DE GOUDZOEKERS.
Naar de zesde Fransche Uitgave
VAN
GUSTAVE AIMARD.
MET ACHT OORSPRONKELIJKE HOUTGRAVURES.
DERDE DRUK.
’s Gravenhage,
DE ERVEN J. L. NIERSTRASZ.
DE GOUDZOEKERS.
I.
DE PRAUW.
De 25 September 16 .. juist op het tijdstip dat de zon tot het zenith
gekomen, hare gloeiende heete stralen loodrecht nederzond op den reeds
half verschroeiden grond, voer een prauw door drie personen bemand, na
veel moeite Kaap Coquibacoa om, zette haar koers langs de westkust van
de baai van Venezuela voort, en bleef ten laatste vast zitten in het
zand van den oever, bij de monding eener rivier zonder naam, na zich
eerst doorgeworsteld te hebben tusschen doode boomen en zware
waterplanten van allerlei soort, die op deze plek bijna totaal de
bedding van dit armzalige stroompje verstopten.
De bemanning van de prauw beraadslaagde eenige minuten in fluisterend
gesprek en hield vrij bezorgd den blik onafgebroken gericht naar de
beide te dezer plaatse niet ver van elkaar verwijderde oevers. Een
hunner wantrouwender of misschien voorzichtiger dan zijne metgezellen,
trok uit zijn wambuis een verrekijker te voorschijn (een werktuig dat
in die dagen nog tot de zeldzaamheden behoorde) en na die gesteld te
hebben, doorsnuffelde hij met zijn oog, om het zoo eens uit te drukken,
al de dicht begroeide plekjes en boschjes in de nabijheid; daarna
schoof hij den kijker met de palm van zijn rechterhand ineen en zei:
—Wij kunnen gerust aan wal stappen. In den ganschen omtrek is geen
menschelijk wezen door mij ontdekt kunnen worden.
Toen sprongen alle drie op den oever, zorgden daarna er voor om de
prauw stevig vast te meeren, schoon de boeg reeds diep in het zand was
gewoeld en gingen toen zitten in de schaduw van eenige kort daarbij
staande boomen, wier zwaar bladerengewelf hun eene hoogst welkome
beschutting aanbood tegen de zonnestralen die van lieverlede verzengend
dreigden te worden.
Zooals wij reeds gezegd hebben bestond de bemanning van de prauw uit
drie personen.
De Spaansche schildwacht, die op post stond op den toren van Guette,
waardoor de ingang van de golf van Venezuela wordt beschermd, had met
onverschilligen blik de vlugge vaart van het lichte vaartuig, dat bijna
binnen het bereik van een geweerschot van zijn wachtpost passeerde,
gadegeslagen; meer dan half drommelend, en misleid door het armzalige
voorkomen van de prauw, had hij die gehouden voor een kano uit
boomschors vervaardigd, waarvan de Indianen zich bedienen als zij in
volle zee gaan visschen, en verder had hij zich daarover niet
bekommerd. Maar als hij beter toe had gekeken, dan zou hij zeker
gehuiverd hebben van angst en alarm gemaakt, want dan zou hem gebleken
zijn, dat de drie gewaande Indianen, niet slechts waren Broeders der
Kust, maar zelfs twee hunner voornaamste aanvoerders, Montbars de
Verdelger en Luiwammes [1], want werkelijk waren zij het die met zoo
groote stoutmoedigheid de golf van Venezuela binnendrongen. Wat hun
metgezel betreft, dit was iemand van vier- of vijfendertig jaar, die
men zoo door zijn voorkomen als door zijne lengte, die meer bedroeg dan
zes voet, een echte Hercules had kunnen noemen; even als dit dikwerf
voorkomt had ook deze reus, een open gelaat, een frissche kleur, rood
als van een jong meisje, dikke, hoogroode lippen en prachtig aschblond
haar, wel slecht verzorgd, doch dat toch met lokken zacht als zijde tot
op zijne schouders neerviel; om kort te gaan, zijn gunstig uiterlijk
werd gekenmerkt door eene zóó groote mate van goedhartigheid, schoon
volstrekt niet verwant met onnoozelheid, dat dit dadelijk iedereen
reeds bij de eerste ontmoeting voor hem moest innemen.
Zijn gewaad bestond uit den bol van een hoed met oogklep, twee hemden,
over elkaar aangetrokken, een broek, een wambuis, alles van dezelfde
stof, namelijk grof linnen; zijne krachtig gespierde beenen, zoo harig
als die van een beer, waren naakt; sandalen van varkensleer,
beschermden zoo goed als kwaad dit ging, zijne voeten tegen de beten
der slangen en de scherpte der steenen op den weg. Hij droeg een gordel
van stierenleer, waaraan aan den eenen kant hingen een kruithoorn en
kogeltasch en aan den anderen kant een koker van krokodillenvel, waarin
vier lange, breede messen en een dolk staken; een tent van zeer fijn
linnen, zoodanig in elkaar gerold, dat die niet veel plaats besloeg,
was bij wijze van bandelier over zijn schouder geslagen, en het was of
die diende om zijne uitrusting compleet te maken, doch toch was hij nog
bovendien gewapend met een geweer uit de fabriek van Brachie te Dieppe.
Die man was de pandeling van Montbars, en heette Tributor. In de
hoogste mate gehecht aan zijn meester, wien hij reeds sinds een paar
jaar toebehoorde, werd hij door Montbars bij voorkeur gekozen als er
sprake was van een dier gevaarlijke verkenningstochten die gewoonlijk
de expeditie van den Verdelger voorafgingen.
Wij hebben nog verzuimd gewag te maken van een prachtige patrijshond
met gele vlekken, lange hangende ooren, en oogen die tintelden van
slimheid; dat dier was ook uit de prauw gesprongen en had zich op een
wenk van Tributor, aan diens voeten neergelegd. Dit laatste personage
was begiftigd met den naam van Monaco.
En wat was nu de oorzaak dat die drie mannen en die hond zóóver
verwijderd waren van de streek waar zij gewoonlijk vertoefden, en zich
nu bevonden in de golf van Venezuela dat wil zeggen geheel en al op
Spaansch territoir en dus te midden hunner onverzoenlijke vijanden? Dit
zal ons duidelijk worden door het volgende gesprek.
Toen zij daar een poosje gezeten hadden, begon Luiwammes zich druk
onledig te houden, al zijne zakken te doorsnuffelen, die hij den een na
den ander omkeerde, hoogst waarschijnlijk om naar iets te zoeken, wat
hij maar niet kon vinden; eindelijk na tal van vergeefsche pogingen,
gaf hij het op, sloeg met de vuist op de dij en riep spijtig:
—Mooi zoo! Nu ziet het er voor mij prettig uit! Waarachtig! Dat
mankeerde er nog maar aan.
Montbars draaide het hoofd naar hem toe en vroeg:—Wat scheelt er aan?
