Toen keerde de knaap zich naar ons toe, en toen hij zag dat wij tevreden

waren, begon hij hartelijk te lagchen, en zeide: "Zoo schieten wij de

beeren in ons land."--"Hoe wilt gij die schieten zonder geweren?" vroeg

ik.--"Niet met geweer, maar met zeer lange bogen," zeide hij.--Dit

voorval had ons eene aangename afleiding gegeven, maar wij waren nog

altijd in eene woeste streek, onze gids was gekwetst, en wij wisten

naauwelijks wat nu te doen; het gehuil der wolven klonk ons nog in de

ooren, en behalve het geraas, dat ik aan de Afrikaansche kust hoorde,

waarvan ik vroeger gesproken heb, herinner ik mij niet ooit iets gehoord

te hebben, dat zoo afgrijsselijk was. De bedenking hiervan en dat het

duister werd, riep ons van daar, anders hadden wij zeker, gelijk Vrijdag

begeerde, dien monsterachtigen beer de huid afgestroopt, die het wel

waard was, doch wij hadden nog drie mijlen af te leggen en onze gids

haastte ons; dus lieten wij hem liggen en vervolgden onze reis. De grond

bleef nog met sneeuw bedekt, schoon niet zoo diep en gevaarlijk als op

het gebergte, en de wolven waren, gelijk wij naderhand hoorden, door den

honger gedreven tot in de vlakte afgedaald, en hadden in de dorpen veel

kwaads gedaan, schapen en paarden en ook eenige menschen gedood. Wij

moesten nog eene gevaarlijke engte door, waar wij, gelijk onze gids

zeide, zoo er nog wolven in die streek waren, ze zouden aantreffen; dit

was eene kleine vlakte, die tusschen digte bosschen, als eene lange laan

doorliep, en die wij door moesten, om het dorp te bereiken, waar wij ons

nachtverblijf zouden houden.

Een half uur voor zonsondergang trokken wij het eerste bosch door, en

even na zonsondergang kwamen wij in de vlakte. In het eerste vonden wij

niets, dan op eene opene plek van geen twee roeden breed, zagen wij vijf

wolven den weg oversteken, alsof zij eene prooi najaagden. Zij sloegen

op ons geen acht en waren in een oogenblik uit ons gezigt. Hierop ried

onze gids, die in zijn hart een lafaard was, ons aan op onze hoede te

zijn, want dat hij geloofde, dat er meer wolven kwamen.

Wij hielden onze wapenen gereed, doch zagen geen meer wolven voor wij

het bosch door en op de vlakte gekomen waren. Daar gekomen hadden wij

genoeg te zien. In de eerste plaats zagen wij een paard, dat de wolven

gedood hadden, en waar wel een dozijn aan bezig waren de beenen af te

kluiven, want het vleesch was er reeds geheel af. Wij achtten het niet

geraden hen in hunnen maaltijd te storen, en zij sloegen op ons geen

acht. Vrijdag wilde op hen schieten, maar ik verbood het, want ik

begreep, dat wij spoedig genoeg te doen zouden hebben. Wij waren nog

niet halverwege de vlakte door, toen wij in het bosch aan de linkerzijde

van ons, de wolven allerverschrikkelijkst hoorden huilen; en kort daarop

zagen wij een troep van wel honderd regt op ons aankomen, zoo geregeld

als een troep soldaten. Ik wist niet hoe hen best te ontvangen, maar

begreep, dat wij allen een digtgesloten linie moesten maken. Dit

geschiedde in een oogenblik, en nu gelastte ik, dat men slechts om den

anderen man schieten zou, terwijl de anderen zich gereed zouden houden

tot eene tweede losbranding als zij bleven naderen, terwijl dan de

eersten niet hunne geweren laden, maar ieder met eene pistool gereed

zouden staan, want wij hadden ieder een geweer en twee pistolen, dus

konden wij zes maal achtereen vuur geven. Dit was echter niet noodig,

want bij de eerste laag bleef de vijand staan, verschrikt van het vuur

en het schieten; vier waren doodgeschoten en verscheidenen gewond,

gelijk wij aan het bloed op de sneeuw zagen. Daar zij nu stand hielden

en niet terugtrokken, bragt ik mij te binnen, dat mij wel eens verhaald

was, dat de woestste dieren voor de stem van een mensch vreezen; en liet

dus ons geheele gezelschap een luid geschreeuw aanheffen. Dit middel had

het gewenschte gevolg, zij keerden zich om en begonnen af te trekken.

