oprees, en zich nog erg slaperig de oogen uitwreef.—Ik lag juist zoo
heerlijk te droomen!
—Kom, kom!—merkte de reus zeer wijsgeerig aan.—Mijnheer Philippe weet
zeer goed dat de mooiste droom toch niets haalt bij de werkelijkheid.
Droomen zijn bedrog!
—O! Ben jij daar, Tributor! Ik moet zeggen je draagt je naam terecht.
[4] Wat moet je van mij hebben?
—Vooreerst moet ik je dit doosje ter hand stellen, dat men dezen morgen
voor je heeft gebracht.
—Geef op!—gelastte Philippe barsch, rukte het doosje uit zijn hand en
stopte het dadelijk weg onder zijn beddekussen.—En verder?
—Wat ben je haastig gebakerd van ochtend! Nu dan, Montbars wacht je in
het groote salon; dáár zijn zeker meer dan twintig lieden die om het
hardst babbelen. Naar het schijnt heeft men je dáár noodig.
—Wie zijn die menschen?
—Vooreerst onze kameraden, en dan de Gouverneur, die, ik weet niet
hoeveel, geborduurde rokken bij zich heeft.
—Wel alle duivels! Dan moet ik mij niet laten wachten, want het schijnt
eene ernstige zaak te wezen.
—Dat geloof ik ook. Gij moogt dus wel haast maken.
—Binnen vijf minuten ben ik klaar. Ga zeggen dat ik kom.
—Goed.
De reus ging heen. Philippe sprong haastig uit zijn bed, en begon zich
te kleeden, doch midden in die bezigheid hield hij even daarmee op, en
greep naar het doosje dat hij onder zijn hoofdkussen verborgen had. Hij
deed dit open en zag toen een hoogst eenvoudigen ring, waarin echter
een bleeke robijn van zeer hooge waarde was gezet.
—Dat is vreemd!—mompelde hij, terwijl hij den ring nauwkeurig bekeek,
en dien in zijne vingers ronddraaide. Toen meende hij eenig gerucht te
hooren, stak dus spoedig den ring weer in het doosje, verborg dit op
zijn borst en eindigde zijn toilet. Tien minuten later trad hij het
salon binnen, waar hij een talrijk gezelschap bijeen vond, zooals hij
reeds van Tributor had vernomen. Montbars had, even als dit tusschen
hen den vorigen avond was afgesproken, zich reeds bij tijds dien
morgen, zoowat tegen acht uur, naar den Gouverneur begeven, om dezen
zijn vertrek aan te kondigen en afscheid van hem te nemen. Don Fernando
d’Avila had den graaf de l’Atalaya zeer beleefd ontvangen, en hem zijn
leedwezen betuigd dat hij reeds zoo spoedig de kolonie ging verlaten,
zelfs eenigszins, doch eigenlijk slechts flauwtjes er op aandringend,
dat de graaf zijn verblijf te Maracaïbo zou verlengen; daarna had hij,
nadat bleek dat de graaf vast bij zijn besluit bleef, hem eene
voorspoedige reis toegewenscht, en waren de beide heeren gescheiden
schijnbaar in de beste verstandhouding. Toen Montbars daarna in zijne
woning was teruggekomen, had hij dadelijk Tributor naar Michel, de
Baskiër, gezonden om dezen te berichten dat alles in gereedheid moest
worden gebracht om ieder oogenblik onder zeil te kunnen gaan, en tevens
met last om met al de officieren van het schip aan wal te komen, ten
einde afscheid te nemen van de autoriteiten der stad.
