den Spanjaard verlof den overtogt te doen en te zien, wat hij kon doen
met de achtergeblevenen. Ik gaf hem een schriftelijken last, niemand
mede te brengen, die niet eerst in tegenwoordigheid van hem en den ouden
wilde gezworen had, dat hij op geenerlei wijze den persoon, dien hij op
het eiland vinden zou, die zoo goed was hen te hunner bevrijding af te
halen, zou beleedigen, bevechten of aanvallen, maar dat zij hem zouden
bijstaan en verdedigen tegen al zoodanige ondernemingen, en dat waar zij
ook gingen, zij geheel en al onder zijn bevel en gezag zouden staan, en
dat dit in schrift gesteld en door hen onderteekend zou worden. Hoe dat
laatste zou geschieden, daar ik wist, dat zij pen noch inkt hadden, was
eene zaak daar wij in het geheel niet over gedacht hadden.
Met deze lastgevingen vertrokken de Spanjaard en de oude wilde, de vader
van Vrijdag, in een der kanoes, waarmede zij gekomen of liever gebragt
waren door de wilden om verslonden te worden. Ik gaf ieder een geweer en
zes of acht scherpe patronen mede, met last hiermede zuinig te zijn en
ze niet dan bij dringende noodzakelijkheid te gebruiken. Dit was voor
mij eene aangename verrigting, want het waren de eerste maatregelen, die
ik sedert meer dan zeven-en-twintig jaren, ter mijner bevrijding genomen
had. Ik gaf hun zooveel brood en rozijnen mede, als niet alleen genoeg
was voor hen gedurende een geruimen tijd, maar ook voor al hunne
landslieden voor acht dagen; en na hun goede reis gewenscht te hebben,
liet ik hen vertrekken, na een sein met hen afgesproken te hebben, dat
zij bij hunne terugkomst zouden laten waaijen, en waaraan ik hen op een
afstand en vóór zij aan den wal kwamen, kon herkennen.
Zij vertrokken bij gunstigen wind en met volle maan, volgens mijne
rekening in de maand October, doch nadat eens mijne rekening van de
dagen in de war was geraakt, kon ik die nimmer weder in orde brengen;
zelfs wist ik niet zeker, of ik de jaren wel volkomen juist had
berekend, doch naderhand bleek het, dat mijne rekening van de jaren
volkomen juist was.
Het was nu acht dagen, dat ik reeds op hen wachtte, toen een zeldzaam
en onverwacht voorval, en welks gelijken welligt niet in de geschiedenis
is vermeld, gebeurde. Ik lag op een morgen gerust te slapen toen Vrijdag
kwam binnenstuiven, luidkeels roepende: "Meester, meester, daar komen
zij, daar komen zij!"--Ik sprong op, en zonder om eenig gevaar te
denken, ging ik, zoodra ik mijne kleederen aangeschoten had, door mijn
boschje, dat thans een dik bosch geworden was, ik zeg, zonder aan eenig
gevaar te denken, ging ik zonder wapens uit, hetgeen anders mijne
gewoonte niet was; maar ik zag verbaasd op, toen ik, zeewaarts ziende,
op ongeveer een half uur afstands, eene boot naar den wal zag zeilen,
met eene gunstige koelte, zoodat zij spoedig moest aankomen. Ook merkte
ik thans op, dat zij niet van dien kant kwam waar het vaste land lag,
maar van het zuidelijkste einde van het eiland. Hierom riep ik Vrijdag
en gelastte hem zich te verbergen, want dat dit niet de lieden waren,
die wij verwachtten; en wij nog niet wisten of dit vrienden of vijanden
waren.
In de eerste plaats ging ik mijn kijker halen, om te zien wat ik van hen
ontdekken kon, en na de ladder opgezet te hebben, klom ik naar den top
van den heuvel, gelijk ik gewoon was als ik ergens voor vreesde, en goed
wenschte te zien zonder ontdekt te worden. Ik had naauwelijks mijn voet
op den heuvel gezet, of ik ontdekte duidelijk een schip, dat op twee en
een halve mijl van mij af, maar slechts anderhalve mijl van het strand
in het Z. Z. O. voor anker lag, en scherper toeziende bemerkte ik
duidelijk, dat het een Engelsch schip, en de boot eene Engelsche sloep
was.
