mijn bloed kookte en mijn pols klopte alsof ik de koorts had, alleen
door de drift mijner denkbeelden, deed de natuur, daar ik door het
woelen dezer gedachten zeer uitgeput was, mij in een diepen slaap
vallen. Men zou denken, dat ik er van had moeten droomen, maar dat was
het geval niet, ook niet van iets wat daarop betrekking had; maar ik
droomde, dat ik in den morgen, gelijk gewoonlijk, buiten mijn kasteel
ging, en op het strand twee kanoes zag, waaruit elf wilden stapten, en
dat zij een anderen wilde medebragten, dien zij wilden dooden om hem op
te eten, maar juist toen zij hem wilden slagten, rukte de wilde zich
plotseling los, en nam de vlugt. Daarop verbeeldde ik mij, dat hij door
het digte bosch voor mijne vesting zwierf om zich daarin te verbergen;
en dat ik, ziende dat hij alleen was, en niet bemerkende, dat de anderen
hem dien kant uit zochten, mij aan hem vertoonde, met bemoedigende
gebaren; dat hij voor mij knielde, en mij om bijstand scheen te smeeken,
waarop ik hem mijne ladder wees, hem die deed opstijgen, en hem in mijn
kelder bragt, waar hij mijn knecht werd, en zoodra ik dien man verkregen
had, zeide ik tot mijzelven: "Nu kan ik mij gerust naar het vaste land
wagen; want deze man kan mij tot loods strekken, en zal mij zeggen wat
ik doen moet en waar ik lijftogt kan bekomen, en waar ik niet gaan moet
om niet verslonden te worden; in welke plaatsen ik mij wagen kan en
welke ik ontwijken moet!" Met deze gedachten ontwaakte ik, en was zoo
onbeschrijfelijk verheugd over het vooruitzigt mijner ontkoming in den
droom, dat de teleurstelling, die ik gevoelde, toen ik tot mijzelven
komende, bevond, dat het slechts een droom was, even buitensporig was,
en mij geheel neêrslagtig maakte.
Ik besloot echter bij deze gelegenheid, dat de eenigste weg, dien ik had
om eene ontkoming te beproeven, daarin bestond om zoo mogelijk een wilde
in mijne magt te erlangen, en als het kon een hunner gevangenen, dien
zij veroordeeld hadden om gegeten te worden, en hierheen bragten om te
slagten. Maar hier deed zich nog de zwarigheid op, dat dit onmogelijk
was zonder een geheelen troep van hen aan te vallen en hen allen te
dooden; en dit was niet alleen een zeer roekelooze aanslag, die ligt kon
mislukken, maar ik twijfelde aan den anderen kant of hij wel geoorloofd
was, en mijn hart beefde bij de gedachte van zooveel bloed te vergieten,
al was het ook ter mijner bevrijding. Ik behoef de redenen hier niet te
herhalen, die zich bij mij hier tegen stelden, daar het dezelfde waren
als vroeger, maar schoon ik nu andere redenen had, namelijk, dat het
vijanden van mij waren, en zij mij zouden slagten als zij konden; dat
het niet dan zelfbehoud was om mij uit een toestand te redden, die erger
dan de dood was, en dat ik even goed tot mijne zelfverdediging handelde,
als wanneer ik werkelijk door hen aangevallen werd, en zoo voorts; toch
kon ik mij met het denkbeeld van zoo veel menschenbloed te vergieten,
niet vereenigen.
Eindelijk echter, na lang met mij zelven getwist en op twee gedachten
gehinkt te hebben, behield het verlangen naar mijne bevrijding de
overhand, en ik besloot, mij van een dier wilden meester te maken, het
kostte wat het wilde. Nu was de vraag hoe ik dit aanleggen zou, en deze
was niet gemakkelijk te beantwoorden; maar daar ik er geene
waarschijnlijke middelen toe kon uitdenken, besloot ik de wacht te
houden, om te zien als zij aan wal kwamen, en het overige aan het lot
over te laten, en zulke maatregelen te nemen als de omstandigheden
zouden vereischen.
