onbewegelijk bleef, zagen wij door mijn kijker hen eene andere boot
uitzetten, en naar den wal roeijen, en wij bespeurden, toen deze
naderkwam, dat er niet minder dan tien man in waren, en dat deze
vuurwapens bij zich hadden. Daar het schip bijkans twee mijlen van den
wal aflag, hadden wij een goed gezigt van hen toen zij aankwamen, en wij
konden zelfs hunne gelaatstrekken duidelijk zien, omdat, daar het getij
hen een weinig oostelijk medegesleept had, zij onder het strand
heenroeiden, om op dezelfde plaats, waar de andere boot lag, te landen.
Hierdoor, zeide ik, konden wij hen duidelijk zien, en de kapitein, die
al de personen en hun karakter kende, zeide, dat er drie brave knapen
onder hen waren, die, hiervan was hij zeker, door de overigen door
bedreigingen tot de zamenspanning gedwongen waren; maar dat de
bootsman, die naar het scheen hun opperhoofd was, en al de overigen zoo
slecht waren als het verdere scheepsvolk, en ongetwijfeld in hunnen
aanslag zouden volharden. Hij beefde van angst, dat zij voor ons te
sterk zouden zijn.
Ik lachte er om, en zeide, dat menschen in onzen toestand boven de vrees
verheven waren; dat aangezien schier elke bedenkelijke toestand beter
was dan die, waarin wij rekenen mogten te zijn, wij op bevrijding,
hetzij dan levend of door den dood, behoorden bedacht te zijn. Ik vroeg
hem wat hij van mijne lotgevallen dacht, en of hij niet meende, dat eene
bevrijding wel verdiende, dat men er iets voor waagde. "En waar," zeide
ik, "blijft uw geloof, dat ik hier gespaard ben geworden, ten einde u
het leven te redden, hetwelk u kort geleden zoo veel moeds gaf? Wat mij
betreft, ik vind in dit alles slechts eene zwarigheid."--"En welke is
die?" vroeg hij.--"Deze," antwoordde ik, "dat er, gelijk gij mij gezegd
hebt, drie of vier brave knapen onder hen zijn, die gespaard moeten
worden; zoo zij allen tot het slechtste deel van het scheepsvolk behoord
hadden, zou ik gedacht hebben, dat de Voorzienigheid hen uitgekozen had,
om hen in uwe handen te leveren; want reken er op, dat ieder man, die
aan wal komt, in onze magt is, en leven of sterven zal, naar gelang hij
zich gedraagt."
Toen ik dit met eene krachtige stem en opgeruimd gelaat zeide, bemerkte
ik, dat hij wat meer moed schepte, en dus gingen wij onverwijld aan het
werk. Zoodra wij de sloep van het schip hadden zien afsteken, hadden wij
besloten de gevangenen afgescheiden van elkander en in veilige bewaring
te houden. Twee hunner, waarop de kapitein het minste staat maakte, zond
ik met Vrijdag en een der bevrijden naar mijne grot, waar zij goed
bewaard waren, en buiten gevaar van gehoord of ontdekt te worden, of uit
het bosch den weg te vinden als zij zich wisten los te maken. Hier
lieten zij hen gebonden achter, maar met levensmiddelen, en onder
belofte van, zoo zij zich stil hielden, binnen een dag of twee in
vrijheid gesteld te worden, maar dat zoo zij poogden te ontsnappen, zij
zonder genade ter dood gebragt zouden worden. Zij beloofden hunne
gevangenschap geduldig te dragen, en waren zeer dankbaar, dat zij zulke
goede levensmiddelen en licht hadden, want Vrijdag had hun eenige
kaarsen gegeven, en zij wisten niet beter of hij stond als schildwacht
aan den ingang.
De andere gevangenen werden beter behandeld; wel werden twee hunner
geboeid, omdat de kapitein hen niet vertrouwde, maar de beide anderen in
mijne dienst genomen op zijne aanbeveling, en hunne plegtige belofte van
met ons te leven en te sterven, dus waren wij met hen zeven man sterk,
en ik twijfelde niet of wij zouden tegen de tien, die er kwamen,
opgewassen zijn; vooral daar de kapitein zeide, dat er onder deze ook
drie of vier brave knapen waren.