Door Michel, den Baskiër, even als door al de vrijbuiters, die
voortdurend aan boord gebleven en dáár al dien tijd aan de strengste
discipline onderworpen waren geweest, was die order ontvangen met de
grootste ingenomenheid, daar zij zich zeer verheugden over het
aangekondigde vertrek. Het reeds zóólang gerekte verblijf op de kust
begon voor allen drukkend te worden, vooreerst omdat zij in zulk een
ingetogen gedrag moesten volharden, maar meer nog door de bestendige
vrees, dat zij ieder oogenblik gevaar liepen te worden herkend, voor
wat zij werkelijk waren. Geen wonder dus dat Michel de Baskiër, zich
haastte de waterprovisie aan te vullen, eenige versche levensmiddelen
op te doen, en naar boord terug te doen komen vijf of zes matrozen,
die, onder voorwendsel van te gaan jagen, bezig waren de omstreken van
de stad te verkennen. Een uur later was het tuianker gelicht, lag de
brigantijn voor het tweede anker, waren de booten aan boord geheschen
en was alles gereed om het schip binnen vijf minuten onder zeil te
brengen.
Daarna kleedde Michel de Baskiër zich in groot tenue, begaf zich
vergezeld door al zijne officieren naar wal, en begon met de
afscheidsbezoeken bij de autoriteiten der stad. De Gouverneur werd
echter niet in zijn paleis aangetroffen, daar hij met zijn staf naar
den graaf was gegaan om dien nog een laatste woord tot afscheid toe te
spreken en als eerbewijs hem uitgeleide te doen naar de boot, die hem
aan boord van het schip moest overbrengen. Dit bezoek kenmerkte zich
overigens door de uiterste voorkomendheid. Nu don Fernando er zeker van
was dat de graaf niet langer te Maracaïbo zou vertoeven, aarzelde hij
niet om nogmaals bij hem aan te dringen het vertrek nog wat uit te
stellen, en daarin werd hij gesteund door zijne officieren, doch zooals
licht te begrijpen is, al die verzoeken bleven te vergeefs. Met hoogst
beleefde bewoordingen, bedankte Montbars al de heeren voor dit bewijs
van hoffelijkheid, doch bleef standvastig weigeren, zich beroepende op
de overwegende verplichtingen van de zending, die hij had te vervullen.
Juist op dat oogenblik trad Philippe het salon binnen, en ieder haastte
zich hem te begroeten.
—Señor conde,—sprak de Gouverneur,—daar het u ondanks onze vurige
begeerte om u nog eenige dagen in ons midden te doen vertoeven,
onmogelijk is aan dit verlangen te voldoen, verzoek ik u de verzekering
aan te nemen, dat wij allen dit zeer betreuren. Wees er van verzekerd
dat bij ieder onzer lang in herinnering zal blijven het slechts al te
korte bezoek, waarmede gij ons hebt vereerd.
—Gaarne verklaar ik u, mijnheer de Gouverneur, dat het leedwezen, dat
mij door u uit aller naam wordt kenbaar gemaakt, mij niet alleen
verheugd, maar dat ik zelfs trotsch daarop ben. Houd u er van
overtuigd, mijne heeren, dat dit leedwezen ook door mij wordt gedeeld.
—Helaas señor! Waarschijnlijk keert gij zeer spoedig naar Europa terug
en is dit dus ongetwijfeld de laatste keer, dat wij de eer genieten u
hier te ontmoeten.
—Wie weet! mijnheer de Gouverneur!—gaf Montbars ten antwoord met een
bijna onmerkbare zweem van spotternij.—Het toeval speelt zulk een
groote rol in het lot van den mensch, dat wij misschien elkaar eer
zullen terugzien dan gij veronderstelt.
—Dat geve God, señor conde! Laat ik u mogen verzekeren, dat, zoo dit
plaats mocht grijpen, wij allen het zouden beschouwen als een groot
geluk.
—Dat zij aan de beslissing van God overgelaten, señor!
—Vergun mij nu, señor conde, u nog een enkele vraag te doen.
—Gaarne señor. Het zou mij zeer veel genoegen doen, zoo ik u in een of
ander opzicht van dienst kon wezen, om op die manier, hoe weinig het
mocht zijn, u mijne dankbaarheid te betoonen voor de van u genotene
gastvrijheid. Zou dit wellicht het geval wezen?
—Misschien, señor conde. Zijt gij van plan Chagres aan te doen alvorens
gij u naar Vera-Cruz begeeft?
—Mag ik weten señor, met welk doel die vraag door u wordt gedaan?
