lieverlede mijn oogmerk op te geven, en te besluiten, dat ik mij
verkeerde maatregelen had voorgenomen, ten einde de wilden aan te
vallen; dat het mijne zaak niet was mij met hen in te laten, ten ware
zij mij het eerst aanvielen, hetwelk ik zoo veel in mij was moest
trachten te voorkomen; maar als ik ontdekt en aangevallen werd, dan wist
ik wat mij te doen stond.
Aan den anderen kant bragt ik mij zelven onder het oog, dat dit waarlijk
de weg niet was om mij te bevrijden, maar mij geheel en al in het
verderf te storten. Immers als ik niet zeker was, dat ik iedereen dooden
kon, die alsdan aan het strand was, als ook hen, die er naderhand mogten
komen, dan, als er slechts een ontsnapte, om zijnen landslieden het
gebeurde mede te deelen, zouden zij weder bij duizenden overkomen om den
dood van hunne makkers te wreken; en ik mij zelven een gewissen dood op
den hals halen, waartoe ik voor als nog in het geheel geen roeping
gevoelde.
Om kort te gaan, ik besloot, dat het mij geraden was, mij hierin
volstrekt niet te mengen, maar mij zoo veel mogelijk voor hen verborgen
te houden, en niet het minste spoor achter te laten, waardoor zij gissen
konden, dat er eenig menschelijk wezen zich op het eiland bevond. De
godsdienst sterkte mij in dit voorzigtig besluit, en ik was thans door
verschillende redenen overtuigd, dat ik geheel en al mijn pligt te
buiten ging, als ik zulke bloeddorstige ontwerpen bleef voeden, om
onschuldige wezens te dooden; ik bedoel onschuldig jegens mij. Met de
misdaden, waaraan zij zich jegens elkander schuldig maakten, had ik
niets te maken; het waren hunne zeden, en ik moest die aan de Goddelijke
geregtigheid overlaten, daar God de volkeren bestiert en zijne oordeelen
op de wijze, die Hij goedvindt, over hen kan doen losbarsten.
Dit scheen mij thans zoo klaar toe, dat niets mij meer verheugde, dan
dat het mij niet toegelaten was te doen, hetgeen ik thans als niet
minder dan moedwilligen doodslag beschouwde, en ik dankte God op mijne
knieën, dat Hij mij aldus van mijn bloeddorst had genezen; smeekte om
zijne bescherming, dat ik niet in hunne handen mogt vallen, of de hand
aan hen slaan, ten ware de Hemel mij dit duidelijk en ter verdediging
van mijn eigen leven aanwees.
In deze gemoedsgesteldheid bragt ik nog een jaar door, en ik verlangde
zoo weinig die rampzaligen aan te vallen, dat ik in al dien tijd geene
enkele maal den heuvel opklom, om te zien of er ook eenigen in het
gezigt waren, of te weten, of zij al of niet het eiland hadden
aangedaan; ten einde niet in verzoeking te geraken mijne vroegere
middelen te bezigen, of door eenig voordeel tot een aanval op hen
verlokt te worden. Echter haalde ik mijne boot van de andere zijde van
het eiland, en bragt die aan de oostzijde, waar ik die in een inham
onder eenige hooge rotsen legde, waar ik wist, dat de wilden, uithoofde
der stroomingen, niet met hunne kanoes zouden durven komen. Met de boot
nam ik alles mede, wat ik daar achtergelaten had, namelijk een mast en
een zeil, dat ik gemaakt had, benevens eene soort van anker of dreg,
schoon eigenlijk naar geen van beide gelijkende, maar dat ik niet beter
had kunnen maken. Dit deed ik om niet het minste blijk van menschelijke
wezens, of spoor van eene boot op het eiland achter te laten.
