Montbars trad binnen, en don Fernando stond haastig op om hem te

begroeten. Montbars beantwoordde dien groet met waardigheid en zei

daarop:—Naar ik meen zijt gij kapitein don Fernando d’Avila. Ik heb

reeds meermalen en zeer gunstig over u hooren spreken. Het is mij

aangenaam, señor, met u in kennis te komen.

—Uwe Excellentie maakt mij verlegen,—antwoordde de gouverneur opnieuw

buigende.—Ik verdien waarlijk niet...

—Houd het mij ten goede, señor,—viel Montbars haastig in.—Gij zijt een

goed en loyaal dienaar van Zijne Majesteit, en als zoodanig hebt gij

recht op al mijne achting. Laat mij u bovendien bedanken voor de moeite

die gij u hebt willen geven u zoo spoedig aan mij voor te stellen. Ook

ik had mij reeds voorgesteld een bezoek aan u te brengen.

—Dat behoorde toch het eerst door mij te worden gedaan, Excellentie, en

tevens acht ik het mijn plicht mij te uwer beschikking te stellen;

daarbij heb ik de eer u mede te deelen dat ik last heb gegeven om voor

Uwe Excellentie en gevolg in het paleis, dat ik bewoon, vertrekken in

gereedheid te brengen.

—Dat is iets waaraan geen gevolg moet worden gegeven, waarde heer, want

hoewel ik u zeer dankbaar blijf voor dit zoo hoffelijke aanbod, kan ik

toch niet anders dan het bepaald afslaan, daar ik op geenerlei wijze u

den minsten overlast wil veroorzaken. Buitendien moet ik u, onder ons,

in vertrouwen doen opmerken, dat het voor mij, om behoorlijk de zending

te vervullen die mij is opgedragen, hoog noodig is, dat ik den ganschen

dag vrij over mijn tijd kan beschikken. Gij zult mij wel begrijpen,

niet waar?

—Excellentie...

—Laat ons dit beschouwen als bepaald afgesproken. Gij keert nu naar wal

terug, en zult mij zeer verplichten door voor mij een zeer gewone

bescheiden woning te huren, het doet er niet toe waar.

—Maar toch...

—Genoeg daarover,—voegde Montbars hem toe en tikte hem even op den

arm.—Er bestaan voor mij overwegende redenen om op die manier te

handelen. Later zal ik u die wel eens mededeelen.

—Als het zoo door uw Excellentie geëischt wordt, blijft mij niet anders

over dan te gehoorzamen.

—Ik zeg u dank voor uwe bereidwilligheid. Wees er verzekerd van

mijnheer de Gouverneur, dat ik hoogst gevoelig ben voor uwe

beleefdheid.

—Dan zal ik nu afscheid nemen van uwe Excellentie, om ten spoedigste

aan uw verlangen te voldoen.

—Doe zoo, en ik verzoek u het mij dadelijk te doen weten zoodra door u

eene geschikte woning is gevonden.

—Excellentie, ik wil aan niemand de eer afstaan u in uwe nieuwe woning

te installeeren, en zoo dit mij door u wordt toegestaan, zal ik zelf u

daarheen geleiden.

—Zeer gaarne.

De twee heeren wisselden toen nog de gewone beleefdheden en daarop

verliet don Fernando het schip, opgetogen door de zoo welwillende

ontvangst die hem ten deel was gevallen van iemand zoo hoog in rang als

graaf de l’Atalaya.

VI.

DE INSTALLATIE.

Toen don Fernando d’Avila niet meer op de brigantijn aanwezig was en de

aanvoerders der flibustiers dus weer buiten hun rol konden treden,

gaven zij zonder eenige terughouding lucht aan de overmaat van vreugde

over het groote en ongedachte succes van zulk een brutaal bedrog. Hun

vermetele krijgslist scheen alles te overtreffen wat in de jaarboeken

van de Broeders der Kust over zaken van dien aard geboekstaafd stond,

en toch bevatten die jaarboeken menig staaltje dat de bewondering

gaande maakte. Doch het moest erkend worden, dat door de vrijbuiters,

ondanks hun dapperheid, die boven allen twijfel verheven stond, nog

nooit zulk een gevaarvollen aanslag was beproefd om achter de geheimen

hunner vijanden te komen. Morgan, de mooie Laurent, in één woord geen

enkel der helden onder de boekaniers hadden ooit durven wagen zooveel

op het spel te zetten.