—O, zeker caballero! Op dit oogenblik heb ik onder mijne berusting een
bedrag van honderd vijftig duizend piasters [5], dat ik reeds sinds
lang naar Panama had moeten zenden, doch wij zijn hier zooals u bekend
is, señor, op een als het ware afgelegen post, en tot nu toe heb ik
geen gelegenheid kunnen vinden om dit te bewerkstelligen.
—En dus?—vroeg Montbars op zonderlingen toon.
—Waarlijk, caballero, ronduit wil ik u bekennen dat de
verantwoordelijkheid van zulk een aanzienlijke som mij zwaar begint te
drukken en als gij u mocht willen belasten met de overbrenging, zoudt
gij mij ontzaglijk verplichten.
—Het doet mij ontzettend veel leed, señor,—gaf Montbars tamelijk
droogjes ten antwoord,—dat ik niet in staat ben aan uw verlangen te
voldoen, doch dit is letterlijk onmogelijk.
—En waardoor, señor conde?
—Om de eenvoudige reden, caballero, dat het volstrekt niet zeker is of
ik Chagres zal aandoen, want eigenlijk heb ik daar niets te verrichten,
en hoogst waarschijnlijk zal de op de kust zoo veranderlijke wind ons
veeleer in de ruimte houden, zoodat er veel kans zou bestaan, dat dit
geld lang onder weg bleef eer het de plaats van bestemming bereikte.
—Dus moet gij het afslaan?
—Zoo is het, señor, doch geloof mij, ik doe dit zeer tegen mijn wil,
toch dunkt mij is het beter dat dit geld nog eenigen tijd onder uwe
bewaring blijft te meer daar er toch slechts weinige dagen zullen
verloopen vóór de aankomst der konvooien uit Europa, en dan hebt gij
gelegenheid te kust en te keur, om u te ontslaan van die bezwarende
verantwoordelijkheid.
—Genoeg, caballero, laten wij er verder niet meer over spreken en houd
mij dit onbescheidene verzoek ten goede.
—Daarvan kan geen sprake zijn, caballero, want ik ben het veeleer die u
verschooning zou moeten vragen. Waarlijk zou het mij heel veel genoegen
hebben gedaan, zoo ik u in dit opzicht van dienst had kunnen wezen!
Doch thans is het uur van scheiden aangebroken, señor!
Op het plein vóór het huis stonden de paarden gezadeld en gereed; men
verliet de vertrekken en ieder steeg op. Eene eerewacht stond onder de
saguan onder de wapenen. Montbars voerde den stoet aan, onder geleide
van don Fernando; al pratende reed men naar de haven. De straten, die
men moest door trekken, waren ondanks het vroege uur opgepropt door
eene zeer talrijke menigte lieden die onder herhaalde toejuichingen,
niet ophielden, met hoeden, doeken en sjerpen te zwaaien. Met zeer veel
ingenomenheid werd don Montbars naar rechts en links gegroet. Philippe
deed alle moeite onder de menigte die zich op den weg voor den stoet
verdrong, het bekoorlijke gelaat van Juana gewaar te worden, doch dit
was vergeefsche moeite; de jonge man versmoorde een zucht, en werd
droevig gestemd. Eindelijk bereikte men het havenhoofd, waar de
matrozen reeds druk in de weer waren de bagage naar de daarvoor klaar
liggende vaartuigen te brengen; toen steeg men af, en begonnen de
laatste afscheidsgroeten. Eene eigenaardigheid van de Spanjaarden is de
langwijligheid hunner plichtplegingen, doch Montbars achtte het
raadzaam daaraan kort en bondig een eind te maken, en nauwelijks had
hij bemerkt dat de bagage was ingescheept, of hij gaf een wenk aan
zijne officieren, dat zij hem moesten volgen, en stapte onmiddellijk in
zijn boot.
—Wel drommels,—begon Michel, de Baskiër zoodra de boot ver genoeg van
den wal was.—Kommandant, dat is daar straks toch een zonderlinge inval
van je geweest.
—Over welken inval spreekt ge eigenlijk, oude jongen?—vroeg Montbars
glimlachend.
