moeielijk. Iederen keer dat hij goed vond aan don Fernando d’Avila een
bezoek te brengen, werd hij door dezen zeer voorkomend ontvangen en
bejegend, dit was waar; de waardige gouverneur had er geen flauw
vermoeden van wie of wat de secretaris aan Zijne Excellentie graaf de
l’Atalaya eigenlijk was, ook dit was waar. Maar toch bleek uit alles
duidelijk dat de gouverneur met dien fijnen reuk, welke aan jaloersche
menschen en aan voogden eigen is, zich zoo al niet bepaald verzekerd
hield, dan toch vermoedde dat er onder het elegante uiterlijk en de
beschaafde manieren van señor don Cardenio een minnaar school. Wel
ontving de gouverneur den jongen man met de meeste ongedwongenheid, wel
deed hij het voorkomen alsof hij hem ten volle vertrouwde, maar toch
bleven zijne manieren zoo ceremonieel, waren de beleefdheden zoo deftig
en werd bij alles zulk een echt Castiliaanschen trots in acht genomen,
dat het niet mogelijk was tot eenige intimiteit te komen, daar dit
steeds door den slagboom eener onoverkomelijke etiquette belet werd.
Philippe raakte buiten zich zelven van woede; iederen keer wanneer hij
terugkwam van eene dier vruchtelooze bezoeken bij den gouverneur gaf
hij zich in zijn kamer aan buien van dolle vertoorndheid over, die
belachelijk zouden zijn geweest, indien de jonge man niet zoo innig en
oprecht bemind en dus vreeselijk geleden had.
Don Fernando had zijne pupil niet aan de flibustiers voorgesteld,
sedert hunne komst te Maracaïbo, had hij haar als het ware naar hare
vertrekken verbannen, zoodat zij slechts één keer naar de kerk was
geweest in een zeer dicht gesloten palankijn, omstuwd door een aantal
bedienden die de gansche breedte van de straat besloegen en dus den
toegang tot den palankijn onmogelijk maakten; buitendien was zij de
kerk binnen getreden door eene bijzondere deur en had toen plaats
moeten nemen in eene getraliede galerij waar zij door niemand kon
worden opgemerkt. Het was dus te vergeefs geweest dat de jonge man,
geheel op de hoogte van de Spaansche gewoonten, er voor zorgde om een
der eersten in de kerk te zijn, en dadelijk post vatte bij een
wijwaterbakje. Hij bood dan het gewijde vocht aan tal van bekoorlijke
dames, die hem beloonden met een innemend lachje, tegelijk hoogst
aanvallig even hare mantilles openslaande; en waarschijnlijk zou het
slechts van hem hebben afgehangen verscheidene veroveringen te behalen;
maar die glimlachjes, en die uitdagende blikken waren tegenover hem
verlorene moeiten; zij voor wie hij slechts oogen had, verscheen niet,
en hij ging heen met den dood in het hart, ten prooi van hevige
ontroering, en, zooals alle teleurgestelde verliefden, in zijn geest
allerlei plannen beramend, die even onzinnig als onuitvoerbaar waren.
Ten einde raad kwam de jonge man er toe het als zeker te beschouwen,
dat donna Juana don Fernando niet naar Maracaïbo vergezeld had, maar
door dezen naar Sint-Domingo teruggebracht was; die meening vestigde
zich zoo sterk bij hem, dat hij besloot dien eigen avond nog aan den
gouverneur daarover opheldering te vragen, het kostte wat het wilde.
Hij had tot vaste gewoonte aangenomen ’s avonds in de Alameda eene
wandeling te doen, en kon er bijna zeker op rekenen dáár ook den
gouverneur te ontmoeten.