Maar toen de eerste oogenblikken van opgewondenheid voorbij waren,

begon men te wikken en te wegen, en daarna zich te beangstigen over den

zoo geheel onverwachten goeden uitslag. Toen scheen het hun onmogelijk

lang de rollen vol te houden die zij onder elkander hadden verdeeld, en

die zoo hachelijke comedie af te spelen, zonder daarbij ontmaskerd te

worden. Zij bleven peinzend staren naar de stad, wier witte huizen

trapsgewijze voor hunne blikken oprezen, en de vraag kwam bij hen op,

of het niet beter zou zijn, nu het nog tijd was, zich den aanstaanden

nacht ten nutte te maken, weer onder zeil te gaan en te trachten, te

ontkomen aan dit wespennest waarin zij zich zoo roekeloos hadden

gestoken.

De Spanjaarden waren immers te veelvuldig met de vrijbuiters in

aanraking geweest, om het als genoegzaam zeker te kunnen achten dat in

een stad met meer dan vijfduizend inwoners en een garnizoen van

achthonderd man, niet de een of ander zou wezen, die hetzij een der

aanvoerders hetzij een der matrozen van den schooner zou herkennen.

Die overwegingen kwamen zeker wel een beetje te laat, maar toch waren

zij oorzaak dat die gebruinde gezichten somberheid toonden; de

voorzichtigheid kreeg de overhand, en die mannen, hoe dapper ook,

werden nu ondanks zich zelven ten prooi aan een onwederstaanbaren angst

bij de gedachte aan de verschrikkelijke wederwraak die de Spanjaarden

zouden nemen zoodra deze het brutale bedrog zouden ontdekken, waarvan

zij de dupe waren geweest. Die vrees werd zóó ernstig zóó algemeen

gedeeld, dat het weinig scheelde of de brigantijn was dadelijk onder

zeil gebracht ten koste van alles wat daarvan mocht komen.

Slechts twee mannen bleven vast en onwrikbaar bij hun besluit om aan

wal te gaan en tot het eind te volharden in het plan waarom zij naar

Maracaïbo waren gekomen. Die twee mannen waren Montbars en Philippe. De

beweegredenen waardoor zij gedreven werden, waren zoo ernstig en

gewichtig dat in hun geest alle bezwaren en overwegingen moesten

wijken, voor hun vurig verlangen om tot iederen prijs te slagen in

hetgeen zij zich ten doel hadden gesteld. Nu zij met de grootste

koelbloedigheid hun eigen leven en dat hunner kameraden hadden gewaagd

om in de stad te komen, waarop zij thans een blik konden vestigen, nu

zij op het punt stonden hunne pogingen bekroond te zien, nu zouden zij

nooit toestemmen tot een schandelijken terugtocht onder den invloed van

overdreven angst, een gevoel onwaardig voor mannen zooals zij waren.

Montbars verhief met kracht zijne stem tegen dit besluit dat zijne

kameraden wilden nemen; hij toonde hen aan hoezeer het prestige dat de

vrijbuiters hadden weten te verwerven, hun, zelfs buiten hun weten, tot

waarborg strekte tegen de ondernemingen der Spanjaarden, bij het niet

zeer denkbare geval dat deze hen zouden herkennen. Het ergste wat hun

kon overkomen, was dat men gedwongen werd tot vechten; thans was er

geen enkel Spaansch oorlogschip noch in de golf noch op het meer,

derhalve waren de vrijbuiters meesters van de zee, en dus nog altijd in

staat om zonder groot bezwaar een terugtocht aan te vangen die

glorierijk zou mogen genoemd worden, waar men te kampen had tegen

honderdvoudige overmacht, maar op dit oogenblik des te smadelijker daar

er niets was, waardoor men ertoe genoodzaakt werd.