Met dit voornemen ging ik zoo dikwijls mogelijk op bespieding uit, tot
dat het mij ten laatste hartelijk begon te vervelen; want het duurde
meer dan anderhalf jaar, dat ik schier elken dag vruchteloos naar den
westelijken en zuidwestelijken hoek van het eiland ging, om naar de
kanoes uit te zien, doch er kwamen geene te voorschijn. Dit was zeer
ontmoedigend, en daar ik niet kan zeggen, gelijk anders het geval was,
dat met der tijd mijn verlangen verdween, werd ik er te gretiger naar
hoe langer het duurde. Ik verlangde nu evenzeer naar de wilden als ik
vroeger ze verlangde te vermijden. Ik vleide mij zelfs een, ja twee of
drie wilden te verkrijgen, en die geheel tot mijne slaven te maken, om
te doen wat ik hun zou gelasten, terwijl ik te gelijk belette, dat zij
mij eenig leed deden. Lang verheugde ik mij met dit denkbeeld, maar er
scheen niets van te zullen komen, al mijne verwachtingen waren
vruchteloos, want gedurende een langen tijd kwamen er geene wilden
opdagen.
Ongeveer anderhalf jaar na dat ik mij deze denkbeelden het eerst in het
hoofd had gehaald, en toen ik reeds dacht, dat er nimmer iets van komen
zou, werd ik op een morgen verrast door het zien van niet minder dan
vijf kanoes, die allen aan mijne zijde van het eiland op het strand
zaten, terwijl al de daarbij behoorende lieden aan land en buiten mijn
gezigt waren. Hun aantal verijdelde al mijne voornemens, ik wist, dat er
altijd vijf of zes en soms meer in eene kanoe kwamen, en wist dus niet
hoe ik alleen twintig of dertig menschen zou aantasten, dus bleef ik
misnoegd en teleurgesteld in mijn kasteel. Ik maakte echter alles tot
een aanval gereed als de gelegenheid zich mogt voordoen. Na eene lange
poos gewacht te hebben of ik ook eenig gerucht hoorde, werd ik
ongeduldig, en klom met mijne ladder tot boven op den heuvel, en bleef
daar zoo staan, dat men mijn hoofd niet boven den heuvel kon uitzien, en
zij mij volstrekt niet konden gewaar worden. Hier bespeurde ik met
behulp van mijn kijker, dat zij niet minder dan vijfendertig in getal
waren, dat zij een vuur aangemaakt en vleesch toebereid hadden; hoe zij
het braadden of wat het was, wist ik niet; maar zij dansten allen met
allerlei zonderlinge en barbaarsche gebaren rondom het vuur.
Terwijl ik hen aldus gadesloeg, zag ik, dat men twee ongelukkigen uit de
kanoes haalde, waarin zij, naar het schijnt, gelegen hadden, en thans
ter slagtbank leidde. Een hunner viel oogenblikkelijk neder, naar ik
denk, nedergeveld door een knods of houten zwaard, gelijk zij gebruiken,
en twee of drie hunner begonnen hem aan stukken te houwen. Het andere
slagtoffer bleef staan, in afwachting, dat het zijne beurt werd. Op dit
oogenblik, terwijl deze ongelukkige zich eenigermate in vrijheid zag,
ontwaakte bij hem de zucht tot zelfbehoud; hij nam de vlugt, en liep met
onbegrijpelijke snelheid langs het strand, regt op mij aan, dat is te
zeggen, naar dat gedeelte van de kust, waar mijne woning stond. Ik moet
bekennen, dat ik vreesselijk schrikte, toen hij mijn kant uit kwam, en
vooral toen ik verwachtte, dat allen hem zouden volgen. Nu verwachtte
ik, dat mijn droom zou uitkomen en hij in mijne schans eene schuilplaats
zou zoeken, maar ik kon er niet op rekenen, dat, even als in mijn droom,
de andere wilden hem niet zouden vervolgen en daar vinden. Ik bleef
echter staan en begon weder moed te scheppen, toen ik bemerkte, dat
slechts drie man hem volgden, en vooral toen ik zag, dat hij veel harder
liep dan zij en grond op hen won, zoodat ik begreep, dat, als hij het
nog een half uur kon uithouden, hij buiten hun bereik zou zijn.
