Zoodra hij van zijne eerste verbazing wat bekomen was, gelastte ik hem

den vogel te gaan halen, hetgeen hij deed, maar eenigen tijd wegbleef,

want ik had hem slechts aangeschoten, en hij was een eind weegs

weggefladderd. Terwijl hij hem opzocht, maakte ik van deze gelegenheid

gebruik om mijn geweer weder te laden, daar hij van hetzelve nog niets

begreep, zonder dat hij het zag, opdat ik, als hij terug kwam, gereed

mogt zijn als zich eenig ander wild opdeed, hetgeen echter thans het

geval niet was. Ik bragt het geitje naar huis, haalde het nog denzelfden

avond af, en hakte het zoo goed ik kon in stukken. Vervolgens kookte ik

er een stuk van tot soep, en na er wat van gegeten te hebben, gaf ik er

Vrijdag ook wat van, dien het zeer goed scheen te smaken, doch wat hem

het meest verwonderde, was dat hij er mij zout bij zag eten. Hij gaf mij

door teekens te kennen, dat zout niet goed om te eten was; hij stak een

weinig in den mond, en hield zich alsof hij er van walgde en zou gaan

braken, waarna hij met water zijn mond uitwiesch; daarentegen nam ik een

stuk vleesch zonder zout, en hield mij alsof ik van het gebrek aan zout

walgde, maar het baatte niets, nimmer wilde hij zout bij zijne spijs

voegen.

Na hem den eersten dag soep gegeven te hebben, besloot ik hem den

tweeden dag op gebraad te onthalen, door een stuk geitenvleesch aan het

spit te steken. Ik deed dit, gelijk ik in Engeland dikwijls gezien had,

door het vleesch in een stuk aan een staak te hangen, die op twee andere

staken steunde, en deze te draaijen. Vrijdag stond dit verbaasd aan te

zien, maar toen hij het vleesch proefde, gaf hij mij op allerlei wijzen

te verstaan hoe goed het hem smaakte, en eindelijk gaf hij te kennen,

dat hij nimmer meer menschenvleesch wilde eten, hetwelk mij zeer

aangenaam was.

Den volgenden dag zette ik hem aan het werk om eenig koorn te dorschen,

gelijk ik dat gewoon was, en spoedig kon hij dit zoo goed doen als ik,

vooral nadat hij gezien had waarvoor dit geschiedde, want ik liet hem

zien hoe ik mijn brood bereidde en bakte, en kort daarna kon Vrijdag dit

alles voor mij doen zoo goed als ik zelf. Ik begon nu te begrijpen, dat

ik voor twee man eten moest hebben in plaats van voor een, en dus meer

graan dan vroeger aankweeken; ik stak dus een grooter stuk land af, en

begon dit te omheinen even als het vorige. Vrijdag werkte hieraan zeer

gewillig en vlijtig mede, en ik vertelde, dat dit was om graan te

bekomen ten einde meer brood te maken, omdat hij nu bij mij was. Hij

scheen hierdoor zeer getroffen en beduidde mij, dat ik thans door hem

meer werk had dan vroeger voor mij alleen; maar dat ik slechts te zeggen

had wat ik gedaan wilde hebben, en dat hij te harder voor mij zou

werken.

Dit jaar was voor mij het aangenaamste van allen, die ik hier

doorgebragt had, Vrijdag begon tamelijk wel te spreken en kende spoedig

de namen van al wat ik hem wijzen kon, en van elke plaats, waar ik hem

naar toe zenden kon. Ik begon dus thans mijne tong weder te kunnen

gebruiken, waartoe ik, om te spreken bedoel ik, tot hiertoe weinig

gelegenheid had gehad. Behalve het genoegen van met hem te spreken, had

ik veel vermaak in zijn karakter; zijne eenvoudige, brave en argelooze

aard bleek mij dagelijks meer, en ik begon hem hartelijk lief te hebben;

en van zijnen kant geloof ik, dat hij mij meer dan iets ter wereld

beminde.