Ik kan niet zeggen, hoezeer mij dit verraste; schoon de vreugde van een
schip te zien, hetwelk ik reden had te gelooven, dat door landgenooten
en dus bevriend volk van mij, bemand was, onbeschrijfelijk was, werd ik
echter door eene geheime en onverklaarbare angstvalligheid aangedreven,
om op mijne hoede te zijn. In de eerste plaats begreep ik niet wat een
Engelsch schip in dit oord kon komen doen, daar dit niet de weg was naar
of van eenig deel der wereld, waarop de Engelschen handel dreven; en ik
wist, dat er geen stormen geheerscht hadden, die hen daarheen hadden
kunnen slaan; zoodat als zij werkelijk Engelschen waren, zij met geen
goed oogmerk hier waren, en ik beter deed te blijven waar ik was dan in
de handen van dieven en moordenaars te vallen.
Laat niemand dit geheime voorgevoel van gevaar verachten, dat hij
somwijlen ontvangt, als hij zelfs aan de mogelijkheid van het gevaar
geen geloof kan slaan. Weinigen geloof ik, die gewoon zijn gade te slaan
wat er om hen heen gebeurt, kunnen ontkennen, dat ons zulke
waarschuwingen gegeven worden; wij kunnen niet dan die aan de werking
van eene onzigtbare magt, buiten ons, toeschrijven, en waarom zouden wij
niet onderstellen, dat die ons tot ons bestwil gegeven worden.
Hetgeen er thans voorviel, levert hiervan een blijk op, want zoo deze
geheime stem mij niet tot behoedzaamheid had aangedreven, ware ik mijn
verderf in den mond geloopen, en in veel erger toestand dan te voren
geraakt, gelijk men zien zal.
Ik was niet lang op den heuvel geweest, of ik zag de sloep digt langs
het strand komen, alsof men naar eene kreek zocht om haar in te brengen,
om gemakkelijker aan land te kunnen komen. Daar zij echter niet ver
genoeg gingen, zagen zij den kleinen inham niet, waar ik vroeger mijne
vlotten aan land gebragt had, maar zetten de boot op het strand op eene
halve (Eng.) mijl van mij af, hetgeen zeer gelukkig was, want anders
zouden zij als het ware voor mijne deur geland, en mij spoedig uit mijn
kasteel gejaagd, en welligt van alles beroofd hebben wat ik had.
Toen zij aan wal waren zag ik duidelijk, dat het Engelschen waren,
althans de meesten; een of twee hield ik voor Hollanders, maar dit was
zoo niet. Er waren in het geheel elf mannen, waarvan drie ongewapend, en
naar ik meende, gebonden; en toen er vier of vijf van de eersten op
strand gesprongen waren, deden zij de drie gevangenen uit de boot gaan.
Een van de drie stelde zich aan als een wanhopige, de beide anderen
hieven slechts een paar malen de handen hemelwaarts, en schenen zeer
neêrslagtig, schoon niet zoo ontsteld als de eerste. Ik was geheel
verbaasd over hetgeen ik zag, en wist niet wat ik er van begrijpen
moest. Vrijdag riep mij toe: "O meester, gij ziet, dat de Engelsche
mannen ook hunne gevangenen opeten, zoo goed als de wilden!"--"Denkt
gij, dat zij hen zullen opeten, Vrijdag?" vroeg ik.--"Ja," zeide hij,
"zij zullen hen opeten."--"Neen, neen, Vrijdag," hernam ik, "ik vrees
wel, dat zij hen zullen vermoorden, maar gij kunt er op aan, dat zij hen
niet zullen opeten."
