—Maak jij dan daarmee een begin, waarde vriend, en vertel mij hoe ge

het denkt aan te leggen om het land, de stad Maracaïbo en het fort te

Gibraltar te verkennen, want om den goeden uitslag van onze onderneming

te verzekeren, is het eene eerste vereischte dat wij geheel en al

bekend raken met de punten waarop de aanval gericht zal worden, om

gevrijwaard te blijven van reeds bij onze landing eene groote fout te

begaan.

—Naar mijne meening,—merkte Luiwammes aan,—zou het beste wezen, dat die

verkenning door ieder afzonderlijk beproefd werd.

—Verklaar je nader,—zei Montbars.

—Ik bedoel daarmee dat een onzer de kust voor zijn rekening moest

nemen, een ander het binnenland, de derde de stad en de laatste het

fort.

—Voeg er dan nog bij een vijfde, die belast moet worden met opnemen en

peilen van de baai, en dit is, volgens mijn meening, eene zeer

gewichtige zoo niet de gewichtigste taak, want de baai is als verstopt

door een aantal zandbanken,—werd door Pitrians aangevoerd—en onze

schepen loopen groot gevaar om bij het binnenkomen daarop vast te

geraken.

—Die opmerking van Pitrians is zeer juist,—gaf Montbars te kennen.—Hoe

denkt gij over die voorstellen, Philippe?

—Ook ik, Montbars moet erkennen dat die zeer goed zijn. Al die

inlichtingen zijn werkelijk voor ons onontbeerlijk, en wij moeten, wat

het ook kosten moge, trachten die te verkrijgen.

—Ik ben het daarmee eens, en nu is de vraag maar, hoe wij die rollen

zullen verdeelen.

—De beslissing daarvan komt je rechtens toe, Montbars.

—Het zij zoo. Hoor dan hoe ik daarover denk. Luiwammes moet, als hoogst

ervaren zeeman, zich belasten met het opnemen van de kust.

—Goed! zoo’n karreweitje is juist iets voor mij.

—Tributor moet de peiling van de baai op zich nemen; dat is de

gevaarlijkste post, die daarenboven de grootste behendigheid vereischt,

maar ik vertrouw ten volle dat hij er in zal slagen.

—Dat zal ik!—verzekerde de reus, zeer gestreeld door het vertrouwen dat

Montbars in hem stelde, en vurig verlangend om dit te rechtvaardigen.

—Nu blijven nog over het inwendige van het land, de stad en het fort.

Pitrians is langen tijd werkzaam geweest als beambte bij de belasting,

dat is juist iets voor hem. Hij moet uit hoofde van de Indianen een

paar maats met zich nemen en Tributor moet Monaco aan hem afstaan, daar

hij den hond toch niet kan gebruiken.

—Best!—zei Pitrians.—Als mij een paar dagen worden toegestaan dan neem

ik op mij om deze streek voldoende te verkennen.

—Ten laatste iets over de stad en het fort,—zei Montbars.—Nu, dunkt

mij, dat wij daaromtrent ons eerste plan eenigszins moesten wijzigen,

naar aanleiding van de moeielijkheden die zich daarbij kunnen opdoen.

Gij, waarde Philippe, ge spreekt het Spaansch zoo goed alsof ge een

zoon waart van het oude Castilië en ik geloof daarmee zoo heel ver niet

bij je achtertestaan, wij beiden zullen ons dus naar Maracaïbo begeven,

lukt het om in die stad te komen, welnu dan zullen wij ons door de

omstandigheden laten leiden en ons daarnaar regelen. Hoe vindt ge dit

plan?

—Zeer goed! Ik deel volkomen uw meening, en ben bereid op staanden voet

je blindelings te volgen, waar heen ge ook moogt goedvinden mij te

brengen.

—Dit houden wij dus voor afgesproken; maar er ontbreken ons nog eenige

onvermijdelijke zaken, die wij ten zeerste behoeven om ons in de stad

te vertoonen zonder argwaan te wekken, en ik vrees er hard voor dat het

tot het onmogelijke zal behooren om ons die te verschaffen.

Philippe lachte luide, en vroeg,—En wat verstaat gij onder die

onvermijdelijke zaken, Montbars?

