mijn schot bewaren wilde, daar ik den Spanjaard mijne pistool en sabel
had gegeven; ik riep Vrijdag dus, en zond hem terug naar den boom
vanwaar wij het eerst gevuurd hadden, om de ongeladen geweren te halen,
die wij daar hadden laten liggen, hetgeen hij met groote vlugheid deed;
en na hem mijn geweer gegeven te hebben, ging ik zitten om de anderen
weder te laden; en gelastte hem naar mij toe te komen als hij ze noodig
had. Terwijl ik ze laadde geraakte de Spanjaard in een fel gevecht met
een der wilden, die hem met een dier houten zwaarden aanviel, hetzelfde
wapen, waarmede hij zou geslagt zijn geworden, als ik het niet belet
had. De Spanjaard, die ofschoon zwak, zoo moedig was als een leeuw, had
dezen Indiaan eene geruime poos bevochten en hem twee wonden aan het
hoofd toegebragt; maar de wilde, een kloeke sterke kerel zijnde, had den
afgematten man nedergeworpen en trachtte hem mijne sabel uit de hand te
wringen, toen de Spanjaard, hoewel onderliggende, wijsselijk de sabel
losliet, mijne pistool uit zijn gordel trok en den Indiaan door het
ligchaam schoot, zoodat hij op de plek dood bleef, alvorens ik, die hem
te hulp kwam, bij hem was gekomen.
Vrijdag, die nu naar eigen willekeur handelen kon, vervolgde de
vlugtende wilden met geen ander wapen dan zijne bijl, en hiermede maakte
hij de drie af, die gelijk ik gezegd heb, bij het eerste schot gevallen
waren, en al die hij verder bereiken kon. Den Spanjaard, die mij om een
geweer vroeg, gaf ik een der jagtgeweren, waarmede hij twee wilden
vervolgde, en ze beide kwetste; maar daar hij bezwaarlijk loopen kon,
ontsnapten zij hem beide in het bosch, waar Vrijdag ze vervolgde, en er
een van doodde; maar de andere was hem te vlug af; en ofschoon gewond,
sprong hij echter in zee, en zwom uit al zijne magt naar de twee, die
nog in de kanoe waren, welke drie personen, waaronder een gekwetste, die
wij niet wisten of hij leven kon of niet, alles was wat ons van de
eenentwintig ontsnapte. Zie hier den uitslag van het gevecht.
3 Gedood bij ons eerste vuur van den boom.
2 Gedood bij het volgende schot.
2 Door Vrijdag in de kanoe gedood.
2 Gekwetsten, door Vrijdag afgemaakt.
1 Door hem in het bosch gedood.
3 Door den Spanjaard gedood.
4 Dooden, hier en daar gevonden, aan hunne wonden gestorven
of door Vrijdag afgemaakt.
4 Ontsnapt in de boot, waaronder een gewond of dood.
----
21 in het geheel.
Die in de kanoe waren roeiden zoo hard zij konden om buiten ons schot te
komen, en hoewel Vrijdag twee of drie schoten op hen deed, kon ik niet
bespeuren, dat hij een hunner getroffen had. Vrijdag had wel gewild, dat
ik een hunner kanoes genomen en hen vervolgd had; hunne ontvlugting
baarde mij ook veel zorg, uit vrees, dat zij, na hunnen landslieden deze
tijding gebragt te hebben, misschien met twee of driehonderd kanoes
terug mogten keeren, en ons door hun aantal overweldigen. Ik gaf dus
mijn toestemming hen op zee te vervolgen, sprong in een der kanoes en
gelastte Vrijdag mij te volgen; maar in de kanoe gekomen stond ik niet
weinig verwonderd daar nog een levend wezen in te vinden, even als de
Spanjaard aan handen en voeten gebonden om geslagt te worden, en schier
dood van schrik, niet wetende wat er gebeurde, daar hij niet over de
zijde der kanoe heen had kunnen zien; hij was zoo stijf gebonden, en zoo
lang gekneveld geweest, dat er schier geen leven meer in hem was.