Tusschen hen en mijn kasteel lag de kreek, waarvan ik vroeger gesproken
heb, en in welke ik mijne ladingen uit het schip aan land bragt, en ik
wist, dat hij deze overzwemmen moest, anders zou hij gegrepen worden.
Toen de wilde echter deze kreek bereikte, sprong hij er dadelijk in,
hoewel het hoog water was, en zwom naar de overzijde, waar hij met
verbazende snelheid weder aan het loopen ging. Toen de anderen aan de
kreek kwamen, sprongen twee van zijne vervolgers er in, maar de derde,
die naar het scheen, niet zwemmen kon, bleef eerst aan den oever hen
staan nazien, en keerde toen langzaam terug, hetwelk voor hem zeer
gelukkig was.
Ik bemerkte, dat de twee vervolgers meer dan tweemaal zoolang werk
hadden met door de kreek te zwemmen als de vlugteling. Op dit oogenblik
begreep ik, dat thans het tijdstip gekomen was, om mij een knecht te
verschaffen, misschien wel een makker en medehelper, en dat de
Voorzienigheid mij riep om dezen ongelukkige het leven te redden.
Oogenblikkelijk steeg ik de ladders af, en greep mijne beide geweren,
die aan den voet derzelve lagen, en even haastig den heuvel weder
opklimmende, begaf ik mij naar het strand, en stelde mij aldus tusschen
de vervolgers en den vervolgde, welken laatste ik met eene luide stem
toeriep. Deze omziende, was misschien eerst voor mij even bevreesd als
voor hen, maar ik wenkte hem met de hand, dat hij zou terugkeeren, en
trad middelerwijl langzaam de beide vervolgers te gemoet; den voorste
velde ik met een slag met den kolf van mijn geweer neder. Ik wilde
liefst niet vuren, opdat de anderen het niet zouden hooren; schoon dat
op dien afstand niet gemakkelijk zou geweest zijn, en daar zij buiten
het gezigt van den rook waren, toch niet zouden geweten hebben wat er
van te maken. Toen ik dezen nedergeveld had, bleef de ander als
verschrikt staan, en ik trad naar hem toe, maar naderbij gekomen
bespeurde ik, dat hij een boog en pijlen had, en op mij wilde aanleggen.
Ik was dus genoodzaakt hem voor te komen, en schoot hem met het eerste
schot dood. De arme wilde die gevlugt was, doch naderhand blijven staan,
was, schoon hij zijne vervolgers zag vallen, door den slag en het vuur
van mijn geweer zoo verschrikt, dat hij als versteend staan bleef, en
meer geneigd scheen mij te ontvlugten dan te naderen. Ik riep hem weder
toe, en wenkte hem naderbij te komen, hetgeen hij gemakkelijk begreep,
hij deed eenige stappen voorwaarts en bleef toen weder staan; nog eenige
stappen en toen stond hij weder stil, en ik zag dat hij beefde, en
begreep, dat hij thans dacht door mij gevangen genomen en geslagt te
zullen worden. Ik wenkte hem toe, en gaf hem alle mogelijke blijken van
genegenheid. Eindelijk kwam hij, van tijd tot tijd nederknielende,
naderbij, knielde voor mij, kuste den grond, en zette mijn voet op zijn
hoofd. Met dit laatste scheen hij te zweren, dat hij voor altijd mijn
slaaf was. Ik beurde hem op, en trachtte hem zoo veel mogelijk gerust
te stellen. Maar ik had nog meer te verrigten, want de wilde dien ik
nedergeveld had was niet dood, maar alleen bedwelmd door den slag, en
begon bij te komen. De wilde, wien ik naar hem wees, zeide mij eenige
woorden, die ik niet verstond, maar die mij de aangenaamste geluiden
toeschenen, die ik in vijfentwintig jaren gehoord had; want het was de
eerste menschelijke stem, buiten de mijne, die ik in al dien tijd
gehoord had. Ik had echter thans geen tijd daar aan te denken. De wilde,
die bijkwam, zat thans op den grond, en toen ik mijn geweer op hem
aanlegde, verzocht mijn wilde (zoo zal ik hem nu noemen) door teekens
mij om mijne sabel, die aan mijne zijde hing. Ik gaf hem die, en
naauwelijks had hij ze in handen of hij vloog naar zijn vijand en sloeg
hem met één slag het hoofd af. Dit verwonderde mij van iemand, die zeker
nooit geen andere sabel gezien had dan de houten zwaarden, die deze
volken gebruiken. Het schijnt echter, gelijk ik naderhand vernam, dat
zij hunne houten sabels zoo scherp en zoo zwaar maken, en dat het hout
zoo hard is, dat zij er met een slag een arm of been mede kunnen
afhouwen. Dit gedaan zijnde kwam hij lagchende, en als in zegepraal naar
mij toe, en bragt mij mijne sabel terug, en legde die met eene menigte
gebaren, die ik niet begreep, met het hoofd van den wilde voor mijne
voeten.
