—Toch niet! Eene liefde zonder hoop sterft ten laatste uit, dit is zoo

zeker als een wet der natuur. Dus rekende ik er op, dat de afwezigheid

eindelijk mijn lief kind zou bevrijden van haar innig gevoel voor u;

doch door uwe onverwachte komst hier, worden al mijne plannen in de war

gestuurd en falen al mijne berekeningen. Don Felippe, gij zijt jong,

knap, rijk, van goede afkomst, dit laatste vooronderstel ik ten minste,

welnu, ik smeek u in naam uwer moeder, wees tegen mij even openhartig,

als ik dit tegen u was. Antwoord mij dus zooals dit een edelman

betaamt. Is de liefde die gij voor donna Juana gevoeld waarachtig en

oprecht? Met andere woorden bemint gij haar genoeg om haar tot vrouw te

nemen ondanks al het duistere en al het geheimzinnige dat ten opzichte

van hare geboorte bestaat? Of is het bij u wellicht, zooals zoo dikwerf

bij jonge menschen, niets anders dan eene voorbijgaande hartstocht,

waarin de ijdelheid het hoogste woord voert, en die verdwijnt zoodra

aan haar verlangen is voldaan. Gij bemerkt nu ten volle don Felippe dat

ik met die vragen rondborstig voor den dag kom, geef daarop zonder

aarzeling en op dezelfde manier antwoord, dit eisch ik van u die

edelman zijt.

—En zoo zal ik ook doen, na Cigala—verklaarde Philippe in de grootste

opgewondenheid.—Ik bemin donna Juana met waarachtige en oprechte

liefde, eene liefde zoo zuiver dat de engelen zich er over zouden

verheugen. Wij hebben bezworen dat wij elkaar tot echtgenoot zullen

nemen, en dat noch de een noch de andere ooit aan een ander zou

behooren. Wat mij betreft dien eed zal ik gestand blijven tot iederen

prijs. Wat doet het er toe, of donna Juana al dan niet van adel mocht

wezen! Zij is goed, mooi en verstandig, en dit is voor mij voldoende;

ik ben rijk en adellijk genoeg zoowel voor haar als voor mij. Sinds

lang reeds beschouw ik haar als mijne vrouw en zij, van haar kant, ziet

in mij haar echtgenoot. Welke ook de hinderpalen mogen zijn die zich

tegen onze vereeniging opdoen, ik zal die weten te boven te komen.

Alleen om haar te zien, heb ik de grootste gevaren getrotseerd, en zoo

min nu als in de toekomst zal ik mij door iets laten terughouden. In

mijne liefde vind ik de kracht om de vijanden te weerstreven, die het

mochten wagen haar aan mij te ontrooven, in één woord die liefde is

mijn leven, en zal duren zoolang ik leef! Dat is mijn antwoord, na

Cigala, ik acht het loyaal en zoowel mij als de vrouw die ik bemin,

waardig. Zeg nu wat ge wilt dat er gedaan wordt, ik stel mij tot uw

beschikking.

—Goed en braaf gesproken, don Felippe,—gaf de duenna ten

antwoord.—Thans weet ik wat ik weten wilde, en ik blijf u van ganscher

harte toegenegen. Ik zelve, ik ben niet meer dan een eenvoudige

dienstbode, die weinig invloed kan uitoefenen, maar hoe gering die ook

zij, gaarne wil ik die geheel voor u aanwenden, en wees er van

verzekerd dat ik niets zal verzuimen om u te doen slagen in uw

voornemen om met mijn dierbaar kind in het huwelijk te treden en dus

aan uw beider geluk mede te werken.

—God vervulle uwe en mijne wenschen, na Cigala! Waarlijk, ik kan geen

woorden vinden om je naar eisch mijne dankbaarheid te betuigen.

—Don Felippe, het uur waarop de samenkomst moet plaats grijpen, nadert.

Wikkel u goed in een mantel van donkere kleur, trek den rand van uw

hoed diep over de oogen, gesp uw degen aan en volg mij; donna Juana

wacht u.

De jonge man gehoorzaamde, als een volgzaam kind, en was in een

oogenblik gereed.

—En wat moet ik nu doen?—vroeg hij daarop.

—Mij volgen alsof het iets zeer gewoon ware; verder u over niets

verwonderen, en binnengaan waar ik binnenga.