Oogenblikkelijk sneed ik de gestrengelde biezen los, waarmede zij hem
gebonden hadden; en wilde hem ophelpen; maar hij kon niet staan of
spreken; maar kermde jammerlijk, meenende naar het schijnt, dat hij
alleen losgemaakt werd om geslagt te worden.
Toen Vrijdag er bij kwam, gelastte ik dezen hem zijne bevrijding bekend
te maken, en mijne flesch uithalende, gaf ik den armen drommel een slok,
hetwelk, met de tijding van zijne bevrijding, hem weder bij bragt, en
hij ging in de kanoe zitten; maar toen Vrijdag hem hoorde spreken en hem
in het gelaat zag, zou het iedereen tot tranen bewogen hebben, die
gezien had hoe Vrijdag hem kuste, omhelsde en troetelde, hoe hij
schreeuwde, lachte, juichte, sprong, danste, zong, dan weder schreeuwde,
de handen wrong, zich op het gelaat en de borst sloeg, en dan weder als
een razende danste en sprong. Het duurde eene geruime poos eer ik het
zoo ver brengen kon, dat hij tot mij sprak en mij zeide wat er van de
zaak was, maar toen hij een weinig tot zichzelven kwam verhaalde hij
mij, dat dit zijn vader was.
Ik zou moeijelijk kunnen uitdrukken hoe het mij trof, toen ik zag hoe
krachtig de verrukking en kinderliefde waren bij dezen wilde, toen hij
zijn vader, en dat wel van den dood gered wederzag; ik kan inderdaad
niet half al de volgende uitsporige blijken zijner kinderlijke liefde
beschrijven, want hij was nu eens in de kanoe en dan weder er uit. Als
hij er in kwam, ging hij naast zijn vader zitten en hield diens hoofd
tegen zijne borst gedrukt, gelijk eene moeder haren zuigeling, een half
uur achtereen om hem te koesteren; dan nam hij zijne armen en beenen,
die geschaafd en stijf van het binden waren, en verwarmde en wreef die
met zijne handen; en ik dit ziende gaf hem wat rum uit mijne flesch om
ze te wrijven, hetgeen ze zeer veel goed deed.
Dit maakte een einde aan onze vervolging van de andere kanoe met de
wilden, die thans genoegzaam uit het gezigt geraakt was, en dit was een
geluk voor ons, want twee uren later woei het zoo hard, terwijl zij nog
geen kwartier ver konden zijn, en het bleef den geheelen nacht zoo hard
uit het noordwesten doorstormen, dat ik niet onderstellen kon, dat bij
dien zwaren tegenwind hunne kanoe zee kon bouwen noch zij hunne kust
bereiken konden.
Doch om tot Vrijdag terug te keeren: hij had het zoo druk met zijn
vader, dat het mij eenigen tijd niet van het hart kon hem te roepen,
maar eindelijk deed ik het, en hij kwam lagchende en dansende naar mij
toe. Ik vroeg hem of hij zijn vader wat brood had gegeven. Hij schudde
het hoofd, en zeide: "Neen, ik slechte kerel, alles opgegeten heb." Ik
gaf hem dus een stuk, dat ik nog in mijn zak had, voor zijn vader en een
slok rum voor hem, maar hij wilde het niet drinken maar bragt het ook
aan zijn vader. Ik had twee of drie trossen rozijnen in mijn zak, die ik
hem ook gaf voor hem en zijn vader. Maar naauwelijks had hij dit gedaan,
of ik zag hem uit de kanoe springen en wegloopen alsof hij dol was. Hij
liep zoo vlug (ik heb nimmer iemand gezien, die zoo snel kon loopen als
hij) dat hij in een oogenblik uit het gezigt was, en of ik hem toeriep
en naschreeuwde, het hielp niet. Een kwartier daarna zag ik hem
terugkomen, schoon niet zoo snel als vroeger, omdat hij iets droeg, en
naderbij gekomen, zag ik, dat het eene pot met water was.