Het was zoowat vier uren in den namiddag; gewoonlijk werd die
wandelplaats niet vóór zeven ure ’s avonds bezocht, en dus had Philippe
nog drie volle uren den tijd om te bedenken hoe hij het zou aanleggen
bij don Fernando met zulk een soort van verhoor te slagen, maar hoe
dichter de klok naar zeven uur wees, hoe moeielijker hij het begon te
vinden zijn plan ten uitvoer te brengen. En waarlijk hoe kon er eene
gereede aanleiding gevonden worden om bij een caballero, dien men eerst
sinds de laatste drie of vier dagen had leeren kennen, inlichtingen in
te winnen omtrent iemand, met wiens bestaan hij geacht moest worden
geheel onbekend te zijn? Hoe zou don Fernando die onbescheiden vragen,
die hij voornemens was tot hem te richten, opnemen? Welk recht had hij
den gouverneur die vragen te doen? Het geval was ernstig, zoo ernstig
zelfs dat Philippe zich moedeloos op eene buttaca liet neervallen, de
armen over de borst sloeg, en tot de overtuiging kwam dat er eigenlijk
niets door hem kon worden verricht.
Het sloeg zeven ure, en op dit kort afgebroken geluid, sprong Philippe
plotseling op, als getroffen door een electrieken schok, greep zijn
hoed, drukte dien vast op zijn hoofd en mompelde:—Kom! Toch ga ik! Wie
weet wat er gebeurt!
Op dat oogenblik werd een paar keeren geklopt aan de deur van het salon
waar hij vertoefde.
—Wel?—riep Philippe eenigszins sidderend.—Wie is daar?
—Ik ben het,—werd ten antwoord gegeven door de schorre stem van
Tributor.
—Loop naar de maan!—hernam Philippe spijtig.—Ik verwachtte heel iemand
anders dan jou.
Philippe zou zeker zeer in verlegenheid zijn gebracht indien de
goedhartige reus hem gevraagd had, wien hij dan wel had verwacht; maar
die gedachte kwam niet bij Tributor op en lachend gaf hij ten antwoord:
—Word ik op die manier door je ontvangen! Ik moet zeggen dat is zeer
hupsch, je bent wel in een prettige stemming.
—Goed! Wat wil je eigenlijk?
—Ik? Niets.
—Waarom kom je mij dan hier hinderen?
—Omdat in de Saguan iemand is die vraagt of gij te spreken zijt?
—En wie is die iemand?
—Dat zou ik waarlijk niet zoo precies kunnen zeggen. Maar zoover ik heb
kunnen nagaan, ondanks de kap en de doeken waarin zij zich heeft
gewikkeld, moet het eene oude vrouw zijn.
—Laat zij naar de maan loopen!—hernam Philippe.
—Goed,—vervolgde Tributor.—Gij schijnt van avond niet bijster in je
schik, en daarbij veel lust te hebben een ieder naar de maan te zenden.
—Ge verveelt mij, en van die oude vrouw wil ik niets weten, zend haar
weg.
—Zoo als gij wilt! Maar,—gaf de reus te kennen en schudde tevens het
hoofd,—misschien doet gij daar verkeerd aan. In Spanje wordt eene oude
vrouw doorgaans gevolgd door eene jonge dame en op dit oogenblik
bevinden wij ons hier midden onder de Spanjaarden. Denk daar eens over
na.
Dit gezegde trof Philippe en daarom zei hij:
—Nu, ’t is mogelijk dat ge gelijk hebt. Is dat oudje heel leelijk?
—Afzichtelijk! Zij heeft veel van eene tooverkol die van de heksendans
terugkomt.
De jonge man bleef een oogenblik in gepeins en al dien tijd keek
Tributor hem ter sluik en spotachtig aan.
—Nu goed,—zei Philippe eindelijk.—Breng haar maar hier, dan zal ik te
weten komen wat zij van mij wil, en spoedig genoeg een middel vinden om
mij van haar te ontslaan.
Dit zeggende, sprak Philippe anders dan hij dacht want zijne
nieuwsgierigheid was ten sterkste opgewekt, en met slecht verholen
ongeduld vestigde hij zijne blikken op de deur, toen hij de komst
afwachtte van de vrouw waarover Tributor had gesproken. Eindelijk
verscheen zij. Philippe uitte een kreet van vreugde en van verrassing,
snelde naar haar toe.—Na Cigala!—riep hij uit.
Zonder antwoord te geven, wees de duenna naar den reus die onbeweeglijk
bij de deur voor het salon stond.
—Ga heen,—zei Philippe tegen Tributor.
