Dikwijls zag ik er dien dag naar uit, en bemerkte spoedig, dat het stil

lag; dus begreep ik, dat het een schip was, dat voor anker lag, en

verlangende het juiste te weten, gelijk men wel kan denken, liep ik, met

mijn geweer in de hand, naar den Zuidoostkant van het eiland, naar de

klippen, waar de strooming mij vroeger had medegesleept, en daar

gekomen, en het weder thans geheel opgeklaard zijnde, zag ik duidelijk,

tot mijn groot verdriet, het wrak van een schip, dat in den nacht op

deze blinde klippen geworpen was, die ik, toen ik in mijne boot was, had

aangetroffen, en welke klippen daar de kracht van den stroom stuitten,

en eene soort van tegenstroom vormden, die mij toen uit den

hagchelijksten toestand, waarin ik ooit in mijn geheele leven geweest

was, had gered.

Wat echter den een redt, stort den ander in het verderf, want het

schijnt, dat deze menschen, buiten hun bestek geslagen, geen kennis

droegen van die geheel onder water staande klippen, en daar de wind des

nachts fel uit het O. en O. N. O. geblazen had, er op geslagen waren.

Ongetwijfeld zouden zij getracht hebben zich met de boot te redden, maar

hunne noodschoten, vooral toen zij, naar ik mij verbeeldde, mijn vuur

gezien hadden, bragten mij op verschillende gedachten. Eerst begreep ik,

dat zij, op het zien van mijn vuur, zich in de boot begeven hadden, en

getracht het strand te bereiken, maar door de hooge zee weggeslagen

waren. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij vroeger hunne boot zouden

verloren hebben, gelijk meermalen gebeurt, vooral door het overkomen van

zware stortzeeën, die het volk dikwijls dwingen de verbrijzelde sloep

met eigen handen over boord te werpen. Dan weder vermoedde ik, dat zij

andere schepen bij zich hadden gehad, en deze op hunne noodschoten hen

opgenomen en gered hadden. Dan weder verbeeldde ik mij, dat zij allen in

de boot gegaan waren, en door de strooming op den wijden oceaan

geslagen, waar niets dan de dood hun wachtte, en dat zij thans misschien

dachten van honger te sterven en in eenen toestand waren om elkander te

verslinden.

Dit alles waren evenwel slechts gissingen, en ik kon niets doen dan hen

beklagen, hetgeen echter nog die goede uitwerking op mij had, dat het

mij meer en meer aanleiding gaf om God te danken, dat Hij zoo liefderijk

voor mij in mijn verlaten toestand gezorgd had; en dat van twee

scheepsbemanningen, die nu in dezen hoek der wereld gedreven waren, geen

ander leven dan het mijne gespaard was. Op nieuw moest ik hier opmerken,

dat Gods voorzienigheid ons zeer zelden in zulk een jammerlijken

toestand of in zoo groote ellende doet vallen, waarin wij niet voor het

een of ander mogen dankbaar zijn, en bespeuren, dat anderen er nog erger

aan toe zijn dan wij.

In dit laatste geval was zeker deze bemanning, waarvan ik niet mogt

onderstellen, dat een gered was; niets kon doen vermoeden, dat zij niet

allen vergaan waren, dan de mogelijkheid, dat zij door een ander schip

waren opgenomen; en dit was niet waarschijnlijk, want ik zag daar niet

het minste blijk van.

