wenschte, dat ik nog in leven was, en mij verslag deed hoe veel de
plantaadje verbeterd was, en wat zij 's jaarlijks opbragt, met opgave
hoe veel morgen zij besloeg, hoe sterk de slavenmagt was en eindigende
met het berigt, dat hij twee-en-twintig _Ave Maria's_ had opgezegd tot
dankbaarheid aan de H. Maagd voor mijne wonderbare behoudenis; terwijl
hij mij ten sterkste uitnoodigde over te komen en van mijn eigendom
bezit te nemen, en hem, zoo ik niet zelf kwam, orders te geven aan wien
mijne goederen af te schepen, en eindigende met eene hartelijke
verzekering van zijne vriendschap en die van zijne familie. Tot een
geschenk zond hij mij zeven fraaije tijgervellen, die hij naar het
schijnt van Afrika ontvangen had met een ander schip, dat hij derwaarts
gezonden had, en dat eene voorspoediger reis scheen aan te hebben dan
ik. Hij zond mij ook vijf kisten met confituren en een honderd stukken
ongemunt goud, niet wel zoo groot als moidores.
Met dezelfde vloot zonden mijne twee gevolmagtigden mij twaalf honderd
kisten suiker, achthonderd rollen tabak en het overige van onze rekening
in goud.
Thans mogt ik wel zeggen, dat het laatste einde van Job beter was dan
het begin. Onmogelijk is het mijne aandoeningen te beschrijven, toen ik
deze brieven doorlas, en vooral toen ik al mijn rijkdom voor mij zag;
want daar de schepen uit Brazilië altijd met eene geheele vloot te
gelijk komen, ontving ik mijne brieven te gelijk met mijne goederen, en
deze laatsten lagen reeds veilig op de Taag, voor de brieven mij ter
hand gesteld worden. Ik werd bleek en ongesteld, en zoo niet de oude man
mij eene hartsterking had gehaald, geloof ik dat de plotselinge vreugde
mij te sterk geweest, en ik op de plaats dood gebleven zou zijn. Zelfs
bleef ik nog ziek, tot eenige uren daarna een geneesheer geroepen werd,
en deze de ware reden van mijne ongesteldheid vernemende, mij eene
aderlating liet doen, die mij veel verligtte, en waarna ik beter werd.
Ik was nu plotseling bezitter geworden van meer dan vijfduizend pond
sterling in geld, en had eene bezitting in Brazilië, die meer dan
duizend ponden 's jaars opleverde, zoo goed als eenig landgoed in
Engeland; in een woord, in een toestand, waarin ik mij naauwelijks wist
te voegen, of hoe ik dien genieten zou.
Het eerste wat ik deed was mijn ouden weldoener, den goeden kapitein, te
beloonen, die mij het eerst in mijn tegenspoed had bijgestaan, van den
beginne af menschlievend, en tot aan het einde eerlijk jegens mij
gehandeld had. Ik toonde hem al wat mij gezonden was. Ik zeide hem, dat
na de Voorzienigheid, die alles bestiert, ik dat alles aan hem te danken
had, en dat het nu mijn pligt was hem te beloonen, hetwelk ik
honderdvoudig doen wilde. Vooreerst gaf ik hem dus de honderd moidores,
die ik van hem ontvangen had, terug, daarop liet ik een notaris roepen,
en deze een volkomen kwijtschelding opmaken, zoo volledig als mogelijk,
van de vierhonderd en zeventig moidores, die hij opgegeven had mij
schuldig te zijn, waarna ik eene procuratie op hem liet vervaardigen,
tot den ontvangst der jaarlijksche inkomsten mijner plantaadje, en mijn
compagnon opdroeg met hem te sluiten, en de jaarlijksche opbrengst op de
gewone wijze met de vloot aan hem over te maken. Een clausule in het
einde behelsde eene jaarlijksche gift aan hem van honderd moidores, zoo
lang hij leefde, en van vijftig aan zijn zoon, zoo lang deze leefde,
alles uit de goederen te voldoen. Op deze wijze vergold ik den ouden man
zijne goedheden.
