Toen wij op zekeren dag weder op dienzelfden heuvel waren, maar met

mistig weder, zoodat wij het vaste land niet zien konden, riep ik hem en

zeide: "Vrijdag, zoudt gij niet gaarne in uw land, onder uw eigen volk

willen terugzijn?"--"Ja," zeide hij. "O hoe blijd zou ik weer bij mijn

volk zijn."--"Wat zoudt gij daar doen," zeide ik, "zoudt gij weder een

wilde worden, gelijk te voren, en menschenvleesch eten?"--Hij zette een

ernstig gelaat en schudde het hoofd, zeggende: "Neen, Vrijdag zou hun

zeggen braaf te leven, hun zeggen God te bidden, hun zeggen brood te

bakken, vleesch van dieren te eten, melk te drinken, geen

menschenvleesch eten."--"Maar," hernam ik, "dan zouden zij u doodslaan."

Hij zette weder een ernstig gezigt, en zeide: "Neen, zij mij niet

dooden, willen gaarne leeren." Hij voegde er verder bij, dat zij veel

leerden van de mannen met baarden uit de boot. Daarop vroeg ik hem of

hij naar hen terug wilde keeren. Glimlagchend zeide hij, dat hij zoo ver

niet zwemmen kon. Ik zeide, dat ik eene kanoe voor hem wilde maken. Hij

antwoordde wel te willen gaan als ik mede ging. "Ik!" zeide ik; "wel zij

zouden mij opeten als ik daar kwam."--"Neen, neen," zeide hij, "ik zal

maken dat zij u niet eten, maken, dat zij u veel liefhebben." Hij zou

hun zeggen, voegde hij er bij, hoe ik zijne vijanden gedood en hem het

leven gered had, en zoo zou hij maken dat zij mij liefhadden. Daarop

verhaalde hij mij zoo goed hij kon, hoe welgezind zij waren jegens die

zeventien blanken of gebaarde mannen, gelijk hij ze noemde, die daar op

het strand schipbreuk hadden geleden.

Ik moet bekennen, dat ik, van dit oogenblik af begon te verlangen om een

overtogt te wagen, en te zien of ik welligt bij die gebaarde mannen

komen kon, die ik niet twijfelde, dat Spanjaarden of Portugezen waren.

Ik begreep, dat wij welligt daar, op het vaste land en met gezelschap,

beter eenig middel zouden vinden om te ontkomen, dan ik alleen, op een

eiland, en veertig (Eng.) mijlen van den vasten wal en zonder hulp. Na

eenige dagen bragt ik het gesprek met Vrijdag weder hierop, en zeide

hem, dat ik hem eene boot wilde geven om naar zijn volk terug te keeren,

en bragt hem daarop naar mijne boot, die aan de andere zijde van het

eiland lag, en na het water er uit geschept te hebben (want ik liet die

altijd onder water liggen) haalde ik ze uit, wees ze hem en wij gingen

er beide in.

Ik zag, dat hij er zeer goed mede te regt kon, en ze bijkans zoo snel

roeide als ik; toen hij er dus in was, zeide ik: "Wel, Vrijdag, willen

wij nu naar uwe natie gaan?" Hij scheen over dit gezegde zeer verslagen,

naar het schijnt, omdat hij begreep, dat de boot daartoe te klein was.

"Ik heb nog een grooter," zeide ik, en dus bragt ik hem den volgenden

dag naar de boot, die ik het eerst gemaakt had, maar welke ik niet te

water had kunnen brengen. Hij zeide, dat deze groot genoeg was, maar

daar ik er geen zorg voor gedragen had, en zij daar drieëntwintig jaren

gelegen had, was zij door de zon vaneen gespleten, uitgedroogd en half

vermolmd. Vrijdag zeide, dat zulk eene boot goed was, en genoeg eten en

drinken kon meenemen, zoo als hij zich uitdrukte.

Mijn voornemen om met hem naar het vaste land over te steken, had thans

zoo diep wortel bij mij geschoten, dat ik hem zeide, dat wij er eene

zouden maken, die even groot was, en dat hij daarmede vertrekken kon.