Het is mij volstrekt onmogelijk met woorden uit te drukken, welk een

vurig verlangen mijne ziel verteerde bij het zien van het wrak, en hoe

dikwijls ik uitriep: "O, waren er slechts twee, slechts ééne ziel gered,

die mij gevonden had, zoo dat ik een makker, een natuurgenoot had, tot

wien ik spreken en met wien ik omgaan kon!" Gedurende geheel mijn

eenzaam leven had ik zulk een hevig verlangen niet gehad naar het

gezelschap van een mijner medemenschen, noch zulk een diepe spijt over

deszelfs gemis. Er bestaan in onze hartstogten zekere drijfveren, die

zoo zij door eenig zigtbaar voorwerp of door de werking van onze

verbeelding gaande gemaakt worden, onze ziel zoo krachtig daarheen doen

neigen, dat deszelfs gemis ondragelijk wordt. Zoo ging het mij met den

wensch, dat er slechts een man gered ware geworden: "Ware er slechts

één, slechts één mensch het ontkomen!" Duizendmaal, geloof ik, herhaalde

ik deze woorden, en dan wrong ik zoo hevig de handen, dat zoo er eenig

voorwerp in geweest ware, het verbrijzeld zou geworden zijn, en ik

klemde mijne tanden zoo stijf opeen, dat ik eenigen tijd den mond niet

openen kon. De natuurkundigen mogen mijnenthalve het verklaren; ik kan

slechts mededeelen wat er gebeurde, en hoe ik zelf mij er over

verbaasde. Ongetwijfeld was dit de uitwerking van mijn vurigen wensch,

en mijne gespannen verbeelding over het genoegen, dat de verkeering met

een mijner mede-christenen mij zou opgeleverd hebben.

Doch dit mogt zoo niet zijn; hun lot of het mijne was anders besloten;

want tot het laatste jaar van mijn verblijf op het eiland wist ik niet

of er iemand uit het schip gered was of niet; alleen had ik eenige dagen

later het verdriet, het lijk van een verdronken jongen aan land te zien

spoelen, aan het einde des eilands, digt bij de plaats der schipbreuk.

Hij had geene andere kleederen aan dan een matrozenbuisje, een linnen

broek en een blaauw hemd; maar niets, waaruit ik gissen kon, tot welke

natie hij behoorde. Hij had niets in zijn zak dan twee stukken van

achten en eene tabakspijp, de laatste was mij tienmalen meer van waarde

dan de eersten.

Het was nu stil en ik verlangde zeer in mijne boot naar het wrak te

gaan, niet twijfelende of ik zou aan boord wel iets vinden, dat mij van

nut kon zijn; doch dit was niet mijne sterkste drijfveer, maar wel de

mogelijkheid, dat er nog een levend wezen aan boord zou zijn, wiens

leven ik redden kon niet alleen, maar daardoor tevens mijn eigen lot ten

uiterste verzoeten. Dit denkbeeld lag mij zoo aan het hart, dat ik dag

noch nacht rust had; maar besloot in mijne boot mij naar het wrak te

wagen, en den uitslag aan Gods voorzienigheid over te laten. De indruk,

dien dit op mijn geest gemaakt had, was zoo sterk, dat ik meende dien

niet te kunnen wederstaan, en begreep, dat eene onzigtbare magt mij

daartoe aandreef, en ik mij zelven nadeel meende te doen, als ik dien

niet opvolgde.

Hierdoor aangedreven, spoedde ik mij naar mijn kasteel, maakte alles tot

mijne reis gereed, nam wat brood, eene groote pot vol zoet water, een

kompas om naar te sturen, een flesch rum (want ik had daar nog vrij wat

van) en eene mand vol rozijnen, en aldus met al het noodige beladen,

ging ik naar mijne boot, schepte er het water uit, en maakte haar vlot,

legde er mijne lading in, en ging meer van huis halen. Mijne tweede

lading bestond uit een zak vol rijst, mijn zonnescherm, om mij voor zon

en regen te beschutten, nog eene groote pot vol water en ongeveer twee

dozijn van mijne brooden of koeken, benevens eene flesch geitenmelk en

eene kaas. Dit alles bragt ik onder veel arbeid en zweet naar mijne

boot, en na God voor den gelukkigen afloop der reis gebeden te hebben,

stak ik af, en de kanoe langs het strand roeijende of pagaaijende, kwam

ik eindelijk aan het einde van het eiland aan dien kant, namelijk aan

het N. O. Nu moest ik, als ik het wagen durfde, in zee steken. Ik sloeg

een blik op de felle stroomingen, die gestadig op eenigen afstand aan

weerszijden van het eiland liepen, en die door de herinnering van het

gevaar, dat zij mij hadden doen loopen, voor mij zeer vreesselijk waren;