—Ga maar voor. Ik volg je.

Zij verlieten het huis. De avond was reeds gevallen; het was een van

die echt Amerikaansche avonden, met heldere lucht vol sterren, frisch

en aangenaam geurend, een avond zooals in het noordelijke klimaat niet

wordt gekend. In de straten, op den dag genoegzaam verlaten om de

brandende stralen der zon, waren nu tal van wandelaars aanwezig, die

gingen en kwamen onder vroolijk gesprek; vóór iedere deur stonden

groepjes menschen te lachen, te dansen en te tokkelen op de jarabe, de

Amerikaansche guitaar.

Zeer ongedwongen en geheel met het voorkomen van een gewoon wandelaar,

drong Philippe behendig door de menigte en volgde zonder opzien te

wekken de duenna, wier rebozo door hem niet uit het oog werd verloren.

Zóó liepen beiden bijna een half uur voort, en drongen hoe langer hoe

verder door in de zeer verwarde straten der benedenstad; eindelijk

kwamen zij uit bij de haven. Daar ter plaatse was het lang zoo levendig

niet; slechts enkele wandelaars verkwikten zich er aan de frissche

zeekoelte. Toen vertraagde de jonge man zijn stap eenigszins, uit vrees

dat hij anders de aandacht op zich zou vestigen, maar de duenna bleef

daarentegen op dezelfde manier haar weg vervolgen en keek rechts noch

links om, evenals iemand die haast heeft om tehuis te komen, doch het

houten havenhoofd, waar de goederen werden gelost, liep zij met vasten

tred langs. Ongeveer op het midden van dat havenhoofd stond zij stil,

keek even om zich heen, kuchte toen een paar keeren en steeg eenige

treden af van de trap, die naar het water liep. Een boot, waarin zich

slechts één man bevond, lag beneden aan die trap; zij stapte er

dadelijk in. Philippe deed dit insgelijks, de schipper stootte af en

het vaartuig werd in beweging gebracht. De duenna had het roer gegrepen

en stuurde, terwijl de schipper de riemen uitsloeg en het lichte bootje

het water deed klieven, met de snelheid van een ijsvogel die over de

kruin der golven scheert. Philippe gevoelde zich geheel aan zich zelven

overgelaten; hij durfde het niet wagen het woord tot de duenna te

richten en keek nieuwsgierig om zich heen. Het duurde niet lang of hij

kreeg een donker punt in het oog dat al heel spoedig zeer in omvang

toenam, en waarheen het bootje gestuurd werd. Dit donkere punt werd

meer en meer zichtbaar, en kort daarna bleek het eveneens een boot te

zijn, bestuurd door één enkel man, terwijl zich daarin ook eene vrouw

bevond. Onwillekeurig overviel Philippe eene siddering, en hij gevoelde

dat zijn hart met versnelde slagen klopte; hij had in die vrouw donna

Juana herkend. Na enkele minuten lagen de twee booten zij aan zij. Op

een wenk van de duenna stapte Philippe over in de tweede boot, en de

man die had geroeid kwam in de eerste. Daarop werden de beide booten

van elkaar verwijderd, en nu bevond Philippe zich alleen, met haar die

hij zoo innig beminde. Dit alles was met zulk een spoed afgeloopen, en

had zoo geheel onverwachts plaats gehad, dat de jonge man, overweldigd

door zijne ontroering een oogenblik sprakeloos bleef, en de kracht

miste één enkel woord te uiten.

—Is dat je groet, don Felipe, en dat nog wel na zulk eene lange

afwezigheid?—werd hem half fluisterend en op eenigszins spotachtigen

toon door een allerliefste stem gevraagd.

—O! Juana querida, vergeef het mij!—riep hij in vervoering.—Het komt

doordien ik mij overstelpt voel door het geluk dat mij te beurt valt.

Ach! Ik gaf bijna alle hoop op om je te ontmoeten!

—Eerst dezen morgen, beste Felipe, heb ik bemerkt dat gij te Maracaïbo

waart. Zeer toevallig herkende ik je, op het oogenblik waarop je de

patio van ons huis overstaakt.

—Hoe komt het toch dat het mij in die tien dagen, die ik nu reeds hier

ben, ondoenlijk geweest is je te zien en te spreken?