—Ik heb mijn pijp en mijn tabak verloren,—gaf de flibustier ten
antwoord.—Wat zegt ge van zoo iets? Nu weet ik niet wat ik moet
aanvangen.
—Wel natuurlijk!—hernam Montbars.—Niet rooken tot ge weer in de
gelegenheid zijt.
—Niet rooken!—herhaalde de ander met diepe verslagenheid.
—Ik weet ten minste niets anders te bedenken; ge weet dat ik nooit
rook.
—Dat is zoo!—stemde hij toe, zeer teleurgesteld.—Wel verduiveld! Het is
of in de laatste dagen alles ons moet tegenloopen.
—Vindt ge dat?—vroeg Montbars, en glimlachte daarbij op eene
zonderlinge manier.—Dan ben ik het niet met je eens, kameraad.
—Zoo!—bromde de ander met gebogen hoofd.—Verschil van opinie! Nu, houd
het er dan maar voor, dat ik niets heb gezegd.
—Kapitein Luiwammes,—begon de pandeling op zeer onderdanigen toon.—Ik
heb nog tabak, ’t is wel niet veel, maar toch genoeg om zoo gij dit
verlangt je een pruim aan te bieden.
—Wat, of ik dit verlang?—herhaalde Luiwammes zeer verheugd.—Geef maar
gauw, beste Tributor! Drommels, ge zijt nog eerst een ferme kerel, en
op dit oogenblik doet ge niet veel minder al gelooft ge dat zoo niet,
dan mijn leven redden.
—Ba!—hernam de pandeling goedhartig.—Dit meent ge niet!
—Niet meenen? Ik ben er zeker van! Geef maar gauw wat!
—Ik ga het halen uit de prauw, waar ik de tabak onder een bank had
gestopt om die frisch te doen blijven.
—Hij is toch een onbetaalbare kerel!—verklaarde Luiwammes lachend.—Hij
denkt altijd aan alles!
Tributor stond op en liep naar de prauw, maar halverwege bleef hij
staan, bukte, en uitte een kreet van verrassing.
—Hei! Waarom schreeuwt ge zoo?—vroeg Luiwammes.—Hebt ge misschien
zonder het te merken op een slang getrapt?
—Dat niet,—luidde het antwoord,—maar ik heb je pijp en je tabak
teruggevonden. Kijk maar eens!
Te gelijk toonde hij een soort van zak gemaakt uit de blaas van een
wild zwijn, en een rood steenen pijp met korten steel van
kersenboomenhout, welke beide zaken hij uit het gras had opgeraapt.
—Het is waarachtig waar!—riep Luiwammes recht in zijn schik.—Het is
zeker onderweg uit mijn zak gevallen. Heerlijk! Nu is, Goddank! de ramp
zóó groot niet, als ik duchtte.
Zonder verder verwijl, begon hij de pijp te stoppen, die Tributor hem
had aangereikt, stak die aan, en dampte toen met die uitdrukking van
innig welgevallen, zoo dikwerf merkbaar op het gelaat van een
hartstochtelijk rooker. Tributor had zich weer op het gras uitgestrekt.
—Dus, Luiwammes, oude jongen—zei Montbars spottend—schijnt ge nu tot
andere gedachten gekomen, en voelt ge u niet meer zoo diep ongelukkig
als straks?
—Dat is zoo kameraad, maar toch ge moet er niet boos om worden als ik
dat zeg, hebben wij overigens geen reden te beweren dat wij tot nu toe
gelukkig gekoerst hebben.
—Dan ben je te hoog in je eischen. Komt er een kink in de kabel, dan
raak je dadelijk overstuur, en gelooft niet anders dan dat de heele
boel verloren is.
—Neen, ik geloof niet zoo gauw dat de heele boel verloren is, Montbars,
en vooral niet als gij er bij zijt maar toch...
—Maar toch—viel de ander haastig in—, meent ge dat er veel te veel
gewaagd wordt, is het niet zoo?
—Waarom zou ik dit ontkennen? Het is immers de waarheid.
—Hoor eens, wij hebben op dit oogenblik overvloed van tijd, want de
felste hitte moet geweken zijn, eer wij onzen tocht voortzetten, zeg
dus hoe ge er over denkt. Ik luister naar je.
—Blijft ge dan nog altijd van plan om er naar toe te gaan?—werd met
groote verbazing door den ander gevraagd.
—Ge weet toch dunkt mij van ouds,—antwoordde Montbars eenigszins
heftig,—dat ik nooit op een eens genomen besluit terugkom.
—Dat is volkomen waar! Het schijnt dat ik alles ga vergeten en een
halve zot word.
—Daarover wil ik niet met je harrewarren, je moet zelf maar uitmaken
wat daarvan aan is, maar dat is nu de zaak niet.
—En wat dan wel?
—Wij moeten nu spreken over de weinige kans, die naar jou meening, voor
ons bestaat.
—Nu, dat kan gauw afgehandeld zijn, want waarachtig is het niet noodig
zóó verbazend knap te wezen, om dit dadelijk in te zien.
—Leg mij dit dan uit.
—Als ge dit wilt, goed! Maar ge eischt het bepaald van mij, niet waar?
—Zeker, zeker! Ik verlang er zelfs naar om precies te weten hoe ge
daarover denkt. Spreek vrijuit, en zonder omwegen.
—Och! Wat ik te zeggen heb, is gauw genoeg verteld. Wij zijn uit
Port-Margot vertrokken, op een goed schip, bemand met veertig flinke
kerels, klaar en gereed voor ieder karweitje, dat gij ons aan de hand
mocht doen, goed! Wij kruisen een paar weken in de richting die de
galjoenen gewoonlijk nemen, en zien niets, zelfs geen enkele meeuw,
over het gansche natte vlak opdagen, best! Wij krijgen onze bekomst van
zoo’n vervelende vaart, wendden het over den anderen boeg, om dichter
bij de kust te komen, in de hoop dáár een goeden slag te slaan, en
krijgen het toen te kwaad met een bui, die ons dwarschscheeps aanpakt
uit het noord-noordwesten, met zoo’n geweld dat wij genoodzaakt zijn de
zeilen in te halen en ons op goed geluk te laten drijven, hoe langer
hoe mooier! En of dit alles nog niet goed genoeg was, stoot ons goed,
lief schip plotseling op een vervloekt stuk rots tusschen wind en
water, dat wij niet gewaar hadden kunnen worden, waardoor het
opensplijt, als een gehalveerde meloen en binnen een uur gaat het naar
den grond met al onze kameraden. Het mag nog een geluk genoemd worden,
dat...
—O, zoo!—viel Montbars in.—Ge spreekt daar toch nog over een geluk! Ik
zal dat woord onthouden.
—Mij wel, onthoud zooveel als je maar wilt, maar dit verandert niets
aan de ramp. Onze kameraden zijn verdronken en ons goede schip is te
gronde gegaan!
—Wat konden wij er tegen doen? Is het onze schuld geweest?
—Dat wil ik volstrekt niet beweren. Neen, in het geheel niet!
