zoozeer over verwonderd?

—Ik moet zeggen dat ik je met al uwe koelbloedigheid hoogst naïef vind,

op mijn woord! Maar vertel mij nu eens, is het je alles waarlijk ernst?

—Twijfelt gij daaraan? Langer dan een maand loop ik al met dit plan

rond, in al dien tijd heb ik over niets anders gedacht.

—Maar je bent gek, stapelgek. Het is te gek om er langer over te

praten!

—Zoo, zoo! Nu heeft het er toch veel van alsof ge in mij niet veel meer

dan een kwâjongen ziet!

—Dat komt omdat ik mij geen begrip kan maken hoe zulk een dwaas plan in

iemands brein kan opkomen, Maracaïbo te willen veroveren!

—En waarom niet?

—Och, kerel! Ge schijnt wel te denken dat je tot alles in staat zijt!

—Dat is juist de beste manier om in alles te slagen. Maar luister nu

liever verder en bedaard, want voor dit plan is reeds meer verricht,

dan door je kan vermoed worden.

Daarop deelde Montbars tot in de geringste bijzonderheden alles mede,

wat er tijdens zijn verblijf op de kust was voorgevallen; de manier

waarop hij in de stad was gekomen, de wijze waarop hij dáár ontvangen

was, de voorbereidende maatregelen door hem genomen, en dergelijke

zaken meer. De heer d’Ogeron luisterde met open mond; hij durfde zijne

ooren niet te vertrouwen. Toch was dezelfde heer d’Ogeron voor geen

klein geruchtje vervaard; hij was zelf jaren achtereen vrijbuiter

geweest, had menig heldenfeit bedreven en dan nog welke feiten! Maar

aan zulke ongehoorde expedities had men in zijn tijd niet gedacht; en

dit plan ging alles te boven wat men uitzinnigs bedenken kon, en

grensde aan het onbestaanbare! Hij was dan ook, zooals hij reeds aan

Montbars had gezegd, geheel en al overbluft, en waande half dat hij

eigenlijk aan een nachtmerrie ten prooi was. Montbars glimlachte,

lepperde aan zijn grogje en besloot bedaard en onverstoord zijne

mededeelingen, met eene verdere ontwikkeling van zijn plan, en van de

middelen die moesten gebezigd worden om het goede gevolg daarvan te

verzekeren. Het gevolg daarvan was het gewone, wanneer twee flinke

mannen tegenover elkaar staan en die twee elkaar reeds lang kennen, en

naar waarde weten te schatten; wie van hen dan de meeste

stoutmoedigheid betoont, eindigt met den ander te overtuigen, en zijn

plannen te doen aannemen, al moeten die dan ook op sommige punten

eenigermate worden gewijzigd. Zoo ging het ook nu; de heer d’Ogeron

helde langzamerhand over tot de meeningen van Montbars, trad met hem in

discussies over het geopperde plan, en eindigde met daaraan zijne

goedkeuring te verleenen.

—Het is een grootsch plan,—verklaarde hij ten slotte,—en geheel den man

waardig, die het heeft durven ontwerpen, maar de uitvoering zal vele

bezwaren opleveren.

—Minder dan gij denkt, mijnheer. Want als wij het nu eens bedaard

nagaan, waar komt dan eigenlijk alles op neer? Op eene verrassing, op

niets anders,—verzekerde Montbars op stelligen toon.—Gij moet vooral

niet uit het oog verliezen, dat het betreft een zeer afgelegen streek,

bijna van elke hulp van buiten verstoken en daardoor genoegzaam aan

zich zelf overgelaten; de bewoners zijn niet talrijk en verspreid over

eene groote oppervlakte, de garnizoenen zwak, en de versterkingen

onbeduidend. Wij moeten met de snelheid des bliksems de kolonie

overvallen, zoodat de kolonisten niet kunnen gissen met wie zij

eigenlijk te doen hebben, en geen tijd meer hebben om, na van den

eersten schrik te zijn bekomen, zich te verzamelen. Zóó zal onze slag

geslagen en zullen wij weer ingescheept zijn, terwijl zij nog in het

onzekere zijn wie hunne vijanden waren.

—Maar stel eens dat je een Spaansch eskader ontmoet?

—Geen nood! Dan zullen wij het bevechten, en zoo noodig in den grond

boren. Daarenboven, wie niet waagt, wie niet wint, volgens het

spreekwoord. Wij hebben kans op een ontzaglijken buit, want gij kunt je

niet voorstellen welke onmetelijke rijkdommen in dat land te vinden

zijn.

—Dat wil ik graag gelooven,—zei de heer d’Ogeron lachend—want wij zijn

daar nog nooit geweest, voor zoover ik mij herinner?

De goudzoekers · 第 8 / 23 段