Die overtuigende redeneering, krachtdadig ondersteund door Philippe,

had het gevolg wat Montbars er van verwachtte; de vrijbuiters schudden

even gauw den angst af als die hen overvallen had en zwoeren Montbars,

dat zij hem trouw zouden blijven, en zich eer tot den laatsten man

zouden laten dooden dan hem aan zijn lot overlaten.

Nauwelijks had Philippe don Fernando d’Avila gezien of hij had hem

herkend als den vroegeren gouverneur van het Schildpaddeneiland, den

voogd van donna Juana. Onmiddellijk daarop stond zijn besluit vast; al

moest hij alleen te Maracaïbo blijven, dan zou hij dit zonder aarzelen

doen, veel liever dan af te zien van de hoop haar die hij liefhad terug

te zien, te meer daar dit het eenige doel was waarom hij een expeditie

uitgerust en zijn brigantijn bewapend had.

Toen de opgewondenheid, veroorzaakt door al die beraadslagingen door

ons in hoofdzaak medegedeeld, bedaard en de rust hersteld was, werden

de volgende besluiten genomen. De schooner zou dien nacht de

ankerplaats verlaten en dichter bij wal worden gebracht om zoodoende

makkelijker het verkeer met de stad te kunnen onderhouden. Pierre

Legrand en Michel de Baskiër, de beide gezagvoerders van het schip,

zouden verkenningen doen, en peilingen bewerkstelligen, maar alles

steeds in gereedheid houden om op het eerste signaal onder zeil te

gaan. Nog werd overeengekomen dat het aan de gansche bemanning,

uitgenomen de beide gezagvoerders, strikt verboden zou zijn aan wal te

gaan, en dat zelfs de gezagvoerders dit nooit te zamen maar altijd

ieder afzonderlijk mochten doen, uit vrees voor een mogelijke

overrompeling. De scheepjongen, Zijden-Draad, werd belast met de

overbrenging van de orders van Montbars naar de brigantijn. Aan boord

zou de stiptste discipline gehandhaafd worden, en, daar de geringste

ongehoorzaamheid den ondergang van allen zou kunnen berokkenen, werd

bevolen dat de schuldige onmiddellijk zou worden doodgeschoten; ten

overvloede en om zoo min mogelijk iets aan het toeval over te laten,

werd nog verordend dat de toegang tot het schip volstrekt ontzegd bleef

aan de inwoners van de stad. Al die maatregelen werden vastgesteld en

goedgekeurd in eene gezamenlijke vergadering door de vrijbuiters; zij

deden er een eed op dat die stipt zouden worden in acht genomen, op

even plechtige wijze als bij hunne aanwerving voor de inneming van het

Schildpaddeneiland bij de beëediging der monsterrol had plaats gehad.

Toen dit alles was geregeld, ging men over om de ontscheping te

bespreken.

Er waren zes personen, die zich aan wal moesten begeven, en wel in de

eerste plaats, Montbars, onder den naam van don Pacheco graaf de

l’Atalaya, buitengewoon Opper-intendant, en Philippe, als don Cardenio

Figueroa, zijn geheim-secretaris. Tevens Tributor, Pitrians en

Luiwammes, thans José, Purdo en Pico genoemd, als bedienden van den

graaf en eindelijk Zijden-Draad of Lopez Cardenas, zijn page. Montbars

deed allen in de kajuit bij zich komen om hun zijn laatste instructies

te geven. De rollen die zij van nu af hadden te vervullen, waren des te

moeielijker daar zij die in acht moesten nemen ten aanzien van een

ieder, en goed zorgen dit geen oogenblik te vergeten. Er ging meer dan

een uur voorbij om hun dit met allerlei voorbeelden goed in te prenten

en te doen gevoelen dat het van het grootste gewicht was dit steeds in

het oog te houden. Toen de vermaarde vrijbuiter ten laatste er zeker,

of ten minste bijna zeker van was, dat zij hunne rollen stipt zouden

volhouden, gaf hij order om twee booten te bemannen.

