—Volkomen, Montbars.

—De eenige drijfveer die je, naar mijne meening, in deze omstandigheden

tot handelen aanvuurt is de begeerte om eene vrouw terugtevinden en

haar te schaken. Val mij nu niet in de rede,—liet hij er op volgen en

strekte den arm naar hem uit.—Dus is die drijfveer de liefde, met

andere woorden, een hartstocht. Ge zult het met mij eens zijn dat de

hartstocht geen berekening kent; hij beheerscht en sleept mee, en het

gevolg daarvan is meestal het verderf van hem of haar wie hij

overmeesterd heeft. Ge bemerkt dat ik koel en logisch redeneer, doch

dit moet, want de zaak is van hoogst ernstigen aard, en vereischt dat

wij zorgvuldig alle hulpmiddelen overwegen die ons door inzicht en

verstand aan de hand worden gedaan.

—Vervolg, vervolg, waarde vriend, ik luister met aandacht, er ontgaat

mij geen woord van hetgeen je mij zegt.

—Nu kom ik tot deze gevolgtrekking. De leiding van de gansche expeditie

moet aan mij en uitsluitend aan mij verblijven; ik behoud altijd en in

alles het recht om naar eigen goedvinden te handelen. Gij van uw kant

daarenboven doet er een eed op dat ge mij onbepaald zult gehoorzamen.

Hebt ge bezwaar tegen zulk een eed? Denk er goed over na, en antwoord

dan.

—Montbars,—werd door Philippe op ernstigen toon ten antwoord

gegeven,—ik erken de waarheid van alles wat door je is aangevoerd, en

aarzel geen oogenblik om den door jou gevergden eed af te leggen. Ik

zweer dus je in alles te zullen gehoorzamen, zonder er zelfs ooit aan

te denken om je rekenschap te vragen van je handelingen.

—Dat is mij een bewijs, Philippe, dat ik mij te uwen opzichte niet

bedrogen heb en ge in werkelijkheid zijt de man van wien ik steeds en

zoo gaarne heb gehouden. Maar wees gerust, beste vriend, ge kunt er op

aan dat ik geen misbruik zal maken van de mij verleende macht,

integendeel, ik zal die steeds aanwenden in ons wederzijdsch belang,

want even zeer, ja, misschien nog meer dan jij, haak ik er naar onze

pogingen met een goeden uitslag bekroond te zien. Luister nu naar

hetgeen dat, mijns bedunkens, door ons moet worden gedaan. Gij hebt

gezegd dat ge in het bezit zijt van de noodige papieren, niet waar?

—Ja, dat heb ik.

—Best. Zoek nu of er onder die papieren wellicht een is, dat kan dienen

als bewijs dat men de een of andere aanzienlijke betrekking bekleedt,

bijvoorbeeld van het hooge gerechtshof of iets dergelijks.

Philippe stond op, en deed met een sleutel, die aan een stalen

kettinkje om zijn hals hing een koffertje open, dat in een hoek van de

kajuit stond; hij haalde daaruit een gansche hoop bescheiden die hij

ijverig begon te doorsnuffelen. Kort daarop zei hij:—Zie eens, ik

geloof dat ik daar iets vind, dat ons juist van pas zal komen. Hier

hebt gij,—en bij die woorden stelde hij hem verscheidene geelachtige

perkamenten ter hand—familie documenten van zekeren graaf de l’Atalaya;

die graaf de l’Atalaya is een paar weken geleden gesnapt aan boord van

een Spaansch schip op de hoogte van Jamaïca.

—Waar kwam hij van daan?

—Uit Spanje.

—Dat treft goed. En wat is er van hem geworden?

—Hij is gestorven aan de wonden, die hem tijdens de entering waren

toegebracht; het schijnt dat hij zich met leeuwenmoed verdedigd heeft,

zoo ten minste werd mij verteld door Pierre Legrand, die het kommando

had over het vrijbuiters-schip dat het Spaansche vaartuig

overmeesterde.