Bovendien leefde ik stiller dan ooit, en verliet zelden mijne kluis dan
voor mijne dagelijksche bezigheden, het melken mijner geiten en het
nazien mijner kudde in het bosch, die als geheel aan de andere zijde van
het eiland, buiten alle gevaar was; want het was zeker, dat de wilden,
die somtijds het eiland aandeden, er nimmer iets dachten te vinden, en
dus nooit het strand verlieten. Ik twijfel niet of zij waren er
verscheidene malen, nadat ik hun spoor ontdekt had, geweest; en ik
huiverde bij de gedachte wat mijn toestand zou geweest zijn, als ik op
hen gestooten had, en zij mij ontdekt hadden, alleen gewapend met een
geweer, soms met eenigen hagel slechts geladen. Welk een verrassing zou
het geweest zijn als ik in plaats van een afdruk van een voet, een
vijftien of twintig wilden aangetroffen had, en zij mij vervolgd hadden.
Bij hunnen snellen loop zou er aan ontkomen niet te denken zijn geweest.
Deze denkbeelden maakten mij soms bitter neêrslagtig. Met schrik dacht
ik wat ik in dat geval zou gedaan hebben; zonder hen te kunnen
weerstaan, misschien zonder tegenwoordigheid van geest om van mijne
eerst na lang nadenken uitgevonden middelen tot verdediging gebruik te
maken. Maar ik eindigde met dankbaar aan de Voorzienigheid te zijn, die
mij voor deze schrikkelijke ramp bewaard had, terwijl ik zelfs het
gevaar, waarin ik was, niet bevroedde. Dit bragt mij tot de overweging,
die ik reeds meermalen, bij mijn leven, had gemaakt, hoe de
Voorzienigheid ons in gevaren beschermt en leidt door schikkingen,
waarvan wij het doel niet begrijpen. Dikwijls toch worden wij door
geheel onverwachte gebeurtenissen uit groote gevaren bevrijd; dikwijls
drijft een geheime aandrang, in hagchelijke oogenblikken, ons aan, om
veeleer dezen dan genen weg in te slaan, die onfeilbaar tot ons verderf
zou geleid hebben.
Ten gevolge dezer overwegingen stelde ik het mij naderhand tot een
vasten regel, dat wanneer naderhand, als het ware, eene geheime stem mij
ried deze of gene zaak te doen of te laten, of dezen of genen weg in te
slaan, ik altoos die aanwijzing volgde, schoon ik er geene andere reden
dan dezen aandrang voor had. Meer dan een voorbeeld uit mijn leven zou
ik kunnen bijbrengen, om het welslagen van deze handelwijze te bewijzen;
maar vooral in den laatsten tijd van mijn verblijf op dit eiland;
behalve dat ik vroeger waarschijnlijk veel dergelijks had kunnen
bespeuren, zoo ik toenmaals de zaken uit hetzelfde oogpunt had
beschouwd. Doch het is nimmer te laat om verstandig te worden, en ik kan
ieder verstandig mensch, wiens leven even als het mijne aan zoo
buitenwone wisselvalligheden, of zelfs aan min bijzondere onderhevig is,
aanraden, zulke geheime wenken der Voorzienigheid niet in den wind te
slaan, door welke onzigtbare werking zij ons medegedeeld worden. Ik kan
deze noch verklaren, noch er over redetwisten, maar gewis zijn het
onwraakbare bewijzen voor de werking van onstoffelijke wezens buiten
ons. Hiervan zal ik in het overige van mijn eenzaam verblijf op het
eiland merkwaardige bewijzen kunnen geven.
Mijne lezers zullen het, geloof ik, niet vreemd vinden, als ik beken,
dat deze aanhoudende angst en gevaren waarin ik verkeerde, en de
daardoor verwekte zorgen, mij alle uitvindingen en alle ondernemingen,
die ik tot mijn verder gemak bedacht had, deden staken. Ik werd thans
meer door de zorg voor mijne veiligheid, dan voor mijn onderhoud,
beziggehouden. Ik durfde geen spijker slaan, geen hout kappen, uit
vrees, dat het geraas hiervan gehoord zou worden; veel minder durfde ik
een geweer afschieten, en vooral baarde mijn vuur mij veel vrees. De
rook, die over dag zeer ver zigtbaar is, kon mij verraden, en ten dien
einde verrigtte ik mijn werk, waarbij ik vuur noodig had, als potten en
pijpen bakken, in mijn nieuw verblijf in het bosch, waar ik voor eenigen
tijd, tot mijne groote vreugde, een natuurlijke onderaardsche grot had
gevonden, die een heel eind weegs diep inliep; en ik was verzekerd, dat
geen wilde, als hij den ingang vond, er zou durven ingaan, en niemand
zou dit doen ten ware hij, gelijk ik, een veilige schuilplaats zoo hoog
noodig had.