Toen hij bij mij kwam zag ik, dat hij een aarden pot of pan gehaald had
om zijn vader wat zoet water te brengen, en hij had ook een paar koeken
of brooden medegebragt. Het brood gaf hij mij, maar het water bragt hij
aan zijn vader, hoewel ik, die zeer dorstig was, er ook een slokje van
nam. Het water verkwikte zijn vader meer dan al de sterke drank, dien ik
hem gegeven had, want hij bezweek schier van dorst. Toen zijn vader
gedronken had, riep ik hem of er nog water over was, en daar hij ja
zeide, gelastte ik hem dit aan den armen Spanjaard te geven, die het
even hoog noodig had als zijn vader, en ik zond tevens een stuk brood
naar dien man, die zeer afgemat was, en in de schaduw van een boom lag
uit te rusten, en wiens leden ook zeer stijf en gezwollen waren van het
zware knevelen, dat men hem gedaan had. Ik zag, dat toen Vrijdag met het
water bij hem kwam, hij overeind ging zitten en dronk en ook een stuk
brood at; ik ging dus naar hem toe en gaf hem ook een tros rozijnen. Hij
zag mij aan met een gelaat, waarop de dankbaarheid ten duidelijkste te
lezen stond, maar was zoo zwak, niettegenstaande hij zich in het
gevecht zoo dapper geweerd had, dat hij niet opstaan kon; hij beproefde
het twee of drie malen, maar kon niet op de been komen; zijne enkels
waren zoo gezwollen en zoo pijnlijk, dat ik hem verzocht te blijven
zitten en Vrijdag gelastte zijne beenen te wrijven en met rum te
wasschen, gelijk hij zijn vader gedaan had.
Gedurende al den tijd, dat hij dit deed, vergingen er geen twee minuten
of de arme jonge keerde het hoofd om, om te zien of zijn vader nog op
dezelfde plaats en in dezelfde houding zat, waarin hij hem verlaten had,
en toen hij eindelijk hem eens niet zag, sprong hij, zonder een woord te
spreken op, en liep er zoo snel naar toe, dat het scheen alsof zijne
voeten den grond niet raakten, maar bij hem komende bespeurde hij, dat
hij alleen gemakshalve was gaan liggen. Dus kwam hij tot mij terug, en
ik zeide den Spanjaard, dat Vrijdag hem zou helpen om als hij kon naar
de boot te gaan, en dan zou ik hem naar onze woning voeren om verder
voor hem te zorgen; maar Vrijdag, die een sterke knaap was, nam den
Spanjaard op zijn rug en droeg hem zoo naar de boot, zette hem
voorzigtig op het boord van de kanoe, met zijne voeten er in, ligtte hem
vervolgens er geheel in en zette hem naast zijn vader, en vervolgens de
boot afzettende, pagaaide hij die langs de kust sneller dan ik loopen
kon, schoon het vrij hard woei. Zoo bragt hij ze behouden in de kreek,
en hen in de boot latende, liep hij heen om de andere kanoe te halen.
Terwijl hij mij voorbij liep vroeg ik waar hij heenging. Hij zeide:
"Meer boot halen," en weg vloog hij als de wind, want nimmer liep een
mensch of paard harder, en hij was met de andere kanoe bijkans zoo
spoedig aan de kreek als ik er over land kwam, dus haalde hij mij over,
en ging toen onze nieuwe gasten uit de boot halen, maar zij waren geen
van beide in staat om te loopen, dus wist de arme Vrijdag niet wat hij
doen zou.
Om hier te helpen, spande ik mijne hersens in, en toen Vrijdag roepende,
zeide ik hem hen te verzoeken op het strand te blijven zitten. Spoedig
had ik daarop eene soort van draagbaar gemaakt en Vrijdag en ik droegen
hen daarop tusschen ons in. Maar aan onzen buitenwal gekomen, waren wij
nog meer in verlegenheid, want het was ons onmogelijk hen er over te
helpen, en ik wilde die niet gaarne afbreken. Vrijdag en ik gingen dus
weder aan het werk, en binnen een paar uren hadden wij een vrij knappe
tent opgeslagen, met oude zeilen en daarover takken bedekt, op de opene
plek, tusschen mijn buitenste schans en de streek jong hout, door mij
geplant, en hier maakten wij hun twee bedden van hetgeen ik had,
namelijk van rijsten stroo, met dekens er over om op te liggen, en op
ieder bed een deken om hen te dekken.