Hij antwoordde niet, maar zag er zeer bedrukt uit. Ik vroeg wat hem

deerde. Hij antwoordde met de vraag waarom ik boos op Vrijdag was? Wat

hij mij gedaan had? Ik vroeg wat hij hiermede bedoelde, en zeide, dat ik

in het geheel niet boos op hem was. "Niet boos! niet boos!" herhaalde

hij verscheidene malen, "waarom wilt gij dan Vrijdag naar zijn volk

terugzenden?"--"Wel," zeide ik, "hebt gij niet gezegd, dat gij wenschte

daar te zijn, Vrijdag?"--"Ja, ja," zeide hij, "ik wenschte, dat wij

beiden daar waren, Vrijdag daar niet, als meester daar niet

is."--Kortom, hij wilde er niet aan denken daarheen te gaan zonder mij.

"Zou ik daarheen gaan, Vrijdag?" hernam ik, "wat zou ik daar doen?"

Driftig keerde hij zich naar mij toe, en zeide: "Gij daar zeer veel goed

doen, gij leeren de wilden goede, brave menschen zijn, gij hun leeren

God kennen, God bidden en een nieuw leven leiden."--"Helaas, gij weet

niet wat gij zegt, Vrijdag," hernam ik, "ik ben zelf een onwetend

mensch."--"Ja, ja," vervolgde hij, "gij mij goed leeren, gij hun ook

goed leeren."--"Neen," zeide ik, "gij zult zonder mij gaan Vrijdag, en

mij hier alleen laten leven, gelijk vroeger." Hij zag er zeer verslagen

uit, en daarop spoedig eene bijl halende, die hij gewoonlijk bij zich

droeg, gaf hij mij die in de hand. "Wat moet ik daarmede doen?" vroeg

ik. "Gij Vrijdag doodslaan," zeide hij. "Waarom zou ik u doodslaan?"

vroeg ik weder. Hij antwoordde driftig: "Waarom gij Vrijdag wegzenden?

Vrijdag doodslaan, Vrijdag niet wegzenden." Dit sprak hij zoo ernstig,

dat ik een traan in zijne oogen zag. Kortom, ik ontdekte zoo duidelijk

in hem de uiterste genegenheid jegens mij en zijn vast besluit, dat ik

hem toen zeide, en naderhand dikwijls herhaalde, dat ik hem nimmer zou

wegzenden als hij bij mij wilde blijven.

Daar ik over het geheel in al zijne woorden zulk eene gehechtheid aan

mij vond, en dat niets hem mij zou doen verlaten, begreep ik, dat de

grondoorzaak van zijn verlangen om zijn vaderland terug te zien, uit de

vurige liefde voor zijn volk en de hoop het wel te doen ontsproot; eene

zaak tot welke ik niet den minsten lust of verlangen gevoelde. Mijne

grootste zucht om derwaarts te vertrekken ontstond uit het berigt dat ik

van hem vernomen had, dat namelijk zich daar zeventien blanken bevonden.

Zonder verder dralen ging ik derhalve met Vrijdag aan het werk om een

grooten boom te vinden, die geschikt was voor eene groote praauw of

kanoe om de reis te ondernemen. Er was hout genoeg op het eiland om eene

geheele vloot te bouwen, niet alleen van praauwen of kanoes, maar van

groote schepen zelfs. De hoofdzaak echter waarnaar ik verlangde, was er

een te vinden, die zoo digt bij het water stond, dat wij die, als zij af

was, te water konden brengen, ten einde niet weder in denzelfden misslag

als vroeger te vervallen.

Eindelijk wees Vrijdag mij een boom, want ik vond, dat hij veel beter

wist dan ik welke soort van hout de geschiktste was. Ik weet nog niet

tot welke soort de boom behoorde, die wij velden, behalve dat hij veel

naar verwhout geleek. Vrijdag was er voor den stam met vuur uit te

hollen, maar ik zeide hem dit liever met werktuigen te doen, en nadat ik

hem het gebruik daarvan gewezen had, kon hij er spoedig goed mede te

regt. Na eene maand harden arbeid, hadden wij hem af, en zeer goed

gevormd, vooral toen wij met onze bijlen, die ik hem had leeren

behandelen, er de goede gedaante van eene sloep aan hadden gegeven.