De ingang van deze grot was aan den voet van eene groote rots, waar het
toeval, (zou ik vroeger gezegd hebben, maar het was inderdaad de
Voorzienigheid) mij heenvoerde, terwijl ik eenige zware takken kapte om
houtskolen te branden. Vooraf moet ik zeggen waarom ik houtskolen
maakte. Ik was bevreesd bij mijne woning vuur te stoken, gelijk ik
zeide, en toch kon ik niet leven zonder mijn brood te bakken, mijn
vleesch te koken enz.; en dus beproefde ik eenig hout, gelijk ik in
Engeland gezien had, met aarde overdekt, te branden tot het kolen waren,
alsdan doofde ik het vuur uit, bragt de houtskolen naar huis, en
gebruikte die om vuur te maken, zonder gevaar van den rook. Doch om tot
mijn verhaal terug te keeren.
Terwijl ik daar aan het houtkappen was, bemerkte ik, dat er achter eenig
zeer dik kreupelhout of heestergewas, eene zekere opening was. Ik was
nieuwsgierig, die te zien, en toen ik met moeite aan den ingang kwam,
vond ik, dat, die vrij groot was, namelijk, dat ik er, en nog iemand
naast mij, regt op in kon staan. Maar ik moet bekennen, dat ik er veel
harder uitstoof dan ik er ingekomen was, toen ik dieper inziende, waar
het stik donker was, twee helder flikkerende oogen zag van eenig
schepsel, hetzij mensch of duivel, die daar als twee sterren flikkerden,
en waar het flaauwe licht, dat in de opening der grot drong, in
weêrkaatste. Echter kwam ik na eenige oogenblikken wat tot mij zelven,
en schold mij zelven voor een tiendubbelen gek, en zeide, dat hij, die
bang was den duivel onder de oogen te zien, niet geschikt was om twintig
jaren geheel alleen op een woest eiland te leven, en dat er zeker niets
in de grot was, dat meer schrik kon verwekken dan mijn eigen persoon.
Hierna raapte ik al mijn moed bijeen, nam een vlammend hout in de hand,
en stoof daarmede gewapend, de grot in. Ik had nog geen drie stappen
gedaan, of ik schrikte weder even hevig als vroeger, want ik hoorde een
luid steenen, als van iemand, die zware pijn lijdt, dan weder een dof
geluid, als of men binnen 's monds sprak, gevolgd door een diepen zucht.
Ik trad terug en was zoo ontsteld, dat het koude zweet mij uitbrak, en
had ik een hoed op gehad, dan zouden mijne te berge staande haren dien
misschien opgeligt hebben. Maar nog trachtte ik moed te scheppen met het
denkbeeld, dat God alomtegenwoordig was en mij kon beschermen, en weder
voorwaarts stappende, zag ik bij het licht van het brandend hout, dat ik
boven mijn hoofd hield, zag ik, zeg ik, een allermonsterachtigsten,
vreesselijken ouden bok op den grond liggen, die daar lag te zieltogen
en van ouderdom scheen te sterven. Ik beproefde hem weg te jagen; hij
trachtte op te staan, maar kon niet; en ik dacht bij mij zelven: blijf
dan maar liggen, want hebt gij mij zoo verschrikt, dan zult gij
zekerlijk de wilden, zoo die het durven wagen naar binnen te dringen
terwijl gij nog leeft, nog veel meer schrik aanjagen.