en toen begon mijn moed te bezwijken, want ik voorzag, dat als ik in

eene dier stroomingen geraakte, ik een groot eind weegs in zee zou

gedreven worden, misschien zoo ver, dat ik het eiland niet meer bereiken

of zien zou, en daar mijne boot maar klein was, ware ik, zoodra maar de

wind opwakkerde tot eene stijve koelte, onvermijdelijk verloren.

Deze denkbeelden maakten mij zoo neêrslagtig, dat ik mijne onderneming

begon op te geven, en na mijne boot in eene kleine kreek aan het strand

gebragt te hebben, er uitstapte, en op eene kleine hoogte zitten ging,

zeer bedrukt en bezorgd, weifelend tusschen vrees en verlangen om de

reis te doen. Terwijl ik zoo zat, bemerkte ik, dat het getij kenterde en

de vloed doorkwam, waardoor mijn vertrek, zoo lang deze aanhield,

onuitvoerbaar werd. Nu viel het mij in, dat het best ware op de hoogste

plek gronds te gaan, die ik vinden kon, en, als ik kon, waarnemen hoe de

stroomingen met het getij liepen, wanneer de vloed doorkwam, zoo dat ik

oordeelen kon, dat als ik eens langs den eenen weg naar buiten gedreven

werd, of ik ook hopen kon langs een anderen weg naar binnen gedreven te

worden, met de stroomingen. Naauwelijks kwam dit denkbeeld bij mij op,

of ik sloeg mijn oog op een heuvel, vanwaar ik de zee aan weerszijden

voldoende overzien kon, en waar ik een duidelijk gezigt van de

stroomingen had, en hoe ik op mijn terugreis sturen moest. Ik vond, dat

de strooming van de eb digt langs de zuidelijke punt van het eiland heen

liep, terwijl de strooming van den vloed aan de noordelijke zijde digt

langs het strand liep, en ik dus niets te doen had dan bij mijne

terugkomst de noordzijde van het eiland te houden.

Hierdoor aangemoedigd, besloot ik den volgenden morgen met het begin van

het getij uit te gaan, gelijk ik deed, na dien nacht in de kanoe, onder

de dikke jas, geslapen te hebben. Ik stuurde eerst een eindweegs in zee

regt noordwaarts aan, tot ik de kracht van de strooming begon te

bemerken, die mij oostwaarts en met vrij groote snelheid voortdreef,

maar niet zoo geweldig als de zuidelijke strooming te voren gedaan had,

en mij het bestuur over mijne boot latende, zoo dat ik die, met mijn

roeiriem sturende, met groote snelheid regt op het wrak aanhield, en het

binnen twee uren bereikte.

Het was een treurig gezigt; het schip, dat van Spaansche bouworde was,

zat tusschen twee rotsen vastgeklemd; de zee had het van achteren en op

zijde reeds geheel aan stukken geslagen, en daar het voorschip met

groot geweld tusschen de klippen was geworpen, waren de fokke en groote

mast kort afgebroken, maar de boegspriet was heel en de voorsteven

scheen nog geheel onbeschadigd. Toen ik dezen naderde kwam er een hond

te voorschijn, die, mij ziende, begon te janken en te blaffen, en zoodra

ik hem riep, in zee sprong en naar mij toezwom. Ik nam hem in de boot,

maar hij was halfdood van honger en dorst. Ik gaf hem een stuk brood en

hij at als een wolf, die veertien dagen lang honger geleden heeft. Toen

gaf ik hem wat zoet water, maar zoo ik hem had laten begaan, zou hij

zich te bersten hebben gedronken.