—Dat treft waarlijk hoe langer hoe beter! Wij moeten die stukken eens

wat nader onderzoeken.—Vluchtig doorliep hij die documenten en

vervolgde toen:—Die graaf don Pacheco de l’Atalaya begaf zich naar

Mexico, als afgevaardigde van het Spaansche gouvernement, tot onderzoek

van verduisteringen gepleegd door intendanten en ter opneming hunner

rekeningen, met de meest uitgebreide volmacht, zoodat hij hen zelfs

desgevorderd kon doen arresteeren en naar Spanje opzenden. Hier heb je

zijne benoeming tot buitengewoon Opper-intendant,—daarna las hij dat

stuk geheel voor, en hernam toen,—dit pakket brieven met een lint

samengebonden bevat de koninklijke bevelschriften met het gewone

onderschrift Ik, de Koning, gericht aan al de Onder-Koningen,

Intendanten, Adelantados en Gouverneurs der Spaansche bezittingen.

Heerlijk! Heerlijk! Ge zoudt geen betere vondst hebben kunnen doen! Dit

zijn, zooals ge reeds gezegd hebt, beste vriend, juist de papieren, die

wij noodig hebben, en het is onnoodig er nog verder in te zoeken.

Luister nu goed. Ik treed op als die graaf, en noem mij dus graaf don

Pacheco de l’Atalaya, buitengewoon gezant van Zijne Majesteit Koning

Filips IV; gij, gij wordt don Cardenio Figueroa, mijn geheim

secretaris; beide die namen en hoedanigheden worden vermeld in de

documenten die ik hier voor mij heb. Weet ge wellicht ook wat er van

dien Cardenio geworden is?

—Pierre Legrand heeft hem aan Zwartkop verkocht.

—Zoo, dan kunnen wij ook wat hem betreft gerust zijn, want al is hij

niet dood dan scheelt dit toch niet veel, wij beiden, gij en ik, weten

hoe onze vriend Zwartkop zijne pandelingen behandelt. Spreekt

Zijden-Draad Spaansch?

—Als een Castiliaan!

—Ook al goed! Dan wordt hij mijn page en krijgt tot naam, Lopez

Cardenas. Nu moeten wij nog drie bedienden kiezen, iemand van mijn rang

en stand kan het niet minder stellen. Als zoodanig moeten optreden

Tributor, Pitrians en Luiwammes, en gij moet er voor zorgen dat de taak

die ik hun eerst had opgedragen aan drie andere daarvoor bekwame en

goed berekende personen wordt opgedragen. Zij met hun drieën zijn

genoegzaam bekend met het Spaansch en bovendien, flinke ferme kerels op

wien wij, zoo dit noodig mocht wezen, gerust staat kunnen maken.

—En daarbij komt nog,—werd door Philippe aangemerkt,—dat het dan voor

ons onnoodig wordt naar vreemde bedienden om te zien, en wij verzekerd

zijn dat ons geheim trouw verzwegen zal worden.

—Dat alles blijft dus afgesproken. Nu hebben wij verder niets te doen

dan van kleeren te verwisselen, goud genoeg bij ons te steken en...

—Een oogenblikje,—viel Philippe op eens in.—Gij vergeet onze bagage;

hoe moet die vervoerd worden?

Montbars lachte hartelijk en hernam:—Hoe komt ge er toe om mij voor

zoo’n bagatel in de rede te vallen! Geef maar order om onder zeil te

gaan. Tien of twaalf mijlen oostwaarts ligt een armzalig dorp, eertijds

gesticht door Fernando Cortez doch thans verlaten, daar zullen wij

alles vinden wat wij noodig hebben. Begrijpt ge mij nu?

—Drommels goed!

—Zoodra wij ontscheept zijn, moet uw schip onder zeil gaan om hier weer

te ankeren, dan hebben wij het altijd te onzer beschikking.

Een half uur later was de schooner onder zeil.

V.

LA MADRE DE DIOS.