Vervolgens kostte het ons nog wel veertien dagen tijds om haar als het

ware duim voor duim, op groote rollen naar het water te brengen; maar

toen zij er in was, had zij zeer goed twintig man kunnen dragen.

Toen de sloep te water was, zag ik met genoegen hoe vlug en behendig

Vrijdag haar, in weêrwil van hare grootte, kon behandelen, doen

voortgaan en wenden. Ik vroeg hem dus of hij er thans mede zou willen

en durven oversteken? "Ja," zeide hij, "ik er zeer goed mede overkomen,

al waait het ook harden wind!" Maar ik had een ander voornemen, waarvan

hij niets wist, en dat was om een mast en zeil te maken, en haar van een

anker en ankertouw te voorzien. Een mast was gemakkelijk te vinden, ik

koos hiertoe een jongen, regten cederboom, dien ik daar digt bij vond,

en waarvan er op het eiland eene menigte waren, en ik liet Vrijdag dien

vellen, en wees hem hoe hij dien afkappen en in orde brengen moest. Met

het zeil hield ik mij zelf onledig. Ik wist, dat ik oude zeilen of

liever stukken van oude zeilen genoeg had, maar daar ik die nu

zesentwintig jaren lang gehad en niet zeer zorgvuldig bewaard had, omdat

ik mij niet verbeeld had ze ooit op die wijze te kunnen gebruiken,

twijfelde ik niet of zij zouden allen verrot zijn, hetgeen ook met de

meesten het geval was. Ik vond echter twee stukken, die nog vrij gaaf

waren, en met deze ging ik aan het werk, en na vrij wat moeite, en

naaijen, dat, gelijk men denken kan, bij gebrek aan naalden uiterst

links en vervelend van de hand ging, maakte ik eindelijk een leelijk

driehoekig zeil, met een gaffel en een giek, gelijk onze sloepen

gewoonlijk voeren, en waarmede ik het best wist om te gaan, omdat ik

zulk een gebruikt had in de boot, waarmede ik uit Barbarije vlugtte,

gelijk ik hiervoor verhaald heb.

Ik bragt bijkans twee maanden zoek aan het in orde brengen van mijn mast

en zeilen; want ik maakte ook nog een kleine vlieger en een fok er bij,

om te helpen als wij door den wind moesten gaan, en ik maakte er van

achteren een roer aan om te sturen; en schoon dit er vrij onbehouwen

uitzag, kende ik echter het nuttige en noodzakelijke er te goed van, om

mij niet zoo veel moeite te geven, dat het eindelijk tot stand kwam,

schoon, als ik bedenk hoe dikwijls mijne proefnemingen hiertoe

mislukten, ik geloof, dat het mij schier even veel moeite kostte als de

boot zelve.

Nadat dit gedaan was moest ik Vrijdag leeren hoe met de boot te zeilen,

want schoon hij zeer goed eene kanoe wist te roeijen, begreep hij van

zeil en roer niets en stond niet weinig verbaasd toen hij mij mijne boot

bij den wind zag brengen, en weder afvallen, door behulp van mijn roer,

en hoe het zeil over dezen of dien boeg vol stond, naarmate ik van koers

veranderde. Toen hij, zeg ik, dit zag, stond hij van verbazing verstomd,

weldra echter geraakte hij door eenige oefening er gemeenzaam mede, en

hij werd een vlug matroos, behalve ten aanzien van het kompas, dat ik

hem nimmer goed kon doen begrijpen; aan den anderen kant, daar het zeer

zelden bewolkte lucht en bijkans nimmer nevelachtig in deze streken was,

was er weinig behoefte aan een kompas, daar bij nacht altijd de sterren,

en over dag het strand zigtbaar was, behalve in het regensaizoen, en dan

verlangde niemand buiten's huis te zijn, noch te land noch ter zee.