Nu moest ik begrijpen welken koers thans in te slaan, en wat te doen met
het goud, dat de Voorzienigheid mij aldus gegeven had. Ik had thans
waarlijk meer zorg en hoofdbreken dan in mijne stille levenswijze op het
eiland; waar ik geene behoeften had dan die ik voldoen kon; terwijl ik
nu een grooten last op mijne schouders had. Ik had hier geene grot om
mijn geld in te bergen, noch geen plaats waar ik dit zonder slot of
grendel kon nederleggen, tot het roestig en beschimmeld werd;
integendeel, ik wist niet waar ik het laten of wien ik het toevertrouwen
zou; mijn oude beschermer, de kapitein, die een braaf man was, was
inderdaad mijne eenigste toevlugt.
Mijne bezittingen in Brazilië schenen vroeger mijne tegenwoordigheid
aldaar te vereischen, maar nu kon ik niet denken daar naar toe te gaan,
voor ik eerst mijne zaken beschikt en mijne goederen in vertrouwde
handen achtergelaten had. Eerst dacht ik aan mijne oude vriendin, de
weduwe, wier eerlijkheid mij bekend was, maar zij was hoogbejaard en
arm, misschien wel in schulden stekende; zoodat ik begreep zelf naar
Engeland te moeten terugkeeren en mijne bezittingen mede te nemen.
Het duurde echter eenige maanden, voor ik hiertoe besluiten kon, en na
derhalve mijn voormaligen weldoener, den kapitein, voldoende en naar
zijn genoegen beloond te hebben, begon ik aan de weduwe te denken, wier
echtgenoot mijn eerste weldoener was geweest, en zij, zoo veel in hare
magt was, mijne trouwe geldbewaarster. Het eerst wat ik dus deed was
door een Lissabonsche koopman aan zijn correspondent in Londen te doen
schrijven, haar op te zoeken, en haar niet een wissel, maar honderd pond
in geld te brengen, haar te gaan spreken en in hare armoede te troosten,
door haar te zeggen, dat zij, zoo lang ik leefde, onderstand van mij zou
ontvangen. Tegelijker tijd zond ik honderd pond aan ieder van mijne
zusters, die, ofschoon niet behoeftig, toch in geene ruime
omstandigheden waren, de eene was eene weduwe, en de andere had een
echtgenoot, die zich jegens haar niet zoo gedroeg als hij wel mogt. Doch
onder al mijne bekenden wist ik niemand te bedenken, wien ik al mijn
geld durfde vertrouwen, zoodat ik naar Brazilië kon gaan, en alles
gerust achterlaten. Dit bragt mij in groote verlegenheid.
Eens vatte ik het plan op naar Brazilië te gaan, om er mij voor altijd
neder te zetten, want ik was er als het ware genaturaliseerd, maar ik
had eenige godsdienstige bezwaren, die mij daarvan terughielden. Ik had
wel niet geaarzeld om zoo lang ik onder hen was, mij te houden alsof ik
hunne godsdienst aankleefde, en dit deed ik ook nog niet, maar er thans
meer dan vroeger over denkende om daar te leven en te sterven, berouwde
het mij, dat ik mij voor een Katholijk uitgegeven had, daar ik niet
gaarne in de belijdenis van die leer wilde sterven. Echter was het dit
niet, wat mij voornamelijk terughield van naar Brazilië te gaan; maar de
onzekerheid wien ik mijne bezittingen zou toevertrouwen. Dus besloot ik
die eerst naar Engeland te brengen, waar ik alsdan wel eenige kennissen
zou weten of bloedverwanten vinden, die mij vertrouwd toeschenen; en
diensvolgens maakte ik mij gereed met al mijn geld naar Engeland terug
te gaan.
Te dien einde besloot ik in de eerste plaats, daar de vloot naar
Brazilië weder zeilree lag, op de eerlijke en brave verrekeningen, die
ik van daar ontvangen had, antwoord te geven. Eerst schreef ik den
prioor van het Augustijner klooster een brief tot dankzegging voor zijne
edelmoedige handelwijze en de aanbieding der 872 onuitgegeven moidores,
waarvan ik verlangde, dat vijfhonderd aan het klooster, en de overige
aan de armen zouden gegeven worden, naar des prioors goedvinden; terwijl
ik den goeden Pater verzocht mij in zijne gebeden te bedenken.