Wat hem echter het meest verbaasde, was dat ik den anderen op zulk een
verren afstand gedood had. Hij wees op hem en scheen mij te vragen of
hij er heen mogt gaan. Ik gaf hem mijne toestemming zoo goed ik kon, te
kennen. Toen hij bij hem kwam stond hij een oogenblik als versteend van
verbazing, keerde hem op de eene en de andere zijde, bezag zijne wond
waaruit weinig bloed gekomen was, omdat de kogel in de borst zat en de
wond inwendig gebloed had. Daarop kwam hij met zijn boog en pijlen
terug, en ik keerde mij om, om heen te gaan, en wenkte hem door teekens
mij te volgen. Hij gaf mij echter te kennen, dat hij de lijken eerst in
het zand wilde begraven, opdat de anderen ze niet zouden vinden, hetgeen
ik toestond. In een oogenblik had hij met zijne handen een gat gegraven,
groot genoeg om den eerste te bevatten, dien hij er ook dadelijk
insleepte en overdekte, gelijk daarop ook den tweede; ik geloof dat hij
er geen vierde uurs aan besteedde. Daarop nam ik hem mede, maar bragt
hem niet in mijn kasteel, maar in mijne grot aan het andere einde van
het eiland; zoodat mijn droom, dat hij in mijn kasteel een schuilplaats
zocht, in dat opzigt niet vervuld werd. Ik gaf hem hier brood, een tros
rozijnen en wat water, welk laatste hij na zijn loopen hoog noodig had;
en nadat hij gegeten had, wenkte ik hem te gaan liggen slapen, op een
plaats waar een hoop stroo en een deken lag, en ik somtijds zelf sliep;
het arme schepsel ging liggen en sliep dadelijk.
Het was een kloeke, welgemaakte knaap, rijzig en gespierd, slank en
welgevormd, en naar ik denk ongeveer zesentwintig jaren oud; zijne
trekken waren in het geheel niet woest, maar toch mannelijk; hij bezat
echter al het aanvallige van een Europeesch gelaat, vooral als hij
glimlachte, zijn haar was lang en zwart, maar niet gekroesd, zijn
voorhoofd bijzonder breed en hoog en zijne oogen uiterst kloek en
levendig. Zijne kleur was niet volkomen zwart, maar donker bruin,
evenwel niet zoo vuil bruin als men bij de inboorlingen van Brazilië,
Virginië en andere Amerikaansche inboorlingen vindt; maar meer
olijfkleurig en moeijelijk te beschrijven. Zijn gelaat was rond, zijn
neus klein en niet zoo plat als bij de negers, zijn mond was niet te
groot, zijne lippen dun, en zijne tanden fraai en zoo wit als ivoor. Na
een half uurtje sluimerens werd hij wakker en kwam uit de grot naar mij
toe. Ik had juist de geiten gemolken, die ik daar hield, hij vloog naar
mij toe, en viel ter aarde, met alle mogelijke teekens van dankbaarheid.