—Wel, om dat geld te weigeren, dat die Gouverneur je zoo goedsmoeds
aanbood!
—Ge zegt iets zonder daarbij door te denken, kameraad. Wij zijn toch
geen dieven, naar ik meen? Wij zijn dappere, maar eerlijke vrijbuiters,
niet waar?
—Daar zegt ge een goed woord, kommandant! Maar toch zevenhonderd
vijftig duizend francs! ’t Is geen kleinigheid!
—Kom, kom, Michel, wees gerust daarover, met geduld komt alles terecht!
Het geld, dat ik niet heb willen aannemen, zullen wij later toch wel
vinden, dat beloof ik je! Maar buitendien, misschien was dat aanbod
juist een valstrik geweest van den Gouverneur.
—Dat zou ook waar kunnen zijn, maar waar of niet, toch hebt ge gelijk,
kommandant.
Een kwartier later sneed de schooner met volle zeilen door het water,
met de snelheid van eene meeuw die over de golven scheert, en werd tot
afscheid begroet door het gejuich der opgewonden menigte, die zich op
het havenhoofd verdrong om getuige te zijn van het vertrek.
De kajuitsjongen Zijden-Draad, was verdwenen. Als men Montbars daarover
sprak, lachte hij even geheimzinnig, als hij gewoonlijk deed als hij
ergens geen ander antwoord op wilde geven.
X.
DE BEIDE NEVEN.
Op een mooien ochtendstond, juist toen de zon even boven den horizont
te voorschijn was gekomen, gereed om hare koesterende stralen overal om
zich heen te verspreiden, traden twee mannen uit een bosch, dicht
begroeid met guajava-, mastik- en bloeiende oranjeboomen, waarvan de
uiterste takken hun zwaar gebladerte in het heldere en koele water van
den Artibonite deden weerspiegelen. Zij bevonden zich hoogstens drie
uren van de stad Port-de-Paix; een stad die geacht kon worden eene der
voornaamste schuilnesten te zijn van die geduchte roofvogels, de
flibustiers, die spottend met de Spaansche macht en als om die te
trotseeren, stoutmoedig en onvervaard hun nest hadden opgeslagen op de
kust van de rijkste kolonie, het verwijfde en weelderige Hispaniola.
Die beide mannen keken vorschend en angstvallig om zich heen, en toen
zij zich verzekerd hielden dat niemand hen bespionneerde, daalden zij
langs het vrij ruime steile pad van den oever van den stroom af,
maakten daarna eene lichte prauw van boomschors, die onder de struiken
verborgen was, los, en trokken die naar zich toe, waarna zij er
uitwierpen alles wat er in aanwezig was, zooals pagaaien, een mast, en
dergelijke dingen. Daarna droegen zij de prauw op hunne schouders naar
den voet der glooiing en keerden haar toen om, met het doel om er
zoowel een schuilplaats van te maken voor de zonnestralen, als voor
onbescheidene blikken. Zij bevestigden haar stevig, door middel van
staken, die van afstand tot afstand in den grond werden gestoken,
gingen daarna in de schaduw liggen, en begonnen een en ander klaar te
maken voor hun ontbijt.
Wij zullen het oogenblik, waarop zij zich daarmee bezig houden, te baat
nemen om den lezer eenigszins nader met hen in kennis te brengen.
Beiden waren gekleed als Fransche boekaniers; de grof linnen
onderbroek, die even over de knieën viel en op de heupen werd
teruggehouden door een gordel van krokodillenvel, de twee hemden over
elkaar aangetrokken, en die met bloed- en vetvlekken bemorst waren, de
tent van fijn linnen, die krap opgerold en samengeperst, als een
bandelier om hunne schouders was geslagen, en op het hoofd de bol van
een hoed met oogklep. Hunne wapens bestonden uit drie dolken en een
mes, gestoken in een koker van buffelvel, die aan hun gordel naast een
kruithoorn en kogelzak was gehecht, benevens uit een van die lange
geweren, uit de fabriek van Brachie te Dieppe, die men in die dagen
bestempelde met den naam van flibustiers-geweren.