Daarop schreef ik een dankbaren brief aan mijne twee gemagtigden, met al
de erkentelijkheid, die hunne braafheid en eerlijkheid verdienden; hun
eenig geschenk te zenden, ware water in de zee dragen geweest. Eindelijk
schreef ik aan mijn compagnon mijn dank, voor de verbetering mijner
plantaadje, en zijn ijver daarin; gaf hem last omtrent zijn verder
bestier derzelve van mijn aandeel; in overeenstemming met de volmagt,
die ik aan den ouden kapitein had gegeven, aan wien ik hem verzocht
alles wat mij toekwam over te maken, tot hij nader van mij zou hooren.
Ik verzekerde hem, dat ik niet alleen voornemens was naar hem toe te
komen, maar ook het overschot mijns levens er te blijven doorbrengen.
Hierbij voegde ik een fraai geschenk van eenige Italiaansche zijde voor
zijne vrouw en twee dochters, (welke hij, volgens berigt van des
kapiteins zoon had) met twee stukken fijn Engelsch laken, het beste dat
ik in Lissabon bekomen kon, en eenige Vlaamsche kant van hooge waarde.
Na op deze wijze mijne zaken geschikt, mijne lading verkocht, en voor al
mijne goederen wissels gekocht te hebben, was de vraag, hoe ik naar
Engeland zou gaan. Hoezeer ik ook aan de zee gewoon was, had ik toen een
sterken tegenzin om ter zee naar Engeland te gaan. Schoon ik er geene
reden voor had, werd deze tegenzin zoo sterk, dat toen mijne bagaadje
reeds aan boord was, ik nog van gedachten veranderde, en dat wel niet
eens maar twee- of driemalen. Het is waar, ik was op zee zeer ongelukkig
geweest, en dit kon er de reden van zijn, doch het is niemand geraden in
zaken van zooveel belang zijn voorgevoel te verachten. Twee der schepen,
waar ik het oog meer bijzonder op geslagen had, zoodat ik reeds mijne
goederen in het eene gezonden had, en met den kapitein van het andere
mijnen overtogt reeds bepaald; deze twee zelfde schepen verongelukten;
het eene namelijk werd door Algerijnsche kapers genomen en het andere
bij Torbay verbrijzeld, en al het volk op drie na, verdronk; zodat ik
niet weet op welk schip ik ongelukkiger zou geweest zijn.
In dezen tweestrijd nam ik mijne toevlugt tot mijn ouden raadsman, die
mij ernstig ried niet ter zee de reis te doen, maar te land, en de golf
van Biscaye over te steken naar Rochelle, vanwaar ik veilig en
gemakkelijk naar Parijs en zoo over Calais naar Dover reizen kon; of
naar Madrid te gaan en geheel Frankrijk door de reis te land te doen. Om
kort te gaan, ik had zooveel tegen eene zeereis, behalve van Calais naar
Dover, dat ik besloot den geheelen weg te land af te leggen; hetwelk,
daar ik geen haast had en het geld niet behoefde te ontzien, verre weg
de aangenaamste was; vooral toen mijn oude kapitein een Engelsen heer,
den zoon van een koopman uit Lissabon, bij mij bragt, die de reis mede
wilde maken, waarna wij nog twee Engelsche kooplieden en twee jonge
Portugesche heeren vonden, waarvan de laatsten alleen naar Parijs
gingen; zoodat wij in alles met ons zessen en vijf knechten waren. De
twee kooplieden en de Portugezen namen ieder een knecht met hun beide om
de onkosten, en ik nam voor mij als knecht een Engelsch matroos mede,
behalve Vrijdag, die veel te onbedreven was om op reis als knecht te
gebruiken.