Ik wilde eens beproeven of hij weder naar zijn land verlangde, en daar

hij nu genoeg Engelsch kende om mij eenige vragen te beantwoorden, vroeg

ik hem of zijn volk nimmer in een gevecht overwinnaar was, waarop hij

glimlagchend antwoordde: "Ja wel, wij vechten altijd het best;" hij

bedoelde beter dan hunne vijanden. Hierop hielden wij het volgende

gesprek:

"Gij vecht het best," zeide ik, "hoe komt het dan, dat gij gevangen

genomen zijt."

Vrijdag. Mijn volk verslaat ze toch.

Meester. Hoe verslaan? Dat begrijp ik niet, als uw volk hen versloeg,

hoe kwaamt gij dan gevangen?

Vrijdag. Zij waren meer dan mijn volk op de plek waar ik was. Zij nemen

een, twee, drie en mij gevangen. Mijn volk versloeg hen elders, waar ik

niet was, daar nam mijn volk een, twee, drie, veel duizend gevangen.

Meester. Maar waarom heeft uw volk u dan niet uit de handen uwer

vijanden verlost?

Vrijdag. Zij bragten gaauw een, twee, drie en mij in de kanoe; mijn volk

daar geen kanoe had.

Meester. Zoo. En wat doet uw volk met de lieden, die zij genomen hebben.

Voeren zij hen weg en eten ze op, gelijk die anderen?

Vrijdag. Ja, mijn volk eet ook menschen, eet ze allen op.

Meester. Waar brengen zij die heen?

Vrijdag. Zij gaan naar andere plaats, waar zij willen.

Meester. Komen zij hierheen?

Vrijdag. Ja hierheen, hier en op andere plaatsen.

Meester. Zijt gij vroeger hier met hen geweest?

Vrijdag. Ja, ik hier geweest ben. (Hierbij wees hij naar den N.W. kant

van het eiland, waar het schijnt dat hunne landingplaats was).

Hieruit maakte ik op, dat hij vroeger onder de wilden geweest was, die

gewoon waren op de verder afliggende gedeelten van het eiland aan wal te

gaan, met dezelfde oogmerken, waartoe hij thans hier gebragt was, en

toen ik hem eenigen tijd daarna aan dien kant bragt, herkende hij

dadelijk de plaats, en zeide mij, dat hij daar eens geweest was, toen

zij twintig mannen, twee vrouwen en een kind hadden gegeten. Hij kon in

het Engelsch niet tot twintig tellen, maar hij wees het mij door zooveel

steentjes naast elkander te leggen en mij die te laten tellen.

Ik heb dit gesprek medegedeeld, omdat er het volgende uit ontstond. Ik

vroeg hem namelijk hoe ver ons eiland van de kust af lag, en of de

kanoes op den togt herwaarts niet dikwijls verongelukten. Hij zeide, dat

er geen gevaar was, en de kanoes nimmer vergingen, maar dat er een eind

weegs in zee eene strooming en een wind was, naar de eene zijde in den

morgen, en in den namiddag naar de andere zijde.

Ik begreep, dat dit niets anders was dan de loop van het getij, naarmate

het water wies of afliep, maar naderhand heb ik geleerd, dat dit

ontstond uit de sterke eb en vloed van de groote Oronoko-rivier, in

welker mond ik naderhand begreep, dat ons eiland lag, en dat het land

hetwelk ik ten W. en N.W. gewaar werd, het groote eiland Trinidad, aan

den noordelijken hoek van gemelde rivier, was. Ik deed Vrijdag duizend

vragen over het land, de bewoners, de zee, de kust, en welke de naburige

volken waren; hij verhaalde mij met de meest mogelijke openhartigheid al

wat hij wist. Ik vroeg hem de namen der verschillende volken

daaromstreeks; maar kon niets anders uit hem krijgen dan Caribs; waaruit

ik begreep, dat het Caraïben waren, die volgens onze kaarten, dat deel

van Amerika bewonen, dat zich van de Oronoko tot aan Guiana, en aan de

andere zijde tot St. Martha uitstrekt. Hij verhaalde mij, dat ver achter

de maan (waarmede hij bedoelde in die strekking, waar de maan

onderging), dat is ten westen van hun land, witte, baardige mannen

woonden, zoo als ik (hierbij wees hij op mijne knevels) en dat deze veel

mannen gedood hadden, zoo als hij zeide. Ik besloot hieruit, dat hij de

Spanjaarden bedoelde, wier wreedheden in Amerika, het geheele land door

bekend zijn geraakt, en door alle volkeren van vader tot zoon bewaard

zijn gebleven.