Ik was nu het zevenentwintigste jaar mijner gevangenschap op deze plaats

ingetreden, schoon de drie laatste jaren van mijn verblijf eigenlijk met

de vorige niet kunnen vergeleken worden, daar het in dien tijd geheel

anders was geworden dan vroeger. Ik vierde dit jaarfeest van mijne komst

alhier met dezelfde dankbaarheid jegens God, voor zijne goedheid, als

het eerste; en had ik toen reeds zoo veel stof tot dankbaarheid, nu was

dit nog veel meer het geval, daar ik zoo veel meer blijken van Gods

vaderlijke zorg voor mij had ontvangen, en de hoop op eene spoedige

bevrijding koesterde, want ik hield mij vast overtuigd, dat mijne

bevrijding spoedig op handen was, en ik geen volgende verjaring mijner

komst aldaar zou vieren. Ik bleef echter even zoo voor mijne huishouding

zorgen als te voren; ik spitte en plantte en omheinde, droogde mijne

druiven, en deed al wat noodig was, als te voren.

Middelerwijl viel het regensaizoen in, waarin ik meer binnen 's huis

bleef dan anders; dus had ik onze boot zoo goed mogelijk geborgen, door

haar in de kreek te brengen, waar ik, gelijk ik gezegd heb, in den

beginne mijne vlotten van het schip aan land bragt. Nadat ik haar bij

hoog water op den wal gehaald had, deed ik Vrijdag een klein dok graven,

dat juist groot en diep genoeg was om de sloep te bevatten, en toen het

water afliep, sloten wij het met een stevigen dam af om er het water uit

te houden; dus lag zij droog, en om den regen af te keeren, maakten wij

er met zware takken eene soort van stevig afdak over heen; en aldus

wachtten wij de maanden November en December af, waarin ik besloten had

het avontuur te ondernemen.

Toen het weder gestadig werd, en de gedachte aan mijn voornemen, met de

schoone dagen tegelijk terug kwam, maakte ik dagelijks toebereidselen

tot onze reis. Het eerste wat ik deed, was een aantal levensmiddelen,

voor de reis bestemd, bijeen te brengen; met oogmerk, om een of twee

weken later het dok te openen en onze boot te water te brengen. Op een

morgen was ik aan iets hiertoe bezig, toen ik Vrijdag riep en hem

gelastte naar het strand te gaan, om te zien of hij een schildpad vinden

kon, iets waarnaar wij gewoonlijk alle weken eens zochten, zoowel om de

eijeren als om het vleesch. Vrijdag was nog niet lang weg geweest, toen

hij terug kwam loopen, over mijn buitensten wal vloog als iemand, die

den grond onder zijne voeten niet voelt, en voor ik den tijd had hem toe

te spreken, riep hij: "O meester, meester! o verdriet! o kwaad!"--"Wat

is het, Vrijdag?" zeide ik.--"O, ginder," zeide hij, "ginder een, twee,

drie kanoes, een, twee, drie kanoes!" Uit zijne wijs van zich uit te

drukken maakte ik op, dat er zes waren; maar bij verdere navraag hoorde

ik, dat er slechts drie waren. "Nu goed, Vrijdag, wees niet bang,"

zeide ik, en zoo trachtte ik hem een riem onder het hart te steken. Ik

zag echter, dat de arme knaap doodelijk beangst was, want hij had zich

in het hoofd gezet, dat zij alleen gekomen waren om hem te zoeken, en

dat zij hem in stukken zouden houwen. Hij beefde zoo, dat ik niet wist

wat ik met hem zou beginnen. Ik stelde hem gerust zooveel ik kon, en

zeide, dat ik even veel gevaar liep als hij, en dat zij mij zoowel als

hem zouden opeten. "Maar," zeide ik, "Vrijdag, wij moeten besluiten, met

hen te vechten. Kunt gij vechten, Vrijdag?"--"Ik kan schieten," zeide

hij, "maar er zijn er zooveel."--"Wees daar niet bang voor," hernam ik,

"die wij niet doodschieten zullen door ons vuur bevreesd geworden zijn."