Den dag na dien waarop het gesprek tusschen Montbars en Philippe, dat

in het voorgaande hoofdstuk vermeld is, aan boord van het

vrijbuitersschip had plaats gehad, zeilde tegen ongeveer vijf uur ’s

morgens een vlugge, ranke Spaansche schooner kaap Coquibacoa om, zette

koers naar den ingang van het meer Maracaïbo en hield aan op het kanaal

tusschen het eiland Kijk-Uit en het Houtduifeilandje, doch niet dan na

met het eerste signalen gewisseld en het saluut uit het fort van het

laatste beantwoord te hebben door de zes bronzen kanonnen waarmee het

bewapend was.

Voor het geoefend oog van een zeeman was het niet mogelijk zich te

bedriegen over de hoedanigheid van den schooner; de stoute kromming van

zijn romp, de achteroverhellende bovenmasten, zijn nieuwe zeilen, en

het zoo uiterst zorgvuldig bekleedde en goed geteerde want deden dit

vaartuig dadelijk herkennen als een Spaansch oorlogschip.

Vlak over het Houtduifeiland werd een licht bootje te water gebracht,

waarin twee mannen plaats namen, die met kracht van riemen koers zetten

naar de brigantijn, waarvan de zeilen gestreken waren in afwachting van

hunne komst. Een van die twee was een loods. Onder het bereik van de

stem gekomen, riep die loods de brigantijn aan en vroeg of men hem

noodig had. Na het bevestigend antwoord van den kommandant lag de loods

aan stuurboordzij aan, waarna men hem een eind tros toewierp om het

bootje vast te sjorren; toen klom hij aan boord, zijn metgezel die in

het bootje was gebleven om het aan te houden, vierde den tros en liet

het vaartuigje achter den brigantijn drijven, waarvan de zeilen opnieuw

waren uitgebracht, en die nu weer op de Kaap aanhield.

Eer wij verder gaan willen wij hier een paar woorden inlasschen over de

streek waar de gewichtigste voorvallen uit dit verhaal zullen plaats

hebben.

Tusschen kaap Gracias a Dios en Rio Orinoco strekt zich eene lange rij

van kusten uit over eene zeer uitgebreide oppervlakte; de eerste

ontdekkers daarvan waren don Alonzo de Ojeda, Vasco Nunez de Balboa (de

ontdekker van de Stille Zuidzee), Juan de la Cosa en Amerigo Vespucci.

Die lange rij van kusten werd, naar aanleiding van de onmetelijke

schatten die daar aanwezig waren, door de Spanjaarden bestempeld met

den naam van Het Gouden Castilië. Dat gedeelte van die gronden liggende

tusschen de Magdalena en Orinoco-rivieren, is het eenige waarmeê wij

ons behoeven bezig te houden.

De Spanjaarden gaven aan die golf den naam van Venezuela, omdat de zeer

lage kust tegen overstroomingen slechts door duinen beschermd wordt, en

ook nog omdat zij, tijdens de ontdekking, de bewoners gehuisd vonden in

hutten, die op de toppen der boomen waren gevestigd, terwijl die lieden

niet anders dan door middel van prauwen in verkeer met elkaar konden

komen.