Hij zelf begaf zich in de eerste vergezeld door Philippe en

Zijden-Draad; drie andere vrijbuiters namen plaats in de tweede, met de

kisten, koffers en de verdere bagage, die aan hunne zorgen werden

toevertrouwd. Montbars keek om zich heen met eene vreemde uitdrukking

op zijn gelaat, ging toen recht in de boot staan, nam zijn hoed af,

groette glimlachend de matrozen, die zich over de berghouten van de

brigantijn gebogen hielden en sprak daarna met luide stem tot de

roeiers.

—Stoot nu af, mannen, maar denkt er vooral aan dat van dit oogenblik af

geen enkel Fransch woord door ons mag gesproken worden.

De boot werd afgehouden en met krachtige riemslagen voortgestuwd naar

het havenhoofd, waar reeds een groot aantal der inwoners verzameld was

en met ongeduld scheen te wachten naar het oogenblik waarop het de zoo

hoog geplaatste persoon, die men wist dat zich aan boord van de

brigantijn la Madre de Dios bevond, behagen zou aan wal te komen.

Nu wij tot dit gedeelte van ons verhaal zijn gekomen willen wij gaarne

zeer nederig bekennen dat wij zouden aarzelen het te vervolgen, zoo wij

niet in het bezit waren van de authentieke bewijzen der bijna

hersenschimmige feiten die wij verder hebben mede te deelen. Want

waarlijk grenst het aan het ongeloofelijke dat die mannen zoo vermetel

zijn om eene gansche bevolking tot dupe te maken van een zoo dwaas

komediespel, en evenzeer kan dit gezegd worden van de verbazende

onnoozelheid waarmede de bevolking, met de autoriteiten aan het hoofd,

zich zoo gemakkelijk door hen laat bedotten, zonder eenig wantrouwen te

koesteren, ondanks de menigvuldige listen waaraan zij van de kant der

flibustiers reeds blootgestaan had en die haar nu weer tot speelbal

gekozen hadden. Doch men moet in het oog houden dat in die dagen de

middelen van verkeer veel moeielijker en beperkter waren dan

tegenwoordig; slechts op enkele vaste tijden kwamen er schepen uit

Europa aan, daardoor bleven de Spaansche Koloniën bijna altijd in

genoegzaam volslagen onbekendheid niet alleen met de gebeurtenissen in

het moederland, maar zelfs met hetgeen in de onmiddellijke nabijheid

voorviel, dat wil zeggen in de naburige Koloniën.

Die onwetendheid kwam aan de vrijbuiters bij hunne plannen bijzonder

goed te stade; buitendien waren zij zelf, die onophoudelijk en in alle

richtingen de zee doorkliefden en kruisende bleven vóór de voornaamste

havens der kust en van de eilanden, steeds volkomen op de hoogte der

gebeurtenissen die voor hen van eenig belang waren, door de schepen die

zij van de Spanjaarden kaapten, hetzij die van Europa kwamen of

daarheen terugkeerden, de gevangenen die zij daarbij maakten en de

depêches of documenten die hun daardoor in handen kwamen. Ook moeten

wij ten overvloede hier nog bijvoegen dat door de vrijbuiters, sedert

de verbeterde organisatie hunner vereeniging, in de gewichtigste

plaatsen spionnen werden onderhouden die hun door middel van

afgesproken signalen langs de kust, bericht gaven van alle zaken die

voor de vrijbuiterij van belang waren.

Hoe dit ook wezen moge de beide booten naderden met spoed het

havenhoofd en lagen kort daarop stil aan de trap.