—En wat is er nog meer gebeurd? Dit, dat wij toen heel toevallig een
prauw op sleeptouw hadden, een paar dagen te voren door ons in volle
zee opgepakt; hoe en waarom weet ik niet, misschien onder den drang van
een voorgevoel, had ik Tributor last gegeven, om die prauw te voorzien
van leeftocht, kruit en wapens. Juist op het tijdstip van dat
noodlottige onheil, was de flinke kerel daarmee klaar gekomen; hij
sneed de tros door waarmee de prauw aan ons schip was verbonden, deed
zich ongeveer een kabellengte afdrijven om buiten het zog van ons
vaartuig te blijven, en trok ons in de boot juist in tijds, want
uitgeput door inspanning waren wij op het punt als baksteenen te
zinken. Zes uur later liepen wij de golf van Venezuela binnen, dáár
hebben wij verder geen last van storm gehad, en nu het laatste, wat
eigenlijk de hoofdzaak is, die ge goed in gedachte moogt houden,—hier
zijn wij nu als de eenige overgeblevenen van de gansche equipage.
—Ja, dat alles is waar, dat alles moet ik toegeven, maar voeg er dan
ook bij, hoe wij hier zijn, namelijk ver van onze broeders, overgelaten
aan ons zelven, in een land waar allen, beesten zoowel als menschen,
ons vijandig zijn, en dan zult ge mij ook moeten toegeven, dat die
toestand alles behalve aangenaam genoemd kan worden. Denkt ge des
ondanks er anders over, dan maar basta! En spreken wij liever over iets
anders.
—Luister eens, Luiwammes,—hernam Montbars—het wordt nu meer dan tijd
dat ge met mijne gansche meening daarover bekend wordt.
—Ook al goed!—zei de Luiwammes tamelijk onverschillig.—Het kan mij
eigenlijk ook bitter weinig schelen of ik hier moet sterven of ergens
anders, als ik er maar voor zorgen kan dat ik op eene glansrijke manier
naar de andere wereld vertrek.
—Wees daarover gerust, vriendlief. Zoo wij hier ten onder moeten gaan
dan zullen wij slechts in de hitte van een gevecht omkomen.
—Dan is alles zooals ’t hoort! En nu weg met al die droefgeestigheid!
Zelfs een kat verkwijnt door smart of bezorgdheid, zeggen ze bij mij te
lande. Nog eens, basta! ik wil niets meer weten.
—Dat is wel mogelijk, maar ik sta daarentegen er op, dat ge nu al mijne
plannen te weten komt, dan kunt ge mij helpen om die ten uitvoer te
brengen.
—Goed, als ge het zoo bedoelt, ga dan je gang maar. Ik luister.
—Doe dit met de meeste oplettendheid, want ik verzeker je, die zaak is
het wel waard. Het zal nu zoo wat zes weken geleden zijn, dat ik op
Tortue was en toen dáár een bericht ontving van het hoogste gewicht.
Luiwammes schudde eenige keeren het hoofd, en mompelde:
—Zoo! Alweer?
—Ja! Alweer, zooals altijd.
—Nu, zet maar door!—deed de flibustier hooren, op den toon van iemand
die er aan wanhoopt een ander tot rede te brengen, en zich nu maar
getroost om naar hem te luisteren daar het voor het oogenblik niet
anders kan.
—Ik rustte dus de brigantijn uit met het uitsluitende doel om naar deze
kust te komen. Mijn plan was om het schip hier of daar in eene kreek te
verbergen en daarna met vijf of zes van onze fermste kameraden in een
boot de golf binnen te roeien, hier te landen, en....
—Wel dan mankeert er zoo goed als niets meer aan. Het eenige verschil
bestaat hierin dat wij in plaats van met ons achten, met ons drieën
zijn,—viel Luiwammes in,—en dit is een bagatel, niet de moeite waard om
er over te spreken. Gij hadt dit dadelijk moeten zeggen, maar ’t doet
er niet toe, nu ik weet dat wij juist hier moesten komen, maak ik mij
over niets meer ongerust.
—Ja, doch het is nu juist niet bepaald hier, waar wij moesten
komen,—gaf Montbars te kennen, met een flauw lachje.
—Nu! Gaan wij nog verder?
—Ja, nog een eindje,—hernam de flibustier, half spottend.—Wij zijn op
weg naar Maracaïbo.
—Wat!—riep Luiwammes uit, en sprong op van verrassing.—Naar Maracaïbo?
—Ja zeker.
—En ge weet dat dit een stad is met tien of twaalf duizend inwoners.
—Zeker, zeker! Maar wat kan mij dat schelen?
—En een garnizoen van zes duizend man sterk!
—Zeker! Maar daar geef ik niets om.
—Daarenboven kanonnen....
—Nog iets meer?
—Maar ge zult toch voor den drommel, er niet over denken om Maracaïbo
te nemen?—viel de ander op eens uit ten hoogste verstomd en zelfs bijna
verschrikt door de koelbloedigheid van den flibustier die thans
waarlijk zoover gedreven werd, dat het, zooals Luiwammes in zich zelven
zei, de spuigaten uitliep.
—Wie weet?—sprak Montbars, met dezelfde kalmte en denzelfden spot, die
zijne woorden hadden gekenmerkt, sinds het begin van het gesprek.
—Wel, heb ik van mijn leven!—riep Luiwammes en sloeg uit verbazing de
handen tegen elkaar.—Hoor eens, Montbars, ik heb je veel zien
uitvoeren, menige expeditie, die alleen door jou stoutmoedigheid
gelukte, heb ik met je meegemaakt, maar als dit je mocht gelukken, dan
grenst dat aan het wonderbaarlijke! Dus,—voegde hij er bij, met een
hartelijken lach,—gij, ik, Tributor en Monaco, wij trekken er op los om
Maracaïbo te gaan belegeren. Ik kan er niet anders van zeggen, dan dat
het een hoogst origineel idee is. Het is meer dan waarschijnlijk dat
wij er niet in zullen slagen, maar dat doet er niet toe, het is al mooi
genoeg als men zoo iets heeft durven beproeven. Waarlijk het is een
idee waardig om door je te zijn bedacht, en wat er ook van moge komen,
ik help er graag een handje aan meê!
—Als ge goed kunt vinden op te houden met spotten,—werd hem koeltjes
door Montbars toegevoegd,—dan zal ik vervolgen.
—Spotten? Ik denk er niet aan, beste vriend! Maar dit weet je, neem mij
die uitdrukking niet kwalijk, komt mij zoo potsierlijk voor dat...
—Ge gelooft dat ik gek ben of op het punt van het te worden, is het
niet zoo?—viel Montbars haastig in.—Wees daarover niet bezorgd, ik heb
al mijne zinnen goed bij elkaar, en was nooit kalmer dan op dit
oogenblik. Ik heb volstrekt geen plan om zelfs met hulp van Monaco mij
meester te maken van Maracaïbo, later zullen wij nader zien, maar voor
het tegenwoordige is de hoofdzaak eenvoudig om in de stad te komen.