Die golf begint bij kaap Saint-Romain, tusschen den 9n en 10n graad

noorderbreedte en eindigt bij kaap Coquibacoa, beneden den 9n graad van

diezelfde breedte. De vrijbuiters gaven er den naam aan van de golf van

Maracaïbo, of bij verkorting van Marecaye. Tien of twaalf mijlen in

volle zee, vlak bij den ingang der golf, liggen de eilanden Aruba en

los Monjes. De golf van Maracaïbo zal omstreeks tien tot twaalf mijlen

breed zijn; geheel aan het achtereind liggen een paar eilandjes van een

mijl in omtrek, en daar tusschen door stroomt het water uit het groote

meer van Venezuela om zich in zee uit te storten. Die stroom vormt

tusschen die eilandjes een kanaal van middelmatige breedte en breekt op

een zandbank, die men de Baar noemt. Die hinderpaal kon niet anders

ontweken worden, dan door lichte vaartuigen. Op het eerste van die twee

eilandjes, waarover wij reeds gesproken hebben, Kijk-Uit, stond een

wachttoren, op het andere, het Houtduifeiland, een fort. Als men dien

nauwen ingang, tevens den toegang tot het meer, ten einde is, komt men

in een kom of kolk, honderd en twintig kilometers breed en bijna

tweehonderd en veertig lang, die de wateren van zesenzestig rivieren in

zich opneemt. De geheele oostelijke oever van het meer is laag en bijna

altijd overstroomd; juist aan dien kant, ongeveer tachtig mijlen van de

monding van het meer, huisden de Indianen, waarvan wij melding maakten,

die, als vogels hun nest, hunne hutten uit een soort van riet op

wortelboomen hadden opgetrokken. De stad Maracaïbo, het doelwit van de

vrijbuiters, verhief zich amphitheatersgewijze aan den oever van het

meer. De elegante huizen, versierd met balkons en beeldhouwwerk, hadden

het uitzicht op een kleine haven waar het bijna altijd meer dan vol was

door allerlei koopvaardijschepen. De stad met haar rechte, breede

straten, bevatte bijna vijfduizend inwoners, vier kloosters,

verscheidene kerken en een zeer rijk begiftigd hospitaal. Het garnizoen

bestond uit achthonderd uitgelezen soldaten, en was dus voor die

streken vrij aanzienlijk te noemen.

Iets verder aan den anderen kant van het meer verhief zich het

bekoorlijke dorp Gibraltar waar de rijke handelaars uit Maracaïbo en

Merida, eene stad aan de andere helling der bergen, hunne

buitenverblijven hadden. Die stad Merida, een der fraaiste en rijkste

van de Nieuwe Wereld, was in die streek de zetel van het gouvernement

en de verblijfplaats van den Adelantado of gouverneur-generaal.

De loods werd zeer hupsch door den kommandant van de brigantijn

ontvangen, die hem dadelijk het gezag over het vaartuig afstond. De

wind die tot nu toe naar de kust was geweest, begon bij het verlaten

van het kanaal te draaien en daardoor werd de schooner genoodzaakt bij

den wind te houden en te laveeren ten einde het voorgebergte Cabrites

om te zeilen. Dit voorgebergte vormt eene vrij ver vooruitstekende

kaap, die als het ware de grond is van de zandbank waardoor de ingang

van het meer wordt belemmerd. Dank zij de uitstekende vaart van den

schooner en de gemakkelijkheid waarmee hij tegen den wind opwerkte,

koste het niet veel moeite om met het schip de kaap om te zeilen.

—Vive Dios!—riep de loods die naar aanleiding daarvan dien uitroep niet

kon weerhouden,—Kommandant, wat hebt gij een uitstekend schip! Ik kende

het nog niet. Het is zeker de eerste keer dat het zich in deze streek

vertoont, niet waar?

—Ja, het is werkelijk voor den eersten keer,—bevestigde de

kommandant.—Maar bovendien, het is gebouwd op een der werven van

Corunna, en die hebben, zooals ge weet, overal een goeden naam.

—Ja, ja, men mag zeggen wat men wil, maar de Spaansche marine is de

beste van de geheele wereld, en er is geen land waar zulke knappe

scheepsbouwmeesters gevonden worden,—luidde de blufferige uitspraak van

den loods.—Hebt gij geen enkele haven aangedaan eer gij hier kwaamt?

—Zeker, zeker! Ik ben te Santo Domingo binnen geloopen en heb mij dáár

een paar weken opgehouden.

—Zoo! En is de overtocht voorspoedig geweest?

—Bij uitnemendheid! Uitgezonderd dat wij bij het passeeren der eilanden

onder den wind een paar verdachte schepen in het zicht kregen, die wij

echter zonder veel moeite achter ons konden laten, hebben wij niet den

minsten tegenspoed gehad.

—Ja, ik twijfel er ook niet aan of uw schooner is best in staat om een

ander de loef af te steken. Die schepen behoorden zeker aan de ladrones

van Sint Christoffel. Hebt gij al vernomen dat die kerels het eiland

Tortue weer heroverd hebben? [2]

—Neen, dat wist ik niet! Hoe is dat gekomen?