Zoodra zij aan de plaats kwamen, waar de andere sloep lag, liepen zij
met hunne boot op het strand, en kwamen allen aan wal, hetgeen mij zeer
verheugde, want ik was bang, dat zij de boot op eenigen afstand, en met
eenig volk er in, om er op te passen, zouden gelegd hebben; wij hadden
in dat geval de boot niet kunnen vermeesteren.
Het eerst, dat zij, aan den wal gekomen, deden, was, dat zij naar de
andere sloep gingen, en wij zagen, dat zij zeer verbaasd stonden van
haar zonder roer of riemen, en met een gat in den bodem terug te vinden.
Na eenig nadenken begonnen zij uit alle magt te schreeuwen, ten einde
hunne makkers hen zouden hooren, doch dit hielp niet, toen gingen zij
allen bij elkander staan en gaven te gelijk vuur met hun klein geweer,
zoodat het door het bosch weergalmde, doch dit was even vruchteloos; die
in de grot waren konden het, dit wisten wij, niet hooren, en zij, die in
onze bewaring waren, hoorden het wel zeer goed, maar durfden er geen
antwoord op geven. Zij waren hierover zoo verbaasd, dat zij, gelijk zij
naderhand ons verhaalden, besloten dadelijk naar boord terug te keeren,
en daar te berigten, dat al hunne makkers vermoord, en in de boot een
gat gemaakt was, derhalve gingen zij allen weder in de boot en staken
onmiddellijk af.
De kapitein was bij dit gezigt zeer ontsteld, daar hij geloofde, dat zij
naar boord terugkeeren en onder zeil zouden gaan, en hunne makkers als
verongelukt beschouwen; en hij het schip verliezen zou, dat hij nog
hoopte te herkrijgen; doch spoedig nam zijne ontsteltenis eene andere
rigting.
Zij waren niet lang weg geweest of wij zagen hen terugkeeren, maar
ditmaal gingen zij anders te werk, gelijk zij naar het schijnt beraamd
hadden, namelijk, zij lieten drie man in de boot, terwijl de anderen aan
wal gingen en landwaarts in liepen om hunne makkers te zoeken. Dit was
voor ons eene groote teleurstelling, want nu wisten wij niet wat wij
doen zouden. Het zou ons niet gebaat hebben de zeven man, die aan land
waren, te vatten, zoo wij de overige lieten ontsnappen, die dan zeker
naar het schip roeijen zouden en onder zeil gaan, waardoor wij alle hoop
zouden verliezen van het schip te hernemen.
Er was echter niet aan te doen dan af te wachten, welken loop de zaken
zouden nemen. De zeven matrozen stapten aan wal, en de drie, die in de
boot bleven, roeiden haar op een goeden afstand van den wal af, en
gingen daar voor anker liggen, om hen af te wachten, zoodat het ons
onmogelijk was hen te bereiken. Degenen, die geland waren, bleven digt
bijeen en klommen op den top van den heuvel, waar onder mijne woning
lag, en wij zagen hen duidelijk, schoon zij ons niet konden gewaar
worden. Wij zouden gaarne gezien hebben, dat zij digterbij waren
gekomen, zoodat wij op hen hadden kunnen vuren, of verder weggegaan,
zoodat wij naar buiten konden komen. Toen zij echter op den heuvel
geklommen waren, vanwaar zij een wijd uitzigt over de dalen en bosschen
hadden, die aan de noord-oostzijde, en waar het eiland het laagste was,
lagen, begonnen zij zoo hard te schreeuwen als zij konden, en daar zij,
naar het schijnt, het niet durfden wagen te ver van de kust te gaan, of
zich in kleine partijen te verdeelen, gingen zij onder een boom zitten
om te raadplegen. Zoo zij goedgevonden hadden daar te gaan slapen, zoo
als de anderen gedaan hadden, zouden zij ons ligt werk gemaakt hebben;
maar zij vreesden te veel gevaar om te durven slapen, schoon zij niet
wisten voor welk gevaar zij te vreezen hadden.