—Vooreerst en vóór alles kleederen, mijn vriend.

—Aan boord heb ik drie koffers vol, dus kust en keur.

—Mooi. Dan goud, en zelfs veel goud. Ik moet je ronduit bekennen dat ik

bij de schipbreuk geen enkelen piaster heb kunnen redden.

—Vijftig duizend piasters kan ik tot je beschikking stellen. Is dit

genoeg?

—Zeker, vriend. Zooveel zullen wij bepaald niet noodig hebben.

—Goed, dit is dan afgehandeld. Tot dusver heb ik uwe bezwaren vrij

gemakkelijk kunnen oplossen. Vindt ge niet?

—Niet alleen gemakkelijk, maar op verwonderlijk afdoende manier,

kameraad. Toch blijft er, jammer genoeg, nog één bezwaar over en ik

vrees zeer, dat ge er niet in zult slagen om dit even gemakkelijk uit

den weg te ruimen als al de vorige.

—Ba, wie weet? zooals de gavachos gewoonlijk zeggen. Maar laat hooren

waarin dit onoplosbare bezwaar bestaat.

—Ge weet toch, niet waar, hoe argwanend de Spanjaarden zijn, en hoe

verbazend veel voorzorgen zij genomen hebben, om voor goed te beletten,

dat vreemdelingen in hunne koloniën op het vasteland komen, daar zij

niet dulden dat die zich dáár vestigen.

—Zooals ge zegt dat weet ik. En verder?

—Verder? Wel mij dunkt dit is genoeg gezegd, want nu vraag ik je, hoe

zal het voor ons mogelijk zijn, om in de stad te komen?

—O! Is het niet anders! Wel, zeer gemakkelijk!

—Dat betwijfel ik nu toch zeer!

—Ongeloovige Thomas!—voegde de jonge man hem spottend toe.—Niet alleen

zal ik u goud, en kostbaarheden en kleêren verschaffen meer dan ge

noodig hebt om uw rol als Spaansch hidalgo of zoo ge dit beter oordeelt

als grande van Spanje behoorlijk te kunnen vervullen, maar wat meer

zegt, ik verbind mij je de noodige papieren te bezorgen, zoo volkomen

volgens regel en wet, dat de autoriteiten der stad, zoodra zij er één

enkelen blik op geworpen hebben, je volkomen vrij zullen laten in al je

handelingen, en zelfs zich geheel onder je orders zullen stellen.

—Maar waarachtig maat, als je tot zoo iets in staat zijt, dan kan ik

niet anders zeggen dan dat je een toovenaar zijt.

—Drommels!—zei Philippe lachend.—Pas toch wat ik je bidden mag op, dat

je dit niet te Maracaïbo zegt, want voor de inquisitie ben ik zoo bang

als een wezel en er ganschelijk niet op gesteld om levend verbrand te

worden tot meerdere eere Gods.

—Ge brengt mij in de grootste verbazing! Hoe is het mogelijk dat ge al

uwe maatregelen reeds zóó goed genomen hebt?

—Ik heb je immers gezegd, dat ik opzettelijk hier naar de kust koers

heb gezet. Niet waar?

—Dat is zoo, werkelijk hebt ge mij dit gezegd.

—Welnu, Montbars, ge ziet dus dat ik drie maanden den tijd had om alles

in orde te brengen.

Montbars schudde herhaaldelijk het hoofd.

—Waarom schudt ge uw hoofd zoo?—vroeg Philippe.

—Kameraad,—antwoordde Montbars peinzend en ernstig,—ik ben een der

oudste en intiemste vrienden van den heer d’Ogeron, uw oom. Ik ken je

reeds van toen ge nog een kind waart, en evenzeer je karakter alsof ge

mijn eigen zoon waart. Dat karakter haakt naar het grootsche en

edelmoedige. Wat bij al onze expedities steeds en overal bij jou op den

voorgrond stond, was de zucht naar roem. Meer dan eens was ik er

getuige van dat je geweigerd hebt deel te nemen aan eene expeditie, als

daardoor, naar je meening, meer bedoeld werd goud dan glorie te winnen.

Is alles wat ik je daar zeg waarheid, Philippe?