—Hm! Een zeer eenvoudige hoofdzaak, die mijns inziens, zeer moeielijk
tot stand zal komen. Ik verklaar je ronduit, dat ik er geen kans op zou
zien en als gij geen middel weet te bedenken.....
—Ik zal te zijner tijd wel een middel vinden.
—Maar eer wij er over behoeven te denken hoe in de stad te komen, is
het toch vrij wat noodzakelijker dunkt mij, dat wij beginnen met er
voor te zorgen dat wij in de buurt van de stad zijn en dit zal al even
bezwarend wezen.
—Het is niet meer dan hoogstens een dozijn mijlen van hier.
—Het is mij in mijn leven meer dan eens voorgekomen, dat het de hoogste
inspanning kostte om zelfs maar een kwartmijl af te leggen! Doch dat
daargelaten, hoe denkt ge het aan te vangen?
—Vriendlief, om voor eene expeditie, zoo hachelijk als de onze waarbij
alle kansen tegen ons zijn plannen te beramen, dat zou eene groote
dwaasheid wezen. Het is vrij wat raadzamer om ons te laten leiden door
het toeval, te meer daar zooals ge weet het toeval de groote beschermer
is van de Broeders der Kust. En ook thans zal het wel niet in gebreke
blijven.
—Nu, ik merk al uit welken hoek de wind gaat waaien, en als dit zoo
volhoudt, dan zullen wij heel wat voor het mes krijgen.
—Heel wat, toegestemd! Hebt ge er spijt van, dat ge met mij zijt
medegaan?
—Wis en waarachtig niet! Maar toch zou ik er een lief ding voor willen
missen als Michel de Baskiër en de Olonner bij ons waren, die ontbreken
nog aan het spel.
—Dat is zoo, beste vriend, maar wie kan daar iets aan doen? Wij zullen
ons zonder hen moeten redden.
—Och, dat zal misschien wel lukken, maar ik wil er maar mee zeggen dat
zij zwaar het land zullen hebben als zij hooren, wat wij zonder hen
hebben uitgevoerd.
—Het is nu minder warm, de stralen van de zon vallen reeds in de
schuinte, als ge dus genoeg zijt uitgerust, en ge vindt het goed, dan
moesten wij onzen tocht hervatten.
—Moeten wij nog lang pagaaien als waren wij Caraïben?
—Neen, maar tot morgen.
—Dan maar weer verder op goed geluk! Maar dat doet er niet toe, ik
blijf er bij dat wat wij gaan uitvoeren iets hoogst origineel is. Was
dat door je ontvangen bericht nu werkelijk van zooveel gewicht?
—Ja!—werd dof ten antwoord gegeven.—Eindelijk heb ik eenige hoop iets
op het spoor te zijn gekomen, en wee! over wie getracht mocht hebben
mij te verschalken, en als slachtoffer in een hinderlaag te lokken.
Maar bij den hemel! de Spanjaarden kennen mij nog niet, als zij mij
voor zoo oliedom houden, dat ik mij op zulk eene wijze zou laten
snappen! Hoe groot en sterk Maracaïbo mag zijn dan zou ik het te vuur
en te zwaard verwoesten!
—Wel drommels, hij meent het!—zei Luiwammes in zich zelven.—En wat zal
ik er verder van denken? Och wat doet het er toe? Het zou toch waarlijk
meer dan zonderling wezen als hij haar hier nog terug vond na twintig
jaar zoekens.
Juist toen zij de prauw te water brachten hoorden zij in de verte een
geschreeuw, en dadelijk daarna een dubbele ontploffing.
—Ei, ei!—zei Luiwammes die zich oprichtte om eens rond te kijken.—Het
schijnt dat men daar in den omtrek elkaar klop geeft.
—Wat gaat het ons aan,—gaf Montbars ten antwoord, en haalde de
schouders op.—Laten we voortmaken.
Zij grepen de pagaaien en begonnen tegen den stroom op te werken, zich
tegelijk een doortocht banend tusschen de zware planten en boomstammen,
waardoor het lichte vaartuig telkens gevaar liep om bij den minsten
schok te kantelen.
II.
DRIE MANNEN EN VIJFHONDERD KAAIMANNEN.
De oevers van het riviertje waarin de flibustiers met zooveel moeite
slechts langzaam vooruit kwamen, waren hoogst schilderachtig en vol
oneffenheden; ’s avonds tegen vijf uur kwamen zij op eens in de
nabijheid van een meer van middelbare grootte, dat eigenlijk niet
anders was dan een uitbreiding van de rivier. Aan den oostkant van dat
meer bestonden uitgestrekte moerassen en aan den westkant groote wouden
en boschjes van oranjeboomen. Daarna passeerden zij een baai die
omringd werd door moerassen met cipresseboomen. Verder op naderden de
beide oevers elkaar zoo dicht dat zij als het ware een soort van kanaal
vormden ter breedte van ongeveer honderd vijftig vademen, waardoor zij
naar eene andere rivier kwamen, de Rio Trinidad.
De avond naderde; het werd dus hoog tijd om uit te kijken naar een
heuvel of steilte waar men het kampement voor den nacht zou kunnen
opslaan, want in die tropische streken volgt de duisternis bijna
onmiddellijk op het licht, zoodat dus de zon nauwelijks is ondergegaan
of de nacht is reeds ingetreden.
De flibustiers, die, om het zoo eens uit te drukken, als verdwaald
waren op een terrein dat hun totaal onbekend was, geraakten in geen
geringe verlegenheid en wisten niet waar zij aan land zouden stappen,
doch op eens bespeurden zij na een bocht in de rivier een kleine
landtong die den stroom tot een breedte van bijna vijfenzeventig
vademen vermeerderde; die landtong was zoo iets als een schiereiland,
eene oppervlakte van ongeveer twee hectaren hoogland, geheel bedekt
door boschjes oranjeboomen en enkele groene eiken, magnolia- en
palmboomen.
—Dáár moeten wij heen!—gelastte Montbars.—Wij konden het niet beter
treffen.
—Ja, daarheen!—beaamde Luiwammes.
Zij pagaaiden langs de uiterste punt en kwamen toen op de plek die zij
hadden uitgekozen om er te landen, en die werkelijk zoo gunstig gelegen
was als zij slechts konden verlangen.
Het was een kleine kringvormige haven, aan den voet van de kust, die te
dezer plaatse eene hoogte van twaalf voet had. Achter dit heuveltje was
een groot cipressebosch, dat zich naar beide kanten uitstrekte, en nog
verder naar achter bespeurde men groene vlakten, bezaaid met
heuveltjes, bedekt door verschillende boomen, waaronder magnolia’s en
palmen; die heuveltjes, uitsluitend gevormd door massa’s schelpdieren,
stonden langs de oevers der kleinere stroomen, gevoed door het water
van de rivier, die in deze onmetelijke prairiën rondslingeren en in den
winter alles overstroomen.