Daarna ging ik aan boord. Het eerst wat ik zag was twee mannen, die in

de konstapelskamer verdronken waren, met de armen stijf om elkander

geslagen. Ik begreep, gelijk zeer waarschijnlijk was, dat toen het schip

in den storm vastraakte, de zee zoo hoog liep en er zoo hevig in gekomen

was, dat deze arme lieden er door verdronken of gesmoord waren, zoo goed

als of zij onder water hadden gelegen. Behalve den hond was er geen

levend schepsel aan boord, en voor zoo verre ik zien kon, geene

goederen, die niet door het water bedorven waren. Lager in het ruim

lagen eenige vaten met wijn of sterken drank, die ik, toen het water op

het laagst was, zien kon, maar zij waren voor mij te zwaar. Ik zag

verscheidene kisten, die waarschijnlijk aan de matrozen behoord hadden,

en ik nam er twee van in de boot, zonder te onderzoeken wat er in was.

Zoo het schip van achteren vast gezeten had, en het voorschip

verbrijzeld ware geweest, zou ik eene zeer goede reis gedaan hebben,

want naar hetgeen ik in die twee kisten vond, begreep ik, dat het schip

zeer rijk geladen moest geweest zijn; en naar den koers, dien het

gehouden had, te rekenen, was het waarschijnlijk bestemd naar Buenos

Ayros of Rio de la Plata, boven Brazilië, vandaar naar de Havanna, en

zoo misschien naar Spanje. Er waren zeker groote schatten in, maar daar

had ik niets aan, en ik wist niet waar de bemanning gebleven was.

Behalve deze twee kisten vond ik een vaatje sterken drank van ongeveer

twintig flesschen, dat ik met veel moeite in mijne boot bragt. In eene

hut vond ik eene menigte geweren en een grooten kruidhoorn met ongeveer

vier pond kruid; daar ik de geweren niet noodig had, liet ik die liggen

en nam den kruidhoorn alleen mede. Ook nam ik mede een blaasbalg en een

tang, die ik beide hoog noodig had, als ook twee koperen keteltjes, een

chocoladepot en een rooster, en met dit alles, benevens den hond,

vertrok ik, daar het getij mij naar huis dreef, en denzelfden avond,

ongeveer een uur na zonsondergang bereikte ik het eiland weder, uiterst

vermoeid van dezen togt.

Ik sliep dien nacht in de boot, en den volgenden morgen besloot ik

hetgeen ik medegebragt had, in mijn nieuw ontdekte grot, en niet naar

mijn kasteel te brengen. Na ontbeten te hebben, bragt ik al mijne lading

aan den wal en begon die na te zien. Het vaatje met sterken drank was

vol rum, zoo als wij in Brazilië hadden, dat wil zeggen, die niets

deugde. Maar bij het openen der kisten vond ik verscheidene zaken, die

mij ontbraken; in een vond ik bij voorbeeld een zeer fraaije

flesschenkelder, geheel met allerlei fijne likeuren, in flesschen met

zilveren stoppen, gevuld. Ik vond twee potten met confituren, zoo goed

digt gemaakt, dat het water er niet had kunnen bijkomen, en nog twee,

die bedorven waren, bovendien vond ik eenige zeer goede hemden, die mij

zeer aangenaam waren, en anderhalf dozijn witte en gekleurde zakdoeken,

die mij zeer goed te pas kwamen, om op een warmen dag mijn zweet af te

droogen. Bovendien vond ik onder in de kist drie groote zakken, te zamen

ongeveer elfhonderd stukken van achten bevattende, en zes gouden

dubloenen in een papier gewikkeld, en nog eenige kleine staven goud, die

ik denk, dat gezamenlijk een pond zouden wegen.