—Ja, waarde Montbars! Ik kan dit niet ontkennen. Maar wat maakt gij

daaruit op?

—Niets, vriendlief, doch nu weet ik alles wat ik weten wilde.

—Ik begrijp je niet, Montbars, en nu verzoek ik dringend nadere

verklaring.

—Waartoe zou die dienen?

—Ik herhaal je mijn dringend verzoek.

—Welnu, als ge er zóó op staat, zal ik aan je verlangen voldoen. Ge

zult mij nooit kunnen wijs maken, Philippe, dat ge zulk eene

gevaarvolle expeditie wilt ondernemen alleen met het doel om een stad

te plunderen, hoe rijk die stad ook wezen moge!

—Maar, waarlijk, Montbars, ik verzeker je...

Montbars zweeg glimlachend.

—Hoe nu! Waarom glimlacht ge, waarom schudt ge het hoofd, wat

vooronderstelt ge dan toch van mij, Montbars?

—Ik vooronderstel niets, Philippe, daarvoor beware mij God! Ge zijt

jong, daarmee is genoeg gezegd, en de hartstochten der jeugd zijn niet

die van den mannelijken leeftijd. Gierigheid is een ondeugd der

grijsheid.

Philippe kleurde even, boog het hoofd en raakte geheel in verlegenheid

dat Montbars hem zoo goed doorgrond had, doch hij herstelde zich

terstond en voegde den ander toe:—Maar wat drommel, waarde Montbars, ik

heb alle recht om je eigen woorden op je zelf toe te passen!

—Hoe dat, waarde vriend?

—Omdat gij zelfs nog veel minder dan ik, door geldzucht wordt gedreven,

want zoo ge dit had gewild, waart ge reeds sinds lang de rijkste man

van al de flibustiers geweest.

—In zooverre hebt ge gelijk, Philippe. Ik geef niet om geld.

—Goed, maar dan zult ge ook mij nooit wijs kunnen maken dat zucht tot

plundering je er toe brengt om zulk eene gevaarlijke expeditie te

wagen.

—En ik zal ook wel degelijk oppassen zoo iets tegen je vol te houden,

want het zou geheel bezijden de waarheid zijn.

—Ha! Ha!—lachte de ander.—Er is dus ook bij jou een ander doel in het

spel?

—Dat ontken ik niet.

—En wat is dat doel?

—Wraak!—werd op doffen toon geantwoord.

Philippe zweeg een poosje en zei toen:

—Misschien wordt het zelfde doel door mij beoogd.

—Neen, Philippe want jij draagt den Spanjaard geen haat toe.

—Ja! Wel drommels....

Glimlachend viel Montbars hem in de rede, en vervolgde:—Ik zal je

zeggen wat je eigenlijke doel is, daar je mij niet genoeg schijnt te

vertrouwen om het mij mede te deelen. Wat je zoekt is... eene vrouw. Ge

zijt verliefd.

—Ik!—riep de ander uit en maakte een heftig afwijzend gebaar.

—Philippe, vriend, ik wil mij niet dringen in je geheim; bewaar dit

veeleer als een kostbaren schat in het diepst van je gemoed. Maar

vergeet nooit dat ik je vriend ben en ten dage dat ge mij noodig mocht

hebben steeds bereid zal zijn je te helpen wat er ook moge gebeuren.

—O! mijn vriend!—juichtte de ander in vervoering.

—Geen woord meer daarover, thans over iets anders. Wij moeten ons nu

bezig houden met ernstiger zaken dan waarover je zeker zoudt uitwijden

nu ge weet dat ik je doorgrond en als in je hart gelezen heb; alles op

zijn tijd niet waar? Denken wij nu liever aan het dringendste en voor

ons is thans het dringendste om langs den kortsten weg naar ons schip

te gaan.

—Het is zoo, Montbars, ge hebt volkomen gelijk. Dus opgestapt zonder

langer te talmen.

—Gij hebt zooeven gezegd dat het niet ver van hier ligt?

—Hoogstens een paar mijlen; als wij het water te baat nemen, dan duurt

de tocht zeker niet langer dan een uur.