Ik vroeg hem daarop, als ik besloot hem te verdedigen, of hij mij zou

bijstaan en stipt doen wat ik hem gelastte. Hij zeide: "Ik sterven zal

als gij mij gelast te sterven, meester." Ik ging daarop heen en nam een

goeden slok rum en gaf hem ook een borrel; want ik had met mijn rum zoo

zuinig huis gehouden, dat er nog vrij wat over was. Daarop liet ik hem

de twee jagtgeweren, die wij altoos bij ons hadden, geven, en laadde die

met groven ganzenhagel, die bijkans zoo zwaar was als pistoolkogels;

daarop nam ik vier geweren, en laadde die ieder met twee patronen en

vijf kogels, en op mijne twee pistolen deed ik ook twee kogels op ieder.

Volgens gewoonte hing ik mijne groote sabel op zijde en gaf Vrijdag

zijne bijl.

Na ons aldus uitgerust te hebben, nam ik mijn kijker en klom den heuvel

op, om te zien wat ik ontdekken kon. Weldra bemerkte ik, dat er

eenentwintig wilden waren, drie gevangenen en drie kanoes; en dat hunne

geheele bezigheid scheen te zijn om van deze drie mannen een gastmaal te

houden--een barbaarsch feest waarlijk, maar dat bij hen niets ongewoons

was.

Ik bemerkte ook, dat zij niet geland waren op de plek waar Vrijdag

ontsnapt was, maar digter bij mijne kreek, waar het strand laag was, en

een digt bosch zich tot vlak bij de zee uitstrekte. Deze omstandigheid

en de afschuw van het onmenschelijk oogmerk dezer barbaren, maakten

mijne verontwaardiging zoo gaande, dat ik naar Vrijdag terugkeerde en

hem zeide, dat ik besloten had op hen af te gaan, en hen allen dood te

schieten, en hem vroeg of hij mij wilde bijstaan. Zijn angst was thans

bedaard, en zijn moed door den sterken drank wat opgewekt, zoodat hij

zeer wel gemoed was, en mij zeide, even als vroeger, dat hij wilde

sterven als ik hem gelastte te sterven.

In deze eerste vlaag van woede deelde ik de wapens, die ik geladen had

zoo als ik verhaald heb, tusschen ons; ik gaf Vrijdag eene pistool om in

zijn gordel te steken en drie geweren op zijne schouders; ik nam zelf

eene pistool en ook drie geweren, en aldus trokken wij op weg. Ik stak

een fleschje rum bij mij, en gaf Vrijdag een zak met kruid en lood te

dragen. Ik gelastte hem digt achter mij te blijven, en niet vooruit te

gaan, noch te schieten noch iets te doen buiten mijn orders, en tevens

geen enkel woord te spreken. Aldus uitgerust, maakte ik een omweg van

bijkans eene (Eng.) mijl, zoo wel om de kreek over te trekken als om in

het bosch te komen; opdat ik hen binnen bereik van mijn schot mogt

bekomen, zonder dat zij mij ontdekten, hetgeen naar ik met mijn kijker

gezien had, gemakkelijk te doen was.

Terwijl ik op weg was, kwamen mijne vroegere bezwaren bij mij op en mijn

besluit begon te wankelen. Ik wil niet zeggen, dat ik eenige vrees voor

hun aantal voedde; want daar zij naakt en ongewapend waren, was ik gewis

de overhand te hebben, al ware ik geheel alleen geweest. Maar ik bedacht

welke roeping, welke reden ik had, laat staan welke noodzakelijkheid er

bestond, dat ik mijne handen in bloed zou doopen, en heden aantasten,

die mij nimmer eenig leed hadden gedaan, en hiertoe ook geen voornemen

hadden; die ten mijnen aanzien schuldeloos waren, en wier barbaarsche

zeden hun eigen ongeluk waren, daar dit een teeken was, dat God hen met

andere volken van dit werelddeel aan diepe onwetendheid ten prooi had

gelaten. Maar dit gaf mij geen regt om over hunne daden het vonnis uit

te spreken, veel minder mij tot uitvoerder der goddelijke geregtigheid

op te werpen; want zoo God het goedvond zou Hij zelf hen straffen, en

door rampen over hun geheele volk te brengen, de zonden des volks

bestraffen; maar dit was geenszins eene taak, die mij toekwam. Wel is

waar, in Vrijdag kon dit verschoonbaar zijn, omdat hij hun verklaarde

vijand en als het ware in staat van oorlog met deze natie was; maar zoo

het hem vrijstond hen aan te vallen, was dit niet bij mij het geval.