Van mijne verbazing bekomen, begon ik rond te zien en ontdekte, dat de
grot inderdaad zeer klein was, namelijk ongeveer twaalf voet, maar
onregelmatig, noch rond noch vierkant gevormd, daar de natuur dit
alleen, zonder hulp van menschenhanden gedaan had. Ik bemerkte ook, dat
er aarde op eene plaats was, die dieper inliep, maar zoo laag, dat ik er
op handen en voeten in moest kruipen. Daar ik nu geen kaars bij mij had,
stelde ik dit uit, maar besloot den volgenden dag met kaarsen en een
tinteldoos terug te komen. Mijn tinteldoos had ik van het slot van een
oud geweer gemaakt.
Ik kwam dan ook den volgenden dag terug met zes kaarsen van mijn eigen
maaksel, want ik maakte thans zeer goede kaarsen van geitenvet; en de
grot ingaande, was ik, gelijk ik zeide, genoodzaakt ongeveer tien ellen
op handen en voeten voort te kruipen, hetgeen, naar mij dacht, al een
groot waagstuk was, daar ik niet wist hoe ver zij liep, of waar ik zou
uitkomen. Na deze engte doorgegaan te zijn, verhief het gewelf zich
ongeveer tot twintig voet; maar nimmer, durf ik zeggen, zag men op het
eiland schitterender gezigt, dan de wanden dezer grot opleverden. Deze
weerkaatsten honderdduizend maal het licht mijner twee kaarsen; wat er
in de rots zat, of diamanten of andere edelgesteenten, of goud, wist ik
niet. Ik bevond mij nu in de allerbevalligste grot, die men bedenken
kon, schoon het er geheel duister was; de grond was droog en effen, en
er lag eene soort van keizelzand op, zoodat er geenerlei stinkend of
venijnig gedierte, noch eenige vochtigheid aan de wanden te bespeuren
was. De ingang alleen was wat moeijelijk, hetgeen mij echter een
voordeel toescheen, daar het juist zulk eene veilige schuilplaats was
als ik verlangde. Ik besloot dus onverwijld daar eenige dingen te
brengen, waarvoor ik het meest bezorgd was, bovenal mijn
buskruidmagazijn en al mijne wapenen, die ik niet gestadig gebruikte,
bestaande uit twee jagtgeweren en drie musketten. Van deze laatste
behield ik dus vijf in mijn kasteel, die als kanonnen op mijne buitenste
schans geplant stonden, en er ook des noodig konden uitgenomen worden.
Bij deze gelegenheid moest ik het kruidvaatje, dat ik uit zee opgevischt
had, openslaan, en ik vond, dat het zeewater er aan alle kanten drie tot
vier duim doorgedrongen was, en het kruid daar zoo hard had gemaakt als
een steen, waardoor het overige als de kern in een pit volkomen bewaard
was gebleven. Ik had dus midden in het vat ongeveer zestig pond zeer
goed kruid, hetgeen voor mij eene aangename verrassing was. Ik bragt dat
alles er heen, en hield slechts twee of drie pond in mijn kasteel, om
tegen elke verrassing gewapend te zijn, ook bragt ik er al het lood, dat
ik voor kogels bewaard had. Alstoen vergeleek ik mij bij de reuzen uit
den ouden tijd, die men zegt, dat in grotten en rotsholen leefden, waar
niemand hen kon bereiken. Ik hield mij overtuigd, dat al zaten mij
vijfhonderd wilden na, zij mij niet zouden vinden, en al was dit zoo,
mij hier nog niet zouden durven aanvallen.
De oude bok, dien ik zieltogende had gevonden, stierf den volgenden dag
na mijne ontdekking, en ik vond het veel gemakkelijker hem daarin een
graf te delven dan hem er uit te slepen, dus begroef ik hem daar, om
mijn neus voor den stank te waarborgen.