Het kamp werd door de avonturiers opgeslagen op een open plek, dicht
bij de uiterste punt van de landtong en niet verder dan enkele vademen
van de prauw verwijderd, die zij stevig hadden vastgemeerd bevestigd
aan een grooten eik, zeker de oudste in deze woeste streken, die
eenzaam en afgezonderd stond op het hoogste punt, alsof hij zich daar
wilde vergasten aan het grootsche landschap dat zich aan zijn voet
uitbreidde.
Van deze plaats, beheerschten de flibustiers de rivier en konden alles
gewaar worden wat daarop voorviel.
Nadat door Tributor eene hoeveelheid hout was bijeengebracht, voldoende
om het vuur den ganschen nacht aan te houden, ving hij aan om alles
voor den avonddisch gereed te maken; het was reeds laat, de dag was
vermoeiend geweest, en de drie mannen hadden allen trek, doch toen hij
den leeftocht onder oogen kreeg, zag hij dadelijk dat de provisie zeer
was ingekort en er genoegzaam niets was overgebleven. Dit was een
hoogst ernstig geval. De drie avonturiers beraadslaagden met elkaar.
Zij allen waren lieden verhard door het leven in de Amerikaansche
woestijnen; zonder zich dus erg ongerust te maken, doorzochten zij den
omtrek van hun tijdelijk verblijf, om zich zekerheid te verschaffen of
die hun eenige levensmiddelen zou kunnen opleveren. Op ongeveer vijftig
schreden beneden hun kamp vormde de rivier een kreek of baai, waarvan
de ingang zeer nauw was, maar die zich verder op uitbreidde en een
meertje vormde, dat in moerassen uitliep. Bij den ingang en langs de
oevers van dit meer waren groote plekken pistia, nymphea en andere
waterplanten; de forel houdt bij voorkeur zijn verblijf bij dergelijke
planten, en dus was het meer dan waarschijnlijk dat men die visch dáár
zou kunnen bemachtigen. Voor een gedeelte van het souper bestond dus
bijna geen bezwaar meer. Bovendien waren de oevers en de eilandjes van
het meer overal bedekt met planten en heesters die in bloei stonden;
tal van kleine vogels liepen met half uitgeslagen vleugels langs de
kreeken, en vervolgden elkaar al tjilpend onder het hoog opgeschoten
gras; hoog in het water zwommen talinkjes rustig de moeder volgende,
terwijl er nu en dan een gesnapt werd door eene groote forel die op
haar beurt de prooi werd van een vraatzuchtige krokodil.
Voor het souper was dus alles te verkrijgen, visch, wild, tot zelfs
sappige vruchten; het kwam er nu slechts op aan, die visschen te
vangen, die vogels te dooden en die vruchten te plukken. Die bezigheden
werden verdeeld; Montbars nam de jacht op zich; Luiwammes zou visschen;
Tributor belastte zich met het plukken van de vruchten en Monaco, die
zeer bedaard op zijn achterklavieren bleef zitten, moest het kampement
bewaken en keek daarbij zeer ernstig naar de verschillende bewegingen
zijner meesters.
Het was zacht en helder weer: de krokodillen deden zich hooren en
vertoonde zich in talrijke groepen langs de oevers en in den stroom van
de rivier.
Opeens kwam een kaaiman uit de struiken en bladeren waartusschen hij
verscholen had gelegen. Het afgrijselijke dier zwelgde een massa water
naar binnen en sloeg nu en dan met den schubachtigen staart. Het water
golfde uit den wijd geopenden muil en uit zijne neusgaten steeg een
wolk van damp op. Het gebrul dat hij deed hooren weerklonk heinde en
ver. De drie avonturiers staakten allen hunne verschillende bezigheden,
en ondanks al hunne manhaftigheid, gevoelden zij zich angstig en
verschrikt. Het uitdagende gebrul van den kaaiman werd dadelijk aan den
tegenovergestelden oever op gelijke manier beantwoord, en een tweede
kaaiman kwam voor den dag. De twee monsters stoven op elkaar los en
deden in hun vaart het water schuimend opstuiven. Daarop begon een
afschuwelijke worsteling, of beter gezegd een ontzettend tweegevecht.
Kort in elkaar gestrengeld doken zij dadelijk en verdwenen in de
diepte, en terstond daarna borrelde van den bodem een dikke laag modder
op, die het water tot op verren afstand troebel deed worden. Spoedig
echter kwamen zij weer boven, steeds vechtende, en deden de lucht
weergalmen van het herhaalde geklapper van hunne zware kakebeenen, die
zij met kracht en geweld open en dicht sloegen; toen doken zij weer, en
de strijd eindigde op den bodem van het meer.
De overwonnene maakte zich het troebele water ten nutte, om te gaan
schuilen in de moerassen, doch de trotsche overwinnaar kwam weer te
voorschijn op de plek waar de worsteling was ontstaan. Het monster
scheen zeer in zijn schik, en het was alsof een groot aantal kaaimannen
die van den kampstrijd getuigen waren geweest, hem toejuichten, want de
echo’s herhaalden tot vervelens toe hunne afschuwelijke geluiden, die
tot ver in de bosschen weerklonken. Het afschuwelijke schouwspel dat
zoo onverwacht vóór hunne oogen was afgespeeld, deed bij de avonturiers
ernstige bezorgdheid ontstaan, want zij begrepen ten volle hoe ieder
oogenblik hun toestand nog bezwarender en gevaarlijker kon worden. De
zon was op het punt van onder te gaan en de krokodillen kwamen van alle
kanten opzetten, om zich te vereenigen in de haven kort waarbij de
flibustiers hun nachtverblijf hadden opgeslagen. Die overwegingen
brachten hen er toe om den voorgenomen tocht naar de kreek om visch en
talingen te vangen ten spoedigste te staken, en daar zij meenden dat
het zeer noodzakelijk was om al hunne krachten te vereenigen, werd
Tributor door Montbars en Luiwammes aangeroepen, en stapten met hem in
de prauw, Monaco voorloopig ter bescherming van het kamp achterlatende.
Zij namen hun geweren niet mede, daar die nu geen dienst konden doen en
wapenden zich met stevige staken beter geschikt om zich tegen de
kaaimannen te verdedigen, zoo die monsters mochten beproeven hen aan te
vallen.
Toen vertrokken zij; gekomen bij den eersten troep kaaimannen, waardoor
zij als omringd waren, weken die dieren; doch daar enkele der grootste
de avonturiers volgden, bleven deze op hunne hoede en pagaaiden zoo
snel zij konden, naar den toegang tot het moeras, in de hoop dat zij
daar bevrijd zouden wezen van het verder opdringen dier monsters. Doch
nog eer zij halverwege waren gekomen, werden zij op eens van alle
zijden aangevallen. Verscheidene kaaimannen deden hun best om de prauw
te doen kantelen, vier van de sterksten waren tegelijk daarmeê bezig,
brulden afschuwelijk en braakten massa’s schuim over de avonturiers
uit, wier toestand zeer kritiek werd, daar zij onophoudelijk in het
gevaar verkeerden van in het water te vallen en dan door de monsters
verslonden te worden.