Ik vroeg hem of hij mij zeggen kon, hoe ik van dit eiland en bij die

blanke menschen komen kon. Hij zeide ja, en dat dit gaan kon in "twee

kanoes." Ik begreep eerst niet wat hij met "twee kanoes" meende, maar

kwam er eindelijk met veel moeite achter, dat hij wilde zeggen in eene

kanoe, zoo groot als twee anderen. Deze verklaring beviel mij zeer goed,

en van dit oogenblik af koesterde ik eenige hoop, dat ik den een of

anderen tijd gelegenheid zou vinden van deze plaats te ontkomen, en dat

deze arme wilde mij ter uitvoering daarvan behulpzaam zou kunnen zijn.

Gedurende al den tijd, dat Vrijdag nu bij mij was geweest, en begon te

leeren met mij te spreken en mij te verstaan, had ik niet nagelaten hem

de eerste begrippen der godsdienst in te prenten; zoo vroeg ik hem eens

wie hem geschapen had. De arme knaap begreep mij volstrekt niet, maar

dacht, dat ik vroeg wie zijn vader was. Ik vatte dus de zaak anders aan,

wees hem op de zee, den grond waarop hij trad, de heuvels en de

bosschen. Hij zeide, dat dit gemaakt was door den ouden Benamoekie, die

verder dan alle menschen woonde. Hij wist van dien grooten persoon niets

anders te zeggen, dan dat hij zeer oud was, veel ouder, zeide hij, dan

de zee of het land, dan de maan of de sterren. Ik vroeg hem daarop, dat

zoo die oude persoon alle dingen gemaakt had, waarom niet alle dingen

hem eer bewezen. Hij zag zeer ernstig, en zeide met eene onnoozele

eenvoudigheid: "Alle dingen zeggen, O! tegen hem." Ik vroeg hem of de

lieden, die in zijn land stierven, ergens heen gingen. "Ja, ja," zeide

hij, "zij gaan allen naar Benamoekie." Daarop vroeg ik of degeen, die

zij opaten, daar ook heen gingen, en hij zeide, "ja."

Dit gaf mij aanleiding hem in de kennis van den eenigen waren God te

onderrigten. Ik zeide hem, terwijl ik naar den hemel wees, dat de groote

maker van alle dingen daar woonde, en dat Hij de wereld met dezelfde

almagt en wijsheid bestierde, waarmede Hij ze geschapen heeft; dat Hij

almagtig was, ons alles doen, alles geven, alles ontnemen kon; en zoo

opende ik van lieverlede hem de oogen.

Hij luisterde zeer oplettend, en hoorde met veel genoegen hoe Christus

gezonden was om ons te verlossen, en hoe wij God behoorden te bidden, en

hoe deze ons altijd hoorde, waar wij ook waren. Hij zeide mij eens, dat

zoo God ons hooren kon, terwijl Hij verder dan de zon was, dat Hij dan

een grooter God dan hun Benamoekie was, die niet veraf woonde, en toch

hen niet hooren kon, ten ware zij den hoogen berg opstegen, waarop hij

woonde om tegen hem te spreken. Ik vroeg hem of hij daar ooit gegaan

was; hij zeide neen, en dat dit alleen de oude lieden deden, die hij

Oewokakie noemde, dat is, gelijk ik uit zijne verklaring begreep, zoo

veel als hunne priesters, en dat deze heengingen om "O!" te zeggen (zoo

noemde hij het bidden), en als zij terugkwamen, verhaalden wat

Benamoekie gezegd had. Hieruit bemerkte ik, dat er zelfs onder de

domste en verblindste Heidenen eene priesterschap en zekere

verborgenheden bestaan, om het gemeen ontzag voor de priesters in te

boezemen.