Dadelijk verwijderde de reus zich en trok de deur achter zich toe. Toen
kwam de duenna dichter bij Philippe, keek hem eenige oogenblikken strak
aan en vroeg toen:
—Zijt gij het dus wezenlijk en waarlijk zelf?
—Zeker, ik ben het,—luidde het antwoord.—Twijfelt ge daar nog aan?
—Hoe kan men er toe komen te gelooven dat u waarlijk hier waart, en dat
nog wel in zulk eene betrekking als u bij den Señor Conde de l’Atalaya
bekleedt, die luid en overal verkondigt welk een gloeienden haat hij
den gringos (ketters) toedraagt.
—Dit is zoo,—beaamde hij onwillekeurig glimlachend,—en toch ziet ge dat
de graaf, ondanks dien haat, goed heeft gevonden mij aan te stellen als
zijn geheim-secretaris, doch dit alles doet er eigenlijk niets toe. De
hoofdzaak was voor mij te zorgen dat ik hier in de stad kwam; nu dit is
mij gelukt, op welke manier ik daarin ben geslaagd is iets dat mij
alleen aangaat, en laten wij dus liever spreken over donna Juana.
—Donna Juana,— herhaalde zij met een diepen zucht.
—Is haar eenig onheil overkomen?—vroeg Philippe gejaagd.
—Onheil, neen, neen!—antwoordde zij dadelijk, en maakte naar Spaansch
gebruik het teeken des kruises.—Die arme Juana!
—Maar waarom spreekt ge dan over haar op een wijze die mij met vrees
vervult en toch vooronderstellen doet dat zij een nog heviger lijden te
verduren heeft dan dat, waaraan ik ten prooi ben.
De duenna bleef een poos zwijgen en keek wantrouwend om zich heen.
—Niemand kan ons hier hooren, na Cigala,—sprak de jonge man, die dit
opmerkte geruststellend.—Spreek gerust, maar ga eerst zitten, want dan
zult ge je meer op uw gemak bevinden, en deel mij nu de boodschap mede,
waarmede ge zeker voor mij zijt belast.
—Och!—zuchtte zij, terwijl zij ging zitten in de butaca die Philippe
naar haar toe had geschoven.—Mag ik tegen u señor don Philippe, rond en
openhartig zijn? Ik wil wel spreken, maar durf bijna niet, uit vrees
dat gij boos zult worden.
—Goede ziel,—gaf Philippe ten antwoord, die de grootste moeite had zijn
ongeduld te bedwingen,—spreek gerust en vrij uit, dit verzoek ik u
zelfs dringend, en beloof daarenboven, dat ik mij niet kwaad zal maken,
wat ge mij ook moogt mededeelen. Ik verlang er zoozeer naar om te weten
wat ge mij te zeggen hebt, en geloof mij ik kan daardoor in geen ergere
spanning komen, dan waarin ik nu verkeer, want uwe achterhoudendheid
kwelt mij onuitstaanbaar.
—Och, och, santa Virgen!—bromde de oude vrouw.—Wat zijn zulke jonge
menschen toch haastig en ongeduldig!
—Maar vóór alle dingen verzoek ik je ernstig mij antwoord te geven op
een paar vragen, en dan zal ik je vrijheid laten, om geheel naar eigen
goedvinden mij verder alles te vertellen.
—En wat zijn die vragen?—vroeg zij weer met eenig wantrouwen.
—Is donna Juana gezond?
—God zij dank, ja! Zij is geheel en al bekomen van die vermoeiende
reis, en zoo gezond als zij wenschen kan.
—Dank, dank! En heeft zij mij nog altijd lief?
—Zou ik anders wel hier zijn gekomen?—merkte de oude vrouw eenigszins
bits aan.
—Dan is alles goed!—riep Philippe opgewonden.—Als hare gezondheid niets
te wenschen overlaat, en als zij mij nog altijd bemint, dan is aan
mijne grootste begeerte voldaan! Begin nu maar te zeggen, goede, beste
ziel, alles wat ge te zeggen hebt. Thans ben ik zoozeer door je
gerustgesteld, dat ik met het grootste geduld naar je zal luisteren,
zonder boos of driftig te worden, dat beloof ik je, begin dus, want ik
ben zeer benieuwd wat ik door je zal vernemen.