Op deze wijze vertrokken wij van Lissabon, allen goed bereden en
gewapend, zoodat wij een kleinen troep uitmaakten. Men deed mij de eer
aan mij kapitein te noemen, omdat ik de oudste was en twee knechts bij
mij had, en ook de eigenlijke oorzaak van de geheele reis was. Daar ik
den lezer met geen mijner zeetogten lastig gevallen ben, wil ik dit ook
niet met het journaal van mijne landreis doen; echter mag ik eenige
avonturen niet verzwijgen, die wij op deze lange en bezwaarlijke reis
ontmoetten.
Te Madrid gekomen, bleven wij daar eenigen tijd vertoeven, daar wij
allen vreemdelingen in Spanje waren, om het Spaansche hof en al wat
merkwaardig was te bezigtigen, doch daar het laat in den zomer was,
hielden wij er ons niet lang op, en verlieten Madrid omstreeks het
midden van October. Maar toen wij aan de grenzen van Navarra kwamen,
werden wij op verscheidene plaatsen verontrust door de tijding, dat er
aan de Fransche zijde zoo veel sneeuw was gevallen, dat verscheidene
reizigers verpligt waren geweest naar Pampeluna terug te keeren, na met
veel gevaar den overtogt beproefd te hebben.
Te Pampeluna aangekomen, vonden wij dat dit de waarheid was, en voor
mij, die altijd in een heet klimaat, waar men naauwelijks kleederen
verdragen kon, had geleefd, was de koude onuitstaanbaar. Nog
onaangenamer dan verrassend was het, dat wij slechts tien dagen te voren
Oud-Kastilië hadden verlaten, waar het niet alleen warm, maar zeer heet
was, en onmiddellijk een zoo strengen, snijdenden wind uit het
Pyrenesche gebergte voelden, dat die ondragelijk was, en wij bang
werden, dat onze handen en voeten zouden bevriezen. De arme Vrijdag was
inderdaad in doodsangst, toen hij de bergen met sneeuw bedekt zag, en
voor het eerst van zijn leven de koude gevoelde.
Tot meerder ongeluk bleef het, toen wij te Pampeluna gekomen waren, zoo
geweldig doorsneeuwen en zoo lang, dat men zeide, dat de winter vóór
zijn tijd was gekomen, en de vroeger moeijelijke wegen thans geheel
ontoegankelijk waren; in één woord, de sneeuw lag op sommige plaatsen te
hoog om er door te komen, en daar zij niet bevrozen was, gelijk in
noordelijke landen, kon men niet voorttrekken, zonder bij iedere schrede
gevaar te loopen van levend begraven te worden. Wij bleven niet minder
dan twintig dagen te Pampeluna, toen ik, ziende dat de winter inviel en
er geene waarschijnlijkheid op zachter weder was (want strenger winter
had men in vele jaren in Europa niet vernomen) voorstelde dat wij allen
naar Fontarabia zouden gaan, en ons daar inschepen naar Bordeaux, dat
een korte reis was.
Toen wij echter hierover beraadslaagden, kwamen er vier Fransche heeren
aan, die aan de Fransche zijde, even als wij aan de Spaansche, gebleven
waren, tot zij een gids hadden gevonden, die het land bij het hoofd van
Languedoc doortrekkende, hen langs wegen had gevoerd, waar zij slechts
weinig sneeuw hadden aangetroffen, en deze was nog zoo hard bevroren,
zeiden zij, dat zij hen en hunne paarden had kunnen dragen. Wij lieten
dezen gids roepen, die zeide te willen aannemen ons langs denzelfden weg
te brengen, zonder eenig gevaar van de sneeuw, mits wij genoeg gewapend
waren, om ons voor de wilde dieren te beschermen; want als er zoo veel
sneeuw viel, zeide hij, kwamen de wolven dikwijls van het gebergte naar
beneden, razende van honger, omdat de met sneeuw bedekte grond hun geen
voedsel aanbood. Wij zeiden, dat wij voor zulke beesten genoeg gewapend
waren, als hij ons beveiligen kon voor eene soort van wolven op twee
beenen, waarvan naar men ons gezegd had, wij vooral aan de Fransche
zijde van het gebergte het meeste gevaar liepen. Hij verzekerde ons, dat
op den weg, dien hij wilde nemen, wij daarvan geen gevaar zouden loopen.