Eene tweede laag van ons deed hen daarop ijlings wegvlugten.

Dit gaf ons tijd onze wapenen weder te laden, gelijk wij zonder dralen

deden; naauwelijks was dit echter geschied of wij hoorden aan onze

linkerzijde, in hetzelfde bosch doch verder af, weder een

verschrikkelijk geweld, van den kant dien wij moesten heentrekken. De

nacht begon in te vallen, en de duisternis maakte onzen toestand nog

hagchelijker; doch wij konden, toen het rumoer heviger werd, duidelijk

het gehuil dier helsche beesten onderkennen, en plotseling zagen wij

twee of drie troepen wolven, een op zijde, een van achteren en een voor

ons uit, zoodat wij geheel omringd schenen. Daar zij ons echter niet

aanvielen, zetten wij onzen weg voort, zoo snel onze paarden voort komen

konden, hetgeen slechts op een middelmatigen draf was, daar de weg

slecht was. Op deze wijze kwamen wij aan den ingang van het bosch, dat

wij na de vlakte, door moesten trekken, maar wij zagen met leede oogen,

toen wij bij den engen weg of laan, die er door liep, kwamen, dat vlak

aan den ingang eene groote troep wolven stond. Plotseling hoorden wij

van eene andere opening in het bosch een geweerschot, en een paard met

zadel en toom kwam er uitvliegen als de wind met zestien of zeventien

wolven achter zich. Het paard liep sneller, maar kon het niet lang zoo

uithouden, en zij moesten het weldra inhalen.

Toen wij daarop den ingang, waar het paard uitgekomen was, binnengereden

waren, zagen wij een verschrikkelijk tooneel. Wij vonden nog een paard

en twee menschen, die de wolven verscheurden. Ongetwijfeld had een der

mannen het geweer afgeschoten, want dit lag naast hem, doch de wolven

hadden hem reeds half verslonden. Vol afgrijzen wisten wij eerst niet

wat te doen, doch de wolven lieten ons weinig tijd van beraad, want zij

verzamelden zich om ons heen, en schenen ons tot hunne prooi uitgekozen

te hebben. Ik geloof, dat er wel driehonderd waren. Tot ons geluk lagen

digt bij den ingang van het bosch eenige zware boomstammen, die den

vorigen zomer zeker geveld en nog niet weggehaald waren. Ik plaatste

mijne kleine troep achter deze, en vormde zoo een driehoekig front met

de paarden in het midden. Het was tijd, want weldra kwamen zij met een

dof gegrom aanzetten en beklommen onze borstwering, als waren zij zeker

van hunnen buit. Het schijnt, dat zij vooral woedend werden door onze

paarden achter ons te zien. Ik gelastte, dat men om den anderen man

weder zou vuren, en ieder mikte zoo goed, dat bij de eerste losbranding

verscheidene wolven sneuvelden, maar wij moesten aanhoudend doorvuren,

want de achtersten dreven de voorsten aanhoudend als ware duivels

vooruit. Bij onze tweede losbranding schenen zij tot staan gebragt, maar

het was slechts voor een oogenblik, want er kwamen weder anderen

opzetten, dus deden wij twee losbrandingen met onze pistolen, en doodden

geloof ik wel zeventien of achttien en kwetsten zeker eens zooveel, maar

toch kwamen er meer opzetten.

Ik wilde ongaarne onze laatste losbranding te haastig geven, dus riep ik

mijn knecht, niet Vrijdag, want die was beter bezig met mijn geweer en

het zijne telkens met de grootste vlugheid weder te laden, maar de

ander, gaf hem een kruidhoorn, en gelastte hem onder den boomstam een

breeden loop kruid te leggen. Hij deed dit en was naauwelijks weg, of de

wolven kwamen opzetten en sommigen er opspringen, toen ik eene pistool

op het kruid losbrandde, en dat ontstak. Die op den stam waren, vielen

gezengd neder, verscheidene sprongen tot midden onder ons. Deze werden

dadelijk afgemaakt en de overigen waren zoo verschrikt van het vuur, dat

zij een weinig terugtrokken. Hierop gelastte ik al onze pistolen gelijk

af te vuren en tevens hard te schreeuwen, waarop de wolven het hazenpad

kozen, en wij op een twintig gekwetsten aanvielen, die op den grond

lagen, en ze in een oogenblik afmaakten, hetwelk een gelukkig gevolg

had, want hun gekerm en gehuil werd door hunne makkers zeer goed

begrepen, die de vlugt kozen en ons verlieten.