—Liever zou ik als het je hetzelfde is toch den langeren weg kiezen en

over land gaan, want onze prauw is zeer klein en bovendien heeft die

gisteren avond zoo erg geleden door de krasse aanvallen der kaaimannen,

dat ik niet graag nog eens het brooze vaartuigje daaraan zou

blootstellen; niet dat ik zoozeer opzie tegen den dood, maar, naar

mijne meening, heeft de mensch die zich ten plicht heeft gesteld nog

eene grootsche taak te vervullen, geen recht zich onnoodig in gevaar te

begeven, eer hij aan dien plicht voldaan heeft.

De vrijbuiters braken hun kamp op en verborgen zeer zorgvuldig de prauw

tusschen de struiken om die terug te kunnen vinden zoo dit voor hen nog

noodig mocht worden; daarop sloegen zij door Philippe en Pitrians

voorafgegaan een pad in, dat eenigszins door de wilde dieren gebaand

was en waarlangs zij komen konden op de plaats waar de brigantijn ten

anker lag.

IV.

BERAADSLAGING.

Het pad dat de vrijbuiters volgden liep langs de rivier. Van die

ontzaglijke menigte kaaimannen in den afgeloopen nacht vóór den ingang

van het meer verzameld, waren nu slechts weinigen overgebleven;

verscheidene sliepen aan den oever, of warmden zich in de zon en

wentelden zich in het slijk; anderen zwommen heen en weer, zonder

bepaalde richting. Maar één van die alligators, een kaaiman van

bijzondere grootte, die met den stroom meezwom en op afgrijselijke

manier schreeuwde en brulde, trok zeer de aandacht der vrijbuiters; een

vast aaneengesloten groep van minstens een honderdtal jonge kaaimannen

volgde in het zog van dit monster, dat hun moeder of beter gezegd hun

beschermster was. Zwemmend vormden zij eene lange colonne die noch te

rechter noch te linkerzijde afweek. Al die kleine dieren schenen van

denzelfden leeftijd, hadden eene lengte van ongeveer vijftien

centimeter, waren zwart met schuinsche strepen of donker gele vlekken,

en hadden wat de kleur betreft veel van ratelslangen. De moeder of

aanvoerdster stootte voortdurend dreigende geluiden uit, en de

kaaimannen die in de rivier rondspartelden, haastten zich om haar niet

in haar vaart te belemmeren daar zij er blijkbaar weinig trek in hadden

met haar in gevecht te komen.

Steeds langs den oever voortloopende, bespeurden de vrijbuiters bij

eene kromming van de rivier een groot aantal heuveltjes, of pyramiden,

het best te vergelijken met hoopen hooi, en als eene rij tenten langs

de oevers der rivier opgesteld. Die heuveltjes stonden acht tot tien

vademen van het water af, en staken ongeveer vier voeten rechtstandig

daar boven uit. Verscheidene groote alligators zwommen kort in den

omtrek. Het waren niet anders dan krokodillen-nesten, de meesten reeds

verlaten, terwijl men er om heen op den grond groote witachtige schalen

zag liggen afkomstig van de gebroken eieren.

Hoeveel haast de vrijbuiters ook mochten hebben om de brigantijn te

bereiken, toch konden zij hunne in hooge mate opgewekte

nieuwsgierigheid niet bedwingen, en daarom besloten zij naar die nesten

te gaan, om die nader te onderzoeken, daar zij meermalen er over hadden

hooren vertellen, doch geen van hen er ooit een had gezien.

Het resultaat van dit onderzoek was het volgende:

Die nesten of heuveltjes hebben den vorm van een afgeknotten kegel,

vier voeten hoog en aan de basis vier tot vijf voeten in doorsnede, en

zijn samengesteld uit slik en gras. Het dier gaat bij de vervaardiging

op de volgende wijze te werk: Eerst maakt het op den grond een laag

gras en slijk, legt daarop een rij eieren, bedekt die vervolgens weer

met een laag van zes tot acht centimeters dikte, legt daarop wederom

een rij eieren en zoo vervolgens tot bijna aan den top van den kegel.