Ik trachtte Vrijdag omtrent deze bedriegerijen in te lichten, en zeide

hem, dat het voorgeven hunner oude lieden, dat zij den berg opgingen, om

hunnen God Benamoekie aan te roepen, bedriegerij was, zoo wel als, dat

zij vandaar komende, verhaalden wat hij hun gezegd had; dat, zoo zij

daar iemand ontmoetten, of iemand tot hen sprak, dit dan een booze geest

moest zijn. Hierop had ik een lang gesprek met hem over den duivel, zijn

oorsprong, zijn opstand tegen God, zijne vijandschap tegen de menschen,

hare oorzaak, zijn verblijf in de duistere plaatsen der wereld, om daar,

in stede van God, en als God aangebeden te worden; en over zijne vele

listen, om den mensch in het verderf te storten; hoe hij tot onze ziel

toegang kreeg door onze hartstogten strikken te spannen, waardoor wij

ons zelven in verzoeking bragten, en vrijwillig ons eigen verderf te

gemoet gingen.

Ik vond, dat het niet zoo gemakkelijk ging hem juiste denkbeelden in te

prenten, aangaande den duivel, als aangaande den aard en het wezen der

Godheid. De geheele natuur was mij behulpzaam in mijne bewijzen voor het

noodwendig bestaan van eene eerste oorzaak, een onbegrijpelijke,

allesbestierende magt, en voor de verpligting van onzen Schepper onze

hulde toe te brengen; maar niets van dat alles ondersteunde het

denkbeeld van een boozen geest, zijn oorsprong, zijn aard en wezen, en

bovenal zijne geneigdheid tot het kwade, en zijne verleidingen daartoe.

Mijn arme eenvoudige wilde bragt mij eens door eene zeer natuurlijke en

eenvoudige vraag zoodanig in de engte, dat ik naauwelijks wist wat ik

hem zeggen zou. Ik had hem veel gezegd van Gods almagt, zijne afkeer van

zonde, hoe hij een verterend vuur was voor de werkers van

ongeregtigheid; hoe Hij, die ons allen geschapen had, ons en de geheele

wereld door zijn wil vernietigen kon, en al dien tijd had hij met de

grootste aandacht naar mij geluisterd.

Daarna verhaalde ik hem hoe de duivel, Gods vijand, in de harten der

menschen was, en al zijne list besteedde om de goede voornemens der

Voorzienigheid tegen te werken, en het rijk van Christus hier op aarde

afbreuk te doen, en dergelijke meer. "Maar," zeide Vrijdag, "gij zegt,

dat God zoo groot en zoo magtig is, is hij niet veel magtiger dan de

duivel?"--"Ja, ja, Vrijdag," zeide ik, "God is veel magtiger dan de

duivel, en daarom bidden wij God, dat hij ons toelaat hem te vertreden,

en ons zijne verzoekingen doet wederstaan en zijn arglist

teleurstellen."--"Maar," voerde hij weder aan, "als God zooveel magtiger

en sterker is dan de duivel, waarom slaat Hij dan den duivel niet dood,

en belet hem meer kwaad te doen?"

Ik stond bij deze vraag geheel verplet; schoon een oud man, was ik nog

een jongeling in de godgeleerdheid, en weinig in staat om leerstellige

vragen en zwarigheden op te lossen. Eerst wist ik niet wat te

antwoorden, dus hield ik mij alsof ik hem niet verstaan had, en vroeg

wat hij zeide. Maar hij verlangde te veel naar een antwoord, om zijne

vraag vergeten te hebben, dus herhaalde hij die in dezelfde woorden als

boven. Middelerwijl had ik mijne gedachten een weinig bijeengezameld, en

zeide: "God zal hem in het laatste der dagen gestrengelijk straffen; hij

wordt bespaard tot den dag des oordeels, wanneer hij in een bodemloozen

afgrond zal worden geworpen, om daar met eeuwig vuur te blijven."--Dit

voldeed Vrijdag niet. Hij herhaalde mijne woorden: "tot het laatste der

dagen; dat begrijp ik niet. Waarom den duivel niet nu, niet lang geleden

al gedood?"--"Gij kondt even goed vragen," hernam ik, "waarom God u en

mij niet doodt, als wij zonden bedrijven; wij blijven gespaard om berouw

te hebben en vergiffenis te erlangen."--Hij dacht eene poos hierover na,

en zeide eindelijk: "Dat goed, zeer goed is; dus gij, ik, de duivel,

alle zondaars bewaard blijven, allen berouw hebben, allen vergiffenis

ontvangen."