Zoo gewapend waren die mannen in staat zich krachtdadig te verweren,
zoo het ongeluk wilde dat zij in aanraking kwamen met dezen of genen
die twist met hen wilde zoeken. Trouwens getuigden hunne
gelaatstrekken, en hun door wind, regen en zon gebruinde tint, van zulk
een vasten wil, en toonden hun forsche lichaamsbouw, en de buitengewoon
stevige armen, voorzien van peezen en spieren, zoo dik en hard als
touwen, zulk een mate van kracht, dat men zich wel tweemaal zou bedacht
hebben, eer men besloot het hun lastig te maken.
Die beide personen waren betrekkelijk nog jong, en voor zoover men kon
nagaan, want hartstochten en buitensporigheden hadden hun gelaat reeds
geteekend, waren zij nog niet boven de veertig. Doch ondanks dat
gansche voorkomen zullen wij, als wij luisteren naar wat zij elkaar te
zeggen hebben, spoedig bemerken dat zij niet zijn waarvoor zij willen
doorgaan, maar veeleer een paar vossen in leeuwenhuiden; en even
spoedig tot het inzicht komen dat die kleeding als boekaniers eigenlijk
niet anders is dan eene vermomming. Toch moeten wij er dadelijk
bijvoegen dat die vermomming zóó juist was aangebracht, dat zelfs de
slimste mensch, na een zeer nauwkeurig en ernstig onderzoek, toch nog
veel kans zou gehad hebben, zich er door om den tuin te laten leiden.
De toebereidselen tot het ontbijt hadden niet veel tijd in beslag
genomen, en onze beide personages, wier magen zeker geprikkeld waren
tengevolge van een vermoeienden marsch door zulk een eenzame streek
langs ongebaande wegen, verorberden met smaak wat zij hadden
medegebracht en voerden middelerwijl in het Spaansch een gesprek, doch
niet dan met ingehoudene, half fluisterende stem, alsof zij, ondanks de
hen omringende eenzaamheid, beangst waren dat het geluid hunner stemmen
door den ochtendwind zou worden overgebracht naar de ooren van lieden,
die konden zijn uitgezonden om hen te bespieden of te overvallen.
—Hoe ver zijn wij hier van Port-de-Paix?—vroeg een van hen.
—In vogelvlucht genomen,—gaf de ander met vollen mond ten
antwoord,—omstreeks vijf kwartier, doch als men de paden moet volgen
minstens drie uren.
—Hum! Dan zijn wij toch nog al ver doorgedrongen, naar mij dunkt!
—Misschien zelfs te ver, doch als wij niet zoo ver gekomen waren,
hadden wij veel kans gehad hem te missen dien wij willen ontmoeten.
—Zijt ge benauwd, dat wij zóó dicht bij de stad wellicht eene minder
aangename ontmoeting zouden kunnen hebben?
—Dat is niet zeer waarschijnlijk edele heer, want in de vlakte waar wij
ons nu bevinden, is op dit oogenblik geen enkel stuk wild te vinden; ik
durf er alles onder te verwedden, dat tien uren hier in den omtrek geen
spoor van een stier zou te ontdekken zijn. Dit weten de boekaniers zeer
goed, en daarom hebben zij deze streken verlaten, daar zij hier zeker
in geen maand iets onder schot zouden krijgen.
—Ik moet toestemmen Birbomono,—hernam de eerste spreker,—dat er veel
waar is in wat daar door je wordt aangevoerd, maar naar mijne meening,
zijn de vrijbuiters niet de eenige vijanden die wij te duchten hebben.
—En welke andere vijanden worden dan door u bedoeld, edele heer?—vroeg
Birbomono, want het was werkelijk de mayordomo.—Ik moet in alle
nederigheid bekennen dat ik u niet begrijp.
—Op wie zou ik anders doelen dan op de Caraïben, die verschrikkelijke
stroopers, die zoo mogelijk nog wreeder zijn dan de boekaniers.