Terwijl zij zaten te beraadslagen, deed de kapitein een zeer verstandig
voorstel. Hij begreep namelijk, dat zij weder allen te gelijk hunne
geweren zouden afvuren, ten einde hunne makkers dit zouden hooren, en
dan stelde hij voor hen te overvallen, op het oogenblik, dat hun
schietgeweer nog niet weder geladen was, wanneer zij zich waarschijnlijk
zouden overgeven, en wij ons zonder bloedstorting van hen meester maken.
Ik stemde hierin toe, mits het gebeuren kon als wij digt genoeg bij hen
waren, om bij hen te zijn voor zij weder konden geladen hebben. Zij
deden dit echter niet, en wij lagen nog een langen tijd, zonder te weten
wat wij zouden doen. Eindelijk zeide ik, dat naar mijn gevoelen er niets
kon gedaan worden voor het avond was, en dat als zij dan niet naar hunne
boot terugkeerden, wij misschien tusschen hen en het strand konden
komen, en door eene of andere list de matrozen in de boot aan land
lokken.
Wij wachtten eene lange poos, zeer ongerust en zeer verlangend hen te
zien vertrekken. Eindelijk zagen wij hen na eene lange beraadslaging,
allen opstaan en naar het strand gaan. Het schijnt, dat zij zoo bevreesd
waren voor de gevaren van dit eiland, dat zij besloten hadden naar boord
terug te keeren, hunne verloren makkers in de steek te laten en hunne
voorgenomen reis met het schip te vervolgen.
Zoodra ik hen naar het strand zag gaan, verbeeldde ik mij, gelijk het
waarlijk was, dat zij hunne nasporingen hadden opgegeven, en terug
wilden keeren, en de kapitein wien ik mijn vermoeden mededeelde, bezweek
schier van angst. Ik had echter thans eene krijgslist bedacht om hen
terug te lokken, die mij volmaakt gelukte.
Ik gelastte Vrijdag en den stuurman, de kleine kreek westwaarts, waar de
wilden met Vrijdag bij zich aan land waren gekomen, over te trekken, en
zoodra zij op eene kleine hoogte op ongeveer een half kwartier uurs
afstand gekomen waren, zoo hard te schreeuwen als zij konden, en te
wachten of zij bespeurden, dat de matrozen hen hoorden, dat zoodra zij
dezen hun hoorden antwoorden, zij weder moesten roepen, en dan steeds
uit hun gezigt blijvende, in de rondte trekken, altijd op het geroep der
anderen antwoordende, ten einde hen zoo ver landwaarts in en tusschen de
bosschen te lokken, als mogelijk was, en dan weder op de wijze als ik
hun voorschreef, tot mij terug keeren.
Zij gingen juist in de boot toen Vrijdag en de stuurman begonnen te
roepen. Zij hoorden en antwoordden hen en liepen westwaarts het strand
langs, op de stemmen af, die zij gehoord hadden. Hier stuitten zij op de
kreek, waar zij, daar het hoog water was, niet over konden, en de
matrozen in de boot riepen om bij hen te komen en hen over te zetten,
gelijk ik vermoed had.
Nadat deze hen overgezet hadden, zag ik, dat zij de boot een goed eind
weegs in de kreek, en dus als het ware in een haven gelegd hadden; zij
namen dan ook een van de drie man er uit met hen mede, en lieten er
slechts twee in de boot, die zij met een touw aan den stam van een boom
hadden vastgemaakt.