Ieder nest bevat dan van honderd tot tweehonderd eieren. Waarschijnlijk

worden die door de hitte der zon uitgebroed, doch het zou ook kunnen

wezen dat de plantaardige bestanddeelen vermengd met slijk, waaruit die

nesten bestaan, onder den invloed der zonnewarmte overgaan tot eene

soort van gisting, en dat daardoor de voor de broeding noodige warmte

ontstaat. Ik laat het aan de geleerden over om hierover uitspraak te

doen.

In den omtrek van verscheidene bunders, rondom deze nesten, droeg de

grond onmiskenbare sporen dat daar kaaimannen aanwezig geweest waren.

Het gras was overal platgedrukt, en de aarde vast gestampt, en er was

bijna geen plant of struik meer te bekennen, terwijl verder op het gras

zeer dik en vijf, op sommige plaatsen zelfs zes voet hoog stond. Het

kan als zeker worden aangenomen dat het wijfje met de meeste zorg haar

nest bewaakt tot de eieren zijn uitgekomen, en het zou ook wel mogelijk

zijn, dat zij daarna al de jongen die tegelijkertijd uitkomen, zoowel

van haar eigen nest als van die van anderen onder haar bescherming

neemt; dit ten minste is stellig dat die kleine kaaimannetjes nooit

zonder toezicht blijven. Wij moeten hier nog opmerken dat de liefde van

die moeders voor de kleinen even groot is als die van de kloekhen voor

hare kuikens; zij zijn even oplettend als deze en even bereid te allen

tijde de kleinen die aan hare zorgen worden toevertrouwd te beschermen

of te voorzien van het noodige voedsel; en als die beestjes uit het

water komen om zich in de zon te warmen, dan hoort men hen schreeuwen

en roepen, juist zooals de kuikens doen.

Hoogstens een zesde van een broedsel en gewoonlijk nog minder wordt

volwassen, want de groote krokodillen zijn er zeer opgesteld om de

kleine op te peuzelen, zoolang die nog niet in staat zijn zich te

verdedigen.

De Amerikaansche krokodil, kaaiman of alligator is tegenwoordig te

algemeen bekend, dan dat wij die in het breede behoeven te beschrijven.

Wij willen ons dus bepalen tot de mededeeling, dat het dier tot vollen

wasdom gekomen kolossaal groot is, eene verbazende kracht heeft en

onbegrijpelijk vlug en vaardig is bij al zijne bewegingen in het water;

de gemiddelde lengte bedraagt ongeveer twintig voet, doch er zijn er

die twee-en-twintig soms zelfs drie-en-twintig voet lang worden. Hun

gebrul is angstwekkend om aan te hooren, vooral in de lente dat de

paartijd is; het gelijkt op het gerommel van den donder in de verte.

Een der oudste kaaimannen is gewoonlijk de alleenheerscher van ieder

klein meer of moeras; al zijn er ook vijftig andere, net zoo sterk als

hij, bijeen, zoo wagen zij het niet te brullen dan alleen in de

naburige kleine kreken. Als de kaaiman te voorschijn komt van onder de

struiken of het riet waar hij zijn schuilhoek heeft, vertoont hij zich

in zijn volle lengte aan de oppervlakte van het water, en neemt in

rechte lijn de richting naar het midden. Aanvankelijk is daarbij zijne

snelheid bijzonder groot, maar van lieverlede vermindert die tot hij in

het midden van het meer komt, daar houdt hij stil; dan zuigt hij door

zijn bek lucht en water op, zoodat hij opzwelt, waardoor uit zijn borst

een snijdend scherp gefluit dringt dat bijna een minuut aanhoudt; maar

dat water, met geweld teruggedrongen, spuit kort daarna met groot

geraas uit zijn bek en neusgaten en vormt een damp zoo dik als rook.

Tezelfder tijd steekt het monster zijn staart in de hoogte en geeselt

daarmeê het water. Soms ook wanneer hij tot berstens toe opgezwollen

is, heft hij zoowel den kop als den staart op en draait in vliegende

vaart rond bijna met het water gelijk.