Nu was mijn eiland bevolkt, en ik achtte mij reeds ruim voorzien van
onderdanen, en verheugde mij thans dikwijls met het denkbeeld hoeveel ik
van een koning had. In de eerste plaats was het eiland geheel en al mijn
eigendom, zoodat mijn regt van heerschappij onbetwistbaar was. Ten
tweede was mijn volk mij volkomen onderdanig; ik was hun oppermagtig
heer en wetgever; zij hadden allen hun leven aan mij te danken, en waren
bereidwillig hun leven voor mij op te offeren, als daartoe de
gelegenheid zich opdeed. Het was ook opmerkelijk, dat hoewel ik slechts
drie onderdanen had, deze allen een verschillend geloof hadden. Vrijdag
was een Protestant, zijn vader een Heiden en Kannibaal, en de Spanjaard
een Roomschgezinde. Ik liet echter door mijn geheele gebied, volkomen
vrijheid van godsdienst heerschen. Doch dit in het voorbijgaan.
Naauwelijks had ik mijne twee verloste, zwakke gevangenen te huis
gebragt, en hun huisvesting en eene slaapplaats verschaft, of ik begon
aan eenigen leeftogt voor hen te denken. Het eerste wat ik deed was
Vrijdag te gelasten een halfwassen, eenjarige geit uit mijne kudde, te
dooden; ik nam daarop het achterdeel, en hakte dat aan kleine stukjes;
daarop zette ik Vrijdag aan het koken en braden, en maakte hun een zeer
goeden maaltijd van vleesch en soep gereed; in welke laatste ik ook
eenige rijst en wat koren gedaan had; en na het buiten's huis gekookt te
hebben, want ik stookte nimmer vuur binnen mijne schans, bragt ik het
eten naar de nieuwe tent. Na eene tafel voor hen geplaatst te hebben,
ging ik met hen het middagmaal houden, en sprak hen zooveel mogelijk
moed in, met behulp van Vrijdag, die mijn tolk was bij zijn vader, en
ook bij den Spanjaard, want deze sprak de taal der wilden zeer goed.
Na gegeten te hebben, gelastte ik Vrijdag eene kanoe te nemen en onze
geweren en andere wapens te halen, die wij in de haast op het slagveld
hadden laten liggen, en den volgenden dag zond ik hem uit om de lijken
der gedoode wilden te gaan begraven, die thans in de zon lagen, en
tevens de overblijfselen van hun afschuwelijk gastmaal onder den grond
te bedelven. Ik kon er niet aan denken dit zelf te doen, noch zelfs het
aan te zien als ik dien kant uitging. Dit alles volbragt hij zeer stipt,
en deed zelfs alle sporen, dat hier wilden geweest waren, verdwijnen,
zoodat toen ik weder dien kant uitkwam, ik niet vinden kon waar het
geweest was, dan aan den hoek van het bosch, die zich naar het strand
uitstrekte.
Ik begon toen mij een weinig te onderhouden met mijne twee nieuwe
onderdanen, en het eerst deed ik Vrijdag aan zijn vader vragen wat hij
dacht van de vlugt dier wilden in de kanoe, en of wij mogten verwachten
hen te zien terugkeeren met eene overmagt, die wij niet zouden kunnen
wederstaan. Zijne eerste meening was, dat de wilden nimmer den storm
zouden hebben kunnen doorstaan, die des avonds, nadat zij vertrokken
waren, was opgestoken, maar dat zij noodwendig verdronken of zuidwaarts
verder op de kust moesten geslagen zijn, en dan zouden zij even zeker
geslagt worden. Maar wat zij doen zouden als zij behouden aan hunne kust
kwamen, wist hij niet, maar hij was van meening, dat de wijze waarop zij
overvallen waren geworden, dat de schoten en het vuur hun zooveel schrik
zouden aangejaagd hebben, dat zij hunnen landslieden zouden zeggen, dat
zij door donder en bliksem en niet door menschenhanden gedood waren; en
dat de twee, die zij gezien hadden (namelijk Vrijdag en ik) geen
gewapende menschen, maar twee hemelsche of helsche geesten waren,
gekomen om hen te verdelgen. Dit wist hij, zeide hij, omdat hij hen dit
in hunne taal elkander had hooren toeroepen, want het was hun onmogelijk
te begrijpen, dat een man vuur spuwen en donder spreken en van uit de
verte dooden kon, zonder de hand op te heffen, gelijk thans geschied
was.--De oude wilde had gelijk, want gelijk ik naderhand langs een
anderen weg vernam, de wilden uit die streek hebben nimmer weder
beproefd het eiland te naderen. Zij waren zoo ontzet door het verhaal
van die vier menschen, (want deze waren naar het schijnt, niet op zee
vergaan) dat zij geloofden, dat ieder, die zich op dit betooverd eiland
waagde, door de goden met vuur zou verdelgd worden. Ik, die dit echter
niet wist, bleef een geruimen tijd in aanhoudende vrees, en was altijd
op mijne hoede, met mijn geheele leger, en daar wij nu met ons vieren
waren, zou ik mij altijd tegen honderd van hen in het open veld gewaagd
hebben.
