De stuurman riep om hulp doch drong te gelijk de kajuit binnen, zoo

gewond als hij was, en schoot met een pistool den nieuwen kapitein dwars

door de keel, zoodat de kogel zijn mond inging, achter het oor weder

uitkwam en hij zonder een woord te uiten, dood nederviel, waarop de

anderen zich overgaven en het schip zonder meer bloedvergieten hernomen

was. Zoodra de kapitein weder meester van zijn schip was, liet hij

zeven schoten doen, welk sein hij met mij afgesproken had, om mij van

den goeden uitslag te verwittigen. Men kan denken of ik verheugd was dit

te hooren, daar ik tot bijkans twee uren in den morgen er op had zitten

wachten.

Na het sein gehoord te hebben, begaf ik mij te rust, en daar ik dien dag

vele vermoeijenissen had doorgestaan, sliep ik zeer vast tot ik door een

geweerschot gewekt werd, en op de been springende, hoorde ik iemand mij

roepen: "gouverneur! gouverneur!" en herkende de stem van den kapitein,

die den heuvel opgeklommen, op het schip wees. Hij drukte mij in zijne

armen. "Mijn waarde vriend en redder," zeide hij, "daar ligt uw schip,

want het is geheel ter uwer beschikking, even als wij en al wat tot het

schip behoort." Ik sloeg mijne oogen op het schip, dat op ongeveer eene

halve (Eng.) mijl van het strand voor anker lag; want zoodra zij het

vermeesterd hadden, hadden zij het anker geligt, en daar het fraai weder

was het vlak voor den mond van eene kleine kreek gelegd, en daar het

hoog water was, was de kapitein met de pinnas tot bij de plaats

gekomen, waar ik het eerst mijne vlotten aan land gebragt had, en dus

als het ware vlak voor mijne deur geland.

Ik dacht in den beginne van verrassing door den grond te zinken, want nu

zag ik inderdaad mijne redding zigtbaar voor oogen, alles was in orde,

en een goed schip gereed mij te brengen, waarheen ik verlangde. Eerst

was ik eenigen tijd niet in staat een woord te antwoorden, maar daar hij

mij in zijne armen gesloten had, hield ik mij aan hem vast, want ik was

bang van op den grond neder te zijgen. Hij bespeurde mijne verrassing en

eene flesch uit zijn zak halende, gaf hij mij dadelijk een hartsterking,

die hij opzettelijk voor mij had medegebragt. Na gedronken te hebben,

ging ik op den grond zitten, en schoon ik weder tot mijzelven was

gekomen, duurde het nog eene geruime poos voor ik een woord tot hem

spreken kon. Al dien tijd was de arme man even verrukt als ik, schoon

niet zoo van verrassing; echter zeide hij mij duizend dingen om mij tot

bedaren te brengen; maar mijn hart was zoo vervuld van vreugde, dat mijn

geest geheel verbijsterd was; eindelijk barstte ik in een vloed van

tranen uit, en kort daarop was ik weder in staat te spreken.

Toen omhelsde ik hem op mijne beurt als mijn bevrijder, en onze vreugde

was wederkeerig. Ik zeide, dat ik hem als iemand beschouwde, dien de

hemel ter mijner redding gezonden had, en dat al wat er gebeurd was,

eene reeks van wonderen scheen; dat zulke dingen een blijk van het

onzigtbaar wereldbestier der Voorzienigheid waren, en een bewijs, dat de

oogen van den Almagtige tot in de afgelegenste schuilhoeken der aarde

doordringen, en de ongelukkigen te hulp kwamen als het zijne wijsheid

behaagde.

Ik vergat niet mijn hart dankbaar hemelwaarts te verheffen, en welk hart

kon nalaten Hem te danken, die niet alleen iemand wonderdadig in de

wildernis verzorgd had, en in zulk een jammerlijken verlaten toestand,

maar van wien altijd elke redding erkend moet worden afkomstig te zijn?

Na eene poos gesproken te hebben verhaalde de kapitein mij, dat hij

eenige ververschingen, die hij aan boord had, en waarvan de schelmen,

die er eenigen tijd meester van waren geweest, hem niet beroofd hadden,

voor mij had medegebragt. Daarna riep hij het bootsvolk toe, dat zij de

presenten voor den Gouverneur aan den wal zouden brengen; en inderdaad

waren het geschenken, die voor een Gouverneur voegden, en alsof ik niet

met hen zou medereizen, maar op het eiland blijven wonen, en zij zonder

mij vertrekken.