Met een glimlach om de lippen wierp de jonge man zich achter in zijn
leunstoel, en ging recht gemakkelijk zitten. Droevig en meer dan eens
schudde de duenna het hoofd en keek daarbij den jongen man aan met eene
moeielijk te beschrijven uitdrukking; daarna haalde zij diep adem, even
als iemand die een zeer gewichtig besluit heeft genomen en zette het
gesprek voort.
—Señor caballero,—zoo begon zij,—gij zult het zeker van mij, die in uw
oog niet anders is, en niet anders zijn kan dan eene dienstbode, zeker
zeer vreemd vinden, dat ik mij bemoei met de zaken en belangen van
personen, die door hunne geboorte zoover boven mij geplaatst zijn.
—Daarin bedriegt ge je, na Cigala,—werd door Philippe op zeer
goedhartigen toon ten antwoord gegeven.—Ik weet hoe vriendschappelijk
donna Juana je gezind is, en vind het dus integendeel zeer natuurlijk,
dat je veel belang stelt in alles wat haar aangaat.
—Voor donna Juana ben ik geen gewone dienstbode, señor; ik heb haar
bijna zien geboren worden, la querida ninna; ik was haar min; bijna
nooit ben ik van haar af geweest; om haar naar Amerika te volgen heb ik
alles achter gelaten, mijn man, mijne kinderen en mijne bloedverwanten.
Ik heb haar even lief, alsof zij mijn eigen kind was, en misschien nog
liever.
—Met alles wat ge mij daar vertelt, was ik reeds bekend, behalve over
die bijzonderheden van uwe reis naar Amerika. Dus is donna Juana in
Spanje geboren.
—Wie kan dat zeggen?—mompelde de oude vrouw en sloeg de oogen ten
hemel.
—Hoe! Wie kan dat zeggen!—herhaalde Philippe.—Wat beteekent dit, na
Cigala?
—Luister, caballero,—werd ten antwoord gegeven.—Het weinigje dat ik
daarover weet, zal ik u nu mededeelen.
—Ga voort, na Cigala, ga voort,—uitte de jonge man haastig.
—Vergeet niet, caballero, dat ik vertrouw op uw woord als edelman, en
dit geheim nooit over uwe lippen mag komen.
—Ik geef u daarop mijn woord van eer!
—Ik was al zoowat een jaar of drie getrouwd, had reeds mijn eerste kind
gekregen en sinds een maand was het tweede er bij gekomen. Mijn man en
ik woonden in een hutje, dicht bij een stroom, enkele uren van Pau.
—Wat!—viel Philippe hoogst verwonderd uit.—Zijt ge dan geen Spaansche?
—Neen, ik ben uit Bearn.
—Verder, verder,—zei Philippe haastig en draaide ongeduldig in zijn
stoel heen en weer.
—Mijn man maakte jacht op beren en wilde geiten, deed zoo nu en dan een
beetje aan het smokkelen, en diende in zijn verloren oogenblikken als
gids aan de reizigers die somwijlen uit Spanje naar Frankrijk trokken,
of uit Frankrijk naar Spanje terugkeerden. Ondanks al die bedrijven of
juist omdat hij er zoo vele aan de hand had, was mijn man arm, zoo arm
zelfs, dat er meer dan eens gebrek aan brood was in ons armzalig hutje.