Ik was nu in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf op het eiland;
en er zoo genaturaliseerd en aan mijne levenswijze gewoon, dat zoo ik
slechts zeker ware geweest, dat er geene wilden zouden komen, ik
tevreden zou geweest zijn met daar het overschot mijns levens te
slijten, zelfs tot mijn laatste uur, tot ik, even als de oude bok, mij
zou nederleggen en sterven. Ik had mij eenige vermakelijkheden
verschaft, die mij den tijd aangenamer deden omgaan dan vroeger.
Vooreerst had ik mijn papegaai leeren spreken, en hij klapte zoo aardig
en vertrouwelijk, dat ik geloof, dat nooit een vogel beter sprak. Hij
leefde niet minder dan zesentwintig jaren met mij, en hoe lang hij
naderhand kon leven wist ik niet. In Brazilië zegt men, dat zij honderd
jaar oud kunnen worden. Mijn hond was mij meer dan zestien jaren een
trouwe makker, en toen stierf hij van ouderdom. Mijne katten
vermenigvuldigden zoo, gelijk ik gezegd heb, dat ik er in den beginne
verscheidene van moest dood schieten, ten einde zij niet mij en al wat
ik had opvraten; maar toen eindelijk de ouden dood waren, en ik ze
gestadig verjoeg en niets binnen haar bereik liet, verwilderden zij en
liepen het bosch in, behalve twee of drie, die ik tam hield, en wier
jongen ik altijd verdronk. Bovendien had ik altijd twee of drie tamme
geitjes om mij heen, die ik leerde uit mijne hand te komen eten. Ik had
ook nog twee papegaaijen, die tamelijk goed spraken, en allen: Robinson
Crusoe! riepen, maar geen zoo goed als mijn eerste; ook had ik mij met
hen zoo veel moeite niet gegeven. Ik had ook verscheidene tamme
zeevogels, wier naam ik niet kende, die ik op het strand gevangen en
gekortwiekt had. De stekken, die ik om mijn muur geplant had, waren nu
tot een digt bosch gegroeid, en daarin leefden en nestelden zij, hetgeen
mij zeer aangenaam was. Aldus leefde ik zeer tevreden, behalve dat ik
steeds door vrees voor de wilden geplaagd werd.
Doch het was anders besloten, en het zal hier niet ongepast zijn mijnen
Lezers te doen opmerken, hoe dikwijls datgene, wat wij het meest
trachten te vermijden en voor ons het vreesselijkst is, toch het
eenigste middel is om ons uit onze ongelukken te redden. Ik zou uit mijn
buitengewonen levensloop vele voorbeelden tot staving hiervan kunnen
aanhalen; maar nergens bleek dit duidelijker in dan in de
omstandigheden, die de laatste jaren van mijn verblijf alhier
kenmerkten.
Het was nu in December, in het drieëntwintigste jaar van mijn verblijf
alhier, en daar dit de zuidelijke zonnestand (want winter kan men het
niet noemen) was, en dus mijn oogsttijd, moest ik dikwijls op het veld
wezen. Op een vroegen morgen vóór den dag uitgaande, verbaasde het mij
op het strand, een half uur van mij af, een groot vuur te zien, en tot
mijn grooten schrik aan mijne zijde van het eiland.
Bij dit gezigt stond ik als verplet, en bleef in mijn boschaadje, waar
ik niet durfde uitgaan; en toch was ik even ongerust, uit vrees, dat zoo
deze wilden het eiland mogten rondzwerven, zij mijn te veld staande
graan of eenig ander werk van mij mogten vinden en vernielen, en
dadelijk daaruit begrijpen, dat er menschen op het eiland waren. Dan
zouden zij niet rusten voor zij mij gevonden hadden. Ik keerde dus in
mijn kasteel terug, en trok de ladder achter mij op.