Dit antwoord bragt mij geheel in verlegenheid, en het was voor mij een

nieuw blijk, hoe natuurlijke begrippen, wel een redelijk wezen tot de

kennis en tot de vereering van een Hoogst Wezen leiden, maar dat alleen

eene goddelijke openbaring ons tot de kennis van Jezus Christus, en van

eene verlossing, voor ons verworven door zijnen dood, en van Hem als

middelaar van een nieuw Verbond; dat niets zeg ik, dan eene goddelijke

openbaring ons deze begrippen kon geven, en daarom het Evangelie van

onzen Heer en Zaligmaker volstrekt noodig is, om den mensch de ware

kennisse Gods en der middelen tot zijne zaligheid te geven. Ik brak

daarom het bovengemelde gesprek haastig af, alsof ik plotseling wilde

uitgaan, daarop zond ik hem een ver eind weg om iets te verrigten, en

smeekte toen God vurig, dat hij mij in staat mogt stellen dezen armen

wilde te onderrigten, hem door zijnen geest vatbaar maken om het licht

der kennisse Gods in Christus te ontvangen, en mij van Zijn woord

zoodanig doen spreken, dat zijn hart overtuigd, zijne oogen geopend en

zijne ziel gered mogt worden. Toen hij terugkwam had ik een lang gesprek

met hem over de verlossing der menschen door den Zaligmaker, en de leer

der Evangeliën, namelijk berouw voor God en geloof in onzen Heiland. Ik

verklaarde hem toen, zoo goed als ik kon, waarom onze Verlosser niet de

gedaante der Engelen maar den aard der menschen had aangenomen; dat hij

gekomen was om de verloren schapen van het huis Israëls bijeen te

zamelen en zoo voorts.

God weet het, ik bezat meer welmeenendheid dan kunde, in mijne pogingen

tot onderrigt van dezen wilde, en ik moet bekennen, hetgeen geloof ik

allen, die even zoo handelen, zullen ondervinden, dat terwijl ik hem

leerde, ik mij zelve vele dingen eigen maakte en opmerkte, die ik

vroeger niet wist of nimmer aan gedacht had, maar mij thans voor den

geest kwamen, nu ik ze ter onderrigting voor dezen armen wilde bijeen

zamelde; en ik onderzocht deze zaken thans met meer lust dan ooit te

voren. Het zij dus deze arme wilde mij genoegen of gevaren zou

aanbrengen, altijd had ik groote reden tot dankbaarheid. Mijn verdriet

werd thans ligter, mijne woning was mij genoeglijker, en als ik bedacht,

dat ik in dit eenzaam leven, waartoe ik veroordeeld was, niet alleen

zelf naar den hemel had leeren opzien, en nadenken door wiens bestier ik

hier gekomen was, maar thans zelf tot een werktuig verkoren was, om met

hulp der Voorzienigheid, niet alleen het ligchaam maar ook de ziel van

dezen armen man te redden, en hem de kennis van den waren God en de

Christelijke leer in te prenten; ik zeg, wanneer ik dit alles bedacht,

gevoelde ik mij van eene heimelijke vreugde doordrongen, en verheugde

mij alsdan, dat ik naar deze plaats gevoerd was, hetgeen ik vroeger

beschouwde als de grootste ramp, die mij ooit treffen kon.

Deze dankbare gemoedsstemming bleef mij van dien tijd af gestadig bij,

en de gesprekken, die Vrijdag en mij in onze ledige uren, drie jaren

achtereen bezig hielden, waren zoodanig, dat wij al dien tijd zoo

volkomen tevreden en gelukkig waren, als men dit in deze ondermaansche

wereld wezen kan. De wilde was thans een goed Christen, een beter

Christen dan ik, schoon ik met grond en met dankbaarheid jegens God,

zeggen durf, dat wij beide boetvaardige en berouwhebbende zondaren

waren. Wij hadden het woord Gods tot ons onderrigt, en zijn geest was

ons even nabij alsof wij in Engeland waren.