Daar er echter na eene poos geene kanoes kwamen opdagen, sleet de vrees
voor hunne komst uit, en ik begon mijne vroegere denkbeelden van een
togt naar het vaste land weder op te vatten, daar nu ook Vrijdags vader
mij verzekerd had, dat ik door hem op een goed onthaal bij zijn volk
mogt rekenen als ik daarheen ging.
Echter schorste ik mijn voornemen eenigen tijd op, na een ernstig
gesprek met den Spanjaard, en toen ik vernam, dat er nog zestien zijner
landslieden en Portugezen, in den storm daar het leven gered hadden, en
daar wel in vrede met de wilden leefden, maar niets meer ontvingen dan
hoog noodig was om niet van honger te sterven. Ik vroeg hem al de
bijzonderheden zijner reis, en vernam, dat zij op een Spaansch schip
behoord hadden van Rio de la Plata naar Havanna bestemd, met last om
daar hunne lading, die hoofdzakelijk uit huiden en zilver bestond, te
lossen, en zoodanige Europesche goederen als zij daar konden vinden,
terug te brengen; dat zij vijf Portugesche matrozen aan boord hadden
gehad, die door hen van een ander wrak gered waren; dat bij het vergaan
van hun schip vijf man van hun eigen volk verdronken waren, en dat de
geredden onnoemelijke gevaren hadden doorgestaan, en half dood van
honger op de Kannibaalsche kust gekomen waren, waar zij verwachtten elk
oogenblik vermoord te zullen worden.
Hij verhaalde mij, dat zij eenige wapens hadden, die hun echter
volstrekt van geen nut waren, omdat zij kruid noch lood hadden; het
zeewater had al hun kruid bedorven, op een klein weinig na, dat zij
gebruikt hadden toen zij het eerst aan land waren gekomen, om zich eenig
voedsel te verschaffen. Ik vroeg hem wat hij dacht, dat er daar van hen
worden zou, en of zij geen plan tot ontvlugting ooit gemaakt hadden.
Hierover zeide hij, hadden zij dikwijls beraadslaagd, maar daar zij noch
vaartuigen, noch werktuigen om ze te bouwen, bezaten, noch eenigen
voorraad hoegenaamd, was hunne overlegging altijd in wanhoop en tranen
geëindigd. Ik vroeg hem hoe hij dacht, dat een voorstel van mij ten
aanzien van hunne redding, zou opgenomen worden, en of dit niet
geschieden kon als zij allen hier waren. Ik zeide hem ronduit, dat ik
bovenal vreesde voor verraad en mishandeling van hunnentwege, als ik
mijn leven in hunne handen stelde, want dat de dankbaarheid geene
aangeboren deugd der menschen is; en dewijl de menschen niet alleen
handelen naar gelang van hunne verpligtingen, maar veeleer naar het
voordeel, dat zij verwachten. Ik zeide hem, dat het zeer hard zou zijn,
als ik de bewerker hunner bevrijding was, en dat zij mij naderhand in
Nieuw-Spanje tot hun gevangene maakten, waar een Engelschman van zijn
dood zeker was, welke nooddwang of welk toeval hem ook derwaarts voerde,
en dat ik liever aan de wilden overgeleverd en geslagt wilde worden, dan
in de onbarmhartige handen der inquisitie te vallen. Ik voegde er bij,
dat ik mij overigens overtuigd hield, dat zoo zij allen hier waren, wij
een boot konden bouwen, groot genoeg om ons allen of zuidwaarts naar
Brazilië of de eilanden, of noordwaarts naar de Spaansche kust te
voeren; maar, dat als zij ter vergelding, als ik hen eens wapens in de
hand had gegeven, mij met geweld naar hun eigen land voerden, mijne
goedheid jegens hen slecht beloond worden, en ik er erger aan toe zijn
zou dan vroeger.