Eerstelijk had hij mij eene flesschenkelder met uitmuntende likeuren,

zes groote flesschen, ieder van twee pinten, maderawijn, twee pond

besten tabak, twaalf stukken ossenvleesch, en zes stukken spek, met een

zak erwten en een honderd pond beschuit medegebragt.

Wijders bragt hij mij een kistje met suiker, een kistje met fijn meel,

een kistje met limmetjes en twee flesschen citroensap mede, benevens

eene menigte andere dingen. Maar bovendien bragt hij, hetgeen mij

duizendmaal nuttiger was, mij zes schoone, nieuwe hemden, zes zeer goede

halsdoeken, twee paar handschoenen, een paar schoenen, een hoed en een

zeer goeden broek van hem zelven, met één woord, hij stak mij van top

tot teen in de kleeren. Dit was voor iemand in mijne omstandigheden een

zeer aangenaam geschenk, gelijk men ligt denken kan, maar nimmer viel

een ding in de wereld mij zoo onaangenaam en ongemakkelijk, of ging mij

zoo linksch af, als het dragen van die kleederen, toen ik ze pas

aangetrokken had.

Nadat dit afgeloopen en al de goederen in mijn klein verblijf gebragt

waren, begonnen wij raad te plegen, wat met onze gevangenen te doen;

want het was eene zaak van rijp overleg, of wij het wagen zouden hen

mede te nemen, of niet, vooral een paar van hen, die in den hoogsten

graad onverbeterlijk en muitziek waren; en die de kapitein zeide, als

zulke schelmen te kennen, dat er geen goed aan te doen was, en dat als

hij ze meênam, dit in de boeijen moest zijn, om ze in de eerste

Engelsche kolonie, daar hij binnen vallen kon, aan de regtbank over te

geven. Hiervan vond ik, dat de kapitein niet af te brengen was.

Hierop zeide ik, dat, als hij het verlangde, ik op mij nam de twee

kerels zoo ver te brengen, dat zij zelfs verzoeken zouden op het

eiland te mogen blijven. "Met al mijn hart," zeide de kapitein; "niets

zou mij aangenamer zijn."

"Goed," zeide ik, "ik zal hen laten halen en in uw bijzijn met hen

spreken." Ik zond dus Vrijdag en de twee gijzelaars, die thans, omdat

hunne kameraden hun woord hadden gehouden, losgelaten waren, naar de

grot, en liet hen de vijf man, zoo gebonden als zij waren, naar mijn

priëel brengen. Eenigen tijd daarna kwam ik daar in mijn nieuw gewaad

aanstappen, en heette nu weder Gouverneur. Toen de kapitein bij mij was,

liet ik het volk voor mij brengen, en zeide hun thans een volledig

verslag van hunne schelmsche handelwijze van den kapitein ontvangen te

hebben, en hoe zij met het schip hadden willen vertrekken, en verdere

rooverijen bedrijven, maar dat de Voorzienigheid hen in den kuil had

doen vallen, dien zij voor anderen gegraven hadden. Ik zeide hun, dat

men op mijn bevel zich van het schip verzekerd had, dat nu op de reede

lag, en dat zij zien konden hoe hun nieuwe kapitein de belooning voor

zijn verraderij had bekomen, want dat zij hem aan den nok van de ra

konden zien hangen. Dat ik thans verlangde te weten of zij iets hadden

bij te brengen, waarom ik hen niet, als zeeroovers, op heeterdaad

betrapt, ter dood zou doen brengen, waartoe mijne aanstelling mij

ontwijfelbaar regt gaf.

Een hunner antwoordde voor de overigen, dat zij niets hadden bij te

brengen, dan alleen, dat de kapitein, toen zij gevangen genomen waren,

hun lijfsbehoud had toegezegd, en dat zij mijne barmhartigheid inriepen.