Deze gedachten kwamen mij zoo levendig voor den geest, terwijl ik op weg

naar hen toe was, dat ik besloot in hunne nabijheid post te vatten, en

dan te handelen zoo als God mij zou aanwijzen; maar zoo ik geen

duidelijker roeping dan thans ontving, mij niet met hen in te laten.

Met dit besluit trad ik het bosch in, en trok met de meeste stilte en

omzigtigheid, terwijl Vrijdag mij digt op de hielen volgde, tot aan den

zoom van het bosch, aan den kant, die het digtst bij hen was, behalve,

dat een uithoek van het bosch mij van hen afscheidde. Hier gekomen riep

ik Vrijdag zachtjes bij mij, en hem een grooten boom, die juist aan den

hoek stond, wijzende, gelastte ik hem daarin te klimmen, en mij tijding

te brengen als hij duidelijk zien kon wat zij verrigtten. Dit deed hij

en kwam onmiddellijk terug, zeggende, dat men ze vandaar duidelijk zien

kon; dat zij allen om het vuur zaten, het vleesch van een hunner

gevangenen etende, terwijl een ander, niet ver van hen af, gebonden op

het zand lag, die zij volgens zijn zeggen, daarna zouden doodslaan;

hetgeen mij buiten mij zelven van drift maakte. Hij zeide mij, dat het

niet een van zijne natie was, maar een dier witte gebaarde mannen, die

bij zijn volk in de boot waren gekomen. Dit berigt, dat het een blanke

was, deed mijn afschuw ten top stijgen, en naar den boom gaande zag ik

door mijn kijker duidelijk den blanke, die op het strand lag, aan handen

en voeten gekneveld met eene soort van biezen, en dat hij een Europeër

was, en kleederen aanhad.

Er was nog een andere boom met eenig struikgewas er om heen, ongeveer

vijftig schreden digter bij hen dan de plek waar ik stond, en door een

kleinen omweg te maken kon ik zonder gezien te worden, daar komen, en

dan was ik op een half geweerschot afstands van hen. Ik bedwong mijne

drift derhalve, ofschoon die ten hoogsten top gestegen was, en ongeveer

twintig schreden teruggaande, begaf ik mij achter eenig kreupelhout, dat

zich uitstrekte tot aan den anderen boom, en toen kwam ik aan eene

kleine hoogte, die mij op ongeveer tachtig schreden afstands, een

duidelijk gezigt van hen opleverde.

Ik had geen tijd te verliezen, want negentien dier rampzaligen zaten op

den grond allen digt bij elkander, en hadden juist de twee anderen

afgezonden om den armen Christen te slagten, en hem misschien aan

stukken gehouwen, naar hun vuur te brengen, en zij bukten om de banden

aan zijne voeten los te maken. Ik keerde mij tot Vrijdag. "Doe nu zoo

als ik gelast heb," zeide ik. Hij antwoordde van ja, en ik herhaalde:

"Vrijdag, doe juist wat gij mij ziet doen, en geef wel acht." Ik zette

een der musketten en het jagtgeweer op den grond, en Vrijdag deed

hetzelfde. Met het andere geweer legde ik op de wilden aan, waarin hij

mij navolgde. Ik vroeg daarop of hij gereed was. "Ja," was zijn

antwoord. "Geef dan vuur," zeide ik, en op hetzelfde oogenblik brandde

ik ook los.

Vrijdag had veel beter gemikt dan ik, aan den kant waar bij heenschoot

had hij twee man gedood en drie gekwetst, en ik had aan mijne zijde een

gedood en twee gekwetst. De wilden geraakten in vreesselijke

opschudding, gelijk men wel denken kan; allen, die niet gekwetst waren,

sprongen dadelijk op de been, maar zij wisten niet waarheen zij vlugten

noch waarheen zij uitzien moesten; want zij zagen niet vanwaar het

verderf hen naderde. Vrijdag hield mij gestadig in het oog, ten einde,

gelijk ik hem gelast had, te zien wat ik deed; onmiddellijk na het

eerste schot liet ik dus het geweer vallen en nam het jagtgeweer op, en

Vrijdag deed hetzelfde; hij zag mij den haan overhalen en deed evenzoo.