Gestadig las ik hem de Heilige Schrift voor, en trachtte hem naar mijn

beste vermogen te doen begrijpen, wat ik las; terwijl hij door zijne

ernstige vragen mij, gelijk ik gezegd heb, veel ervarener in

schriftuurlijke kennis maakte dan ik ooit door het bloote lezen zou

geworden zijn. Ik mag ook niet voorbij gaan hier uit ervaring in dit

mijn eenzaam leven te doen opmerken, welk een oneindig groote zegen het

is, dat de kennisse Gods en de leer der zaligmaking door Jezus Christus,

zoo duidelijk in Gods woord bevat is, dat alleen het lezen der Heilige

Schrift mij genoegzaam mijne pligten deed kennen, om mij dadelijk tot

opregt berouw te bewegen over mijne zonden, en tot het aankleven van

onzen Zaligmaker, door wien ik behouden moest worden; als ook tot eene

duurzame verbetering van mijn gedrag, en gehoorzaamheid aan Gods

geboden, en dit zonder eenigen menschelijken leermeester. Even zoo was

dit eenvoudig onderrigt genoegzaam voor dezen wilde, om hem tot een

Christen te maken, zoo als ik in mijn leven slechts weinigen gezien heb.

Wat betreft de twisten en geschillen, die er in de wereld over de

godsdienst bestaan hebben, hetzij over de leer of over derzelver

bedienaars, deze waren voor ons even nutteloos, als zij, naar ik zien

kan, steeds voor de geheele wereld zijn geweest. Wij hadden den zekeren

gids ten hemel, namelijk Gods woord, en, Gode zij dank, genoegzame

ondersteuning van zijnen geest om ons het te doen verstaan, en geneigd

en gehoorzaam aan deszelfs onderrigtingen te maken. Ik kan niet inzien

wat de uitgestrekte kennis in godsdienstige geschillen, die in de wereld

zooveel onrust verwekt hebben, ons voor nut zou gedaan hebben, al hadden

wij die kunnen verwerven.

Doch om tot mijne geschiedenis terug te keeren, en iedere zaak op hare

beurt te vermelden. Nadat Vrijdag en ik bevriend waren geworden, en hij

schier alles verstaan kon wat ik tot hem zeide, en mij vloeijend,

ofschoon in gebroken Engelsch, antwoorden, verhaalde ik hem mijne eigene

geschiedenis; althans wat mijne komst alhier aangaat, hoe ik hier huis

gehouden had en hoe lang. Ik leerde hem het geheim (want dit was het

voor hem) van kruid en lood en hoe hij een geweer afschieten moest. Ik

gaf hem een mes, waarmede hij zeer in zijn schik was, en maakte hem een

draagband om het in eene scheede in te dragen; in plaats van eene sabel

gaf ik hem om daaraan te hangen eene bijl, die als wapen in sommige

gevallen nuttig kan zijn, maar nog veel nuttiger in vele andere

omstandigheden.

Ik beschreef hem de landen van Europa, maar in het bijzonder mijn

vaderland, hoe wij daar leefden, hoe wij God dienden, hoe wij ons in de

maatschappij gedroegen, en hoe wij in schepen naar alle deelen der

wereld gingen. Ik verhaalde hem van het wrak, waar ik aan boord was

geweest, en wees hem de plaats zoo nabij als ik kon, want het was lang

te voren aan stukken geslagen en geheel verdwenen.

Ik toonde hem hetgeen er nog over was van de boot, die bij mijne redding

op het strand geslagen werd, en welke ik nimmer had kunnen bewegen, maar

die thans in stukken was gevallen. Toen Vrijdag deze boot zag stond hij

eene poos in gedachten en zeide niets. Eindelijk echter toen ik vroeg

waar hij zoo op peinsde, zeide hij: "Ik heb eene boot zoo zien komen op

eene plaats van mijn volk."

Ik begreep hem eerst niet, maar bij nader onderzoek maakte ik uit hem

op, dat zulk eene soort van boot op de plaats waar hij woonde, gekomen

was, namelijk, gelijk hij mij verklaarde, door slecht weder daar heen

geslagen. Ik verbeeldde mij thans, dat de sloep van een Europeesch schip

op die hoogte, verloren geraakt en op strand geworpen was; ik was echter

zoo dom, dat ik er met eens aan dacht, dat er wel menschen zich daarmede

bij eene schipbreuk hadden kunnen redden, en vroeg hem dus alleen hoe de

boot er uitzag.