Ik zeide echter, dat ik niet wist, welke barmhartigheid ik hun zou

bewijzen, daar ik besloten had met al mijn volk het eiland te verlaten,

en met den kapitein den overtogt naar Engeland te doen. De kapitein kon

hen niet anders naar Engeland medenemen dan als gevangenen in de ijzers,

om daar wegens muiterij en zeeroof teregt te staan; waarvan, gelijk zij

wisten, de galg het einde zou zijn, zoodat ik hun niet zeggen kon wat

voor hen het best was, ten ware zij besloten hadden hun lot op het

eiland te beproeven, hetgeen mij, daar ik verlof had het te verlaten,

onverschillig was, en dat ik niet ongeneigd was hun het leven te

schenken, als zij begrepen, dat zij zich aan den wal zouden kunnen

redden. Hiervoor schenen zij zeer dankbaar te zijn, en verklaarden veel

liever hier te willen blijven dan naar Engeland te gaan, om daar

opgehangen te worden; dus liet ik het daarbij berusten. De kapitein

maakte echter eenige tegenwerpingen, alsof hij hen daar niet mogt

achterlaten. Ik hield mij hierop zeer boos, en zeide den kapitein, dat

zij mijne gevangenen en niet de zijne waren, en dat ik, na hun deze

gunst beloofd te hebben, mijn woord zou houden, en als hij er iets tegen

had, hij maar zien moest, dat hij hen weder in zijne magt kreeg, als hij

kon.

Zij schenen hiervoor zeer dankbaar, en ik stelde hen in vrijheid, met

last het bosch in te gaan, vanwaar zij gekomen waren, en de belofte van

eenige geweren en kruid en lood, benevens aanwijzingen hoe zij, als zij

wilden, hier een zeer goed leven konden leiden. Vervolgens maakte ik mij

gereed aan boord te gaan, maar zeide den kapitein, dat ik dien nacht aan

wal zou blijven, om mijne goederen gereed te maken, maar dat hij

middelerwijl het schip in orde brengen en den volgenden morgen de boot

naar den wal zenden zou om mij te halen; terwijl ik hem tevens gelastte

den nieuwen kapitein, die doodgeschoten was, aan den nok van de ra te

laten hangen, opdat het volk hier hem zou kunnen zien.

Toen de kapitein vertrokken was, liet ik de matrozen bij mij in mijn

verblijf komen, en hield een ernstig gesprek met hen over hunnen

toestand. Ik zeide, dat hunne keus zeer verstandig was, want dat, zoo de

kapitein hen medenam, zij zeker zouden opgehangen worden. Ik wees hun

hun vorigen aanvoerder, die aan den nok van de ra hing, en zeide, dat

zij niets minder te wachten hadden. Toen zij allen verklaard hadden te

willen achterblijven, zeide ik hun, hun mijn geheelen levensloop aldaar

te zullen verhalen, en te dien einde verhaalde ik hun hoe het eiland

was, hoe ik er gekomen was; toonde hun mijne verschansingen, hoe ik er

mijn brood gebakken, mijn koorn geplant, mijne druiven gedroogd had, in

een woord, al wat hun van nut kon zijn. Ook verhaalde ik hun van de

zestien Spanjaarden, die verwacht werden, voor welke ik een brief

achterliet, en die ik hen deed beloven, als hunne makkers te zullen

behandelen.

Ik liet hun mijne wapenen, namelijk vijf musketten, drie jagtgeweren en

twee sabels achter. Ik had nog anderhalf vat buskruid, want na het

eerste jaar of twee had ik er weinig van gebruikt, en niets van

verspild. Ik beschreef hun hoe ik de geiten behandelde, hoe zij gemolken

en verzorgd moesten worden, om er boter en kaas van te erlangen. Kortom,

ik verhaalde hun al mijn wedervaren, en beloofde den kapitein te zullen

overhalen hun nog twee vaatjes kruid en wat tuinzaden achter te laten;

ook gaf ik hun den zak met erwten, die de kapitein medegebragt had, en

noodigde hen uit die te zaaijen.

Na den afloop hiervan verliet ik hun den volgenden dag en ging aan

boord. Wij maakten ons zeilree, maar bleven dien nacht voor anker

liggen. Den volgenden morgen vroeg kwamen twee man van de vijf aan boord

zwemmen, en terwijl zij allerbitterst over de andere drie klaagden,

smeekten zij dat men hen, om Gods wil, aan boord zou nemen, want dat zij

vermoord zouden worden; en of de kapitein hen aan bood wilde laten

komen, al liet hij hen ook dadelijk ophangen. De kapitein beweerde

hierop, dat hij buiten mij niets doen kon, maar na eenige bedenkingen en

op hunne plegtige beloften van beterschap werden zij aan boord genomen,

en eene poos daarna duchtig afgestraft; vervolgens zijn zij steeds

rustige en knappe kerels gebleven.

Wat later ging ik met den vloed naar den wal, om den matrozen het hun

beloofde te brengen, waarbij de kapitein door mijne bemiddeling hunne

kleederen en kisten gevoegd had, waarvoor zij zeer dankbaar waren. Ik

moedigde hen wat aan door de verzekering, dat als ik eenig vaartuig

ontmoette dat het eiland kon aandoen en hen innemen, ik hen niet

vergeten zou.