—Daar weet niemand het ware van. Die gevleeschde duivels zijn op het

eiland doorgedrongen, hoe dit weet geen sterveling, en hebben het

garnizoen overrompeld en krijgsgevangen gemaakt, eer dit eigenlijk goed

wist wat er gaande was en met welke vijanden het te doen had.

—Hum! Dat is een treurig geval.

—Zeer treurig, zeker! De Onder-Koning van Nieuw-Spanje is dan ook

woedend, en heeft er een eed op gedaan, dat hij die herhaalde

schandalige zeeschuimerij duur aan de ladrones zal betaald zetten. Naar

het schijnt heeft hij reeds maatregelen genomen om aan die bedreiging

gevolg te geven en is eene zeer sterke vloot uit Vera-Cruz vertrokken.

—God geve dat het hem gelukke moge aan die halve duivels een verdiende

kastijding toe te dienen!

—Amen! En nu kommandant zullen wij met uw goedvinden, vol voor den wind

afhouden om tusschen het eiland Borica en het vaste land te passeeren,

dan langs de stad zeilen en voor den wind de haven binnen loopen waar

gij een veilige ligplaats zult vinden.

—Er liggen zeker veel schepen te Maracaïbo?

—Neen, daarvoor is het nu de tijd niet; er zijn er maar heel weinig,

zeker niet meer dan zeven of acht kustvaarders. Maar over een maand dan

komen ze weer uit Europa opzetten en zal de haven er heel anders

uitzien dan nu.

De manoeuvre werd met de meeste stiptheid uitgevoerd; de brigantijn

hield vóór den wind af, passeerde tusschen Borica en het vaste land,

zeilde ongeveer een half uur langs de stad bijna rakelings aan het

strand, en liep toen, even als door den loods gezegd was, met volle

zeilen de haven binnen, waar men ten anker ging genoegzaam vlak aan den

rand van den nauwen ingang, kort vóór de koopvaardijschepen, en het

schip vastmeerde aan een dood lichaam dat bestemd was voor de

oorlogsschepen. De loods ontving zijn loon, en op de brigantijn werden

de zeilen gestreken en geborgen met de eigenaardige vlugheid en

regelmatigheid welke aan oorlogsschepen eigen zijn; daarna werden door

de bemanning, onder leiding van den bootsman, de booten te water

gebracht. De kommandant liep op den achtersteven aan stuurboordzijde op

en neer, druk pratende met een reeds eenigszins op jaren gekomen

persoon, een passagier naar het scheen, toen een der scheepsjongens

hoogst onderdanig bij den officier van de wacht kwam om hem kennis te

geven, dat een boot, waarin zich verscheidene personen bevonden, de

haven had verlaten en met kracht van riemen op den schooner scheen aan

te houden. De officier ging daarvan dadelijk rapport maken bij den

kommandant, die oogenblikkelijk stil bleef staan, een paar minuten de

boot zeer nauwkeurig opnam, en zich toen over den schouder van den

officier van de wacht heenboog om dezen iets in het oor te fluisteren;

daarna gaf hij een wenk aan den passagier met wien hij in gesprek was

geweest, hem te volgen, en beiden daalden daarop af naar de kajuit. Een

paar andere personen waren in de kajuit aanwezig en hielden zich

onledig met dunne cigaretten te rooken, nu en dan een teugje

oranjewater nemend uit kelken van Boheemsch glas.

—Wel?—vroeg in het Fransch een van hen aan den kommandant, zoodra deze

in de deur van de kajuit verscheen.

—Wel!—herhaalde de kommandant, en wreef zich daarbij zeer vergenoegd de

handen.—Tot nu toe gaat alles zeer naar wensch; de loods houdt ons voor

niet anders dan echte gavachos: la Madre de Dios doet wonderen; zij

heeft op en top het voorkomen van een eerzamen Spaanschen schooner, de

loods is zeer in zijn schik over ons vertrokken, en verheft ons

waarschijnlijk op dit oogenblik tot in de wolken in alle mogelijke

kroegen van de stad.