Dus besloten wij hem te volgen, even als twaalf andere heeren met hunne
knechten, Spanjaarden en Franschen, die gelijk ik zeide, den overtogt
beproefd hadden, maar genoodzaakt waren geweest terug te keeren.
Wij verlieten dan allen Pampeluna, den vijftienden November, met onzen
gids aan het hoofd, die tot mijne verbazing, in plaats van vooruit te
gaan, met ons terugkeerde, wel twintig Engelsche mijlen op den weg, dien
wij van Madrid afgekomen waren; waarna wij twee rivieren overtrokken en
de vlakte bereikt hebbende, ons wederom in een warm klimaat en
aangename landstreek bevonden, waar geen sneeuw te zien was; maar
plotseling links afslaande, naderde hij het gebergte langs een anderen
weg, en schoon de hoogten en afgronden verschrikkelijk zich vertoonden,
maakte hij zooveel bogten en wendingen, dat hij ons zonder het te weten
over de hoogste gebergten had gebragt, zonder dat wij veel last van de
sneeuw hadden gehad, en plotseling wees hij ons de aangename lagchende
gewesten van Languedoc en Gascogne, die allen groen en bloeijend er
uitzagen, schoon zij nog ver af lagen en wij nog een bezwaarlijken weg
tot daartoe hadden. Wij werden wel eenigzins ongerust, toen het
vier-en-twintig uren achtereen zoo hevig sneeuwde, dat wij stil moesten
houden, doch hij stelde ons gerust en verzekerde, dat wij spoedig alles
te boven zouden zijn. Inderdaad vonden wij elken dag, dat wij afdaalden,
en dus trokken wij, in vertrouwen op onzen gids, voort.
Ongeveer twee uren voor het donker werd, was onze gids ons een eind
weegs vooruit, en toevallig buiten ons gezigt. Eensklaps kwamen drie
monsterachtige wolven uit een hollen weg, die in een digt bosch uitkwam,
tevoorschijn. Twee wolven vlogen op den gids aan, en zoo hij een half
kwartier verder vooruit was geweest, zouden zij hem verslonden hebben,
voor wij hem te hulp hadden kunnen schieten. Een hunner greep het paard,
en de andere den man zoo onstuimig aan, dat hij geen tijd of geen
tegenwoordigheid van geest genoeg had om zijn pistool uit te halen, maar
allergeweldigst om hulp riep. Vrijdag was juist naast mij, ik gelastte
hem vooruit te rijden, om te zien wat er te doen was. Zoodra Vrijdag hem
in het gezigt kreeg, riep hij zoo hard als de ander: "O meester,
meester!" maar daar hij een moedige kerel was, reed hij tot vlak bij den
man, en schoot den wolf met een pistool door den kop.
Het was gelukkig voor den armen man, dat het Vrijdag was, die hem te
hulp kwam, want hij, die in zijn vaderland die beesten gezien had, was
er niet bang voor, terwijl zoo een onzer op een verderen afstand
geschoten had, hij misschien den wolf gemist of welligt den gids
getroffen had. Het was genoeg om een moediger man dan ik te ontzetten,
en ons geheele gezelschap was er inderdaad van verschrikt, toen wij na
het afschieten van Vrijdags pistool, aan weerszijden het afschuwelijkst
wolvengehuil hoorden, dat door de echo's in het gebergte verdubbeld
werd, zoodat het scheen alsof er eene ontzettende menigte was, en
misschien waren er genoeg om ons reden tot vrees te geven.
Toen echter Vrijdag den eenen wolf had doodgeschoten, liet de ander
dadelijk het paard los, en nam de vlugt. Gelukkig had hij het bij den
kop gegrepen en het gebit in zijn bek gepakt, zoo dat hij het paard
weinig kwaad had gedaan. De gids had meer geleden; want hij was tweemaal
door het beest gebeten, eens in den arm en eens in de dij, en hij stond
op het punt om van zijn verschrikt paard te vallen, toen Vrijdag hem
bereikte.