—Helaas, beste vriend, ik geniet hier niet zooveel vrijheid als in het

huisje te San Juan de Goava,—gaf zij zuchtende ten antwoord.

—Is don Fernando dan niet meer zoo welwillend voor je dan vroeger?

—Juist het tegendeel, hij schijnt veeleer nog vriendschappelijker, doch

in de laatste dagen kwam het mij voor, alsof hij over het een of ander

bezorgd is, en nu en dan ziet hij mij zeer treurig aan, zonder dat ik

met eenige waarschijnlijkheid kan nagaan wat daarvan de oorzaak is.

—Goede God! Zoudt ge door eenig onheil bedreigd worden?

—Dat geloof ik niet, beste Felipe, en toch heb ik, mijns ondanks, een

onverklaarbaar voorgevoel dat er spoedig iets zal gebeuren waardoor in

mijn toestand eene groote verandering zal komen.

—Juana, ge maakt mij angstig,—en zijn verbleekt gelaat bevestigde die

woorden.—Helder mij dit in ’s hemels naam op! Hoe komt ge op die

verontrustende gedachte?

—Dit kan ik je niet zeggen, Felipe, want het is ook voor mij een

raadsel. Het eenige dat ik heb kunnen opmerken is, dat die veranderde

gemoedsstemming van don Fernando eerst sinds een paar weken is

ontstaan. Toen ontving hij, met een schip dat van het vaste land kwam,

een brief, en de inhoud van dien brief scheen op hem zeer veel indruk

te maken. Hij gaf toen dadelijk last dat een prachtig verblijf, enkele

uren van de stad, hoogst bekoorlijk gelegen, met den meesten spoed

bewoonbaar gemaakt moest worden.

—Dat ligt naar den kant van Merida, niet waar?

—Juist, juist!

—Nu ik heb dat niet alleen gezien, maar ben er zelfs in geweest, het is

werkelijk een zeer prachtig verblijf. Don Fernando heeft mij vertelt

dat hij het in orde liet brengen voor een hoog geplaatst persoon, dien

hij ieder oogenblik kon verwachten.

—Die zelfde mededeeling heeft hij ook aan mij gedaan, doch hij heeft er

nog een paar woorden bij gevoegd, die ik meer raadde dan verstond en

wel: „Arm kind!” Hoe veel moeite ik ook deed om er iets meer van te

vernemen, toch was dat alles te vergeefs; don Fernando bleef zeer

geheimhoudend, en het gelukte mij verder niet iets te vernemen; daartoe

bepaalt zich dus alles, doch, beste vriend, wij zijn nu lang genoeg

over mij bezig geweest, laten wij liever over jou praten. Hoe is ’t

mogelijk dat ge het gewaagd hebt hier in de stad te komen, ik sidder

als ik denk aan de mogelijke gevolgen. Ge weet toch dat ieder

vreemdeling die in de Spaansche koloniën wordt aangehouden onmiddellijk

ter dood wordt gebracht, niet waar? De wet is te dien opzichte

onverbiddelijk.

—Dat weet ik, lieveling, maar wat geef ik er om! Ik wilde tot iederen

prijs je weerzien, om je nogmaals te zeggen dat ik je liefheb.

—En ik dan, beste Philippe, ik heb je immers ook lief?

—Ja, maar zeker toch niet zoozeer als ik.

—Misschien, maar hoe dit zij, ik beef en sidder voor je! Als ge eens

ontdekt werd.

—Wees daarover niet ongerust, liefste. Ik ga door voor een Spanjaard,

en niemand hier vermoedt dat ik tot eene andere natie behoor. Ik ben

secretaris bij den graaf de l’Atalaya, die een zeer voornaam heer is.

—Dit stelt mij eenigszins gerust, maar toch zou de geringste

onvoorzichtigheid je ondergang kunnen bewerken.

Philippe glimlachte guitig.

—Maar hoe zijt ge er in geslaagd, om de bescherming te verkrijgen van

den graaf de l’Atalaya?—hernam de jonge dame.

—Lieve, beste, het zou veel te lang duren om je dit in geuren en

kleuren te vertellen, maar zeg mij veel liever hoe ge er toe gekomen

zijt om hier in volle zee een samenkomst met mij te willen hebben?