Daarop maakte ik mij tot verdediging gereed. Ik laadde al mijn geschut,
dat op mijne schans stond, en al mijne pistolen, en besloot mij ten
uiterste te verdedigen, niet vergetende mij in Gods bescherming te
bevelen en Hem te smeeken mij uit de handen der barbaren te redden. Ik
bleef aldus twee uren, maar verlangde toen magtig te weten wat er
omging, want ik kon geene verspieders uitzenden. Eindelijk kon ik deze
onzekerheid niet langer verdragen, ik zette dus mijne ladder tegen de
rots, en klom zoo naar den top. Daar ging ik plat op den grond liggen,
en begon met mijn kijker naar hen uit te zien. Ik zag niet minder dan
negen naakte wilden rondom een vuur zitten, niet om zich te warmen, want
het was geweldig heet, maar naar ik denk, om een hunner afschuwelijke
gastmalen van menschenvleesch te houden, dat zij levend of dood hadden
medegebragt.
Zij hadden twee kanoes aan het strand liggen, en daar het eb was,
begreep ik, dat zij op hoogwater wachtten, om weder in zee te gaan. Men
kan zich niet begrijpen, welke verwarring dit gerigt bij mij te weeg
bragt, vooral dat zij aan mijne zijde van het eiland en zoo digt bij mij
geland waren. Toen ik echter begreep, dat zij altijd alleen met de eb
konden komen, werd ik wat bedaarder, daar ik inzag, dat ik al den tijd,
dat het hoogwater was, gerust van huis kon gaan, zoo zij alsdan niet
vroeger aan wal waren gekomen. Hierdoor eenigzins gerust gesteld, ging
met meer gerustheid aan mijn oogst aan het werk.
Het ging zoo als ik dacht, want zoodra de vloed doorkwam, zag ik hen
allen naar hunne kanoes gaan, en heenroeijen, of liever pagaaijen. Ik
moet nog vermelden, dat een uur of zoo voor zij vertrokken, zij aan het
dansen gingen, en ik kon door mijn kijker al hunne gebaren en houdingen
duidelijk zien. Zij waren geheel naakt, schoon ik niet onderscheiden kon
of het allen mannen dan of er ook vrouwen bij waren.
Zoodra ik hen vertrokken zag, nam ik twee geweren op schouder, stak twee
pistolen in mijn gordel met mijne sabel zonder scheede, en begaf mij zoo
spoedig ik kon naar den heuvel, waar ik het eerste spoor van hen gezien
had. Zoodra ik daar kwam, waarmede twee uren verliepen (want ik kon zoo
met wapenen beladen, niet hard voort) bespeurde ik, dat er daar nog drie
kanoes met wilden geweest waren, en verder op ziende, bemerkte ik, dat
zij allen in zee waren gestoken en op het vaste land aanhielden.
Dit was een vreesselijk gezigt voor mij, vooral toen ik naar het strand
afgaande, de blijken kon zien, die zij van hun afschuwelijk werk hadden
achtergelaten; namelijk het bloed, de beenderen en een deel
menschenvleesch, dat deze rampzaligen daar met vreugde en vrolijkheid
hadden verslonden. Dit gezigt vervulde mij met zoo veel
verontwaardiging, dat ik thans voornam de eersten, die weder kwamen,
dood te schieten, al waren er ook nog zooveel.
Het scheen mij blijkbaar, dat de bezoeken, die zij aldus aan het eiland
gaven, niet veelvuldig waren; want het duurde meer dan vijftien maanden
eer ik weder iets van hen zag. Gedurende het regensaizoen zouden zij
zeker niet uitgaan, althans niet zoo ver van huis; echter was ik al dien
tijd in gestadige onrust en vrees, dat zij mij onverwachts zouden
overvallen. Dit bragt mij tot de opmerking, dat de verwachting van eenig
onheil erger is dan het ondergaan van hetzelve, vooral als men niet in
staat is zich van den angst of van die verwachting te ontslaan.
Al dien tijd was ik in eene allerbloeddorstigste stemming, en besteedde
meest al mijnen tijd (dien ik beter had kunnen aanwenden) in te
overwegen hoe ik de volgende maal, dat ik hen zag, hen zou overvallen en
aantasten, vooral als zij, gelijk de laatste maal het geval was, in twee
partijen verdeeld zouden zijn. Ik bedacht echter niet, dat zoo ik de
eene week een troep doodde, ik de volgende week of maand een tweeden kon
moeten doodslaan, en zoo voorts tot in het oneindige, tot ik eindelijk
niet minder een moordenaar zou zijn dan deze menscheneters, en misschien
nog meer.