Dit was juist wat ik verlangde, en terwijl ik Vrijdag en den stuurman
aan hunne taak liet, nam ik de overigen mede, en na de kreek buiten hun
gezigt overgetrokken te zijn, verrasten wij de twee man, waarvan een op
het strand en een in de boot zat, voor zij ons bemerkt hadden. Die aan
den wal was half slapende, en wilde juist opspringen, toen de kapitein,
die de voorste was hem nedervelde, en daarop den matroos in de boot
gelastte zich over te geven als hij zijn leven lief had. Er was weinig
aandrang noodig om den man te bewegen zich over te geven, toen hij zijn
makker geveld, en vijf lieden voor zich zag; bovendien was dit, naar het
schijnt, een van de drie, die niet zoo ijverig als de overigen in de
muiterij had deel genomen, en derhalve werd hij niet alleen gemakkelijk
overreed om zich over te geven, maar later ook om gemeene zaak met ons
te maken.
Middelerwijl hadden Vrijdag en den stuurman zich zoowel van hunne taak
gekweten, dat zij de matrozen door hun geroep van den eenen heuvel naar
den anderen, en van het eene boschje in het andere gelokt hadden, totdat
zij hen niet alleen verschrikkelijk afgemat, maar ook verlaten hadden
met de zekerheid, dat zij voor den donker den weg niet naar de boot
zouden kunnen terugvinden, en zij zelven waren geheel afgemat toen zij
bij ons terugkwamen. Wij hadden nu niets anders te doen dan hen in het
duister te bespieden en te overvallen, om ligt werk met hen te hebben.
Verscheidene uren, nadat Vrijdag bij mij teruggekomen was, kwamen zij
weder bij hunne boot, en lang voor zij bij ons waren, hoorden wij de
voorsten de achtersten van hen toeroepen: toch spoed te maken, en wij
hoorden de laatsten antwoorden, en klagen hoe zij lam van vermoeijenis
waren en niet harder voort konden, hetgeen voor ons eene aangename
tijding was. Eindelijk kwamen zij aan de boot, maar onmogelijk is het
hunne verbijstering te beschrijven, toen zij de boot vast zitten, het
water afgeloopen en hunne twee makkers verdwenen vonden. Wij hoorden hoe
zij elkander op den klagendsten toon toeschreeuwden, dat zij op een
betooverd eiland waren, dat er of inwoners op waren, die hen allen
zouden vermoorden, of dat het door duivels of helsche geesten bewoond
was, die hen verscheuren of naar de hel slepen zouden.
Zij begonnen weder te schreeuwen en hunne makkers herhaalde malen bij
hunnen naam te roepen. Na eenigen tijd konden wij hen bij het weinige
licht, dat er was, als wanhopigen en de handen wringende, heen en weder
zien loopen; somwijlen gingen zij om wat te rusten in de boot zitten,
dan weder sprongen zij op den wal en liepen heen en weder, en zoo
telkens weder.
Mijn volk had gaarne verlof van mij willen hebben, om hen in het duister
te overvallen; maar ik wilde er zooveel van sparen, en zoo weinig van
doodschieten als mogelijk, en vooral wilde ik niet gaarne een van ons
volk aan het gevaar blootstellen van een kogel van hen te ontvangen;
daar ik wist, dat zij zeer goed gewapend waren. Ik besloot af te wachten
of zij zich niet zouden verdeelen, en om derhalve te beter de overmagt
op hen te hebben, liet ik mijne hinderlaag naderbij rukken, en gelastte
Vrijdag en den kapitein op handen en voeten, en zoo digt langs den grond
als zij konden, naar hen toe te kruipen en hen zoo digt mogelijk te
naderen, alvorens zij vuur gaven. Niet lang waren zij in die houding
gebleven of de bootsman, die de voornaamste belhamel van de muiterij was
geweest, en die zich van allen het snoodst en laaghartigst gedragen had,
kwam met nog twee van het volk naar hen toe. De kapitein werd woedend,
toen hij den voornaamsten aanlegger zoo digt onder zijn bereik zag, dat
hij zich naauwelijks tijd gunde om hem zoo digt te laten naderen, dat
hij zeker van hem was, want hij had nog alleen zijne stem gehoord; maar
toen zij naderkwamen sprongen de kapitein en Vrijdag op de been en gaven
vuur op hen. De bootsman viel dood neder; de man, die bij hem was, had
een kogel in het lijf gekregen en viel naast hem, schoon hij eerst een
paar uur daarna stierf, en de derde liep weg.