—Wel, beste vriend, dat komt omdat ik sinds eenige dagen, waarom weet

ik niet, strenger dan anders in het oog wordt gehouden. Als ik hier of

daar heen wil gaan, dan volgt men mij op korten afstand, en dus was ik

er te benauwd voor dat men ons in de stad of op onze wandeling mocht

gewaar worden.

—Maar die schippers dan, die geroeid hebben?

—Die zijn op mijn hand.

—Hum!—deed de jonge man hooren, en schudde daarbij het hoofd.—Nu, ge

kent die menschen zeker beter dan ik, dus zal ik daarover maar zwijgen.

Zou ik je nog eens kunnen ontmoeten?

—Helaas, beste vriend! Dat zal te bezwaarlijk gaan!

De jonge man zuchtte, greep haar hand, drukte die innig, en vroeg op

teederen toon:

—Juana, stelt ge het volste vertrouwen in mij?

—Zeker doe ik dat, beste vriend, want ik heb je lief en ben overtuigd

dat wederkeerig ook jij mij liefhebt!

—En zijt ge evenzeer er van overtuigd, dat al mijne handelingen, wat ik

ook doen moge, geen ander doel hebben dan om met je te worden

vereenigd, en je gelukkig te maken?

—Dat geloof ik vast en zeker, Philippe.

—Voor die woorden zeg ik je dank, beste Juana! Nu is alles goed, want

ge hebt mij juist beoordeeld. Let nu goed op het geen ik je verder ga

zeggen, querida Juana, want het is om ons geluk, om mijn leven te doen.

—Spreek, beste vriend! Alles wat ge van mij verlangt, zal ik stipt ten

uitvoer brengen.

—Zonder aarzelen?

—Ja, zonder de minste aarzeling.

—Misschien zal ik binnen twee of drie dagen genoodzaakt zijn dit land

te verlaten.

—Ach, Philippe!—kreet zij smartelijk.

—Maar om er spoedig terug te keeren,—vervolgde hij,—dat zweer ik je

lieve beste.

—Helaas! Weer eene scheiding!

—Die echter de laatste zal zijn,—werd door hem verzekerd.—Één,

misschien twee maanden kan mijne afwezigheid duren, maar stellig niet

langer, en als ik terugkom dan zal dit zijn om je nooit meer te

verlaten.

—Waarlijk? Kan ik daarop rekenen?

—Ik verzeker het je op mijn woord als edelman!—bevestigde hij zeer

opgewonden.—Maar, Juana, dan moet ge ook, als ik er niet ben je kloek

en krachtig toonen; de gedachte aan mij moet voor je zijn als een

talisman, die je beschermt tegen alles wat men jegens je mocht

beproeven. In één woord, blijf volharden in liefde voor mij.

—Vertrek dan gerust en onbekommerd, beste vriend.—Wat er ook gebeure

moge, ge zult mij terug vinden, zooals gij mij verlaten hebt. Ik ben

immers reeds voor God uw vrouw? Maar hoe zal ik bericht krijgen van uw

terugkomst?

—Laat je lieve oogen maar telkens over de zee dwalen, vooral als er

schepen in aantocht zijn. Het schip aan boord waarvan ik zal wezen, zal

aan den fokkemast een vlag met zwarte en witte ruiten in top hebben.

—Zwarte en witte ruiten. Goed Philippe ik zal dat niet vergeten.

—Luister nu goed toe, liefste Juana; wat er bij mijn terugkeer in de

stad mocht voorvallen, wat men je ook te mijnen opzichte mocht

vertellen, let er niet op, blijf er doof voor, en beoordeel mij niet,

eer ik zelf bij je gekomen ben om mij te rechtvaardigen.

—Nu maakt gij mij waarlijk beangst. Beste vriend wat zijt ge dan

voornemens te doen?

—Dit is iets wat ik zelf nog niet weet, Juana, maar ik ben er zeker van

dat het mij gelukken zal. Zorg er vooral voor dat ge in uwe vertrekken

blijft, hoe erg men ook bij u mocht aandringen om uit te gaan; ge moet

je daar ten sterkste tegen verzetten. Mocht het noodlot mij te lang van

je verwijderd houden, dan zal ik een of meerdere boodschappers tot je

zenden, die ge gemakkelijk kunt herkennen, want zij dragen allen om den

rechter arm een band met de zelfde kleuren als de vlag aan den

fokkemast. Die lieden kunt ge ten volle vertrouwen en gerust doen alles

wat zij zeggen. Hebt ge mij goed begrepen, beste Juana?