Birbomono begon hartelijk te lachen.—Vive Dios, edele heer! Gij vergeet
welke kleeding op dit oogenblik door u wordt gedragen. De Caraïben zijn
de onverzoenlijke vijanden der Spanjaarden, dit is waar, maar
daarentegen zijn zij de trouwe vrienden van de Broeders der Kust, en
als bij toeval enkele dier wilden ons op het spoor kwamen dan zouden
zij, verre van het ons lastig te maken, veeleer alles doen wat ons
aangenaam kon zijn, daarvan ben ik overtuigd.
—Het is mogelijk,—gaf de ander ten antwoord, naar het scheen slechts
ten halve overtuigd,—toch moet ik je bekennen dat het mij bijna
berouwt, dat wij ons zóó ver gewaagd hebben, hoewel wij niet geheel en
al aan ons zelven zijn overgelaten en de drie detachementen, die ik in
het bosch in hinderlaag gelegd heb, op het eerste signaal ons te hulp
zullen komen.
—Gij weet, edele heer, hoe ik over die detachementen denk,—gaf de ander
op een onbeschrijfelijk minachtenden toon te kennen.—Gij en ik, wij
beiden, hebben hen aan het werk gezien [6] en weten bij ondervinding
wat van hen te verwachten is! Neen! Liever dan op hen, reken ik in
zoo’n geval op mij zelven!
—Caraï Birbomono! De tijd vliegt om, en onze man komt niet!
—Hij zal komen, edele heer. Geduld maar, geduld!
—Rekent ge er zoo vast op?
—Oordeel zelf! Het is u bekend dat mijne meesteres, na zóó vele jaren
in het verborgen te hebben geleefd, zich gevestigd heeft te
Port-de-Paix. Dáár heeft zij op mijn aanraden, en om aan alle
vermoedens te ontkomen, eene soort van hotel ingericht, waar de
voornaamste aanvoerders der flibustiers huisvesting kunnen verkrijgen.
—Dat alles weet ik lang en breed, maar het blijft voor mij een raadsel,
hoe de Broeders der Kust, die zoozeer en terecht als fijne speurhonden
bekend staan, onnoozel genoeg zouden zijn, zich door haar zóó te laten
beet nemen, en haar niet, reeds den eersten dag den besten als eene
Spaansche herkend zouden hebben.
—De vrijbuiters, edele heer, zijn niet zóó wantrouwend als gij wel
gelooft; hun meerder vertrouwen ligt in hunne kracht. Maar buitendien
wij zijn te Port-de-Paix aangebracht door een Hollandsch schip, en
ontscheept onder opgave dat wij uit Europa kwamen. Wij gaven ons uit
voor Vlamingen, onze papieren waren in de beste orde. Wat kon men dus
meer verlangen?
—Niets en te minder daar de Castiliaansche taal nog algemeen in
Vlaanderen, dat aan den koning van Spanje toebehoort, gesproken wordt.
—Juist zoo is het, en dan nog ten overvloede, hoe zou er bij zulke
lieden, die zich door niets ter wereld schrik laten aanjagen, de minste
vrees kunnen bestaan voor eene reeds bejaarde dame, die niemand anders
bij zich heeft dan één enkele bediende? Men heeft ons dan ook
integendeel ontvangen met de meeste welwillendheid, en zooveel mogelijk
geholpen bij het in orde brengen van onze nieuwe inrichting.
—Ja, de flibustiers zien het zelfs gaarne dat vreemdelingen zich bij
hen vestigen, niet waar?
—Zeker, zeker! Dat geeft hun een gezetene, oppassende, nijvere
bevolking, die later, naar zij hopen, er toe zal bijdragen om hun
inwendigen toestand tot gezonder voet te brengen.
—Ga door, ik stel in uwe mededeelingen groot belang.
—Edele heer, ik heb er niet veel meer bij te voegen, alleen dit nog,
dat Francoeur, dus noemen de vrijbuiters den man over wien wij het nu
hebben, zich ten onzent heeft gevestigd, en dat de brief dien gij mij
hebt doen toekomen, door mij aan hem is overhandigd.
—En wat heeft hij toen gezegd?
—Hij scheen zeer ontroerd, edele heer, toen hij dien brief onder de
oogen kreeg, en een oogenblik later zei hij kortaf, „goed, ik zal
komen.”