Al dien tijd wist ik niet wat ik denken moest, maar stond te beven van
afschuw, daar ik ieder oogenblik verwachtte, dat de gevangenen vermoord
zouden worden; en zelfs zag ik, dat een der schurken zijn sabel ophief,
om een der gevangenen te dreigen, en ik verwachtte ieder oogenblik, hem
te zien toeslaan, bij welk gezigt mij het bloed in de aderen verstijfde.
Ik wenschte thans hartelijk, dat de Spanjaard en de oude wilde, die met
hem vertrokken was, bij mij waren, of dat ik eenig middel wist, om,
zonder ontdekt te worden, hen binnen bereik van mijn geweer te brengen,
om de drie mannen te verlossen, want ik zag geen vuurwapenen bij hen;
maar mij werd eene andere gelegenheid hiertoe verschaft.
Nadat de matrozen deze drie lieden zoo mishandeld hadden, zag ik, dat
zij hier en daar heenzwierven, als om het land te gaan bezien. Ik
bemerkte ook, dat de drie mannen konden gaan, waar zij wilden, maar zij
bleven alle drie op het strand zitten in een allerneêrslagtigste
houding. Dit herinnerde mij hoe ik voor de eerste maal aan land kwam en
in het rond zag; hoe ik mij verloren achtte, hoe ik verwilderd in het
rond staarde, welken schrikkelijken angst ik uitstond, en hoe ik, uit
vrees voor wilde dieren, den geheelen nacht op een boom doorbragt. Even
als ik dien nacht niets wist van den onderstand, dien ik ontvangen zou,
doordien wind en tij het schip digter bij het land drijven zouden,
waardoor ik sedert zoo lang voedsel en kleederen had erlangd, evenzoo
wisten deze drie wanhopigen niet, hoe gewis zij op bijstand en
bevrijding konden rekenen, en hoe zij werkelijk in veiligheid Waren,
toen zij zich verloren en hunne zaak wanhopig achtten.
Zoo weinig kunnen wij in de wereld vooruitzien, en zooveel reden hebben
wij om welgemoed van onzen Schepper te vertrouwen, dat hij zijne
schepselen niet zoo geheel zal verlaten, maar dat zij in de
ongelukkigste omstandigheden altijd stof tot dankbaarheid hebben, en
somtijds nader bij hunne redding zijn dan zij zich verbeelden, ja hunne
redding zelfs te danken hebben aan de middelen, die zij als oorzaak van
hun verderf beschouwen.
Het water was juist op zijn hoogst toen deze lieden aan den wal kwamen,
en terwijl zij gedeeltelijk stonden te spreken met de gevangenen, die
zij medegebragt hadden, en gedeeltelijk rondzwierven om te zien, op
welke soort van plaats zij waren, hadden zij zorgeloos getoefd, totdat
de eb was doorgekomen, en hunne sloep hoog en droog op het strand zat.
Zij hadden twee man in de boot achtergelaten, die, gelijk ik naderhand
bevond, wat te veel brandewijn gedronken hadden en vast in slaap
gevallen waren. Een van hen echter ontwaakte, en vindende, dat hij de
boot niet in beweging kon brengen, riep hij zijne kameraden, die in de
nabijheid rondzwierven, maar zij waren met hun allen niet sterk genoeg,
om de sloep, die zeer zwaar was, vlot te krijgen, daar het strand aldaar
uit fijn en los zand bestond.
In dezen staat van zaken gaven zij het op, als echte zeelieden, die van
alle menschen misschien het minste gewoon zijn aan voorzorgen te denken,
en gingen weder landwaarts in, en ik hoorde een hunner luid tot een
ander roepen, terwijl hij hem uit de boot riep: "Kom, Jack, laat haar
liggen; het volgende tij zal haar vlot maken." Hierdoor wist ik thans
zeker van welke natie zij waren.