—Ja, ja, Philippe, maar toch maakt ge mij door dit alles zeer ongerust.

Zeg mij toch in ’s hemels naam, beste vriend, welke onheilspellende

plannen ge toch hebt.

—Querida Juana, ik bedenk geen ander plan dan om voor altijd met je

vereenigd te worden, en het hangt slechts van jou af of dit plan

gelukken zal.

—O! Als dit het geval is, dan hoeft ge niet te twijfelen aan den goeden

uitslag.

—Doch hierbij blijft het niet, ge moet mij vast en stellig beloven zeer

stipt al de instructies te volgen, die ik je gegeven heb.

—Twijfelt ge er nog aan dat ik hierin te kort zal schieten? Stipt zal

alles verricht worden, zoo waar ik je liefheb.

—Ge zijt een engel, querida! Ge toont hoe blindelings ge mij vertrouwt.

Van mijn kant doe ik er een eed op dat ge gelukkig zult worden, of ik

moest sterven!

—O! Lieveling, spreekt nu niet over sterven, niet over den dood. Ach!

Mocht dit het geval wezen, gelooft ge dat ik dan de kracht zou hebben

om je te overleven?

—Juana, liefste, straks hebt ge gezegd dat ge een voorgevoel hadt, dat

heb ik nu ook en wel dit, dat al onze wederwaardigheden spoedig ten

einde zullen zijn.

—God geve het, Philippe!

—Bid Hem, dat Hij u bescherme, mijne Juana, want, zoo waar ik leef, om

u te bezitten ga ik doen wat nog nooit eenig man heeft gewaagd.

—O! Goede God! Ik sidder bij die gedachte!

—Liefste, koester veeleer goede hoop!

Op dit oogenblik vernam men dicht bij het geklots van riemen en de boot

waarin de duenna zat, kwam uit de duisternis te voorschijn.

—Nu moeten wij scheiden, Philippe,—zei het jonge meisje.

—Nu reeds!—mompelde Philippe.

—Ja, zoo ik langer uitbleef zou dit argwaan kunnen wekken, en

buitendien hebben wij nu toch hoop elkaar spoedig terug te zien.

—Dat is waar liefste, en dan zal dit voor altijd wezen. Vergeet toch

vooral niets van alles wat ik je zoozeer heb aanbevolen.

—Ik zal niets vergeten.

De beide booten stieten tegen elkaar.

—Tot weerziens, Philippe,—fluisterde Juana hem toe.

—Ja, ja, tot een spoedig wederzien, liefste beste Juana!—antwoordde hij

op dezelfde manier. En na een langen kus op de hand, die hem werd

toegereikt, beheerschte hij zich zelven, en stapte in de andere boot.

De beide jongelieden wisselden nog een laatsten blik, eer de vaartuigen

zich verwijderden in verschillende richting. Toen hij weer voet aan wal

zette, boog Philippe zich naar het oor van de duenna, en

zei:—Hartelijken dank, na-Cigala. Nooit zal ik vergeten, wat ge heden

voor mij hebt gedaan! maar dien ring....

—Zult u morgen ochtend ontvangen. Goeden avond, señor,—voegde zij er

met een vriendelijk lachje bij.

Te huis gekomen vond Philippe dáár Montbars, die hem wachtte, en met

groote stappen zijn slaapkamer op en neer liep.

—Wel drommels, waar komt ge zóó laat van daan?—vroeg Montbars.

—Van een zeetochtje,—antwoordde Philippe met het openhartigste

voorkomen.

Montbars bleef zóó versteld staan door dit antwoord, dat de jonge man

in schaterend gelach uitbarstte.

IX.

HET VERTREK.

Philippe wierp mantel en hoed af, ontgespte zijn degen en bood den

vrijbuiter een zetel aan.—Hebt gij op mij gewacht?—vroeg hij daarna.

—Ja, beste vriend,—gaf Montbars ten antwoord, terwijl hij plaats

nam.—Reeds meer dan een uur heb ik hier in je slaapkamer op en neer

geloopen.