Toch slaagden zij er eindelijk in, doch niet dan na de grootste moeite,
de prauw dicht naar den oever te sturen, en daarna langs de kust
waardoor zij minder gevaar liepen. Terwijl Montbars en Luiwammes
pagaaiden, hield Tributor door middel van een enorm zwaren staak de
kaaimannen op behoorlijken afstand. Zij maakten zich die tijdelijke
verademing ten nutte om eenige forellen en een paar talingen te vangen
en haastten zich te wenden, om zoo spoedig doenlijk weer in hun kamp te
komen. De kaaimannen waren in grooten getale bijeengekomen vlak vóór
den ingang van de haven, toch gelukte het aan de vrijbuiters, dank zij
hun beleid en hunne stoutmoedigheid, het kamp te bereiken, zonder te
erg in de klem te zijn geraakt. Toen was hun eerste zorg de prauw zoo
ver mogelijk op vasten wal te trekken, om daardoor den monsters te
beletten haar te doen kantelen of te doen zinken. Na alles wat er zich
in bevond meegenomen te hebben, maakten de flibustiers het gansche
terrein rond hen effen, om bij een mogelijken nachtelijken aanval,
hetzij van den waterkant hetzij van de landzijde, door niets te worden
gehinderd. Want zij hadden ook nog bemerkt dat het schiereilandje wat
zij hadden uitgekozen, tamelijk druk bezocht werd door wolven en beren,
wier sporen overal merkbaar waren. Na eene verkenning in de omstreken
van het kamp begonnen de avonturiers aan de toebereidselen voor hun
maal, en legden tevens het wachtvuur aan.
Het was reeds donker geworden; het gebrul van de kaaimannen had
opgehouden, en de avonturiers zaten druk en met goeden trek te eten,
toen op eens hunne aandacht opnieuw werd gaande gemaakt door een
ontzettend rumoer dat in de rivier ontstond, dicht bij hun kamp. Toen
waren zij getuigen van een vreemd schouwspel, dat niet alleen met de
grootste verrassing maar zelfs met bewondering door hen werd
aanschouwd. Dat ontzettende rumoer toch, werd veroorzaakt door eene
ontelbare menigte kaaimannen die zich bij den ingang van de haven
vereenigd hadden. De rivier scheen over hare gansche oppervlakte van
den eenen oever tot den anderen en verder dan een mijl, zoowel boven
als beneden het kamp der vrijbuiters, niets anders dan één enkele
stevig ineengedrongen school visschen van allerlei soort die zich in
den zoo nauwen ingang der haven verdrongen, om uit de rivier naar het
kleine meer te komen. De krokodillen wachtten hen dáár, en waren zóó
talrijk en lagen zóó tegen elkaar aangedrukt, dat het niet moeielijk
zou geweest zijn, de rivier over hunne koppen over te steken.
Ondoenlijk is het te beschrijven welk eene afschuwelijke slachting er
plaats had, gedurende den tijd dat dit onnoemelijk aantal visschen
trachtte den doortocht te forceeren; millioenen bij millioenen werden
door die vraatzuchtige monsters verzwolgen. Het gebeurde soms dat een
aantal visschen tegelijk door een kaaiman hoog uit het water werden
opgegooid en in het vallen weer gegrepen en tusschen de sterke tanden
verbrijzeld; de staarten der forellen sloegen nog langs de huid of in
de oogen der monsters, terwijl de koppen reeds waren verslonden; het
geklapper van de kakebeenen der kaaimannen was ijzingwekkend; meer dan
eens zag men hoe zij doken midden onder dien hoop rampzalige visschen,
om bijna terstond met hun prooi weer boven te komen, en zich alsdan ter
hoogte van eenige voeten uit het water op te heffen. Stroomen bloed en
water golfden uit hunne muilen, en het was of uit hunne neusgaten een
wolk van rook steeg. Die ontzettende slachting duurde zoolang er nog
visschen waren die naar een uitgang zochten, dat wil dus eigenlijk
zeggen den ganschen nacht door.
Hoe afgrijselijk dit schouwspel ook mocht wezen, toch stelde het de
avonturiers eenigszins gerust, want nu werd het hun duidelijk dat die
verzameling van zulk een groot aantal kaaimannen moest worden
toegeschreven aan den regelmatigen terugkeer der visschen, en bijgevolg
konden zij er staat op maken, dat die monsters het nu in hun eigen
element te druk zouden hebben om alles te verorberen, dan dat zij er
nog over zouden denken het kamp aan te vallen. De flibustiers hervatten
dus hun maal, en toen dit was afgeloopen, gooiden zij zooveel hout op
het vuur dat dit lang genoeg kon aanblijven, strekten zich toen op den
grond uit, en sliepen spoedig zoo rustig en onbezorgd, als alleen
mogelijk is wanneer men vertrouwd is geworden met ieder gevaar.
Tegen twee ure in den morgen werd Tributor plotseling in zijn slaap
gestoord door Monaco, die hem over het gelaat likte en tegelijk zacht
knorde.
—Wat is er aan de hand, trouw dier?—vroeg de reus, die zich half
slaapdronken de oogen uitwreef, en toen met uitvorschenden blik om zich
heen keek.
Alles was kalm en stil, iets wat hij gemakkelijk gewaar kon worden,
daar het zeer licht was door den helderen maneschijn, en de flikkering
van de millioenen sterren, die als diamanten aan den hemel schitterden.