Wij hadden zeker zestig wolven gedood, en zouden, zoo het dag geweest

was, er nog meer nedergeveld hebben. Na dus ruim baan gemaakt te hebben,

trokken wij weder vooruit, want wij hadden nog ongeveer een uur gaans

voor ons. Onderweg hoorden wij de hongerige beesten gestadig huilen, en

verbeeldden ons somtijds ze te zien, doch konden dit niet zeker zeggen,

daar onze oogen van de schittering der sneeuw verblind waren. Een uur

later kwamen wij in het dorp, waar wij ons nachtverblijf moesten houden,

en hier vonden wij alles in onrust en beweging, want den vorigen nacht

waren eenige wolven en beeren tot in het dorp doorgedrongen en hadden

hun een doodschrik op het lijf gejaagd, en zij waren verpligt altijd en

vooral des nachts de wacht te houden, ten einde hun vee en hun eigen

leven te beveiligen.

Den volgenden morgen was onze gids zoo ziek en zijne kwetsuren zoo

ontstoken, dat wij niet verder voort konden, dus waren wij verpligt een

nieuwen gids aan te nemen en naar Toulouse te gaan, waar wij weder in

een warm luchtgestel en een aangenaam, vruchtbaar land waren. Maar toen

wij te Toulouse ons wedervaren verhaalden, zeide men ons, dat dit in het

groote bosch aan den voet van het gebergte, niets ongewoons was, vooral

als de grond met sneeuw bedekt was. Maar men vroeg ons, welk slag van

een gids wij gevonden hadden, die het had durven wagen ons in dat

strenge jaargetij te geleiden en verzekerde, dat het een wonder was, dat

wij niet allen verongelukt waren. Toen wij verhaalden, welke stelling

wij hadden aangenomen en onze paarden in het midden geplaatst hadden,

keurden zij dit sterk af, en zeiden dat het vijftig tegen een was, dat

wij niet allen verscheurd waren geworden; want de wolven zijn vooral zoo

verhit op paarden, maar anders zeer bang voor geweerschoten. Daar zij

echter uitgehongerd waren, had de trek naar paardenvleesch hen het

gevaar doen verachten, en zonder ons aanhoudend vuur en den loop

buskruid zouden wij hoogst waarschijnlijk allen verscheurd zijn. In

allen geval zouden wij, als wij onze paarden in den steek hadden

gelaten, en gezamenlijk afgetrokken waren, veilig hebben kunnen

aftrekken, vooral met onze vuurwapens en in zoo groot getal zijnde. Wat

mij betreft, ik heb nimmer grooter gevaar onder de oogen gezien, want

toen ik driehonderd duivels huilende en met open muil op ons zag afkomen

en geenerlei beschutting of veiligen aftogt voor ons zag, hield ik mij

voor verloren, en liever dan weder het gebergte over te trekken, zou ik

duizend mijlen ter zee afleggen, al wist ik ook, dat ik alle weken een

storm zou moeten doorstaan.

Ik zou van mijne reis door Frankrijk niets kunnen mededeelen, dan

hetgeen anderen beter vóór mij gedaan hebben. Ik reisde van Toulouse

naar Parijs en kwam kort daarop te Calais en landde veilig te Dover den

14 Januarij, na veel koude uitgestaan te hebben. Thans was mijn doel

bereikt, en ik spoedig in het bezit van mijn sedert kort ontdekten

rijkdom, daar de medegebragte wissels weldra allen betaald werden. Mijne

voornaamste raadsvrouw was thans weder de goede oude weduwe, die vol

dankbaarheid voor het geld dat ik haar gezonden had, geene moeite of

zorg te groot voor mij achtte, en daar ik op hare onkreukbare

eerlijkheid bouwen kon, kon ik haar gerust alles toevertrouwen.

Ik schreef thans aan mijn vriend in Lissabon over den verkoop mijner

plantaadje, en op zijn raad bood ik die aan de zoons van mijne

gemagtigden te koop aan. Deze namen mijn eisch aan, en deden mij door

een bankier te Lissabon drie-en-dertig duizend stukken van achten

daarvoor toekomen, terwijl de lijfrente van honderd moidores aan den

kapitein en vijftig aan zijn zoon als eene grondrente ten laste van de

plantaadje bleven.