In de andere kist waren eenige kleederen, doch van minder waarde; ik

denk, dat die aan den konstapelsmaat behoord had, schoon er geen kruid

in was dan een paar pond zeer fijn, dat in drie fleschjes was, en naar

ik denk, bestemd was om voor jagtgeweren te gebruiken. Over het geheel

had ik op deze reis weinig opgedaan wat mij van nut was; want het geld

was mij niet meer waard dan het slijk onder mijne voeten; en ik had

alles wel willen geven voor drie of vier paar Engelsche schoenen en

kousen, daar ik groot gebrek aan had en die ik in vele jaren niet aan

mijne voeten gedragen had. Ik had nu, wel is waar, twee paar schoenen,

die ik den twee verdronken mannen, die ik op het wrak vond, van de

beenen had genomen; maar zij waren noch zoo stevig, noch zoo gemakkelijk

als onze Engelsche schoenen, maar geleken meer naar dansschoenen. Ik

vond in deze matrozenkist ongeveer vijftig stukken van achten, maar geen

goud, ik begreep dus, dat de eerste kist aan een officier toebehoord

had.

Ik bragt het geld naar mijne grot en legde het neder, gelijk ik vroeger

gedaan had met dat, hetwelk ik uit ons eigen schip gehaald had; maar het

was zeer jammer, dat het andere einde van het schip niet voor mij

toegankelijk was geweest, want ik had mijne kanoe dan zeker

verscheidene malen vol met geld kunnen laden, en zoo ik ooit naar

Engeland had kunnen komen, had het daar veilig genoeg kunnen liggen, tot

ik terug kwam, om het te halen.

Na alles aan wal gebragt en geborgen te hebben, ging ik naar mijne boot

terug en bragt die langs het strand naar hare oude haven; daarna keerde

ik naar mijne woning terug, waar ik alles in orde vond. Ik rustte thans

van mijne vermoeijenissen, leefde op mijne oude wijze, en zorgde voor

mijne huishouding. Eene poos leefde ik zeer rustig, behalve dat ik

waakzamer dan gewoonlijk was, meermalen naar zee zag en niet dikwijls

uitging, en zoo ik een togtje naar het eiland deed, was dit altijd naar

de oostzijde, waar ik vrij zeker was, dat de wilden nimmer kwamen, en

waar ik, zonder zoo vele voorzorgen en al die zwaarte van kruid en lood

en wapens, gaan kon, die ik altijd medesleepte, als ik den anderen kant

uitging.

Ik bragt bijkans twee jaren in dien toestand door, maar mijn ongelukkig

hoofd, dat geschapen scheen om mij alle soort van ellende aan te

brengen, was al dien tijd opgevuld met ontwerpen, hoe ik, als het

mogelijk was, van dit eiland af zou raken; dan wilde ik eene tweede reis

naar het wrak doen, schoon mijn verstand mij zeide, dat er niets was,

wat de gevaren der reis zou beloonen; somtijds wilde ik dezen of dien

weg heen een togtje doen, en ik geloof waarlijk, dat zoo ik de boot had

bezeten, waarmede ik te Salé in zee stak, ik op goed geluk in zee zou

gegaan zijn. In alle mijne lotgevallen was ik een waarschuwend voorbeeld

voor hen, die met de gewone kwaal behebt zijn, waaruit ik geloof, dat de

helft der menschelijke ellenden voortvloeijen, namelijk dat men niet

tevreden is met den staat, waarin God en de natuur ons geplaatst hebben.