In dergelijke omstandigheden vervult de kaaiman, de koning van het

water, als het ware de rol van een Indiaansch opperhoofd, die eene

voorstelling geeft van een zijner gevechten; daarna zwemt hij langzaam

terug en laat de plek vrij aan anderen die het durven wagen zich te

vertoonen, en hun best doen elkaar te overtreffen om zoodoende de

aandacht te trekken van het wijfje dat bijna altijd bij dit spel

tegenwoordig is, schijnbaar zonder daarin het geringste belang te

stellen. Dit zijn nagenoeg de meest kenmerkende eigenaardigheden van

die geduchte halfslachtige dieren (amphibiën).

Ten laatste was de weetgierigheid der vrijbuiters ten opzichte van die

nesten voldaan en vervolgden zij hun tocht langs den oever van de

rivier stroomopwaarts; eindelijk kwamen zij aan den zoom van een

prachtig bosch, laurier- en oranjeboomen en hielden daar bijna een uur

lang halt, zoowel om wat uit te rusten, als om de ergste hitte van den

dag te laten voorbijgaan. Op dien tijd van den dag heerscht over de

woestijn een indrukwekkend stilzwijgen; men hoort dan letterlijk niets

dan het onophoudelijk suizen van millioenen muskieten, die

spiraalsgewijze boven het moeras rondzweven. Na eenigszins uitgerust en

verfrischt te zijn onder dit verrukkelijke lommer, stonden de

vrijbuiters na een wenk van Philippe op, en begaven zich weer op weg,

nu echter verwijderden zij zich van de rivier en drongen in het bosch,

dat zij in rechte lijn doortrokken.

—Zouden wij er haast zijn?—vroeg Montbars, nadat zij reeds bijna een

uur geloopen hadden.—De dag loopt zoetjes aan ten eind, en ik vrees dat

ge wellicht verdwaalt zijt, vriend.

—Daarvoor behoeft ge niet te duchten; wij houden nu recht aan op de

kust en zullen binnen een uur aan boord zijn.

—Nu, ik voor mijn part zal daar niet tegen hebben, want ik ben nooit

meer geweest dan een zeer middelmatig voetganger, en zoo’n tocht over

paden die op zijn best gebaand zijn, daar heb ik verbazend het land

aan.

—He! Kijk eens naar Monaco,—zei Philippe,—die heeft de lucht gekregen

van onze schildwachten; dan zijn wij reeds dichter bij dan ik dacht.

Het was zoo, de patrijshond was onrustig geworden, het dier liep

kwispelstaartend heen en weer en blafte kort en afgebroken doch

kennelijk van genoegen.

—Werda!—werd plotseling geuit door de krachtige stem van een man, nog

onzichtbaar daar hij zich achter de boomen verborgen hield.

Tegelijkertijd hoorde men dat de haan van een geweer werd overgehaald.

Philippe haastte zich om dien aanroep te beantwoorden.

—Vrienden! Broeders der Kust!

Terstond daarop werden de takken uiteengeschoven en kwamen verscheidene

vrijbuiters te voorschijn. Men was dus aangekomen. Zoodra zij Montbars

gewaar werden, Montbars door al de Broeders der Kust zoo geliefd en

gewaardeerd, snelden zij naar hem toe en verwelkomden hem met

vreugdegejuich. Op een wenk van Philippe kwamen allen weer tot kalmte

en stilte, en sloeg men de richting in naar de brigantijn, die zij

spoedig in het oog kregen, geankerd midden in eene nauwe, ondiepe

kreek, verscholen achter een zwaar gordijn van boomen, zoodat het

onmogelijk was van den zeekant het schip gewaar te worden.

Het was een flink vaartuig, hoogstens driehonderd ton metend, licht,

fijn en slank van vorm, hoog op het water, en dat als de wind goed in

zijne zeilen viel, door het water heen moest snijden met verwonderlijke

vaart.

Montbars en Philippe stapten in een boot en lieten zich naar boord

roeien. Zoodra de vermaarde vrijbuiter den voet op het dek van het

vaartuig zette, bemerkte hij met een glimlach van voldoening dat het

evenzeer geschikt was om den strijd te aanvaarden als dien ijlings te

ontwijken, al naar mate de omstandigheden eischten. Bij Philippe aan

boord heerschte strenge tucht, alles was er geregeld, alles goed en

netjes in orde, en dit waren zaken, die op de schepen der flibustiers

tot de zeldzaamheden behoorden. De beide zeelieden daalden naar de

kajuit af, en namen daar tegenover elkaar plaats op rolstoelen. Op last

van Philippe verscheen een aardige kleine scheepsjongen van twaalf

jaren met een guitig en slim gezicht, om voor hen eenige

verfrisschingen gereed te zetten waarna de knaap vertrok.