—Dan is het wel, want hij zal woord houden. En is uwe meesteres nog al
tevreden?
—Ja, voor zooverre, dit voor haar mogelijk is, maar gij weet, edele
heer, dat ik vrij gauw iets opmerk.
—En wat hebt ge opgemerkt?
—Iets wat mij zeer bevreemdt, edele heer. Donna Clara, die gewoonlijk
zoo stil en afgetrokken is, en meermalen weken lang geen woord uit,
toont voor dat jonge mensch eene bijzondere genegenheid te koesteren.
—Wel zoo! Wat zegt ge mij daar, Birbomono!
—De waarheid, edele heer! Zoodra zij hem gewaar wordt, heldert haar
anders zoo somber gelaat geheel op, en als hij zoo nu en dan haar
toespreekt, dan is het of het geluid zijner stem haar ontroert. Komt
hij een enkelen keer in de algemeene kamer, dan volgt zij hem met hare
blikken, let op al zijne bewegingen en zucht dan diep bij zijn vertrek,
en laat het hoofd hangen. Zij zelve houdt het toezicht over zijn kamer
en al zijne kleeren in orde, het is alsof zij die zorg aan geen ander
wil overlaten en zich gelukkig gevoelt door al die bemoeiingen om het
den jongen man alles naar genoegen te maken. Mij dunkt, edele heer, dat
ook gij dit alles zeer bevreemdend zult vinden.
—Dat is ook zoo! Hebt ge er donna Clara nooit over gesproken?
—Slechts ééns. Toen heb ik het gewaagd haar een opmerking te maken,
maar dadelijk viel zij mij in de rede, heeft met een engelachtig
glimlachje den vinger op haar mond gelegd en tot mij gezegd op zulk een
gevoelvollen toon, dat de tranen mij in de oogen kwamen, „Birbomono,
trouwe vriend, laat mij trachten hiermede al mijn leed te verdooven. Ik
heb dien jongen man lief, alsof ik zijne moeder en hij mijn eigen kind
ware. Zeker is hij door eene genadige beschikking van God bij mij
geplaatst, tot troost over het verlies dat ik geleden heb, en tracht te
vergeten.” En, edele heer, wat kon ik daartegen inbrengen? Niets, en
daarom zweeg ik.
—Ja, ja,—mompelde de eerste spreker, en streek met de hand langs zijn
voorhoofd, waarop klam zweet parelde.—Het is als eene beschikking van
God! Dat Zijn heilige wil geschiedde! Maar hoe denkt die jonge man zelf
over haar?
—Och, edele heer, ik geloof dat hij er eigenlijk in het geheel niet
over denkt, om de eenvoudige reden dat hij er niet op let. Hij is
iemand van gansch andere geaardheid dan zijne metgezellen, somber en
terughoudend. Hij dobbelt niet, drinkt niet, houdt zich met geen
vrouwvolk op en dikwerf is de vraag bij mij opgerezen, hoe komt zulk
een man onder de vrijbuiters?
—Toch schijnt hij onder hen eenige vrienden te hebben.
—Hoogstens een paar, Pierre Legrand en Philippe d’Ogeron, maar die twee
zijn reeds lang op eene expeditie uit, en dus leeft hij geheel op zich
zelf.
—Kent Montbars hem?
—Dat geloof ik niet, of liever gezegd, daar weet ik niets van. Toen wij
te Port-de-Paix kwamen, was Montbars reeds ongeveer een maand van daar
vertrokken, en is nog niet teruggekomen.
—Nu dat doet er ook niet toe, Birbomono. Blijf, zooals ik je dit
dringend heb verzocht, dien zonderlingen jongen man goed in het oog
houden; ik heb daarvoor zeer gewichtige redenen, die ik je later zal
kunnen mededeelen.
—Het is voor mij genoeg dat mij dit door u wordt gelast, edele heer,
verder behoor ik mij daarmee niet te bemoeien. Doch ik geloof dat ik
eenig gerucht hoor,—voegde hij er bij,—en vermoed dus dat hij in
aantocht is.