Juan werd wanhopig, het ongeluk scheen ons te vervolgen, maar ondanks
alles bleven wij eerlijk. Eens kwam mijn man terug, na langer dan
gewoonlijk afwezig te zijn geweest, en werd toen vergezeld door een
edelman. Gij kunt er op aan dat ik blijde was toen ik hem weer bij mij
had, want in de laatste twee dagen was er geen kruimel over mijne
lippen gekomen en Juan bracht leeftocht meê.—Moed gehouden,
vrouwlief—zei hij tegen mij,—doe je te goed en wees in je schik, want
hier is een edel heer, die medelijden met ons heeft.—Toen nam ik dien
vreemden heer eens goed op, want ik had nog bijna geen acht op hem
geslagen, daar hij diep in zijn mantel gedoken dicht bij de deur was
blijven staan. Die vreemde heer was reeds op jaren, had een mooi maar
stuursch gelaat, zoo trotsch van uitdrukking, dat ik er van huiverde,
hij was gekleed juist als een edelman. Ik groette hem onderdanig en
bedankte hem bijzonder voor al de goedheid die hij ons betoonde. Toen
sloeg hij zijn mantel open, toonde mij een kindje dat hij tegen zijn
borst hield gedrukt en zoowat van den eigen leeftijd van mijn jongste
was, en zei: „Goede vrouw, ge behoeft mij daarvoor niet te bedanken,
want de eene dienst is de andere waard, en hier ziet ge een zeer teer
schepseltje waarvoor ik je verzoek voorloopig te zorgen alsof jij zelf
de moeder waart.” Ik greep het kindje dadelijk, dacht er niet langer
aan meer te eten, hoewel ik rammelde van den honger en legde het
schepseltje aan de borst.
—En dat kindje was Juana, niet waar?—viel Philippe ongeduldig in.
—Ja, caballero, zij was het. Die edelman scheen er een oogenblik met
voldoening naar te kijken, dat ik dadelijk zoo goed zorgde voor dat
lieve engeltje; hij kwam dicht bij mij staan en drukte een kus op het
snoeperige gezichtje van de kleine die reeds rustig was ingeslapen.
„Nu, ik zie wel,” zei hij,—„dat alles hier goed zal gaan, en ge als een
moeder zult zorgen voor Juana, zóó heet het kind, het is een weesje.
Hier hebt ge een beurs met zestig onzen goud [3]; binnen een jaar zult
ge hetzelfde bedrag ontvangen, door bemiddeling van de heeren Izaguirre
en Zamala te Pau, en dat zal herhaald worden zoolang het kind aan uwe
zorgen blijft toevertrouwd; ge hebt niet anders te doen dan aan die
heeren dezen ring te vertoonen.”—Toen trok hij van den pink van zijn
linkerhand den ring, versierd met één enkelen steen, een bleeke robijn,
en reikte mij dien toe. „Ge hebt goed begrepen wat ik van u verlang,
niet waar? Weet te zwijgen, en dan zult ge u niet over mij te beklagen
hebben. Vaarwel.”—Hij wikkelde zich weer in zijn mantel, trok den rand
van zijn hoed over de oogen, gaf door een gebiedenden wenk aan mijn man
te kennen, hem te volgen en ging de hut uit. Hij is nooit meer bij ons
terug geweest, maar hoe kort ik hem ook gezien heb, toch ben ik er
zeker van, dat ik hem zou herkennen, zoo wij elkaar ooit weer mochten
ontmoeten; zulk een indruk heeft zijn gelaat op mij gemaakt, en zoo
duidelijk en klaar kan ik mij zijne trekken weer voor oogen stellen.
—Wie kan die man zijn geweest?—mompelde Philippe.—Haar vader
waarschijnlijk?
—Dat geloof ik niet. Drie jaren gingen voorbij. Ieder jaar ging ik naar
Pau, toonde daar den ring, en zonder dat men verder iets vroeg werden
mij de zestig onzen goud uitbetaald. Op een goeden morgen werd er tegen
de deur van onze hut geklopt; ik begon te beven, want wij woonden dáár
zoo afgelegen, dat wij nooit door iemand werden opgezocht, dan alleen
door enkele kennissen van mijn man, óók smokkelaars die zonder veel
omslag de deur openduwden en deden alsof zij te huis waren. Ik deed de
deur open, en zag een vreemden heer vóór mij staan. Die heer was een
der eerste klerken op het kantoor van de heeren Izaguirre; ik weet dit
heel goed, want had hem er altijd gezien, als ik daar het geld ging
halen. Hij groette mij en vroeg of hij mijn man kon spreken, ik zei van
neen, daar hij er op uit was, maar dat ik hem ieder minuut terug
wachtte.