—Wel drommels, Pierre Legrand,—werd daarop geantwoord door den eersten

spreker, die niemand anders was dan Philippe,—eere wien eere toekomt!

Jij hebt ruimschoots bijgedragen aan dit goede succes. Ge speelt je rol

uitmuntend, en op mijn woord men zou je kunnen houden voor een echten

señor.

—Ba!—hernam Pierre Legrand lachende.—Dat beduidt waarachtig toch

zooveel niet, ik ben immers een Bayonner? Maar nu opgepast, broeders,

er is een boot in het zicht, daarmee komen zeker de eerste autoriteiten

van de stad. Nu komt het er op aan een oog in het zeil te houden en op

te passen dat wij ons niet verspreken.

—Kom, kom!—antwoordde Philippe lachende.—Heb daarover geen zorg! Wij

zullen je voorbeeld volgen en hopen te toonen dat wij niet voor je

onderdoen. Wie is de officier die je met de ontvangst van onze

bezoekers hebt belast?

—Michel de Baskiër.

—Uitmuntend, dit kan niet beter, want hij is voor het minst even goed

Castiliaan als jij.

Het zoogenaamd Spaansche oorlogschip was werkelijk de brigantijn van

Philippe.

Met de vermetele stoutmoedigheid hun eigen, hadden de flibustiers niet

geaarzeld dit roekelooze waagstuk te ondernemen, vast verzekerd dat

zij, zoo het mocht gelukken, veel gemakkelijker en veel spoediger al de

inlichtingen zouden verkrijgen, die volstrekt noodig waren voor den zoo

gevaarvollen aanslag, dien zij wilden ondernemen, en even vast

besloten, om ingeval van mislukking en ontdekking, zich eer met hun

schip in de lucht te laten vliegen dan zich aan de Spanjaarden over te

geven. Overigens moeten wij erkennen dat al de voorzorgen, door de

voorzichtigheid geëischt, met de meeste zorgvuldigheid waren in acht

genomen.

De schooner, een Spaansch schip door Pierre Legrand en Philippe eenigen

tijd vroeger prijs gemaakt, had men ontdaan van alle eigenaardigheden

van een vrijbuitersschip, om het daarentegen weer geheel en al het

voorkomen te geven van een Spaansch oorlogsschip, tot zelfs den

vroegeren naam van la Madre de Dios, die in plaats gekomen was van la

Coquette, zooals Philippe het schip had herdoopt; het want was met zorg

nagezien en opnieuw geteerd, nieuwe zeilen waren aangeslagen, het dek

geschuurd en geschrobt, het koper opgepoetst, en de bemanning gestoken

in de kleedij van matrozen der Spaansche marine, in één woord nooit was

zulk een dwaze expeditie met meer beleid op het getouw gezet en

aangevangen.

Onbezorgd over zoovele gevaren die hun boven het hoofd hingen, lachten

die duivelsche vrijbuiters als halve dwazen bij de gedachte aan den

mooien streek dien zij hunne onverzoenlijke vijanden van zins waren te

spelen; zulk een kwajongensstreek, die echter geduchte gevolgen kon

hebben, lag geheel in hun aard en kwam overeen met hun karakter en

hunne gewoonten, zoodat zij zich daarover om het zoo eens uit te

drukken verkneuterden. Ieder beijverde zich dus ten zeerste om goed de

rol te vervullen die hem in deze comedie was toebedeeld, eene comedie

echter die ieder oogenblik door een of ander toeval, met geen

mogelijkheid te voorzien, kon veranderen in een vreeselijk treurspel,

een tooneel van moord en slachting, in een bloedbad. Maar dit was geen

bezwaar waardoor de flibustiers zich lieten terughouden, zij dachten er

slechts aan hoe zij zich het meest ten koste der Spanjaarden zouden

amuseeren, en over de beste manier waarop zij daarin zouden slagen.