Don Fernando d’Avila, in groot tenue van Luitenant-Kolonel van het

Spaansche leger, weer een hoogeren rang die hem sinds kort was

verleend, wachtte de reizigers af te midden van den staf van het

garnizoen en van de voornaamste autoriteiten der stad. Na de

gebruikelijke plichtplegingen en voorstellingen liet don Fernando voor

Montbars en Philippe paarden voorbrengen. Het gansche geleide steeg te

paard en onder de toejuichingen der menigte, het gebulder van het

geschut, en de opwekkende militaire muziek werd de tocht naar de Plaza

Mayor langzaam aangevangen.

Het huis dat don Fernando had laten inrichten tot een geschikt verblijf

voor Montbars, stond op dit zelfde plein, niet ver van de kathedraal en

vlak tegenover het paleis van den gouverneur. Een eerewacht was vóór de

deur opgesteld. Don Fernando steeg af en noodigde de vrijbuiters uit

hem in het huis te volgen waarna hij hen de kamers rondleidde, en

verscheidene inrichtingen meer in het bijzonder aanwees. Na afloop van

dit kort bezoek nam de Gouverneur afscheid om graaf de l’Atalaya tijd

te geven zich geheel naar zijn goedvinden in dit huis te installeeren,

doch don Fernando verwijderde zich niet dan na van den graaf de belofte

te hebben verkregen, dat deze met zijn secretaris dien avond deel zou

nemen aan een banket dat hem werd aangeboden door de autoriteiten van

de stad.

Nauwelijks waren de poorten van het huis achter de Spanjaarden gesloten

of de vrijbuiters herademden; het was voor de eerste maal dat zij zich

zóó lang moesten bedwingen en dit begon hun moeite te kosten en te

vermoeien; zij hadden er dus veel behoefte aan om zich weer vrij te

gevoelen. Hun eerste zorg was nu om het huis tot in de kleinste

bijzonderheden nader op te nemen. Niettegenstaande hem daarvoor slechts

weinig tijd was gelaten had de gouverneur de woning voor den

Opper-Intendant uitstekend in orde gebracht. Het was een groot huis met

ruime vertrekken; achter het huis strekte een prachtigen tuin zich vrij

ver uit, en, wat den vrijbuiters het meeste beviel, het gebouw, in

werkelijkheid eigenlijk een paleis, had drie verschillende uitgangen,

die niet met elkaar in verband stonden; de eerste, de hoofdpoort, kwam

uit op de Plaza Mayor, de tweede, in den tuinmuur, verleende toegang

tot de calle Bodegones, en de derde, meer bepaald ten gebruike van het

dienstpersoneel in de calle Plateros. Dank zij deze, voor hen zoo

dienstige inrichting, waarover de vrijbuiters zeer in hun schik waren,

konden zij uit- en ingaan zonder te worden bemerkt en liepen zij geen

gevaar in hun huis als in een gevangenis opgesloten te blijven.

Daarenboven was de tuin, waarvan wij reeds melding maakten, vol

uitheemsche, zeer lommerrijke boomen, en verscheidene zeer dicht

begroeide prieeltjes, waar bijna geen zonnestraal kon doordringen,

zoodat hier zeer goede gelegenheid bestond om bezoeken te ontvangen, en

geheime gesprekken te voeren zonder in gevaar te verkeeren van

bespionneerd of beluisterd te worden.

Daar de optocht, zooals wij gezegd hebben niet dan langzaam

voortschreed, was de bagage reeds in de woning gebracht, eer de

vrijbuiters daar afstapten; alles was daar reeds geschikt, geregeld, en

op orde nog vóór zij den voet binnen de deur hadden gezet. Montbars

begaf zich naar zijne vertrekken om eenige oogenblikken rust te nemen,

en liet aan Philippe de zorg over om de bedienden, die zich kwamen

aandienen te woord te staan, en hun hunne plichten aan te wijzen.