Want zonder nu terug te komen op mijne eerste bestemming, en de

uitstekende raadgevingen mijns vaders, welker tegenstreving ik mijne

oorspronkelijke zonde noemen mag, waren mijne volgende misslagen van

dien aard de oorzaken van mijn tegenwoordigen rampzaligen toestand. Want

zoo de Voorzienigheid, die mij in Brazilië zoo gelukkig als planter

gevestigd had, mij gematigde begeerten geschonken had, en hadde ik mij

tevreden gesteld met langzaam vooruit te gaan, dan kon ik in den tijd,

dien ik thans op het eiland had doorgebragt, een der aanzienlijkste

planters van Brazilië geweest zijn, ja, ik ben overtuigd, dat ik, naar

de wijze, waarop ik reeds vooruitgegaan was, ik thans ligtelijk

honderdduizend moidores rijk had kunnen zijn. Wat behoefde ik ook eene

winstgevende zaak, een goed ingerigte plantaadje te verlaten, om als

supercargo naar de kust van Guinea te gaan, om slaven te halen, terwijl

met der tijd en geduld onzen rijkdom zoo vermeerderd zou hebben, dat wij

gemakkelijk hen voor onze deur hadden kunnen koopen, van degenen, wier

taak het was hen te halen. Al had dit iets meer gekost, die hooger prijs

verdiende niet met zoo veel gevaar uitgewonnen te worden. Maar

gewoonlijk handelen jonge lieden zoo, terwijl zij eerst bij meerdere

jaren en duurgekochte ervaring de dwaasheid daarvan inzien. Zoo ging het

mij ook, maar toch had die verkeerde neiging zoo diep in mijn geest

wortel geschoten, dat ik in mijn tegenwoordigen toestand niet tevreden

was, maar aanhoudend peinsde over de mogelijkheid en de middelen, om van

deze plaats te ontkomen. En ten einde de lezer mijn verder verhaal te

aangenamer zij, zal het niet ongepast zijn eenig verslag van mijne

eerste ontwerpen aangaande mijne ontkoming te geven, en op welken grond

ik handelde.

Men verbeelde zich thans, dat ik na mijne laatste reis naar het wrak, in

het kasteel teruggekeerd ben, mijn schip is geborgen en onder water

gelegd, als gewoonlijk, en mijn toestand dezelfde als vroeger. Ik had nu

zeker meer geld dan te voren, maar was er niet rijker om, want ik kon

het evenmin gebruiken als de Indianen te Peru hun goud, voor de

Spanjaarden daar kwamen.

In een der nachten, in het regensaizoen, in Maart, het vierentwintigste

jaar van mijn verblijf in dit eenzaam eiland, lag ik in mijn bed of

hangmat, wakker, zeer gezond, ik had geenerlei pijn of ongemak, en ook

geene meerdere gemoedskwelling dan anders, maar kon toch niet slapen,

zelfs geen oogenblik insluimeren. Het is even onmogelijk als noodeloos

de menigte van gedachten te vermelden, die gedurende dien geheelen nacht

bij mij opkwamen. Mijn geheele leven kwam mij als in een kort bestek,

achtervolgens voor den geest, tot aan mijne komst op het eiland, en even

zoo dat gedeelte mijns levens, dat ik op hetzelve doorgebragt had.

Terwijl ik mijnen toestand alhier sedert ik aan wal gekomen was, lag te

overpeinzen, vergeleek ik den gelukkigen gang der zaken in het eerste

jaar van mijn verblijf alhier, met dien voortdurenden angst, vrees en

zorg, waarin ik steeds geleefd had, sedert ik een afdruk van een voet op

het zand gezien had. Ik geloofde wel niet, dat de wilden het eiland al

dien tijd aanhoudend bezocht hadden, en er honderden malen aan wal

geweest waren; maar daar ik er toen niets van wist en dus volstrekt

geene vrees voor voeden kon, was ik volkomen gerust, schoon het gevaar

even eens was; en bij mijne onbekendheid met hetzelve was ik even

welgemoed alsof ik er in het geheel niet aan blootgesteld was. Dit bragt

mij op verscheidene nuttige opmerkingen, en bijzonder op deze, hoe

oneindig goed de Voorzienigheid is, die den mensch zoo kortzigtig heeft

gemaakt, waardoor hij, ofschoon te midden van vele duizenden gevaren,

welke, zoo hij ze bespeurde, hem geheel verbijsteren zouden, volkomen

kalm en gerust blijft, omdat hij de gevaren, die hem omringen, ziet noch

kent.