Vrijdag beschreef mij die vrij wel, maar ik begreep hem nog beter toen

hij er met eenige warmte bijvoegde: "Wij redden die blanke menschen van

verdrinken!" Ik vroeg dadelijk of er eenige blanken in de boot waren

geweest.--"Ja de boot vol," zeide hij. Ik vroeg, hoeveel? Hij telde op

zijne vingers tot zeventien. Op mijne vraag wat er van hen geworden was,

zeide hij: "Zij leven, zij wonen bij mijn volk."

Dit deed weder nieuwe gissingen bij mij ontstaan; ik geloofde thans, dat

deze menschen misschien tot het schip behoord hadden, dat naar mijn

eiland heengeslagen was, en dat nadat het schip op de rots gestooten

had, en zij een onvermijdelijken dood voor oogen zagen, zij zich in de

boot gered hadden en op de woeste kust onder de wilden geland waren. Ik

vroeg vervolgens naauwkeuriger wat er van hen geworden was; hij

verzekerde mij dat zij daar nog leefden, dat zij er ongeveer vier jaren

geweest waren, dat de wilden hen geen leed deden en hun voedsel gaven.

Ik vroeg hem hoe het kwam, dat zij hen niet dood sloegen en opaten. Hij

zeide: "neen, zij maken broeders met hen," waarmede hij een verbond of

wapenstilstand, naar het scheen, wilde te kennen geven. "Zij eten geen

mannen, als die niet in den oorlog zijn gevangen genomen."

Eene geruime poos daarna waren wij op den top van den heuvel aan de

oostzijde des eilands, vanwaar, gelijk ik verhaald heb, ik op een

helderen dag weder het vaste land van Amerika gezien had. Vrijdag zag

met inspanning eene poos derwaarts, en in eene vlaag van verrukking

begon hij te dansen en te springen, en mij te roepen, want ik was een

eind weegs vandaar. Ik vroeg hem wat het was. "O vreugde, o blijdschap!"

riep hij uit. "Dáár mijn land, dáár mijn volk zien!"

Ik bespeurde, dat het genoegen uit zijne trekken blonk, en zijne oogen

fonkelden, en uit zijn geheele voorkomen scheen te blijken, dat hij naar

zijn vaderland verlangde. Dit bragt mij op ernstige gedachten, zoodat ik

in den beginne niet zoo gerust omtrent hem was als vroeger, en ik

twijfelde niet of, als hij weder tot zijn eigen natie kon terugkeeren,

hij niet alleen al zijne godsdienst zou vergeten, maar ook zijne

verpligtingen jegens mij, en welligt ondankbaar genoeg zijn om met een

paar honderd wilden terug te keeren, om mij op te eten, en een feest te

houden, zoo als hij gewoon was met zoodanige vijanden, als zij in den

oorlog krijgsgevangen maakten. Maar ik deed den armen eerlijken jongen

groot ongelijk, hetgeen mij naderhand genoeg speet; daar echter mijn

argwaan aangroeide, en eenige weken stand hield, was ik wat omzigtiger

en niet zoo gemeenzaam en vriendelijk jegens hem, waaraan ik gewis groot

onregt deed; want de eerlijke brave knaap, had geene andere dan de beste

voornemens, en was zoowel een opregt Christen als een dankbare vriend,

gelijk mij naderhand ten duidelijkste bleek.

Terwijl mijn argwaan jegens hem stand hield, was ik elken dag bezig hem

uit te hooren, om te zien of hij ook eenige dier denkbeelden koesterde,

waarvan ik hem verdacht hield; maar alles wat hij zeide was zoo opregt

en zoo onschuldig, dat ik niets vond wat mijne achterdocht voedsel kon

geven, en in weerwil mijner ongerustheid werd ik weder jegens hem even

als vroeger; ook had hij niets van mijnen argwaan bespeurd, zoo dat er

aan geene veinzerij van zijn kant te denken viel.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 16 / 23 段