"Zijt gij gereed, Vrijdag?" vroeg ik. "Ja," hernam hij. "Vuur dan, in

Gods naam," zeide ik, en ik brandde weder los op de verbijsterde wilden,

en Vrijdag deed evenzoo, en daar onze geweren nu met groven ganzenhagel

of kleine pistoolkogels geladen waren, zagen wij slechts twee vallen,

maar eene groote menigte waren gewond, die als razenden heen en weder

liepen, gillende en schreeuwende, terwijl spoedig daarna er nog drie of

vier, die zwaar gekwetst waren, nederstortten.

"Volg mij nu, Vrijdag," zeide ik, het afgeschoten geweer nederleggende,

en het nog geladen musket opnemende. Hij deed het moedig, en ik kwam

het bosch uit en vertoonde mij, met Vrijdag vlak achter mij. Zoodra ik

bemerkte, dat zij mij zagen schreeuwde ik zoo luid als ik kon, en

gelastte Vrijdag dit ook te doen; en zoo hard als ik loopen kon, hetgeen

in het voorbijgaan gezegd, door de wapens waarmede ik beladen was, niet

zeer snel ging, begaf ik mij regt naar den armen mensch toe, die gelijk

ik zeide, op het strand lag, tusschen de plaats waar zij zaten en de

zee. De twee wilden, die hem juist hadden willen slagten, hadden de

vlugt genomen in den schrik voor ons eerste vuur, en waren in eene kanoe

gesprongen, en nog drie begaven zich ook daarheen. Ik keerde mij naar

Vrijdag, gelastte hem verder te gaan en op hen vuur te geven. Hij

begreep mij dadelijk, en ongeveer veertig schreden vooruitgaande, om te

digter bij hen te zijn, gaf hij vuur op hen, en ik meende, dat hij hen

allen gedood had; want ik zag ze allen over elkander in de boot

tuimelen, doch twee hunner stonden spoedig weder op. Hij had echter twee

er van gedood en den derde gekwetst, zoodat deze als dood op den bodem

van de kanoe lag.

Terwijl Vrijdag op hen vuurde haalde ik mijn mes uit, en sneed de banden

door, waarmede de arme mensch gebonden was; hielp hem op de been en

vroeg hem in het Portugeesch wie hij was. Hij antwoordde mij in het

Latijn een Christen; maar was zoo zwak en flaauw, dat hij naauwelijks

staan of spreken kon. Ik haalde mijne flesch uit den zak en wenkte hem,

dat hij drinken zou, hetgeen hij deed; en ik gaf hem een stuk brood,

hetgeen hij opat. Toen vroeg ik hem wat landsman hij was, en hij zeide

een Spanjaard, en zich een weinig hersteld hebbende, gaf hij mij door

alle mogelijke teekens te kennen hoezeer hij mij dankbaar was voor zijne

bevrijding. "Sennor," zeide ik, in zoo goed Spaansch als ik bijeen kon

brengen, "daar zullen wij later over spreken, maar nu moeten wij

vechten, als uwe krachten het toelaten, neem dus deze pistool en die

sabel, en weer u daarmede." Hij nam ze met dankzegging aan, en

naauwelijks had hij de wapens in de hand, of hij scheen nieuwe kracht te

krijgen, vloog als woedend op zijne moordenaars aan, en had twee hunner

in een oogenblik neergeveld; want om de waarheid te zeggen, de arme

schepsels, wien dit alles zoo onverwachts overkwam, waren zoo verschrikt

van de losbranding onzer geweren, dat zij van verbazing en angst

nederstortten, en even weinig in staat waren op de vlugt te denken, als

om onze kogels af te weren, en zoo ging het ook met de vijf, die in de

boot waren, want toen Vrijdag schoot en er drie die getroffen waren,

nedervielen, stortten de andere twee van blooten schrik neder.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 17 / 23 段