Toen ik het vuren hoorde, rukte ik onmiddellijk met mijn geheele leger
op, dat thans uit acht man bestond, te weten, ik als generaal en chef,
Vrijdag als mijn luitenant-generaal; de kapitein en zijne twee lieden,
en de drie gevangenen, dien wij wapens hadden toevertrouwd. Wij
overvielen hen in het duister, zoodat zij ons getal niet zien konden,
en ik liet den man, dien zij in de boot hadden achtergelaten, en nu tot
onze partij behoorde, hen bij hunne namen noemen, om te trachten met hen
tot onderhandeling te komen, hetgeen volkomen naar wensch uitviel. Zoo
riep hij, zoo hard hij kon, tot een hunner: "Thomas Smith! Thomas Smith!
Thomas Smith!"--Thomas Smith antwoordde dadelijk: "Wie is daar, is het
Robinson?" want hij scheen de stem te herkennen. De ander Antwoordde:
"Ja, ja, om Gods wil, leg de wapens neder, Thomas Smith, en geef u over,
of gij zijt allen kinderen des doods!"
"Aan wie moeten wij ons overgeven? Waar zijn zij?" riep Thomas Smith
weder. "Hier zijn zij," antwoordde de ander. "Hier is onze kapitein met
vijftig man, die u twee uren lang heeft nagezeten. De bootsman is
doodgeschoten, Willem Frije gewond en ik gevangen, en zoo gij u niet
overgeeft, zijt gij allen verloren."
"Zal men ons dan kwartier geven als wij ons overgeven?" vroeg Thomas
Smith. "Ik zal heengaan en het vragen, als gij belooft u over te geven,"
zeide Robinson. Hij vroeg het den kapitein, en deze riep: "Thomas Smith,
gij kent mijne stem, zoo gij dadelijk de wapens nederlegt en u
overgeeft, zal u allen het leven geschonken worden, behalve aan Willem
Atkins."--Dit hoorende, begon Willem Atkins te roepen: "Om Gods wil,
kapitein, geef mij kwartier. Wat heb ik misdreven? Zij zijn allen even
slecht geweest als ik," hetwelk eigenlijk niet waar was, want het
schijnt, dat Willem Atkins de eerste was geweest, die de hand aan den
kapitein had durven slaan, en hem ruw behandeld, de handen gebonden, en
uitgescholden had. Echter zeide de kapitein hem, dat hij zich op genade
of ongenade moest overgeven, en op de genade van den gouverneur hopen,
waarmede hij mij meende, want allen noemden mij gouverneur.
Om kort te gaan, allen legden de wapens neder en smeekten om
lijfsgenade, en ik zond den man, die met hen gesproken had, met nog twee
af, die hen allen bonden; en toen rukte mijn leger van vijftig man op,
maar dat met die drie eigenlijk uit acht man bestond, en maakte zich van
hen en van hunne boot meester, schoon ik mij met nog een man, uit
staatkundige redenen, buiten gezigt hield.
Ons eerste werk was thans de boot weder in orde te brengen, en te denken
om de herovering van het schip, en de kapitein, die nu den tijd had om
met hen te onderhandelen, haalde hen scherp door over hun schelmsch
gedrag jegens hem, en vervolgens over hunne verdere snoode oogmerken, en
hoe dit alles op het laatst hen gewis tot ellende en armoede en
misschien tot de galg moest leiden. Zij schenen allen vol berouw en
smeekten ootmoedig om genade. Hierop zeide hij, dat zij niet zijn
gevangenen, maar van den kommandant van het eiland waren; dat zij
gedacht hadden hen in een woest onbewoond eiland aan wal te zetten, maar
dat het God behaagd had dit anders te beschikken, dat het eiland bewoond
en de gouverneur een Engelschman was; dat hij hen allen kon ophangen als
hij het goed vond; maar dat, daar hij hun allen lijfsgenade geschonken
had, hij begreep, dat hij hen naar Engeland zou zenden om daar aan de
justitie overgeleverd te worden; behalve Atkins, dat de gouverneur hem
gelast had dezen aan te zeggen, dat hij zich ter dood moest bereiden,
want dat hij met den morgenstond zou opgehangen worden.