Dit alles deed mij thans mijne dagen in groote verslagenheid en angst
doorbrengen, daar ik verwachtte, dat ik, den een of anderen dag, in de
handen dezer meêdoogenlooze barbaren zou vallen. Als ik nu en dan
uitging, deed ik dit met de meeste voorzorg en zag onophoudelijk rond.
Nu zag ik in hoe gelukkig het was, dat ik mij eene kudde tamme geiten
had weten te verschaffen; want ik durfde volstrekt mijn geweer niet af
te schieten, vooral niet bij dien kant van het eiland, waar zij
gewoonlijk kwamen, ten einde hun geen alarm te geven; en al namen zij
eerst de vlugt voor mij, dan kon ik toch zeker rekenen, dat zij
misschien eenige dagen daarna met twee- of driehonderd kanoes zouden
terugkeeren, en dan wist ik wat mijn lot zijn zou.
Het duurde echter vijftien maanden voor ik iets van de wilden zag of
hoorde, en toen vertoonden zij zich weder, zoo als ik straks verhalen
zal. Wel is het mogelijk, dat zij er in dien tijd eens of tweemaal
geweest waren, maar dan kort en zonder dat ik er iets van gemerkt had,
doch in de maand Mei, zoo ver ik berekenen kan, en in mijn
vierentwintigste jaar, had ik eene zeer zonderlinge ontmoeting, die ik
zoo aanstonds verhalen zal.
Al die vijftien of zestien maanden bragt ik in de grootste onrust door.
Ik sliep onrustig, had altijd akelige droomen, en werd dikwijls met
schrik wakker. Over dag verbijsterde mij de angst en des nachts droomde
ik van het dooden van wilden, en zocht naar redenen, die dit
regtvaardigden. Doch die zullen wij voor een oogenblik daar laten.
Op zekeren dag, den 16den Mei, naar mijn houten almanak te rekenen, dien
ik nog dagelijks bijhield, woei het den geheelen dag een fellen storm
met donder en bliksem, en de nacht was even ruw. Ik zat in den Bijbel te
lezen, en ernstig over mijn toestand na te denken, toen ik eensklaps
schrikte van een kanonschot, dat, naar ik meende, in zee gelost werd.
Dit was een geheel andere verrassing dan de vroegere, en bragt mij
geheel andere denkbeelden in het hoofd. In een oogenblik stond mijne
ladder tegen de rots; ik haalde die op, en beklom toen den top; op dat
oogenblik deed eene flikkering van vuur mij een tweede schot verwachten,
welks geluid ik ook eene halve minuut daarna hoorde, en daaruit vernam,
dat het van dien kant van de zee kwam, waar ik in mijne boot door de
strooming in zee was gedreven.
Oogenblikkelijk begreep ik, dat er een schip in nood was, en dat het
een ander in de nabijheid had, en noodschoten deed om hulp te vragen. Ik
had tegenwoordigheid van geest genoeg, om te begrijpen, dat zoo ik hen
niet kon helpen, zij dit mij konden doen; dus haalde ik al het drooge
hout bijeen, dat ik vinden kon, stapelde het op een hoop en stak het in
brand. Het hout was droog en brandde fel op, en hoe hard het ook woei,
brandde het geheel op, zoodat als er een schip was, men het daar zien
moest. Ongetwijfeld was dit ook zoo, want zoodra het vuur opbrandde,
deed men weder een schot en naderhand nog verscheidene. Ik hield het
vuur den geheelen nacht aan, en toen het dag werd en de lucht opklaarde,
zag ik op een grooten afstand in zee een zeil of een romp van een schip.
De afstand was te groot en het weder nog wat mistig, om met mijn kijker
er meer van te kunnen onderscheiden.