Eindelijk legde hij zijn hoofd vlak voor mijne voeten op den grond, en
plaatste, even als den vorigen keer, mijn voet op zijn hoofd, en maakte
daarna alle mogelijke teekens van onderwerping en dienstbaarheid, om mij
te kennen te geven, dat hij mij dienen wilde zoo lang hij leefde. Ik
begreep grootendeels wat hij mij zeggen wilde, en gaf hem wederkeerig te
kennen, dat ik over hem voldaan was. Weldra beproefde ik hem te leeren
spreken en mij van hem te doen verstaan. Ik gaf hem vooreerst te kennen,
dat hij _Vrijdag_ zou heeten, omdat ik hem op Vrijdag het leven gered
had. Ik leerde hem daarop _meester_ zeggen, en wees hem dat ik dit was,
en leerde hem _ja_ en _neen_ zeggen, en wat dit beduidde. Ik gaf hem
melk in een aarden schotel, nadat ik er mijn brood in gedoopt had, en
gaf hem een stuk brood om mij dit na te doen, hetgeen hij spoedig
begreep en mij door teekens beduidde, dat hij dit zeer smakelijk vond.
Ik hield hem den geheelen nacht bij mij, en zoodra het dag werd gelastte
ik hem mij te volgen, en deed hem begrijpen, dat ik hem eenige kleederen
zou geven, want hij was geheel naakt. Toen wij de plaats langs gingen,
waar de twee wilden begraven waren, wees hij mij de plek, en de teekens,
waaraan hij ze kon herkennen, en gaf mij te kennen, dat hij ze wilde
uitgraven en opeten. Hierover hield ik mij zeer boos, en gaf hem mijn
afkeer er van te kennen, door mij te houden, als of ik er van braken
moest, en wenkte hem met de hand, dadelijk verder te gaan, hetgeen hij
zeer gewillig deed. Ik klom daarop met hem den heuvel op, om te zien of
zijne vijanden vertrokken waren, en mijn kijker uithalende, zag ik
duidelijk de plaats, waar zij geweest waren, maar van hen, noch hunne
kanoes niet het minste spoor. Het was dus blijkbaar, dat zij vertrokken
waren, en twee hunner makkers achtergelaten hadden, zonder naar hen te
zoeken.
Doch ik was hiermede niet tevreden, mijn moed en mijne nieuwsgierigheid
groeiden thans te gelijk aan; dus nam ik mijn slaaf Vrijdag mede, gaf
hem eene sabel in de hand, terwijl hij een boog en pijlen, in welker
behandeling ik bevond, dat hij zeer bedreven was, op den rug, en in
zijne hand een mijner geweren droeg, terwijl ik zelfde beide anderen
nam, en zoo trokken wij naar de plaats, waar de wilden geweest waren,
want ik wilde thans iets meer van hen weten.
Toen wij daar kwamen, verstijfde mij het bloed in de aderen, en mijn
hart kromp ineen bij het akelig schouwspel, dat zich opdeed. Het was
waarlijk een vreesselijk schouwspel, althans voor mij, want Vrijdag trok
het zich volstrekt niet aan. De plek was bezaaid met menschenbeenderen,
de grond met bloed bedekt, hier en daar lagen groote, half gebraden
stukken vleesch; kortom al de blijken van een zegefeest na eene
overwinning. Vrijdag gaf mij te kennen, dat zij vier gevangenen hadden
medegebragt; drie waren geslagt en de vierde was hij; dat er een groot
gevecht plaats gehad had tusschen hen en een naburigen koning, tot wiens
onderdanen hij scheen te behooren, en dat zij een groot aantal
gevangenen hadden gemaakt, die ieder naar verschillende plaatsen waren
gevoerd, door degenen, die ze gevangen hadden genomen, om hen te
slagten, gelijk de wilden, die hier gekomen waren, de hunne hadden
gedaan.
Ik deed Vrijdag al de overblijfselen van hun gruwelijk feestmaal
bijeenzamelen, op een hoop leggen, er een groot vuur rondom maken, en
liet alles tot asch verbranden. Ik bemerkte, dat Vrijdag grooten trek
naar het vleesch had, en van aard nog een menscheneter was, maar ik liet
bij den minsten schijn daarvan zoo veel afschuw blijken, dat hij het
niet durfde te kennen geven, want ik had hem beduid, dat als hij het
durfde doen, ik hem zou doodslaan.