Maar daar de pandeling wist hoe goed hij op zijn hond kon vertrouwen en
dat het dier hem niet zonder reden zou wekken, greep hij zijn geweer en
luisterde scherp toe. Een oogenblik later kwam het hem voor alsof hij
een nog bijna onmerkbaar geluid hoorde dat van de landzijde kwam;
Monaco bleef steeds knorren. Tributor stond zeer stil op en luisterde
opnieuw; toen vernam hij duidelijk het geluid van een dier dat door het
water liep. De pandeling achtte het onnoodig zijne metgezellen te
wekken, doch toch wilde hij zonder verder verwijl weten waardoor het
geluid werd veroorzaakt, dat zich hoe langer hoe sterker deed hooren;
daarom begaf hij zich buiten het kamp en liep zeer behoedzaam naar den
ingang van de haven. Een honderdtal passen verder stond hij stil en
verschool zich tusschen een groepje oranjeboomen. Monaco was steeds bij
hem gebleven, maar de hond liep niet zooals anders snuffelend vooruit,
doch volgde thans zijn baas met hangende ooren en den staart tusschen
de pooten. Dit was zóó vreemd bij dit dier, dat Tributor vermoedde dat
de vijand die kon opdagen, wie af wat die wezen mocht, zeker niet
gering mocht geschat worden, en bijgevolg hield hij zich gereed om dien
bij de eerste verschijning behoorlijk te ontvangen. Lang behoefde hij
niet te wachten; want slechts enkele minuten daarna, werd Tributor op
geen verderen afstand dan vijftig vademen, twee groote zwarte beren
gewaar, die dwars door het water het bosch waren ingeloopen en nu
bedaard naderden naar den kant waar hij zich bevond. Waarschijnlijk
waren die dieren nog niets bewust geworden van de aanwezigheid van
Tributor, daar zij langzaam bleven doorloopen zonder de minste onrust
te toonen, maar op een afstand van vijftien vademen gekomen, begonnen
zij te snuffelen, hun neus in den wind te steken en overal rond te
staren. Tributor begreep dat zij hem gewaar waren geworden; hij mikte
en schoot met goed gevolg, want een der beren, de zwaarste, rolde over
den grond; de andere keerde dadelijk om, vluchtte overhaast, plompte in
het water en verdween in het moeras. Tributor verliet toen zijn
schuilplaats, en liep naar den getroffen beer, om hem verder af te
maken, zoo het dier nog niet dood mocht wezen, maar bij hem gekomen
bespeurde hij dat het morsdood was; de kogel was door het oog heen
ingedrongen. Montbars en Luiwammes wakker geworden door het gevallen
schot, dachten niet anders dan dat er een aanval gaande was en snelde
toe om Tributor te hulp te komen. Tegelijkertijd sprong Monaco, die tot
nu toe steeds dicht achter zijn meester was gebleven, vooruit onder
hevig geblaf.
—Hoe nu!—sprak Tributor in zich zelf, terwijl hij zijn geweer haastig
weer laade.—Al wêer iets op til! Het is een raar soort van landje hier,
dat men er bijna geen oogenblik rust kan hebben!
—Mooi zoo, mijn jongen!—riep Montbars hem toe.—Het is een uitmuntend
schot! Dat noem ik nu nog eens een mooie jacht.
—En die waarschijnlijk nog niet is afgeloopen,—merkte de reus
aan.—Luister maar eens naar Monaco!
—Ja,—bevestigde Luiwammes,—de hond heeft zeker de lucht van iets
gekregen, maar ik zou zeggen, ofschoon het mij vreemd voorkomt, dat het
er meer van heeft of hij blaft uit blijdschap dan wel uit kwaadheid.
—Daar hebt ge gelijk in—hernam Tributor.—Nu dit is al zeer vreemd.
—Laten wij gaan zien wat er van waar is,—sprak Montbars, die de haan
van zijn geweer spande om op alles bereid te wezen, en toen met vasten
tred het spoor van den hond volgde.
Zijne metgezellen volgden hem. Alle drie liepen het bosch dwars door,
behoorlijk er voor zorgende van iederen boom als borstwering gebruik te
maken, en kwamen toen na enkele minuten aan de grens van de
belommering. Toen zagen zij op ongeveer een geweerschot afstand van de
plek waar zij stonden twee mannen, die met het geweer over den schouder
in groote haast naar hun kant kwamen. Vroolijk blaffend sprong Monaco
op en langs die beide mannen.
—Wel drommels!—begon Montbars—Nu wordt het hoe langer hoe
interessanter! Monaco schijnt bij kennissen te wezen. Zou hij bij geval
een vriend hebben onder de Spanjaarden? Daar moet ik dadelijk het mijne
van hebben!
De flibustier deed een paar passen buiten het bosch, zette het geweer
met de kolf op den grond en riep met luider stem:
—Werda!
—Vrienden!—werd hem terstond daarop in het Fransch toegeroepen.
—Vrienden? Des te beter!—hernam Montbars.—Het kan waar wezen, want het
is of je stem mij niet geheel onbekend is, maar toch, mijn goede man,
zoudt ge mij genoegen doen te zeggen wie ge zijt, eer ge een stap
verder doet.
—Kom, kom, Montbars, dat doet er immers niet toe!—luidde het
antwoord.—Ik ben Philippe.
—Philippe!—herhaalde de avonturier met de grootste verbazing.—Wel
drommels! Dat is eerst eene zeldzame ontmoeting.
Dadelijk verlieten zij hunne schuilplaats, en ijlden met vaart de
anderen te gemoet, die van hun kant ook hun tred bespoedigden.
Werkelijk waren het Philippe en Pitrians. Hoe hartelijk en oprecht
gemeend was de wederzijdsche begroeting! De vijf avonturiers keerden in
opgetogen stemming terug naar het kamp, doch vergaten niet ook den beer
daarheen te brengen, zoo behendig geveld door Tributor, die niet had
kunnen vermoeden dat dit goed gemikte schot nog buitendien zulke
belangrijke gevolgen zou hebben, waardoor de avonturiers elkander
ontmoet hadden.
III.
DE VRIJBUITERS.
Tributor wierp een goede portie droog hout op het wachtvuur, dat toen
opnieuw vroolijk opflikkerde, de vrijbuiters legden zich er om heen, en
toen vroeg Montbars aan Philippe door welk toeval hij hier was gekomen,
op eene plek zóó ver verwijderd van de streken die gewoonlijk door de
flibustiers bezocht worden.
—Diezelfde vraag zou ik tot jou kunnen richten, waarde Montbars,—gaf
Philippe ten antwoord.—Want dat toeval, aangenomen dat er een toeval
is, bestaat evenzeer voor jou als voor mij.
—Dat is zoo, vriendlief,—stemde Montbars toe,—maar wat mij betreft is
het juist niet geheel alleen het toeval dat mij hier heeft gebracht.
—Wat dan nog meer?
—De storm! Door een stormvlaag heb ik mijn schoener verloren, en ben
hier aangeland eigenlijk zonder precies te weten waar ik mij bevond; ik
moet er echter in één adem bijvoegen, dat ik zeer in mijn schik was,
zoodra ik bemerkte dat ik in de golf van Venezuela was terecht gekomen,
want reeds sinds lang was het mijn wensch die te bezoeken.
—En uwe bemanning?
—Behalve mijne beide metgezellen hier, is die totaal verloren gegaan.
—Dat is zeer treurig!—zuchtte Philippe en schudde het hoofd.—Wat mij
zelven aangaat, wil ik je rondweg verklaren, waarde Montbars, dat ik
Tortue verlaten heb met het formeele plan mij hierheen te begeven.
—En ben jij, evenals ik, door een onheil overvallen?
—Neen, Goddank niet! Mijn schip ligt verscholen in een kreek van de
kust, en geankerd te midden van dicht geboomte, dat er als het ware
zulk een dicht gordijn om vormt, dat ik de gavachos tart om het dáár te
ontdekken.
—Heerlijk, opperbest, kameraad! Dat is een nieuwtje dat mij des te meer
welkom is daar ik je eerlijk moet bekennen dat ik waarlijk geen raad
wist hoe ik mij uit dit wespennest hier redden moest.
—Je kunt geheel over mij beschikken, daaraan zult gij trouwens niet
hebben getwijfeld.
—Dank je wel! Wanneer zijt ge aangekomen?