Al dien tijd hield ik mij verborgen, en durfde zelfs niet verder dan
mijn schuilhoek op den heuvel, mijn kasteel verlaten, en ik was blijde
als ik bedacht, hoe goed het versterkt was. Ik wist, dat de sloep niet
dan na tien uren vlot kon komen, en dan zou het duister zijn, en ik
hunne bewegingen gade slaan, en hunne gesprekken, als zij die voerden,
afluisteren. Middelerwijl maakte ik mij tot een gevecht gereed, even als
vroeger, maar met meer behoedzaamheid, daar ik wist, dat ik thans met
een geheel ander slag van vijanden dan de vorige te doen had. Ik
gelastte Vrijdag, die thans een zeer goed schutter was geworden, zich te
wapenen. Ik nam twee jagtgeweren en gaf hem drie geweren. Mijn voorkomen
was waarlijk schrikbarend genoeg. Ik had mijn rok van geitenvellen aan,
en mijne muts op, waarvan ik vroeger gesproken heb, een bloote sabel in
de hand, twee pistolen in mijn gordel, en op ieder schouder een geweer.
Het was gelijk ik hiervoor zeide, mijn oogmerk, niets te ondernemen voor
het duister was, maar tegen twee ure, op het heetste van den dag, vond
ik, dat zij allen het bosch ingegaan, en waarschijnlijk in slaap
gevallen waren. De drie ongelukkigen, te ongerust over hunnen toestand
om te slapen, waren echter in de schaduw van een grooten boom gaan
zitten, ongeveer een kwartier van mij af, en naar ik meende, buiten het
gezigt van een der overigen. Ik besloot hierop mij aan hen te ontdekken,
en iets naders omtrent hunnen toestand te vernemen. Onmiddellijk trok
ik, in bovengemelde uitrusting op weg; en Vrijdag een eind weegs achter
mij, die om zijne wapens ontzag genoeg moest inboezemen, maar niet zulk
een schrikbarende spookgestalte als ik was. Ik naderde hen zonder
opgemerkt te worden, en toen, voor een hunner mij bespeurd had, riep ik
hen luid in het Spaansch toe: "Wie zijt gij, heeren?"
Zij sprongen verbaasd op, maar stonden tienmaal meer verbijsterd, toen
zij mijn schrikbaarlijke gestalte zagen. Zij gaven geen antwoord, maar
ik verbeeldde mij, dat zij de vlugt wilden nemen, waarop ik hen in het
Engelsch toesprak: "Ontstel u niet, heeren; misschien vindt gij in mij
een vriend, naderbij u dan gij verwachtte."--"Dan moet gij regtstreeks
van den hemel gezonden zijn," zeide een hunner ernstig, en te gelijk den
hoed afnemende, "want menschelijke bijstand kan ons niet baten."--"Alle
bijstand komt van den hemel," zeide ik. "Maar kunt gij een vreemdeling
onderrigten, hoe hij u helpen kan, want gij schijnt in groote
ongelegenheid te zijn? Ik zag u toen gij aan land kwaamt, en toen gij de
kerels, die u hier bragten, iets scheent af te smeeken, zag ik, dat een
hunner zijne sabel tegen u ophief."
De arme man, wien de tranen over het gelaat biggelden, stond geheel
verbijsterd, en zeide: "Spreek ik tot een mensch of tot een
engel?"--"Wees daar niet ontsteld over," zeide ik. "Zoo God u een engel
toegezonden had, zoude deze beter gekleed en anders gewapend zijn dan
ik. Leg uwe vrees af; ik ben een mensch, een Engelschman, en geneigd u
van dienst te zijn, dat ziet gij. Ik heb maar een knecht, doch wij
hebben kruid en lood. Zeg ons ronduit: kunnen wij u van dienst zijn? Wat
is het geval?"
"Ons geval," zeide hij, "is te lang om u te verhalen, mijnheer, terwijl
onze moordenaars zoo nabij zijn; doch in korte woorden, ik was kapitein
op gindsch schip; mijn volk is aan het muiten geslagen; zij zijn met
moeite overgehaald om mijn leven te sparen, en hebben mij eindelijk op
dit woeste eiland aan land gezet, met deze twee lieden, mijn stuurman is
de eene, en de andere is een passagier, waar wij den dood verwachtten,
daar wij niet wisten, dat het eiland bewoond was, en nog niet weten wat
er van te denken."