„Nu goed,”—gaf hij ten antwoord,—„ik heb al den tijd.” Hij kwam binnen
en ging op een bank bij het vuur zitten, wij waren nog vroeg in de
lente en het was vinnig koud tusschen de bergen; pas een uur later kwam
mijn man terug, de vreemde heer ging met hem naar buiten, en daar
bleven zij lang met elkaar praten. Op eens kwam Juan weer bij mij en
zei, „vrouw, je moet je gauw kleeden, die señor hier komt Juana halen
en je moet met hem mede.” Ik begon er iets tegen in te brengen, maar
die heer viel mij in de rede en waarschuwde: „Doe zooals uw man zegt
daar zult ge u wel bij bevinden.” Ik gehoorzaamde, met tranen in de
oogen. Een uur later zat ik naast dien heer in een rijtuig met Juana op
mijn schoot, en reed dwars door de Pyreneën op weg naar Spanje. Wij
hielden nooit anders stil dan om te eten of van muildieren te
verwisselen. Na een tocht van vier dagen hield het rijtuig op voor een
heel mooi huis buten een dorp; later vernam ik dat dit dorp Ocano
heette. De vreemde heer gaf door een wenk te kennen dat ik moest
uitstappen en hem volgen. De deur van dat huis was reeds opengedaan
toen men het rijtuig hoorde stilhouden; die heer trad binnen, ook ik,
en zag daarna eene dienstbode die onbeweeglijk vóór ons stond. De heer
liep met mij het gansche huis door, en toonde mij al de kamers, die
zeer goed, doch zonder weelde, waren gemeubileerd. „Hier zijt ge nu
tehuis,” voegde hij mij toe, „en moet er tot nader order blijven;
iedere maand zult ge het voor uw onderhoud noodige geld ontvangen.
Mijne zending is nu afgeloopen. Goeden dag.”—„Maar mijn man dan?—vroeg
ik.”—„Dat is waar ook,—gaf hij ten antwoord.—Lees dezen brief, dien hij
mij voor je heeft meegegeven. Maar onthoud vooral goed dat ge niemand
hier bij je moogt toelaten dan alleen den persoon, die je een ring zal
toonen, geheel gelijk aan dien welken je reeds hebt. Vaarwel!” Hij ging
heen, ik hoorde het rijtuig in galop wegrijden, en bleef alleen achter
met Juana, die zich om niets bekommerde en zeer in haar schik was dat
zij nu vrijheid had om door al de kamers te huppelen.
—Dat is een zeer zonderlinge geschiedenis,—zei Philippe.—En hoe liep
dat af?
—Op de eenvoudigste manier, señor. In den brief van mijn man, gelastte
deze mij dat ik stipt moest gehoorzamen en gaf hij mij de verzekering
dat alles heel goed voor ons zou afloopen. Ik onderwierp mij dus aan
zijn verlangen, en gevoelde mij weldra geheel tehuis en tamelijk
tevreden in ons nieuw verblijf. Zoo verliepen enkele maanden. Doch op
zekeren dag hield een rijtuig vóór het huis stil, een heer stapte er
uit, kwam naar binnen en toonde mij een ring. Die heer was don Fernando
d’Avila; hij vertelde mij dat hij de voogd was van Juana en kwam om
haar te halen en naar Madrid te brengen; hij vroeg mij of ik lust had
met hem mede te gaan; daar ik zóó innig hield van het arme kind,
waarvoor ik als eene moeder had gezorgd, brak mijn hart bij de
gedachte, dat ik van haar zou moeten scheiden, en dus nam ik zijn
voorstel aan. Te Madrid werden wij gehuisvest in een prachtig paleis.