Philippe kweet zich van die netelige taak als een zeer schrander

persoon, dat hij trouwens werkelijk was. Zijn eerste zorg was daarna

naar den officier te gaan die de eerewacht kommandeerde en hem hoogst

beleefd te bedanken, maar meer nog om er voor te zorgen dat hij zich

met zijne soldaten zoo spoedig mogelijk verwijderde, waarom hij zich

haastte hem, namens Zijne Excellentie, een met goud goed gevulde beurs

ter hand te stellen om onder deze waardige manschappen te verdeelen,

die daarop aftrokken onder uitbundig vreugdegejuich.

Daarna stelde Philippe aan: een kok, twee keukenjongens, twee

mayorales, twee lakeien, en vier palfreniers. Al die lieden verkregen

geen toegang tot de bijzondere vertrekken waarvan de dienst uitsluitend

moest worden waargenomen door de vertrouwde bedienden van den graaf,

met andere woorden door Tributor, Luiwammes en Pitrians. De anderen

bleven overigens onder het onmiddellijk toezicht van Pardo, of

Pitrians, den zoogenaamden Intendant van Zijne Excellentie. Toen het

bedienend personeel dus was georganiseerd, liet Philippe paarden

voorbrengen, hij koos er twaalf, dieren van groote waarde, die dadelijk

naar de corral werden gebracht. De jonge man, die niets over het hoofd

zag, was op zeker oogenblik op de gedachte gekomen, dat het misschien

goed zou wezen, om te allen tijde over uitstekende paarden te kunnen

beschikken.

Pitrians, Luiwammes, Tributor, en Zijden-Draad werden gehuisvest in de

vertrekken grenzende aan die van Montbars en Philippe, om op ieder uur

zoowel ’s nachts als op den dag in de nabijheid te wezen van hunne

voorgewende meesters en zoo noodig hun hulp te kunnen bieden. Aan

Pitrians werd nog in het bijzonder opgedragen geen enkelen avond ter

rust te gaan, dan na het huis van boven tot beneden in alle hoeken en

gaten te hebben doorzocht, en tot overmaat van zekerheid de vertrekken

der Spaansche bedienden te hebben afgesloten. Al die beschikkingen

vereischten vrij wat tijd en het was niet vóór vijf uur ’s namiddags

dat Philippe daarmeê eindelijk gereed was, en toen naar Montbars kon

gaan om dezen verslag te doen van alles wat hij verricht had. De

vrijbuiter keurde zijne schikkingen goed, en beiden begonnen zich nu te

kleeden voor het banket waarop zij genoodigd waren, daarbij geholpen

door Tributor, die bij deze gelegenheid fungeerde als kamerdienaar.

—Wij dienen ons wel op dit feest te vertoonen,—meende Montbars.—Alleen

de vrees om den gouverneur te ontstemmen, wiens goede gezindheid wij

tot iederen prijs moeten trachten te behouden, heeft mij weerhouden om

dadelijk voor die uitnoodiging te bedanken, doch nu wij ons niet geheel

van dit feest kunnen onttrekken, is het ook zaak zooveel mogelijk van

die gelegenheid te profiteeren en terstond in onze rollen op te treden.

—Wat wilt gij daarmee zeggen?—vroeg Philippe, die de bedoeling niet

begreep.

—Wat ik daarmee zeggen wil, wel, dat wij reeds morgen aan den dag in

functie moeten komen. Laat ons het steeds bedenken dat wij hierheen

zijn gezonden, om de rekeningen van de heeren Intendanten op te nemen,

na te zien, uit te pluizen enzoovoorts. Dat werk is een werk van langen

duur, want wij worden er door verplicht de voornaamste steden van

iedere kolonie te bezoeken. Vat ge nu waar ik heen wil, vriend?

—Volkomen. Dus moeten wij naar Gibraltar gaan en naar Merida?

—In één woord overal waar een streng onderzoek moet plaats

grijpen,—merkte Montbars glimlachend aan.

—Arme Spanjaarden,—mompelde Philippe.