Toen ik het eiland verliet, nam ik tot eene gedachtenis, de groote

geitenvellen muts, mijn zonnescherm en een mijne papegaaijen mede; ook

vergat ik het geld niet, waarvan ik vroeger gesproken heb, en dat zoo

lang stil had gelegen, dat het roestig of zwart geworden was, en

naauwelijks voor zilver kon doorgaan, voor het wat gewreven en

gehanteerd was geworden, alsook het geld, dat ik op het Spaansche wrak

had gevonden.

Aldus verliet ik het eiland, gelijk ik op het scheepsjournaal zag, den

19 December 1686, nadat ik er achtentwintig jaren, twee maanden en

negentien dagen op had doorgebragt, terwijl ik mijne ballingschap

verliet op denzelfden dag der maand, waarop ik van de Mooren te Salé

wegvlugtte. Na een lange reis kwam ik den 11 Junij 1687 in Engeland aan,

waarvan ik vijfendertig jaren afwezig was geweest. Toen ik daar kwam,

stond ik in de wereld als een vreemdeling, die er nimmer geweest was.

Mijne weldoenster, wie ik mijn geld had achtergelaten, was nog in leven,

maar had veel tegenspoeden gehad, was ten tweedenmale weduwe en in zeer

behoeftige omstandigheden. Ik stelde haar omtrent mijne schuldbekentenis

gerust, en verzekerde, dat ik haar niet lastig zou vallen, maar

integendeel uit dankbaarheid voor hare vroegere zorgen voor mij,

ondersteunde ik haar zooveel mijne geringe bezittingen toelieten,

hetgeen op dit oogenblik slechts weinig was, doch ik verzekerde haar,

dat ik haar niet zou vergeten als ik in staat zou zijn haar krachtiger

te helpen, gelijk ik ook later deed.

Ik ging daarop naar Yorkshire, maar mijne ouders vond ik overleden, en

mijne geheele familie uitgestorven, op twee zusters na, en twee kinderen

van een mijner broeders, en daar men mij lang voor dood gehouden had,

had men mij niets nagelaten; kortom ik begreep, dat ik geenerlei

ondersteuning te wachten had en dat het weinige geld dat ik had, mij

weinig baten zou om door de wereld te komen. Echter ondervond ik een

staaltje van dankbaarheid, dat ik niet verwacht had; de kapitein van het

schip, dien ik zoo gelukkig gered, en daardoor schip en lading behouden

had, had van al het gebeurde een trouw verslag aan zijne reeders gedaan.

Deze verzochten mij hun een bezoek te geven; allen overlaadden mij met

loftuitingen, en boden mij een geschenk van tweehonderd pond Sterling

aan.

Doch na rijp beraad, en ziende hoe moeijelijk ik mij hiermede een

bestaan zou verschaffen, besloot ik naar Lissabon te gaan, om te

trachten iets nopens mijne plantaadje in Brazilië te vernemen, en wat er

van mijn compagnon was geworden, die ik onderstelde dat mij thans

verscheidene jaren voor dood had gehouden. Ten dien einde scheepte ik

mij in naar Lissabon, waar ik in April aankwam, terwijl Vrijdag mij

trouw volgde, en steeds bewees mijn trouwe dienaar te zijn. Toen ik te

Lissabon kwam, vond ik na eenige navraag, en tot mijn groot genoegen

mijn ouden vriend, den kapitein van het schip, die mij het eerst op de

Afrikaansche kust aan boord had genomen. Hij was nu oud geworden; had de

zee vaarwel gezegd, en zijn zoon, die nu ook reeds een bejaard man was,

voer thans in zijne plaats op Brazilië. De oude man kende mij niet meer,

en ik zou hem ook moeijelijk herkend hebben, echter herinnerde hij zich

spoedig mijner, toen ik hem verhaalde wie ik was.