"Waar zijn die schelmen, uwe vijanden?" vroeg ik. "Weet gij waar zij
heengegaan zijn?"--"Daar zijn zij, mijnheer," zeide hij, naar een bosch
wijzende. "Ik beef van angst, dat zij ons gezien en u hebben hooren
spreken, want dan zullen zij ons zeker allen vermoorden."
"Hebben zij vuurwapenen?" vroeg ik. Hij zeide, dat zij slechts twee
geweren hadden, waarvan een in de sloep was gebleven. "Welnu, laat dan
alles aan mij over," zeide ik. "Het is gemakkelijk hen allen te dooden,
maar willen wij ze niet liever gevangen maken?" Hij zeide, dat er twee
aartsschurken onder hen waren, wien het ongeraden was genade te
verleenen, maar dat hij geloofde, dat zoo zij vermeesterd waren, de
overigen wel tot hunnen pligt zouden terugkeeren. Ik vroeg hem wie dat
waren. Hij zeide, dat hij ze mij op dien afstand niet uitduiden kon,
maar dat hij bereid was, mij in alles te gehoorzamen.--"Welnu," zeide
ik, "laat ons dan buiten hun gehoor gaan, om hen niet wakker te maken,
en dan zullen wij verder zien." Zij gingen daarop met mij terug tot de
boomen, om voor hen verborgen te zijn.
"Nu, mijnheer," zeide ik, "als ik het waag u te bevrijden, zult gij dan
twee voorwaarden met mij willen aangaan?" Hij kwam mijn voorstel voor
door mij te verzekeren, dat hij en zijn schip, als hij bevrijd werd,
geheel tot mijn bevel, en volkomen tot mijne beschikking waren, en dat
zoo het schip niet weder bekomen mogt worden, hij met mij wilde leven en
sterven, in welk werelddeel ik hem ook wilde voeren, en de twee anderen
zeiden hetzelfde.
"Welnu," zeide ik, "ik heb slechts twee voorwaarden. Vooreerst, dat
zoolang gij hier op het eiland vertoeft, gij op geenerlei gezag hier
aanspraak maakt, en dat zoo ik u wapens ter hand stel, gij die bij alle
gelegenheden, mij zult teruggeven, en mij noch het mijne op dit eiland
eenige schade toebrengen, en middelerwijl mijne bevelen gehoorzamen.
"Ten tweede, dat als het schip hernomen mogt worden, gij mij en mijne
goederen, zonder passagegeld te vorderen, naar Engeland zult medenemen."
Hij gaf mij alle verzekeringen van zijne trouw, die hij slechts kon
bedenken, en dat hij aan deze allerbillijkste eischen zou voldoen, en
bovendien zoolang hij leefde erkennen zou, dat hij zijn leven aan mij te
danken had.
"Welnu dan," zeide ik, "hier zijn drie geweren voor u met kruid en lood.
Zeg mij nu wat gij thans geraden acht te doen." Hij herhaalde zijne
betuigingen, maar bood aan, zich geheel door mij te laten leiden. Ik
zeide hem, dat het altijd gevaarlijk was wat wij ook ondernamen, maar
dat het best wat ik bedenken kon was, te gelijk op hen vuur te geven, in
hunnen slaap, en dat, als sommigen hunner bij deze eerste losbranding
niet gedood werden, en om genade vroegen, wij hen dan konden sparen, en
aldus aan de Voorzienigheid over te laten hoedanig onze kogels te
rigten. Hij antwoordde zeer menschlievend, dat hij ongaarne
menschenbloed zou vergieten, maar dat die twee lieden onverbeterlijke
schurken en de aanleggers der geheele muiterij waren; dat zoo zij
gespaard werden, zij zeker aan boord zouden terugkeeren en al het
scheepsvolk medebrengen en ons allen vermoorden. "Welnu," zeide ik, "dan
wettigt de noodzakelijkheid, hetgeen ik geraden heb, want het is het
eenigste middel om ons leven te sparen." Daar ik echter zag, dat hij nog
huiverde voor bloedvergieten, zeide ik, dat ik alles aan hem overliet,
en dat zij konden handelen, zoo als zij goed vonden.