Schoon dit alles slechts een verdichtsel van hem was, had het echter de
gewenschte uitwerking, Atkins viel op zijne knieën om des kapiteins
voorspraak bij den gouverneur om zijn leven, en al de overigen smeekten
hem, om Gods wil, niet naar Engeland gezonden te worden.
Thans begreep ik, dat het tijdstip onzer bevrijding naderde, en dat het
gemakkelijk zou zijn, deze knapen tot een aanslag op het schip over te
halen. Dus sloop ik in het duister vandaar weg, opdat zij niet zien
zouden wat slag van een gouverneur zij hadden, en ontbood den kapitein
tot mij. Toen ik op een afstand was, werd een der mannen bevolen als
voren te spreken, en te zeggen: "kapitein, de kommandant laat u roepen!"
De kapitein antwoordde: "zeg aan zijne excellentie, dat ik
oogenblikkelijk kom." Dit bragt hen geheel in den waan, dat ik met mijne
vijftig man vlak in de nabijheid stond. Toen de kapitein bij mij kwam,
deelde ik hem mijn ontwerp om het schip te overmeesteren mede, waarmede
hij van harten instemde, en wij besloten het den volgenden morgen ten
uitvoer te brengen. Ten einde het echter te geruster en goed doordacht
te verrigten, zeide ik hem, dat wij de gevangenen moesten verdeelen, en
dat hij Atkins en nog twee van de ergsten gebonden naar de grot moest
laten brengen. Dit werd aan Vrijdag en de twee mannen, die met den
kapitein aan wal gekomen waren, toevertrouwd. Zij bragten hen naar de
grot, alsof dit de gevangenis was, en werkelijk was het eene treurige
plaats, vooral voor lieden in hunnen toestand.
De anderen liet ik naar mijne buitenplaats brengen, die ik hiervoor
uitvoerig genoeg beschreven heb, en daar deze omheind en zij gekneveld
waren, was de plaats sterk genoeg om hen te bewaren. Naar deze zond ik
in den ochtend den kapitein om met hen in onderhandeling te treden,
namelijk hen te toetsen en mij te zeggen, of hij het geraden achtte hen
mede naar boord te nemen om het schip te verrassen. Hij sprak hen aan
over hunne handelwijze jegens hem, den toestand, waarin zij zich gebragt
hadden, en zeide, dat schoon de gouverneur hen allen voor het oogenblik,
lijfsgenade geschonken had, zij allen naar Engeland gevoerd en daar
ongetwijfeld in ketens opgehangen zouden worden; maar, dat als zij mede
wilden werken tot het heroveren van het schip, hij den gouverneur zou
overhalen hun pardon te geven.
Iedereen kan begrijpen, hoe gretig menschen in hunnen toestand zulk een
voorstel aannemen, zij vielen voor den kapitein op de knieën, en
beloofden hem met de krachtigste betuigingen, dat zij hem tot den
laatsten druppel bloeds zouden bijstaan, hun leven lang hem zouden
dankbaar zijn en hem door de geheele wereld volgen, en zoolang zij
leefden zijn gedrag als dat van eenen vader jegens hen beschouwen.
"Nu," zeide de kapitein, "ik zal den gouverneur mededeelen, wat gij
zegt, en zien wat ik doen kan, om hem over te halen." Hij verhaalde mij
daarop hunne gemoedsgesteldheid, en dat hij geloofde, dat zij inderdaad
getrouw zouden zijn. Om echter zeker te gaan, zeide ik hem, dat hij
terugkeeren zou en vijf van hen uitkiezen, en zeggen, dat zij zien
zouden, dat wij hunne hulp niet noodig hadden; maar dat hij deze vijf
zou medenemen om hem bij te staan, en dat de gouverneur de andere twee
benevens de drie, die als gevangenen naar het kasteel (mijne grot)
gezonden waren, als gijzelaars zou houden, en dat zoo zij hunnen pligt
niet getrouw volbragten, deze vijf gijzelaars allen in ketens op het
strand zouden opgehangen worden.--Dit zag er ernstig uit, en overtuigde
hen, dat de gouverneur het ernstig meende; er schoot hun echter niet
anders over dan het aan te nemen, en het was thans evenzeer het belang
van de achterblijvende gevangenen als van den kapitein, de anderen te
overreden, zich trouw van hunnen pligt te kwijten.