Nadat dit gedaan was keerden wij naar ons kasteel terug, en ik ging voor
hem aan het werk. Eerst gaf ik hem uit de konstapelskist een linnen
broek, die hem vrij wel paste. Daarna maakte ik hem eene buis van
geitenvellen, zoo goed ik kon, en ik was nu een dragelijke snijder
geworden, en gaf hem eene muts van een hazenvel, die hem zeer deftig
stond, zoo dat hij voor 's hands vrij goed gekleed was, en niet weinig
in zijn schik, dat hij schier zoo deftig uitgedost was als zijn meester.
Wel was hij in het eerst zeer linksch in al zijne bewegingen, zijn broek
belemmerde hem geweldig, en de mouwen van zijne buis knelden hem, maar
nadat ik ze hier en daar wat wijder gemaakt had, en hij er aan gewoon
raakte, kon hij er zeer goed mede te regt komen.
Den volgenden dag nadat ik met hem te huis was gekomen, begon ik te
bedenken, waar ik hem zou bergen, zonder dat hij mij tot last was. Ik
maakte daarom een kleine tent voor hem, op de ledige plaats tusschen
mijne beide schansen. Daar er hier een ingang in mijnen kelder was,
maakte ik eene hechte deur van planken in den gang digt bij de opening,
die van binnen open ging. Des nachts sloot ik die met een boom, en nam
ook mijne ladders in, zoo dat Vrijdag niet binnen mijn binnensten muur
kon komen, zonder bij het overklimmen zoo veel gerucht te maken, dat ik
daarvan wakker moest worden, want mijn binnenste wal was nu geheel met
een dak voorzien van lange staken, die mijn geheele tent overdekten, en
tegen den kant van den heuvel steunden, die weder dwars met kleine
stokken en vervolgens met stroo van rijst bedekt waren, welk laatste zoo
sterk als riet was. Aan de opening, met welke ik door de ladder in of
uitging, had ik eene soort van valdeur gemaakt, die niet naar buiten
openging, maar als men dit beproefd had, met groot gedruisch naar binnen
moest openvallen. Mijne wapens had ik des nachts ook altijd naast mij
liggen. Al deze voorzorgen waren echter overbodig, niemand had ooit een
dienaar, die trouwer, opregter en meer aan hem gehecht was dan Vrijdag
aan mij; hij was zonder arglist, en beminde mij als een kind zijn vader,
en ik durf zeggen, dat hij altijd zijn leven voor het mijne zou gegeven
hebben. De veelvuldige blijken, die hij hiervan gaf, stelden dit buiten
twijfel, en overtuigden mij spoedig, dat ik geene voorzorgen jegens hem
behoefde te gebruiken.
Dit deed mij dikwijls overdenken, dat hoezeer het God in zijne wijsheid
behaagd heeft, een groot deel zijner schepselen op deze aarde te
versteken van de beste oefeningen, waartoe hunne geestvermogens vatbaar
zijn, Hij hun toch dezelfde vermogens geschonken heeft, dezelfde rede,
dezelfde neigingen; hetzelfde gevoel van dankbaarheid en verpligting,
dezelfde hartstogten en gevoel van verongelijkingen, hetzelfde besef van
opregtheid en trouw, en alles wat hun in staat stelt goed te doen, en
weldaden te ontvangen, zoo wel als ons. Als de gelegenheid zich er toe
aanbiedt, zijn zij even bereid, ja bereidvaardiger dan wij, om deze ten
beste aan te wenden. Dit maakte mij somtijds zeer neêrslagtig, als ik
overwoog, hoe dikwijls wij bij voorkomende gelegenheden, van deze allen
zulk een slecht gebruik maken, zelfs schoon onze vermogens verlicht zijn
door onderrigt en de kennis van Gods woord; en waarom het God behaagd
heeft deze zaligmakende kennis te onthouden aan zoo vele millioenen,
die, naar dezen armen wilde te oordeelen, er een beter gebruik dan wij
van zouden maken. Hierdoor waagde ik mij somwijlen te ver in het
beoordeelen van het oppermagtig wereldbestuur, en tot eene beoordeeling,
als het ware van het regtvaardige eener zoodanige beschikking, die
sommigen het licht onthouden, en het aan anderen geschonken had, en toch
van allen gelijke pligten vorderde. Maar ik bedwong ten laatste mijne
overwegingen door de bedenking, dat ik niet wist naar welken maatstaf
zijlieden geoordeeld zouden worden; maar dat, daar God noodwendig en
door de natuur van zijn wezen, oneindig heilig en regtvaardig was, zoo
deze schepselen veroordeeld zouden worden, dat zij zich van hem
verwijderd hadden, dit uit hoofde van hunne zonden tegen dat licht, dat
hun wet was, en de regels, die hun geweten hun voorschreef, zou zijn; en
ik eindigde met de bedenking, dat daar wij allen als leem in de handen
des pottebakkers zijn, geen schepsel tegen zijnen Formeerder zeggen kon:
waarom hebt gij mij aldus gevormd?