Iederen dag kwam don Fernando op een bepaald uur Juana afhalen voor
eene wandeling die soms zeer lang duurde. Wat mij betreft ik ging nooit
uit, daar het mij verboden was mijne vertrekken te verlaten, doch
schikte mij hierin, te meer daar mijn man mij in al zijne brieven
voorhield, dat ik steeds zonder tegenstribbelen moest gehoorzamen aan
alles wat men van mij verlangde. Op een goeden dag deelde don Fernando
mij mede dat hij naar Amerika moest vertrekken, en deed mij, even als
den vorigen keer, den voorslag om hem daarheen te vergezellen. Wat
moest ik doen? Ik was ver van mijne vrienden, in een vreemd land. Wie
kon zeggen wat de gevolgen zouden zijn, indien ik weigerde? Ik nam het
dus aan. Wij maakten met don Fernando den overtocht naar Hispaniola,
dáár wees hij ons tot verblijf aan het stadje, waar het toeval of
wellicht de hand der Voorzienigheid u zoo onverwachts op onzen weg
heeft gebracht. Verder heeft niets de eentonigheid van ons leven
afgebroken. Don Fernando heeft steeds volgehouden zijne pupil met
goedheid en eerbied te behandelen; naar het schijnt is hij bijzonder op
haar gesteld, terwijl hij ook voortdurend haar met de meeste zorgen
omringt.
—Maar,—zoo viel Philippe haar in de rede, haastig en gejaagd,—hebt ge
nooit iets meer ontdekt omtrent de geboorte van donna Juana, dan wat ge
mij daarover hebt medegedeeld?
—Niets. Wie zou mij daaromtrent hebben kunnen inlichten?
—Gij hebt gelijk! Het is eene hoogst zonderlinge geschiedenis!
—En tevens eene zeer treurige.
—Arm kind!—zuchtte Philippe.—Doch zeg mij eens,—vervolgde hij op geheel
anderen toon,—hebt ge dien ring bewaard?
—Zeker! Die ligt secuur geborgen in een koffertje.
—Wilt ge mij dien eens laten zien?
—Wanneer ge maar goedvindt.
—Wie weet? Zou het zoo onmogelijk zijn dat wij daardoor iets op het
spoor kwamen?
De duenna schudde twijfelend haar hoofd.
VIII.
EEN ZEETOCHTJE.
Er heerschte eenige oogenblikken stilzwijgen, doch ten laatste hervatte
Philippe het gesprek en zei, met den arm op zijn butaca leunende.
—Na Cigala, ik betuig je mijn bijzonderen dank, zooals ik ten volle
verplicht ben, voor het vertrouwen dat ge toont in mij te stellen, daar
ge mij dit geheim hebt willen mededeelen; toch wil ik je ronduit
bekennen dat het mij reeds bekend was, tenminste gedeeltelijk. Donna
Juana had mij reeds geruimen tijd geleden alles verteld wat zij er van
wist. Doch houd het mij ten goede zoo ik nu, op mijn beurt, eene vraag
tot je heb te richten.
—Laat hooren, señor,—gaf de duenna ten antwoord,—zoo ik er toe in staat
ben, zal ik die beantwoorden.
—Dat zal je niet veel moeite kosten. Ge hadt zonder twijfel een
bedoeling met het verhaal van die treurige geschiedenis. Welnu waarin
bestaat dat doel? Dit is iets wat ik gaarne wil weten.
—Ik stond op het punt, caballero, om het u mede te deelen.
—Goed, doe dit dan, ik verlang er zeer naar.
—Donna Juana is u gewaar geworden, hoe en waar, dat zou ik niet kunnen
zeggen, doch het is een feit dat zij u dadelijk heeft herkend. Haar kon
ik niets weigeren, ik heb haar veel te lief, dan dat ik niet alles zou
doen wat zij van mij verlangt. Nu heeft zij mij dringend verzocht naar
u toe te gaan, en te zeggen, dat zij u van avond nog wacht op eene
plaats waar ik u zal brengen, daarom ben ik hier gekomen. Maar op die
wandeling van het huis van don Fernando naar het uwe, heb ik er ernstig
over nagedacht, en thans wil ik u doen hooren wat het resultaat is
geweest van mijne overwegingen.
—Goed, na Cigala, deel mij het mede, en ik ben er zoo goed als zeker
van dat ik je daarop voldoende zal kunnen antwoorden.
—God geve het, Señor! De eer van donna Juana gaat mij boven alles ter
harte. Bij ons vertrek uit Hispaniola vleide ik mij met de hoop dat ik
u nimmer zou terugzien, en donna Juana er eindelijk toe zou komen om u
te vergeten. Gij bemerkt dat ik openhartig ben.
—Ja, misschien een beetje te veel.