—Heeft Tributor je dan niet gezegd...

—Toch wel, beste Philippe,—viel Montbars in.—Tributor heeft mij van

alles op de hoogte gebracht, en verteld dat ge bezoek hebt gehad van

eene soort van duenna, en met dat zeer eerwaardige oudje waart

uitgegaan. Daaruit heb ik opgemaakt dat hier hoogst waarschijnlijk

spraak was van een rendez-vous tusschen een paar verliefden, en dat dit

bij gevolg wel niet zoo kort zou duren, maar daar ik je hoog noodig

moet spreken, ben ik op je blijven wachten. Ge duidt mij dit toch niet

ten kwade?

—Volstrekt niet, waarde Montbars. Zaken gaan vóór alles, maar vooral in

een toestand als den onze, daar wij ieder oogenblik in gevaar verkeeren

om gesnapt en als dolle honden gemold te worden; zelfs geloof ik

bemerkt te hebben dat wij bij dezen en genen reeds in kwaden reuk

komen.

—Dat is juist ook mijne meening.

—Is er dan iets voorgevallen?

—Dat zoozeer niet, doch het is best mogelijk dat dit zeer spoedig

gebeurt, en daarom acht ik het noodig onze maatregelen te nemen.

—Zoodat?

—Zoodat... doch ik vrees dat ik je nu al te erg verdriet ga aandoen,

vooral na je zeetochtje,—werd er spottend bijgevoegd,—en daardoor

verwarring zal teweeg brengen in eenige zaken die ongetwijfeld hoogst

aangenaam voor je zijn.

—Dat doet er niets toe, waarde vriend,—verzekerde Philippe

lachend.—Doch ter zake.

—Verlangt ge dit?

—Wis en zeker.

—Nu dan, naar ik geloof hebben wij nu reeds lang genoeg in deze streken

vertoefd en dreigt een verder verblijf hier voor ons gevaarlijk te

worden.

—Dat ben ik volkomen met je eens,—gaf Philippe te kennen.

—Wat!—uitte Montbars in verbazing.—Meent ge nu wat ge daar zegt?

—Zeer zeker.

—Dus als ik order gaf om morgen aan den dag op te breken...

—Dan zou ik van ganscher harte dit besluit toejuichen,—vulde de ander

aan.

—Wel zoo!—sprak Montbars, wiens verwondering steeds stijgende

bleef.—Heb nu toch even de goedheid mij daarvan nadere verklaring te

geven, want ronduit beken ik je, dat ik er geen touw meer aan vast kan

knoopen.

—Hoe dat zoo?

—Wel, ik dacht bepaald dat ge erg verliefd waart.

—En daarin bedriegt gij je volstrekt niet. Ik ben tot over de ooren

verliefd op een allerbekoorlijkst schepseltje.

—Welnu dan?

—Welnu, daarom juist moeten wij zoo spoedig mogelijk vertrekken.

—O, zoo!—lachte Montbars.—Nu begin ik het te snappen.

—Neen, waarde vriend, gij snapt niets,—gaf Philippe met zekere

gevatheid te kennen.—Ik bemin, met eene liefde die even oprecht als

onbegrensd is, eene liefde die alleen met mijn leven zal ophouden, een

engelachtig wezen, wier hand ik nog slechts heb gekust, en nu zal het

je duidelijk worden hoe deze zaak zich geheel anders toedraagt dan

waarschijnlijk door je word verondersteld.

—Dan is dit toch, neem het mij niet kwalijk, een raar soort van

liefde,—merkte de vrijbuiter lachend aan,—daar ge de zoo zeer door u

aangebeden schoone gaat ontvluchten!

—Ontvluchten, neen, dat is de bedoeling niet, maar ik wil haar

verlaten.

—Nu, dat komt zoowat op hetzelfde neer, zou ik meenen.

—Niet zoo precies! Men verlaat iemand, als men plan heeft terugtekomen,

doch neemt men de vlucht, dan is dat voor altijd.

—En dus?

—Ben ik bereid om te vertrekken, zoodra gij maar wilt.

—Ik zal het maar opgeven om verder daarover met je te harrewarren;

achter die onverklaarbaar haastige bereidwilligheid schuilen zeker

geheime bedoelingen, die ik niet behoef te kennen en dus wil ik daar

niet op aandringen.