—Zoo, zoo,—begon Montbars terwijl hij voor zich een glas oranjewater

gereed maakte,—naar ik zie hebt ge den zoon van Meursel in dienst

genomen.

—Ja, de arme kleine duivel was na den dood van zijn vader zoo geheel en

al verlaten; hij stierf half van honger, en toen heb ik hem opgenomen.

—Dat was een goede daad, maar buitendien heeft die kleine snaak een

zeer goed uiterlijk, hij schijnt opgeruimd, en zoo fijn als een zijden

draad.

—Dien naam hebben wij hem ook juist gegeven en hij beantwoordt daaraan

in alle opzichten.

—Dat dunkt mij ook,—beaamde Montbars.

Hij dronk, liet de tong tegen het verhemelte klappen, zette niet al te

zacht zijn glas op tafel neer, keek zijn overbuur vlak in het gezicht

en hernam:

—Dat alles is zeker heel belangrijk, maar zullen wij nu over iets

anders praten?

—Zeer gaarne, maar waarover?

—Over de wijze waarop wij in de stad Maracaïbo zullen komen, en over

onze gedragslijn gedurende den tijd dat wij onder de gavachos moeten

vertoeven. Vindt ge dit onderwerp interessant genoeg?

—Zeer zeker, maar ik durfde daarmee zonder je toestemming niet

beginnen.

—Die schenk ik je gaarne, spreek op, vriendlief, ik luister.

—Rondweg moet ik je bekennen, waarde Montbars dat ik niet veel

vindingrijkheid bezit. Veel aangenamer zou het mij dus wezen zoo gij je

de moeite wildet geven een plan te ontwerpen en mij dit uit te leggen;

dan heb ik niet anders te doen dan dit te volgen, en op die manier zou

deze zaak voor mij zeer worden vereenvoudigd.

—Ge denkt te gering over je zelven, vriendlief,—merkte Montbars aan met

een ietwat spotachtig lachje,—doch zoo ge er op staat, en ook om verder

geen tijd te verspillen aan ijdele plichtplegingen, wil ik aan je

verlangen voldoen en aan je oordeel een plan onderwerpen dat reeds door

mij gemaakt is; een plan trouwens waarover wij te zamen moeten

beraadslagen.

—Best! Op uwe gezondheid!

De twee zeelieden klonken met elkaar, dronken de glazen tot den

laatsten druppel leeg, en toen nam Montbars het woord.

—Mag ik vrij uit en zonder de minste achterhoudendheid spreken?—vroeg

hij met uitvorschenden blik.

—Ik verzoek je dit zelfs zeer dringend.

—Op uw woord?

—Wis en waarachtig, Montbars!—verklaarde de jonge man hartelijk,

terwijl hij hem de hand toestak die door den vrijbuiter welgemeend werd

gedrukt.

—Goed, dan meen ik te mogen vertrouwen dat wij het wel met elkaar eens

zullen worden.

—O! Daarvan ben ik overtuigd!

—Stellen wij dan eerst de feiten vast.

—Niets liever dan dat.

—Gij en ik, wij beiden beoogen éénzelfde doel, welke drijfveeren ons

daartoe ook mogen voeren, en dat doel is, de inneming van Maracaïbo,

niet waar?

—Zoo is het!

—En dat doel willen wij bereiken, tot iederen prijs.

—Tot iederen prijs!—herhaalde Philippe.

—Goed zoo! Op die manier wordt de zaak heel wat eenvoudiger. Ik heb je

beloofd openhartig te zullen zijn, nu zal ik daaraan voldoen, luister

dus goed toe. Ge hebt mij niet den geringsten voorslag gedaan, ik ben

dus noch je vertrouwde, noch je medeplichtige en ik ben daarom

tegenover jou geheel vrij in al mijn handelingen. Stem ge dat toe?

De goudzoekers · 第 2 / 23 段