Onder dit gesprek hoorden wij, dat eenigen hunner ontwaakten, en kort
daarna zagen wij twee man vertrekken. Ik vroeg hem of een van deze ook
onder de belhamels behoorde. Hij zeide: "neen." "Welnu," zeide ik, "laat
hen dan gaan, de Voorzienigheid schijnt het, heeft hen doen ontwaken, om
hun leven te sparen. Zoo de overigen u nu ontgaan, is het uwe eigene
schuld."
Hierdoor aangemoedigd nam hij het geweer op, dat ik hem gegeven had, en
stak een pistool in zijn gordel, en ging met zijne twee makkers, ieder
met een geweer in de hand, heen. De twee mannen, die bij hem waren en
vooruit gingen, maakten eenig gerucht, waardoor een der matrozen, die
wakker was, zich omkeerde, en hen ziende naderen, de overige te hulp
riep; maar het was te laat; want op het oogenblik, dat hij riep gaven
zij vuur, terwijl de kapitein wijsselijk zijn schot bespaarde. Zij
hadden zoo goed de mannen uitgekozen, die zij kenden, dat een hunner op
de plek dood bleef, en de ander zwaar gewond was; maar toch overeind
kwam, en de anderen luid te hulp riep. De kapitein echter trad naar hem
toe, en zeide hem, dat het thans te laat was om hulp te vragen, dat hij
God vergiffenis mogt vragen voor zijne euveldaden, en velde hem daarop
met de kolf van zijn geweer neder, en sloot hem den mond voor altoos. Er
waren nog drie over, waarvan een ligt gekwetst was. Thans was ik er bij
gekomen en toen zij hun gevaar zagen, en dat alle tegenstand vruchteloos
was, smeekten zij om genade. De kapitein zeide hun, dat hij hun leven
sparen zou, als zij hem betuigden, dat zij hunne verraderij verfoeiden,
en beloofden hem getrouw te zullen bijstaan in het hernemen van zijn
schip, en het terug te voeren naar Jamaica, vanwaar hij kwam. Zij gaven
hem alle beloften, die hij verlangde, en hij wilde gaarne hun leven
sparen, waar ik niet tegen was, evenwel ried ik hem hen aan handen en
voeten gebonden, te bewaren, zoolang hij op het eiland was.
Terwijl dit voorviel zond ik Vrijdag met den stuurman naar de sloep, met
last die vast te leggen, en de riemen en het zeil er uit te nemen,
hetgeen zij deden, en kort daarop kwamen drie knapen, die, gelukkig voor
hen, van hunne rondzwervende makkers afgeraakt waren, terug op het
hooren der geweerschoten, en ziende, dat hun kapitein van hun gevangene
nu hun overwinnaar geworden was, onderwierpen zij zich om op dezelfde
wijze als de anderen gebonden te worden, en dus was onze overwinning
voltooid.
Nu bleef er slechts over, dat de kapitein en ik elkander mededeelden wat
ons overkomen was. Ik begon het eerst en verhaalde hem mijne geheele
geschiedenis, die hij met opmerkzame verbazing aanhoorde, bijzonder over
de wondervolle wijze, waarop ik met levensmiddelen en kruid en lood
voorzien was geworden; en daar inderdaad mijne geheele geschiedenis eene
reeks van wonderen is, trof dezelve hem diep; maar wanneer hij
vervolgens om zichzelven dacht, en hoe ik scheen gespaard te zijn om hem
het leven te redden, liepen de tranen hem over het gelaat, en hij was
niet in staat een woord te uiten.
Na deze mededeeling bragt ik hem en zijne twee makkers in mijn vertrek,
langs denzelfden weg, waarop ik er uitgekomen was, zette hun zoodanige
verkwikkingen voor als ik had, en wees hun al de inrigtingen, die ik
gedurende mijn lang, lang verblijf in deze plaats had tot stand gebragt.