Maar om tot mijn nieuwen knecht terug te keeren; ik was zeer met dezen
in mijn schik, en trachtte hem alles te leeren wat hem nuttig, handig en
behulpzaam kon maken; maar vooral hem te leeren met mij te spreken en
mij te verstaan. Hij was de beste scholier, zoo vrolijk, vlijtig, en
blijde als hij mij begrijpen kon of zich aan mij doen verstaan, dat het
mij een genot was met hem om te gaan. Nu was mijne levenswijze zoo
aangenaam, dat, ware ik slechts van de vrees voor de wilden ontslagen
geweest, ik gaarne mijn verder leven hier had willen slijten.
Nadat ik twee of drie dagen op mijn kasteel was geweest, begreep ik, dat
het goed was, ten einde Vrijdag van zijn afschuwelijk eten van
menschenvleesch af te brengen, hem eenig ander vleesch te laten proeven.
Ik nam hem derhalve op een ochtend mede naar het bosch, met oogmerk een
geitje uit mijne kudde naar huis te brengen en te slagten, maar onder
weg zag ik eene geit met twee jongen in de schaduw liggen. Ik greep
Vrijdag bij den arm. "Sta stil," zeide ik, en wees hem, dat hij zou
blijven staan. Daarop legde ik mijn geweer aan, en schoot een der
geitjes. De arme knaap, die mij een zijner vijanden op een afstand had
zien dooden, zonder te weten of te begrijpen hoe, was zoo verschrikt en
verbaasd, dat hij van angst trilde en ik dacht dat hij neergevallen zou
zijn. Hij zag het geitje niet, dat ik gedood had, en had ook niet
bemerkt dat ik er op aangelegd had, maar hij rukte zijn buis open, om te
zien of hij ook gewond was, en begreep, dat ik voornemens was hem te
dooden, want hij viel voor mij neder, omhelsde mijne knieën, en zeide
mij veel dat ik niet verstaan kon, maar gemakkelijk begrijpen, dat hij
mij smeekte hem niet te dooden.
Spoedig vond ik middel hem te overtuigen, dat ik hem geen kwaad wilde
doen, ik beurde hem lagchend op, wees op de geit die ik geschoten had,
en gelastte hem die te gaan halen, gelijk hij deed. Terwijl hij zich
over haren dood verwonderde, laadde ik mijn geweer weder, en zag
toevallig een vogel van grootte als een havik, binnen schot op een boom
zitten. Om nu Vrijdag eenigzins te doen begrijpen wat ik doen wilde,
wees ik hem den vogel, dat een papegaai was, schoon ik dien eerst voor
een havik hield, en op mijn geweer en op den grond onder den boom, om
hem te doen begrijpen, dat ik dien vogel uit den boom zou schieten.
Daarop schoot ik en de vogel viel. In weêrwil van hetgeen ik gezegd had
was hij echter weder hevig verschrikt, en vooral omdat hij mij niets in
het geweer had zien doen. Hij begreep, dat dit een tooverwerktuig moest
zijn, dat alles, mensch en beest, van verre en nabij dooden kon. Deze
indruk bleef hem lang bij, en als ik het toegelaten had, zou hij, geloof
ik, mij en mijn geweer aangebeden hebben. Verscheidene dagen daarna
durfde hij het geweer nog niet aanraken, maar sprak er dikwijls tegen,
als hij alleen was, en smeekte het, gelijk ik naderhand van hem vernam,
hem niet te dooden.