—Hartelijk dank voor zulk eene bescheidenheid, waarde vriend.

—Keeren wij nu terug tot onze gezamenlijke belangen. Onze kameraden

zijn met hun peilingen en opmetingen gereed gekomen; Luiwammes is nu

met de golf van Venezuela even goed bekend als de beste loods; verder

zijn kaarten in plattegronden gemaakt van Maracaïbo, Merida en

Gibraltar; wij zijn geheel op de hoogte van de sterkte onzer vijanden,

en in staat om tot handelen over te gaan, zoodra wij het geschikte

oogenblik gekomen achten. Dit is meer dan wij noodig hebben, niet waar?

—Dat stem ik toe.

—Nu komt er nog bij, dat don Fernando d’Avila ieder oogenblik de komst

verwacht van iemand van zeer hoogen rang, en het is voor ons alles

behalve raadzaam zulk een personage te ontmoeten. Tot nu toe is de

fortuin ons in alles zoo gunstig geweest dat het overmoedig zou wezen

daarvan nog meer te verwachten. Onze rollen zijn hier afgespeeld, en

dus kunnen wij van het tooneel verdwijnen.

—Onder voorbehoud van daarop spoedig weer te verschijnen.

—Natuurlijk. Zoo denk ik er juist ook over.

—Doch wij kunnen toch niet zoo opeens en zonder aanleiding of reden

vertrekken.

—Zeker niet! Maar een voorwendsel is gemakkelijk te vinden. Ik moest

hier immers eene zending vervullen, niet waar? Welnu, dat heb ik

gedaan, en na al de rekeningen van die heeren intendanten te hebben

opgenomen, nagezien en zeer nauwkeurig nagesnuffeld, is hier mijn taak

geëindigd en dus niets natuurlijker en eenvoudiger dat ik mijne reis

verder voortzet.

—Dat is goed bedacht,—verklaarde de jonge man lachend.—De Gouverneur

zal noch kan daar iets vreemds of onregelmatigs in vinden.

—Ik heb dezen avond reeds tegen hem mij daarover een paar woorden laten

ontvallen, en ik moet bekennen dat hij die mededeeling zeer leuk heeft

opgenomen. Het blijft onder ons, beste vriend, maar ronduit gezegd, ik

ben tot het vermoeden gekomen, hoe en waardoor dat weet ik zelf niet,

dat don Fernando d’Avila recht in zijn schik zal wezen, als hij ons

ziet vertrekken.

—Dat ben ik geheel en al met je eens!—verklaarde Philippe spottend.

—Ei! En hoe dat zoo?

—Och, dat weet ik niet, maar toch ben ik er zeker van.

—Mooi zoo! Nu beginnen wij weer met de raadseltjes, maar daar heb ik

genoeg van, dus basta! Buitendien wil ik je niet langer ophouden, en

daarom ga ik naar bed. Slaap rustig, waarde Philippe. Maar luister nog

even, ik moet je toch nog een paar woorden zeggen.

—En wat zullen die behelzen?

—Alleen dit, dat ik er zeker van ben dat wij allen in deze heele zaak

voor jou de kastanjes uit het vuur hebben gehaald en dat bij het

afsluiten van de rekening blijken zal, dat gij het zijt die er het

meeste voordeel van trekt. Heb ik goed geraden?

Philippe begon te lachen, drukte zijn kameraad de hand en daarop

scheidden zij.

—Wat kan het mij schelen, of hij al dan niet iets heeft geraden?—sprak

Philippe in zichzelf, zoodra hij alleen was.—Want wat daarvan zij, ik

weet toch zeker dat ik staat kan maken op zijne vriendschap en

toegenegenheid.

Na die overdenking stapte hij in bed, weldra rustig slapende en

heerlijk droomende tot aan den morgen. Tegen tien uur liet graaf de

l’Atalaya zijn geheim-secretaris bij zich ontbieden. Toen Tributor in

de kamer van Philippe kwam vond hij dezen nog slapende, met die

gelukkige onbezorgdheid der jeugd, voor wie slechts het tegenwoordige

bestaat en die zich niet bezwaart met het verledene, noch bezorgd maakt

voor de toekomst. Tributor had veel moeite om den jongen man wakker te

krijgen.

De goudzoekers · 第 6 / 23 段