—Hoe nu! Begint ge medelijden met hen te krijgen?

—Ronduit gezegd, ja! Zij ontvangen ons zoo hartelijk!

—Maar vergeet des ondanks niet om een dolk bij je te steken.

—Wees daarover gerust. Men weet nooit wat er kan gebeuren.

—Tributor laat de paarden zadelen. Gij moet ons vergezellen tot aan het

paleis van den gouverneur. Het zal wel overbodig wezen om je nog eens

op het hart te drukken, een oog in zeil te houden, niet waar?

De pandeling liet een flauw glimlachje bemerken, boog en ging heen.

Enkele minuten later reed graaf de l’Atalaya vergezeld van zijn

secretaris, en gevolgd door een bediende en een page, de Plaza Mayor

over, en richtte zich naar het paleis van den gouverneur, waar de wacht

onder de wapens kwam om hem militaire eer te bewijzen.

VII.

DE DUENNA.

Zóó verliepen enkele dagen waarin de vrijbuiters de dubbele rol, die

zij op zich hadden genomen, vervulden met zeldzame behendigheid en

zelfs zonder die één enkel oogenblik uit het oog te verliezen. Ondanks

het voorgewende strenge onderzoek over de tamelijk verwarde rekeningen

en verantwoordingen der intendanten, wist Montbars zich in hooge mate

de genegenheid van die waardige ambtenaren te verwerven, daar zij zich

gelukkig achtten, er dank zij de verschoonende toegevendheid van den

gevreesden buitengewonen Opper-intendant, beter af te komen dan zij

verwacht hadden; zij wisten niet hoe zij hem genoeg zouden roemen, en

waren niet uitgesproken over zijne kunde en zijn degelijk inzicht, maar

in de eerste plaats over zijne uitstekende bekwaamheden in betrekking

tot de belastingen.

Onder voorwendsel van alleen door eigen oogen te willen zien (en

werkelijk was dit zijn doel, doch niet in den zin dien men aan zijne

woorden gaf) gunde de flibustier zich geen oogenblik rust, maar trok

onophoudelijk van Maracaïbo naar Gibraltar, en van Gibraltar naar

Maracaïbo, nergens verzuimende het terrein op te nemen en schijnbaar

zonder daaraan veel gewicht te hechten, steeds druk met den gouverneur

in gesprek over zaken waarover hij nader wenschte te worden ingelicht.

Michel de Baskiër hield zich van zijn kant ijverig bezig met opnemingen

en peilingen en de oplossing van ingewikkelde zeevaartkundige

berekeningen, waarover de Spanjaarden, onnoozel genoeg, ten hoogste

verbaasd maar ook zeer verrukt waren, zich vleiend met de hoop dat die

strekken moesten voor het maken van uitgestrekte zeeweringen, iets wat

van het hoogste belang was voor de toekomst der kolonie.

Zonder bepaald reden te geven van zijn verlangen om te Maracaïbo te

blijven, had Philippe aan Montbars verzocht hem in de stad achter te

laten, om, zoo hij voorgaf, het oog te houden op de autoriteiten, en

bij den minsten schijn van gevaar zijne kameraden te kunnen

waarschuwen. Bij dit verzoek had de flibustier even geglimlacht, doch

zonder verdere toelichtingen te verlangen dadelijk aan den jongen man

toegestaan hierin geheel naar eigen goedvinden te handelen; toch had

hij hem ernstig op het hart gedrukt de grootste voorzichtigheid in acht

te nemen, er vooral op wijzende dat één enkele verkeerde zet door hem

gedaan voldoende zou wezen om den goeden uitslag van de gansche

expeditie onvoorwaardelijk te verspelen, vooral met het oog op het zoo

begrijpelijke wantrouwen der Spanjaarden, een wantrouwen dat zoozeer

versterkt was geworden door de zoo herhaalde verrassingen waarvan zij

door de vrijbuiters de slachtoffers waren geworden.

De goudzoekers · 第 4 / 23 段