Nadat deze gedachten mij eenigen tijd hadden bezig gehouden, dacht ik

ernstig na over het wezenlijk gevaar, dat ik op dit eiland zoo vele

jaren geloopen had, en hoe ik altijd met de grootste gerustheid

rondgezworven had, terwijl misschien niets dan de top eens heuvels, de

stam eens booms of het invallen van de duisternis tusschen mij en den

ergsten dood geweest was, dien namelijk, van in de handen van

menschenetende wilden te vallen, die mij zouden beschouwd hebben met

hetzelfde oog, waarmede ik een geitje of schildpad aanzag, en even

weinig zwarigheid er in zouden gevonden hebben, mij te slagten en op te

eten, als ik een duif of een wulp. Ik zou de waarheid te kort doen als

ik niet zeide, dat ik opregt dankbaar was aan mijn Behoeder, aan wiens

bijzondere bescherming ik nederig erkende al mijne redding uit deze

onbekende gevaren verschuldigd te zijn, en zonder welke ik

onvermijdelijk in hunne wreedaardige handen zou gevallen zijn.

Toen deze gedachten voorbij waren, hield ik mij eenigen tijd bezig met

het overwegen van den aard van deze rampzaligen, ik meen de wilden, en

hoe het kwam, dat de alwijze Bestierder der wereld aan eenige zijner

schepselen zulke barbaarschheid toeliet, ja, dat beneden het

beestachtige was, van namelijk zijns gelijken te verslinden. Doch dit

bleef bij eenige vruchtelooze bespiegelingen, maar bragt mij op het

nagaan in welk deel der wereld deze rampzaligen leefden, hoe ver de kust

was vanwaar zij kwamen, waarom zij zich zoo ver van huis begaven, en

waarom ik het niet zoo ver kon brengen, dat ik in staat was naar hen toe

te gaan, zoo goed als zij tot mij over kwamen.

Ik bekommerde er mij op dat oogenblik niet om, wat ik doen zou om daar

te komen; wat er van mij worden zou als ik den wilden in handen viel, of

hoe ik, zoo zij mij vervolgden, hun zou kunnen ontsnappen; zelfs niet

hoe het mogelijk zou zijn de kust te bereiken, zonder dat eenigen hunner

mij aanvallen zouden, zonder dat ik hoop had van te ontkomen, en als ik

niet in hunne handen viel, wat ik doen zou om leeftogt te bekomen of

welken koers ik nemen zou; geen dezer gedachten kwam zelfs bij mij op;

maar mijn geest hield zich alleen bezig met het denkbeeld van in mijne

boot naar het vaste land over te steken. Ik beschouwde thans mijn

toestand, als de ongelukkigste, die er zijn kon; en dat niets erger kon

worden voor mij, dan alleen de dood; dat zoo ik de kust van het vaste

land bereikte, ik misschien redding kon vinden, of langs het strand

gaan, gelijk ik in Afrika gedaan had, toen ik aan een bewoond land kwam.

Misschien kon ik ook een Europeesch schip ontmoeten, dat mij opnam, en

zoo al het ergste gebeurde, kon ik slechts den dood vinden, die in eens

aan al mijne ellenden een einde zou maken. Men bedenke, dat dit alles de

vrucht was van een overspannen en ongeduldig gemoed, dat als het ware

wanhopig was geworden door het langdurige mijner zorgen, en de

teleurstelling, die mij op het wrak, waarop ik geweest was, wedervaren

was, waar ik zoo nabij de vervulling van mijne vurigste wenschen geweest

was, namelijk iemand tot wien ik spreken en van wien ik eenige kennis

nopens de plaats waar ik mij bevond, verkrijgen kon. Ik was geheel

ontroerd door deze bedenkingen. Al mijne gemoedsrust, mijne onderwerping

aan de Voorzienigheid en mijne berusting in des Hemels raadsbesluiten,

schenen verdwenen, en ik kon mijne gedachten nergens anders op vestigen

dan op het ontwerp eener reis naar het vasteland, dat mij met zoo veel

kracht en zoo geweldig overviel, dat ik dit niet weerstaan kon.

Het leven en de lotgevallen van Robinson Crusoe, t. 1 · 第 14 / 23 段