Hij antwoordde met veel openhartigheid en verstand, dat hun toestand zoo
jammerlijk was, en zij dit zoo zeer inzagen, dat hij geloofde, dat zij
het denkbeeld van iemand, die iets tot hunne bevrijding had bijgedragen,
ondankbaar te behandelen, zouden verafschuwen; en dat hij, als ik het
verkoos, met den ouden man naar hen toe zou gaan, er met hen over
spreken, en mij hun antwoord terug komen brengen; dat hij hen een
plegtigen eed zou afeischen, dat zij zich geheel onder mijn bevel
stelden, als hun kapitein en bevelhebber; en dat zij mij op de Heilige
Sacramenten en het Evangelie trouw zouden zweren, en naar zoodanig
Christenland gaan als ik verlangde, en naar geen ander; dat zij zich
geheel en volkomen onder mijne orders zouden beschouwen tot wij behouden
geland waren, in zoodanig land als ik verkoos, en dat hij een contract
daarover, door hen onderteekend, zou medebrengen.
Vervolgens zeide hij, dat hij zelf eerst wilde zweren mij nimmer,
zoolang hij leefde, te zullen verlaten, zonder mijn bevel, en dat hij
zijn laatsten druppel bloed voor mij zou vergieten; als zijne
landslieden zich aan de minste verbreking hunner beloften schuldig
maakten.
Hij verhaalde mij, dat het allen zeer beschaafde, brave lieden waren,
die zich in den jammerlijksten toestand bevonden, dien men zich kan
verbeelden, daar zij noch wapens, noch kleederen, noch eenig voedsel
hadden, maar geheel van de genade der wilden afhingen, en dat hij
verzekerd was, dat, als ik ondernam hen te verlossen, ik in leven en
dood op hen kon rekenen.
Op deze verzekeringen besloot ik het te wagen hen zoo mogelijk te
verlossen, en den ouden wilde en den Spanjaard naar hen toe te zenden,
om met hen te onderhandelen. Maar toen de Spanjaard gereed stond om te
vertrekken, maakte hij zelf mij een zwarigheid, die aan den eenen kant
zoo gegrond was, en aan den anderen kant zoo van zijne opregtheid
getuigde, dat ik niet anders dan met hem instemmen kon, en naar zijn
raad, de bevrijding zijner makkers, ten minste een half jaar uitstelde.
Het geval was namelijk dit.
Hij was nu ongeveer eene maand bij mij geweest, gedurende welke ik hem
had laten zien hoe ik, met bijstand der Voorzienigheid, voor mijn
levensonderhoud gezorgd had; en hij zag toen mijn voorraad van rijst en
graan, die hoewel meer dan genoeg voor mij zelven, echter niet voldoende
was, ten minste slechts schraal, voor mijn nieuw gezin, nu dit uit vier
personen bestond; maar nog veel minder zou het genoeg zijn als zijne
landslieden, waarvan, gelijk hij zeide, nog veertien in leven waren,
overkwamen, en nog veel minder was er genoeg om ons vaartuig te
provianderen, als wij er een gebouwd hadden, voor eene reis naar een
der vestigingen in Amerika. Dus zeide hij mij, dat hij het raadzamer
achtte, als ik hem en de twee anderen nog eenig land liet omspitten en
bezaaijen, met zooveel zaaikoren als ik thans besparen kon, opdat wij
genoeg graan in voorraad mogten hebben voor zijne landslieden, als die
komen mogten; want het gebrek mogt hen in verzoeking brengen om hunne
belofte te verbreken, en zij zich slechts uit de eene ongelegenheid in
de andere gestort zien. "Gij weet," zeide hij, "dat schoon de kinderen
Israëls zich eerst verheugden over hunne verlossing uit Egypte, zij
echter tegen God zelf, die hun verlost had, opstonden, toen zij in de
woestijn aan brood gebrek leden."