Gemakkelijk begrijpt men, dat wij op het hooren van Vrijdags schot,
allen onze paarden aanzetten, en zoo hard als de weg, die zeer
moeijelijk was, toeliet, opreden, om te zien wat er te doen was. Zoodra
wij de boomen, die ons het uitzigt benamen, voorbij waren, zagen wij wat
het geval was, en hoe Vrijdag den armen gids ontzet had, schoon wij nog
niet zien konden, welk beest hij gedood had.
Maar nimmer zag men een moediger en zonderlinger gevecht dan hetgeen nu
volgde tusschen Vrijdag en den beer, die ons (schoon wij in het eerst
zeer bang voor hem waren) veel vermaak gaf. Daar de beer een zwaar en
plomp schepsel is, die niet zoo vlug loopt als de wolf, handelt hij
gewoonlijk naar twee regels. Den mensch, die zijn eigenlijke prooi niet
uitmaakt, schoon ik niet zeggen kan wat groote honger, als de sneeuw,
gelijk thans het geval was, den grond bedekt, bij hem kan uitwerken, den
mensch, zeg ik, valt hij zelden het eerst aan; integendeel, zoo gij u
met hem niet inlaat, zal hij zich met u niet bemoeijen. Maar men moet
toch zeer beleefd tegen hem zijn, en laten hem den weg vrij; want hij is
zeer trotsch en zou voor geen prins uit den weg gaan; het best is een
anderen weg heen te zien en bedaard voort te gaan, want zoo men
stilstaat en hem stijf aanziet, wil hij dit wel eens als eene
beleediging opnemen. Zoo men hem echter met iets gooit, dat hem raakt,
al ware het maar een takje zoo dun als een pink, dan wordt hij boos, en
laat alles staan om zijne wraak te koelen; want hij staat magtig op het
punt van eer; dit is zijn eerste eigenschap. De tweede is, dat als gij
hem beleedigd hebt, hij u nacht en dag volgen zal, om zich te wreken,
tot hij u ingehaald heeft.
Vrijdag had onzen gids gered, en toen wij bij hem kwamen, was hij bezig
hem van zijn paard te helpen, want de man was zoo wel verschrikt als
gekwetst, vooral het eerste; toen wij eensklaps den beer uit het bosch
zagen komen; het was een monsterachtige; de grootste, dien ik ooit zag.
Wij waren allen een weinig ontsteld bij dit gezigt, maar toen Vrijdag
hem gewaar werd, kon men de vreugde op zijn gelaat lezen. "O! o! o!"
riep hij, "meester, geef mij verlof hem goeden dag te zeggen, gij zult
lagchen om hem."
Ik verwonderde mij over zijne vreugde, en zeide: "Gek, hij zal u
opeten!"--"Mij opeten! mij opeten!" riep Vrijdag. "Ik zal hem opeten
liever, en u laten lagchen. Blijft allen hier staan, ik zal u laten
lagchen." Hij ging zitten en had in een oogenblik zijne laarzen uit en
een paar ligte schoenen aan, die hij in zijn zak had; daarop gaf hij
mijn anderen knecht zijn paard en liep weg als de wind. De beer kuijerde
zachtjes voort, en scheen zich met niemand te willen inlaten, tot
Vrijdag nader gekomen, hem toeriep: "Hoor eens, hoor eens, ik moet u
eens spreken!" alsof de beer hem verstaan kon. Wij volgden op een
afstand, want wij waren nu in een bosch gekomen, waar de grond effen, en
vrij open was, schoon hier en daar verscheidene boomen stonden. Vrijdag,
die den beer achterna liep, was spoedig digt bij hem gekomen, waarop hij
een steen opnam, en hem dien juist op het hoofd wierp, maar het was zoo
goed alsof hij hem tegen een muur had geworpen, schoon Vrijdag er zijn
doel mede bereikte, dat namelijk de beer op hem afkwam, ten einde ons te
laten lagchen, zoo als hij zeide.