Onze strijdmagt voor den kapitein werd thans geregeld als volgt:
Eerstelijk de kapitein, zijn stuurman en de passagier. Dan de twee
gevangenen van den eersten troep, dien ik op aanbeveling van den
kapitein, hunne vrijheid gegeven, en wien ik wapens toevertrouwd had.
Ten derde, de andere twee, die ik tot nu toe in mijne buitenplaats
bewaard, maar op des kapiteins verzoek ontslagen had. Ten vierde, de
vijf die het laatst ontslagen waren, zoodat zij in alles met hun
twaalven waren, behalve vijf, die wij als gijzelaars in de grot hadden
achtergehouden. Ik vroeg den kapitein of hij met dit volk het durfde
wagen het schip te enteren, want dat ik het best oordeelde, dat ik en
mijn knecht Vrijdag niet medegingen, omdat zij zeven man hier
achterlieten en wij genoeg te doen hadden met hen gescheiden te houden
en van levensmiddelen te voorzien. Wat aangaat de vijf man in de grot,
ik besloot hen daar te houden, en Vrijdag ging tweemaal des daags hun
levensmiddelen brengen. De twee andere gevangenen droegen de leeftogt
een eind weegs en dan nam Vrijdag ze hen af.
Toen ik mij aan de twee gijzelaars vertoonde, was ik vergezeld van den
kapitein, die hun zeide, dat ik afgezonden was door den gouverneur, en
dat deze gelast had, dat zij niets zouden doen zonder mijn bevel, en zoo
zij dit bevel overtraden, zouden zij naar het kasteel gebragt en daar in
de boeijen geslagen worden. Daar ik als gouverneur nimmer voor den dag
was gekomen, verscheen ik nu als een ander persoon, en sprak waar het te
pas kwam van den gouverneur, van de bezetting, het kasteel en
dergelijke.
De kapitein had nu niet anders te doen dan zijne booten gereed te maken,
het lek in de eene te stoppen, en ze te bemannen. Hij gaf zijn passagier
het bevel over de eene boot met vier man, en ging zelf met zijn stuurman
en de vijf overigen in de andere. Zij overlegden hunne zaak goed, zoodat
zij tegen middernacht aan boord kwamen. Zoodra zij digtbij genoeg waren,
deed hij Robinson het scheepsvolk toeroepen en hem zeggen, dat zij het
volk in de sloep terugbragten, maar dat het lang geduurd had, eer zij
hen hadden kunnen vinden. Aldus hield hij hen aan de praat, totdat zij
aan boord kwamen, waarop de kapitein en zijn stuurman, die het eerst met
hunne wapens op het dek gesprongen waren, dadelijk den tweeden stuurman
en den timmerman met de kolf van hunne geweren nedervelden, terwijl hun
volk hen dapper bijstond. De overigen, die op het halfdek en den bak
waren, maakten zij gevangen, en gingen de luiken digt maken, om hen, die
beneden waren, daar te houden, toen het volk van de andere boot over de
fokkerusten klom, en het voorschip en de kombuis, waarin drie man waren,
vermeesterden.
Toen dit afgeloopen was, gelastte de kapitein den stuurman met drie man
de kajuit open te breken, waar de nieuwe kapitein lag, die het alarm
gehoord had, en met twee man en een jongen zich van vuurwapens voorzien
had; en toen de stuurman met een koevoet de deur opengebroken had, gaf
de nieuwe kapitein met zijne makkers vuur op hen en wondde den stuurman
in zijn arm met nog twee man, doch niemand werd er gedood.