Zij verwonderden zich over al wat ik hun aanwees, al wat ik hun
verhaalde, maar bovenal stond de kapitein verbaasd over mijne
verschansingen, en hoe volkomen ik mijn verblijf had verborgen door eene
reeks van boomen, die daar zij nu omstreeks twintig jaren gestaan
hadden, en het hout hier veel sneller groeide dan in Engeland, een klein
bosch en zoo digt was geworden, dat het overal ondoordringbaar was
geworden, behalve op die plaats waar een smal kronkelend pad liep. Ik
verhaalde hem, dat dit mijn kasteel en residentie was; maar dat ik,
gelijk de meeste vorsten een landverblijf had, waar ik nu en dan
heentrok, en dat ik hem bij gelegenheid zou aanwijzen, maar thans was
het zaak te bedenken hoe wij ons weder van het schip zouden meester
maken. Hij stemde zulks toe, maar bekende, dat hij volstrekt niet wist
wat maatregelen te nemen, want dat er nog zesentwintig man aan boord
waren, die daar zij in eene muiterij hadden deel genomen, waardoor zij
volgens de wet het leven verbeurd hadden, thans door wanhoop gedreven,
daarin zouden volharden, wetende, dat als zij zich onderwierpen, de galg
hun lot zou zijn, zoodra zij in Engeland of een der Engelsche koloniën
kwamen, en dat het derhalve ongeraden zou zijn hen met ons klein getal
aan te tasten.
Ik dacht eenigen tijd na over hetgeen hij gezegd had, en vond zijne
gevolgtrekking allezins gegrond, en dat er derhalve tot nog niets anders
kon gedaan worden, dan het volk aan boord door verrassing in een
valstrik te lokken, zoodat zij niet aan land kwamen en ons vermoordden.
Het viel mij thans in, dat het scheepsvolk, niet begrijpende wat er van
hunne makkers en van de sloep geworden was, zeker binnen korten tijd in
de andere boot aan land zou komen, om hen op te zoeken, en dat zij dan
misschien gewapend en met te groote overmagt voor ons zouden komen; dit
moest hij ook toestemmen.
Ik zeide hem daarop, dat het eerst wat ons te doen stond, was, een gat
in de sloep, die op het strand stond, te maken, en er alles uit te
nemen, zoodat zij onbruikbaar werd en geen zee kon bouwen. Diensvolgens
gingen wij er heen, namen er de wapens uit en wat wij er verder in
vonden, hetgeen bestond uit eene flesch brandewijn en eene met rum,
eenige scheepsbeschuiten, een kruidhoorn en een groot stuk suiker, in
een zeildoekschen zak; het stuk suiker was vijf of zes pond zwaar; en
dit alles was mij hoogst welkom, vooral de brandewijn en suiker, die ik
sedert vele jaren niet geproefd had. Toen wij dit alles aan wal gebragt
hadden (de riemen, mast, zeil en roer hadden wij, gelijk ik gezegd heb,
er reeds vroeger uitgenomen), hakten wij een groot gat in den bodem,
zoodat als zij in te groot getal voor ons kwamen, om hen te
overmeesteren, zij toch de boot niet konden medenemen.
Ik had er weinig gedachten op, dat wij in staat zouden zijn het schip te
herwinnen; maar ik begreep, dat als zij vertrokken zonder de boot mede
te nemen, het ons gemakkelijk zou vallen die weder in staat te brengen,
om ons naar de benedenwinds eilanden te brengen, en onze vrienden, de
Spanjaarden, onder weg op te nemen, want ik had hen niet vergeten.
Terwijl wij aldus onze toebereidselen maakten, en met alle man de boot
zoo hoog op het strand haalden, dat zij met hoog water niet weder vlot
kon komen, en er bovendien een gat van onderen in gehakt hadden, te
groot om gemakkelijk te stoppen, en zaten te overdenken wat ons thans te
doen stond, hoorden wij van het schip een schot doen, en zagen het eene
vlag hijschen, als een sein voor de boot om terug te keeren; maar er
kwam geene boot opdagen, en zij deden verscheidene schoten en maakten
andere seinen voor de boot.