Na onze oude kennis met hartelijkheid vernieuwd te hebben, vroeg ik,

gelijk men wel denken kan, naar mijne plantaadje en mijn compagnon. De

oude man verhaalde mij, dat hij thans in geen negen jaren in Brazilië

was geweest, maar hij kon mij verzekeren, dat de laatste maal dat hij

daar was, mijn compagnon nog leefde, maar de beide gevolmagtigden, die

met hem toezigt zouden houden, waren beide overleden. Hij geloofde

echter, dat ik goed zou staan bij de verbetering mijner plantaadje, want

dat, daar men algemeen geloofde dat ik verongelukt was, mijne

gemagtigden hunne rekening van mijn deel in de plantaadje aan den

fiscaal hadden ingeleverd, die, zoo ik niet terug mogt komen, verklaard

had dat een derde den koning, en twee derden aan het Augustijner

klooster zouden toevallen, voor de armen en tot uitbreiding van het

Christendom onder de Indianen. Zoo ik of iemand van mijnentwege echter

opkwam, zou het mij teruggegeven worden, hoewel de jaarlijksche

opbrengst niet, als zijnde tot werken van liefdadigheid besteed, maar

hij verzekerde mij, dat de opzigter der koninklijke inkomsten van

landerijen, en die van het klooster er voor gezorgd hadden, dat mijn

compagnon hen jaarlijks prompt verrekening deed, waarvan zij de helft

ontvingen. Ik vroeg hem of hij wist hoe ver de verbeteringen der

plantaadje gegaan waren, en of hij begreep dat zij verdiende opgezocht

te worden, of als ik daarheen ging, mij mijn regt op de helft niet zou

betwist worden.

Hij zeide mij niet juist te kunnen bepalen, wat de plantaadje waard was,

maar dat mijn compagnon alleen van de helft een zeer rijk man was

geworden, en hij had gehoord dat het derde deel van den koning, dat naar

het schijnt een of ander klooster geschonken was, jaarlijks meer dan

tweehonderd moidores bedroeg. Dat er geen twijfel aan de teruggave

bestond, daar mijn compagnon nog leefde om mijn regt te bevestigen, en

mijn naam ook op de lands registers ingeschreven was. Ook zeide hij mij,

dat de opvolgers van mijne twee gevolmagtigden brave eerlijke lieden en

zeer gegoed waren, en hij geloofde, dat zij mij niet alleen aan het

bezit helpen, maar bovendien eene goede som gelds ter hand zouden

stellen, zijnde de opbrengst tijdens de vorige gevolmagtigden het

bestuurden, en vóór de in beslagneming, die voor ongeveer twaalf jaren

voorgevallen was.

Dit verslag stelde mij echter niet geheel gerust, en ik vroeg den

kapitein hoe het kwam, dat de gemagtigden zoo over mijne goederen

beschikt hadden, daar hij wist dat ik een testament gemaakt en hem, den

Portugeschen kapitein, tot mijn eenigen erfgenaam had benoemd. Hij

zeide, dat dit ook waar was, maar daar er geen bewijs van mijn dood

bestond, hij niet als executeur kon handelen; bovendien had hij zulk

eene afgelegene zaak niet willen aanvaarden. Wel had hij mijn testament

doen registreren, en zijn regt bewezen, en zoo hij eenig bewijs van mijn

leven of dood had kunnen geven, zou hij als procuratiehouder gehandeld,

en mijne plantaadje in bezit genomen hebben, of zijn zoon hiermede

belast.

"Maar," zeide de oude man, "ik heb u ander nieuws te vertellen, dat u

misschien minder aangenaam zal zijn dan het overige; dat is, dat daar

iedereen u verongelukt waande, uw compagnon en gemagtigden mij in uwen

naam de verrekening aanboden van de opbrengsten van de zes of acht

eerste jaren, die ik ontving; doch daar er tweemaal groote

verbeteringen gemaakt werden, als het bouwen van een suikermolen, het

aankoopen van slaven enz., waren die opbrengsten zoo groot niet als de

volgende. Echter," vervolgde de oude man, "zal ik u eene behoorlijke

rekening geven van al wat ik ontvangen, en hoe ik er mede gehandeld

heb."

Eenige dagen later bragt mijn oude vriend mij de rekening van de

inkomsten der vijf of zes eerste jaren der plantaadje, geteekend door

mijn compagnon en de gemagtigden, die altijd goederen afgeleverd hadden,

zooals tabak in rollen en suiker in kisten, benevens rum en melassie, de

voortbrengselen van eene suikerplantaadje, en ik zag hieruit, dat de

inkomsten telken jare aanmerkelijk grooter geworden waren. Doch daar in

den beginne de uitgaven groot waren geweest, was de som eerst gering.

Echter liet de oude man mij zien, dat hij mij vierhonderd en zeventig

gouden moidores schuldig was, behalve zestig kisten suiker en vijftien

dubbele rollen tabak, die verloren waren gegaan, toen hij ongeveer elf

jaren na mijn vertrek, te Lissabon, met verlies van zijn schip, was

gekomen.