Aldus eindigde het eerste deel van een wisselvallig leven, een blijk van

de bestieringen der Voorzienigheid, en welks lotwisselingen zelden

geëvenaard zijn. Dwaselijk begonnen, eindigde het gelukkiger dan eenig

gedeelte van hetzelve mij reden gaf te verwachten.

Men zou denken, dat ik in een toestand, zoo gezegend in alle opzigten,

buiten alle gevaren was, en dit zou ook zoo geweest zijn als ik niet tot

een zwervend leven bestemd was geweest. Ik had vrouw noch kinderen,

weinig bloedverwanten, en hoezeer rijk, weinig bekenden, en schoon ik

mijne plantaadje verkocht had, lag Brazilië mij nog altijd in het hoofd.

Nog meer verlangde ik mijn eiland weder te zien en te vernemen of de

arme Spanjaards daar gekomen, en hoe zij door de daar achtergelaten

schurken behandeld waren.

De ernstige raadgevingen der weduwe weêrhielden mij zeven jaren lang

hiervan, gedurende welken tijd ik twee neven, kinderen van een mijner

broeders, naar mij nam. De oudste, die eenig vermogen bezat, voedde ik

als een heer op, en vermaakte hem een deel van mijne bezittingen; den

jongste gaf ik aan een scheepskapitein mede, en toen hij na vijf jaren

een knap, bedaard en ondernemend jongman was, plaatste ik hem op een

schip als kapitein, en zond hem naar zee. Deze jonge knaap verlokte mij

naderhand, zoo oud als ik was, tot verdere avonturen.

Middelerwijl had ik mij in Engeland nedergezet, en was in het huwelijk

getreden, en dat zeer tot mijn genoegen, want mijne vrouw schonk mij

twee zonen en eene dochter. Maar mijne vrouw stierf, en mijn neef kwam

terug van eene voorspoedige reis naar Spanje, en mijne neiging en zijn

aanhouden verlokten mij, om als koopman naar Oost-Indië scheep te gaan.

Dit was in 1694.

Op deze reis bezocht ik mijne nieuwe kolonie, zag mijne opvolgers, de

Spanjaarden, vernam hunne geheele geschiedenis en die van de

achtergelaten kerels; hoe zij eerst de Spanjaards plaagden, daarna vrede

maakten, weder twist zochten, dien bijlegden en weder hernieuwden, tot

eindelijk de Spanjaarden, tot geweld genoodzaakt, hen aan zich

onderwierpen; hoe goed zij door deze behandeld werden; een verhaal even

buitengewoon als mijn eigen leven; vooral van hunne gevechten met de

Caraïben, die verscheidene malen op het eiland landden; de verbeteringen

door hen daarop gemaakt, en hoe vijf hunner een togt naar het vasteland

deden, en elf mannen en vijf vrouwen als gevangenen medebragten, waarvan

het gevolg was, dat ik bij mijne komst een twintigtal jonge kinderen op

het eiland vond.

Ik bleef er ongeveer twintig dagen, en liet hen allerlei

noodwendigheden, vooral wapens, kruid en lood, gereedschappen, kleederen

en twee handwerkslieden, een timmerman en een smid, die ik uit Engeland

medegebragt had. Voorts verdeelde ik het eiland onder hen, doch behield

den eigendom van het geheel voor mij, en na alles met hen geschikt en

hen verzocht te hebben het eiland niet te verlaten, verliet ik hen.

Daarop deed ik Brazilië aan, vanwaar ik met een daar gekocht scheepje,

behalve vele andere zaken, hun zeven vrouwen toezond, hetzij als

dienstboden of om als echtgenooten te nemen. Den Engelschen beloofde ik

eenige wouwen uit Engeland te zullen zenden, als zij daar wilden

blijven, hetgeen mij later niet mogelijk was. Deze knapen gedroegen zich

zeer goed nu zij onder strenge tucht stonden. Ook zond ik hun uit

Brazilië vijf koeijen, waarvan drie kalven moesten, eenige schapen en

varkens, die bij mijne wederkomst zich aanmerkelijk vermeerderd hadden.

Doch dit alles, en hoe driehonderd Caraïben het eiland overvielen, hen

eerst versloegen, één hunner doodden, en hunne aanplantingen vernielden;

doch hoe later een storm des vijands kanoes vernielde, deze door honger

en hunne geweren gedood werden, en zij weder in het bezit van het

eiland geraakten; dit alles, met nog eenige buitengewone lotgevallen

van mijzelven, gedurende nog tien jaren, zal ik misschien later

verhalen.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 23 / 23 段