Zijne omzigtigheid was zoo prijsselijk en zijn raad zoo goed, dat ik
niet dan genoegen in zijn voorstel kon nemen, zoowel als voldaan zijn
over zijne getrouwheid. Dus gingen wij alle vier aan het spitten, zoo
goed als dit met onze houten spaden ging, en ongeveer na eene maand,
wanneer het zaaitijd was, hadden wij zooveel land ontgind, dat wij
tweeëntwintig schepels graan en zestien potten rijst zaaiden, hetwelk al
het zaaikoren was, dat wij missen konden, zelfs hielden wij naauwelijks
genoeg graan over voor ons eigen voedsel, voor de zes maanden, waarin
wij op onzen oogst moesten wachten, dat wil zeggen, te rekenen van den
tijd, dat wij ons zaaikoren hadden afgezonderd, want men moet niet
onderstellen, dat het daar te lande zes maanden in den grond bleef.
Daar ik nu gezelschap had, en wij ook talrijk genoeg waren om niets te
vreezen van de wilden, als die gekomen waren, tenzij hun aantal
bovenmate groot was, gingen wij zoo dikwijls wij er den tijd toe hadden,
het geheele eiland door; en daar nu onze bevrijding ons steeds voor den
geest zweefde, was het ons, althans mij, onmogelijk niet telkens de
middelen daartoe te overdenken. Te dien einde merkte ik verscheidene
boomen, die ik voor ons werk geschikt achtte, en zette Vrijdag en zijn
vader aan het vellen daarvan, en dan liet ik den Spanjaard, wien ik
mijne gedachten daaromtrent mededeelde, hun werk nagaan en bestieren. Ik
wees hem met wat onvermoeiden arbeid ik zware boomen tot planken had
gekapt, en liet hem hetzelfde verrigten, tot zij ongeveer een dozijn
eikenhouten planken bijeen hadden, van bijkans twee voet breed,
vijfendertig voet lang en van twee tot vier duim dik. Welke ontzettende
arbeid dit vereischte, zal iedereen ligt begrijpen.
Te gelijker tijd trachtte ik mijne kudde van tamme geiten zooveel
mogelijk te vermenigvuldigen, en te dien einde gingen Vrijdag en de
Spanjaard den eenen dag, en Vrijdag en ik den anderen dag, beurtelings
uit, en vingen ongeveer twintig jonge geiten, om bij de overigen op te
kweeken, want als wij de moeder doodschoten, spaarden wij de jongen en
voegden die bij onze kudde. Maar vooral deed ik, toen de tijd tot het
droogen van druiven gekomen was, zulk eene groote menigte in de zon
hangen, dat ik geloof, als wij te Alicante, waar men de druiven in de
zon droogt, geweest waren, wij zestig tot tachtig vaten gevuld zouden
hebben. Deze maakten met ons brood, grootendeels onze spijs uit; en het
was een zeer goed voedsel, dat kan ik verzekeren, want zij zijn zeer
voedzaam.
Het was nu herfst en de oogst stond zeer goed. Wel was hij niet zoo
overvloedig als ik wel eens beleefd had, maar toch voor ons oogmerk
voldoende, want van de tweeëntwintig schepels zaaikoorn, oogstten en
dorschten wij ongeveer tweehonderd-en-twintig schepels, en van de rijst
naar evenredigheid; hetwelk voor ons voedsel genoeg was tot aan den
volgenden oogst, al waren ook al de zestien Spanjaarden bij mij geweest,
of zoo wij tot eene reis gereed waren hadden wij hiermede ons ruim
kunnen provianderen voor eene reis naar iedere plaats, dat is te zeggen
van Amerika. Toen wij aldus ons koorn te huis gehaald hadden, gingen wij
aan het vlechten van groote manden om het in te bewaren, waarin de
Spanjaard vooral zeer handig was, die mij dikwijls laakte, dat ik
hiervan geene verdedigingsmiddelen maakte, maar ik zag er de
noodzakelijkheid niet van in.