De oude man begon over zijne ongelukken te klagen, hoe hij verpligt was

geweest mijn geld te besteden om zijn verlies te herstellen, en een

aandeel in een nieuw schip te koopen. "Doch, mijn oude vriend," zeide

hij, "gij zult voor 's hands wat op rekening hebben, en zoodra mijn zoon

terugkomt, alles wat u toekomt." Daarop haalde hij eene oude beurs voor

den dag en gaf mij honderd en zestig gouden moidores, en zijne bewijzen

van het aandeel dat hij en zijn zoon ieder voor een vierde in hun schip

hadden, uithalende, stelde hij die als onderpand voor het overschot in

mijne handen.

Deze blijken van eerlijkheid en braafheid van den ouden man troffen mij

geweldig, en bedenkende wat hij voor mij gedaan had, hoe hij mij op zee

opgenomen, en hoe edelmoedig hij mij bij alle gelegenheden behandeld

had, en in het bijzonder welk een opregte vriend hij thans bewees te

zijn, kon ik mijne tranen niet bedwingen. Ik vroeg hem dus eerst of hij

op dat oogenblik zooveel geld missen kon en of het hem niet eenigzins

belemmeren zou. Hij zeide, dat hij er zeker op het oogenblik een weinig

door in de engte kwam; maar dat het altijd mijn geld was en ik er

misschien meer behoefte aan had dan hij.

Alles wat de goede man zeide, was zoo welgemeend, dat ik, terwijl hij

sprak, mijne tranen naauwelijks bedwingen kon. Om kort te gaan, ik nam

honderd moidores, en vroeg om pen en inkt, om er hem kwitantie van te

geven, daarop gaf ik hem het overige terug, en zeide, dat zoo ik ooit in

het bezit der plantaadje geraakte, ik ook het overige hem zou

teruggeven, gelijk ik ook naderhand deed; dat ik zijn bewijs van aandeel

in zijn zoons schip volstrekt niet wilde aannemen, daar ik begreep, dat

zoo ik geldgebrek had, hij braaf genoeg was om mij te betalen; en zoo

dit niet het geval was, maar ik datgene ontving, waarop hij mij hoop

gaf, ik nimmer van hem een penning meer wilde aannemen.

Toen dit afgeloopen was, vroeg de oude man hoe ik mij weder in het bezit

van mijne plantaadje dacht te stellen. Ik zeide er zelf heen te willen

gaan. Als ik dit goed vond kon ik dit doen, zeide hij, maar zoo niet dan

waren er middelen genoeg om mijne regten te handhaven, en mij

onmiddellijk de voordeelen toe te eigenen; en daar te Lissabon schepen

op de rivier zeilree lagen naar Brazilië, deed hij mijn naam in een

openbaar register inschrijven, terwijl hij beëedigde, dat ik in leven en

dezelfde persoon was, die het eerst voor de bedoelde plantaadje het land

had aangevraagd. Nadat dit door een notaris met eene procuratie

opgemaakt was, deed hij het mij naar een koopman aldaar zenden, dien hij

kende, en stelde mij toen voor, tot aan het ontvangen van een antwoord

bij hem te blijven.

Nimmer handelde men eerlijker dan bij het ontvangen van deze procuratie,

want binnen zeven maanden ontving ik een groot pakket van de

overgeblevenen mijner gemagtigden, de kooplieden, voor wier rekening ik

naar zee was gegaan. Hierin bevonden zich eerstelijk eene rekening

courant van de opbrengst mijner plantaadje, van het jaar af, waarin

hunne vaders met den ouden Portugeschen kapitein hadden gesloten, zijnde

voor zes jaren, de balans sloot met elfhonderd vier en zeventig moidores

in mijn voordeel. Ten tweede was er de verrekening van nog vier jaren,

gedurende welke zij het bewind gevoerd hadden, vóór de regering de

administratie eischte, als van een persoon, dien men burgerlijk dood

achtte, en deze balans sloot, daar de waarde der plantaadje vermeerderd

was, met een batig slot van drie duizend twee honderd en een en veertig

moidores. Ten derde was er een brief bij van den prioor van het

Augustijner klooster, die ruim veertien jaren de inkomsten ontvangen

had, doch daar hij niet in staat was datgene te verrekenen wat tot

liefdadige einden uitgegeven was, eerlijk verklaarde, dat hij nog

achthonderd twee en zeventig moidores niet uitgegeven had, die ter

mijner beschikking waren. Het deel des konings leverde niets op.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 21 / 23 段