Zoodra de beer den steenworp gevoeld had, keerde hij zich om en kwam met
zoo duchtig groote stappen voortschuiven, dat een paard in een galop hem
naauwelijks had kunnen bijhouden. Weg vloog Vrijdag, en nam zijn weg
naar ons toe als om hulp; dus besloten wij allen te gelijk op den beer
te schieten, en mijn knecht te ontzetten; schoon ik niet weinig boos op
hem was, dat hij ons den beer op den hals had gehaald, terwijl die een
anderen weg uitkuijerde, en vooral omdat hij eerst den beer naar ons
toelokte, en toen wegliep. "Is dat ons aan het lagchen maken, kerel?"
riep ik. "Kom hier en neem uw paard, dan zullen wij op den beer
schieten." Hij hoorde mij, en riep: "niet schieten! niet schieten! Blijf
staan, gij zult veel lagchen." En terwijl de vlugge knaap slechts twee
voet voor den beer uit was, keerde hij zich plotseling om, en een
grooten eikenboom ziende, die hij tot zijn oogmerk geschikt achtte,
wenkte hij ons hem te volgen, en zijn gang versnellende, klom hij vlug
in den boom, na zijn geweer op vijf of zes ellen afstands van den boom
nedergelegd te hebben.
Spoedig was de beer bij den boom gekomen, en wij volgden op een afstand.
Eerst bleef hij bij het geweer staan, berook het, maar liet het liggen,
en klom toen als eene kat in den boom, schoon hij zulk een plomp dier
was. Ik stond versteld van de dolheid van mijn knecht, en kon nog maar
niets zien om te lagchen, doch toen wij den beer op den boom zagen,
reden wij allen er digter naar toe. Toen wij er bij kwamen, was Vrijdag
aan het dunne eind van een zwaren arm van den boom gekomen, en de beer
was er halverwege op. Zoodra Vrijdag zag, dat hij het einde van den tak
naderde, riep hij ons toe: "Nu zult gij een beer zien leeren dansen."
Hij begon dus den tak te schudden en er op te dansen, zoodat de beer
begon te waggelen en achterom keek, alsof hij den aftogt wilde slaan, en
wij ons van lagchen niet konden bedwingen. Maar Vrijdag had nog niet met
hem gedaan; toen hij zag, dat hij stil stond, riep hij hem weder toe,
alsof het beest hem verstaan kon: "Kom wat nader, vriend; kom wat nader
als het u belieft!" Daarop bleef hij stil zitten, waarop de beer wat
verder vooruit kwam, toen begon hij weder te springen, en de beer bleef
stokstijf staan.
Wij dachten, dat het nu een geschikt tijdstip was, om hem voor den kop
te schieten, en dus riep ik Vrijdag toe, stil te zitten, dat wij den
beer zouden schieten, maar hij riep: "Niet schieten! niet schieten! Ik
zal hem straks wel schieten." Om kort te gaan Vrijdag danste zoo lustig
en de beer stond zoo uit het veld geslagen, dat wij ons lagchen niet
konden bedwingen, schoon ik nog niet begrijpen kon, wat hij doen wilde.
Eerst dachten wij, dat hij den beer uit den boom zou laten tuimelen,
maar daar was de beer te slim toe, want hij kwam niet ver genoeg, en
hield zich met zijne breede klaauwen zoo stevig vast, dat wij niet
begrepen, hoe het af zou loopen.
Eindelijk maakte Vrijdag er een einde aan, en riep den beer toe: "Komt
gij niet bij mij, dan zal ik bij u komen." Daarop schoof hij achteruit
tot aan het uiterste einde van den tak, die door zijne zwaarte
nederboog, zoodat hij gemakkelijk op den grond kon springen, gelijk hij
deed, en toen zijn geweer halen ging. "Wel Vrijdag, waarom schiet gij
hem nu niet?" vroeg ik. "Nog niet schieten," zeide Vrijdag, "eerst nog
wat lagchen, dan zal ik hem schieten." Toen de beer zijn vijand
vertrekken zag, klom hij van den zijtak af, maar uiterst benaauwd en bij
iederen stap achterom ziende, tot dat hij den stam bereikt had. Toen
klom hij verder zeer langzaam en zeer schroomvallig, voetje voor voetje
achteruit, en even voor hij zijn achterpoot op den grond zette, liep
Vrijdag naar hem toe, stak den tromp van zijn snaphaan in zijn oor en
schoot hem zoo dood als een steen.