—Gisterenavond tusschen zeven en acht uur. Eer ik dezen morgen aan wal
zou gaan, kreeg ik, bezig om den horizont op te nemen, een prauw in het
oog, die de punt bij de vuurbaak omkwam. Ik kon wel niet duidelijk
gewaar worden door wie die bemand was, maar reeds bij het eerste
gezicht zag ik dat er Broeders der Kust in zaten. Toen deed ik mij
dadelijk naar wal roeien en ben er terstond op los gegaan om je op te
zoeken, en, zoo gij daaraan behoefte mocht hebben, je mijne goede
diensten aan te bieden, en mij geheel tot je beschikking te stellen.
—Waarde vriend, bij herhaling nogmaals dank, zoowel voor mijn persoon
als voor mijne metgezellen, want op mijn woord wij bevonden ons in een
zeer neteligen toestand. Nu wil ik ook gaarne erkennen, dat het toeval,
waarover ik sprak, werkelijk in dit opzicht niet bestaat. Doch houd mij
één enkele vraag ten goede.
—Zeg vrij wat gij verlangt te weten.
—Hoe komt het dat gij ons reeds sedert den ganschen dag zoekt en ons
eerst nu diep in den nacht vindt?
—Dat is, als ik mij veroorloven mag dit te zeggen, eenigszins je eigen
schuld.
—Hoe dat?
—Hebt ge dan onze signalen niet gehoord?
—Wel, nu ik er over denk,—viel Luiwammes in,—schiet het mij te binnen
dat ik even vóór zonsondergang gemeend heb een schot te hooren.
- Zoo was het, wij, Pitrians en ik schoten toen, zooals wij ook den
ganschen dag niet hebben nagelaten, op gevaar af van door de Indianen
ontdekt te worden, want wij zijn hier, zooals ge weet, in het hartje
van het Indiaansch territoir.
—Wij hebben toch niet meer dan één schot gehoord.
—Ja,—voegde Montbars er bij,—en wij durfden het niet te beantwoorden,
uit vrees van ons daardoor de Spaansche boekaniers op den hals te
halen.
—De gavachos hebben den moed niet om zich hier te wagen in de streken
langs de zee, want de bewoners zijn hunne verwoede vijanden en
daarenboven menscheneters.
—Het is goed dat wij dit weten!
—Kort en goed, wij begonnen er aan te wanhopen je te vinden, en stonden
op het punt naar boord terug te keeren (ons schip ligt hier dicht bij),
toen het door Tributor zóó juist gemikte schot op den beer ons precies
de richting aangaf, waar wij je konden ontmoeten. Ge ziet dus, waarde
Montbars, dat alles zeer eenvoudig is toegegaan.
—Ge hebt gelijk vriendlief, maar ge hebt mij nog niet gezegd, welke
reden je hier naar de kust gevoerd heeft; mocht dit echter een geheim
wezen, houd het dan als niet gevraagd, en spreken wij over iets anders.
—Waarde vriend, er bestaat geen enkele aanleiding om die redenen geheim
te houden, maar vooral niet tegenover jou. Ik ben op een
verkenningstocht om zoowel het terrein als het gansche land te
onderzoeken daar ik plan heb eene expeditie tegen Maracaïbo te
beproeven, dat, als de geruchten niet overdreven zijn, onmetelijke
schatten moet bevatten.
—Is het waar wat ge daar zegt?—riep Montbars met groote
opgewondenheid.—Zijt ge werkelijk met dat doel hier?
—Waarom anders zou ik gekomen zijn?
—Dat is zoo! Welnu, waarde Philippe, ik wil niet minder openhartig zijn
dan jij. Weet dan dat mijn doel hetzelfde is als het uwe, ook ik wil
een aanslag op Maracaïbo wagen.
—Wel drommels!—uitte de jonge man zeer verheugd.—Beter kan het niet
treffen! Dan sta ik gaarne en gewillig aan jou het opperbevel over die
expeditie af. Uw meerdere ondervinding en uw roemrijke naam geven je
daarop het volste recht, alleen zou ik gaarne tot voorwaarde maken dat
je mij aanstelt tot je luitenant.
—Blijft dit afgesproken?—vroeg Montbars, die hem de hand toestak.
—Wis en waarachtig!—bevestigde de jonge man met een stevigen handdruk
aan den vermaarden vrijbuiter.—Zoo vast en zeker afgesproken, dat ik
zoo gij het goedvindt van stonden af aan mij ondergeschikt verklaar, en
jou het gezag van mijn schip overdraag.
—Ik neem je aanbod even rondborstig aan als je het mij doet doch alleen
in zoo verre betreft deze expeditie, of beter gezegd de verkenning die
wij willen beproeven; wat het bevel over uw bodem aangaat, zult ge mij
genoegen doen dit te behouden. Naar ik hoop zal het niet lang meer
duren eer ik je een nog veel gewichtiger opdraag, als wij hier weer
terug zijn gekomen.
—Het zij zooals gij verlangt, waarde Montbars.
Tributor die aan het gansche gesprek geen deel had genomen, was al dien
tijd druk in de weer geweest om den beer in stukken te snijden; eerst
had hij de vier pooten afgehakt en die onder de gloeiende asch gestopt,
daarna met verbazende behendigheid de huid afgestroopt, en schijfjes
van de nier afgesneden, die hij terstond roosterde met een paar
prachtige forellen en een taling aan het spit gestoken door middel van
zijn laadstok. Daarna had hij oranjes, limoenen, guyaven (Indische
peren) en andere vruchten geplukt, palmbladeren neergelegd om als
borden te dienen, en na al die toebereidselen was hij naar het vuur
gegaan. Juist op dat oogenblik brak de dag aan, en prachtig verscheen
de zon aan den horizont, te midden van wegtrekkende nevels die
schitterden met al de kleuren van den regenboog.
—Het ontbijt staat gereed,—kondigde Tributor aan.
—Kom, laten wij dan gaan eten,—liet Luiwammes er op volgen.
—En al etende kunnen wij verder praten,—voegde Montbars er bij.
In opgeruimde stemming nam men aan tafel plaats, of beter gezegd ging
ieder op het gras zitten vóór het palmblad dat hem tot bord diende, en
toen nam het ontbijt een aanvang. Een jagersmaal duurt zelden lang, ook
dit was in een half uur afgeloopen, en zoo daar zooveel tijd aan
besteed werd, kwam dit hoofdzakelijk door de groote hoeveelheid der
spijzen, die door Tributor met veel deftigheid en groot vertoon werden
opgediend. De goedhartige reus toonde een hoogst vergenoegd gelaat en
was erg in zijn schik, toen Montbars hem bijzonderen lof toezwaaide
over die staaltjes zijner kookkunst. Na den afloop van het ontbijt, en
toen de pijpen waren aangestoken, nam Montbars opnieuw het woord en
zei:—Nu moeten wij onze zaken gaan behandelen.
—Niets liever dan dat,—verklaarde Philippe.