Inmiddels was de boot, snel voortgestuwd door krachtige riemslagen,

dicht bij de brigantijn gekomen, en kort daarna lag zij bij de valreep

aan stuurboord.

Michel de Baskiër had reeds spoedig bemerkt dat in de achtersteven van

de boot iemand zat in de uniform van hoofdofficier; hij plaatste dus

verscheidene matrozen bij de staatsietrap en toen de Spaansche officier

die beklom werd hem, op het fluitje van den bootsman, de eer bewezen

verschuldigd aan zijn rang. Zoodra die officier, die niemand anders was

dan don Fernando d’Avila, de vroegere gouverneur van Tortue, den voet

op het dek zette bevond hij zich tegenover Michel de Baskiër. De beide

personages groetten elkaar zeer ceremonieel.

—Met wien heb ik de eer te spreken, caballero?—vroeg Michel beleefd.

—Señor oficial—(officier) werd door Fernando niet minder beleefd ten

antwoord gegeven,—ik ben don Fernando d’Avila, namens Zijne Majesteit,

Gouverneur van de stad Maracaïbo.

—Wees welkom aan boord van dit schip señor Gouverneur,—zóó luidde de

begroeting van Michel, vergezeld van een eerbiedig gebaar.

—Señor,—hernam don Fernando,—bij de nadering van dit schip meende ik

het te herkennen als Zijner Majesteits schooner la Madre de Dios, die

te Santo-Domingo binnenliep op denzelfden dag dat ik die stad verliet

om mij voor Zijne Majesteit naar hier te begeven.

—Gij hebt u daarin niet vergist, caballero, dit schip is werkelijk la

Madre de Dios.

—Dat werd ook bevestigd door den loods die het in de haven heeft

gebracht, en bij wien ik informatie liet inwinnen. Ik heb mij toen

gehaast naar hier te komen, daar, zoo ik mij niet bedrieg, zich bij u

aan boord moet bevinden señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya, en ik

gaarne de eerste wilde zijn hem bij zijne komst in deze streken te

begroeten.

—Wij hebben de eer, caballero, om onder onze passagiers ook te tellen

den graaf de l’Atalaya, die zich heeft verwaardigd te Santo-Domingo

zich bij ons in te schepen.

—Ja, ik had ook reeds vernomen dat de graaf gebruik zou maken van uw

schip bij zijn overtocht naar hier. Ik verzoek u thans, señor, zoo goed

te willen zijn mij voor te stellen aan Zijne Excellentie.

—Señor, dáár is onze kommandant,—zei Michel, buigende voor Pierre

Legrand die juist op dit oogenblik op het dek kwam,—die zelf de eer zal

hebben u aan den señor Conde voor te stellen.

Don Fernando d’Avila trad naar Pierre Legrand toe, met wien hij eenige

plichtplegingen wisselde, en tegelijkertijd dezelfde vraag deed die hij

reeds aan Michel de Baskiër had gedaan.

—Gouverneur,—gaf Pierre Legrand ten antwoord,—Zijne Excellentie stond

juist gereed om aan wal te gaan, doch zal zich, daaraan twijfel ik

niet, gelukkig achten u hier te ontmoeten, en het zeer op prijs stellen

dat door u zooveel haast is gemaakt, om aan boord te komen. Heb de

goedheid mij te volgen.

Daarop ging hij vooruit om den gouverneur den weg te wijzen, en steeg

met hem de trap af naar de kajuit, waar zich thans niemand bevond.

Pierre Legrand bood den gouverneur een zetel aan, en sloeg toen op een

timber (klok zonder klepel) waarop een kajuitsjongen verscheen.

—Ga Zijne Excellentie graaf de l’Atalaya verwittigen dat de señor

gouverneur van Maracaïbo hier de bevelen van Zijne Excellentie

afwacht,—gelastte Pierre Legrand.

De kajuitsjongen boog en vertrok; een oogenblik later kwam hij terug en

kondigde aan:—Señor don Pacheco, Conde de l’Atalaya.

De goudzoekers · 第 3 / 23 段