mij op, dat het alles wel verbeelding van mij zelven kon geweest zijn,
en dat het mijn eigen voetstap was geweest, dien ik uit de boot komende,
in het zand had gedrukt. Dit beurde mij wel op, en ik trachtte mij te
overreden, dat het alles verbeelding was geweest, en mijn eigen
voetstap, want ik had even goed langs dien kant van de boot als daar
naar toe kunnen gaan. Ik bedacht, dat ik geenszins zeker was, welken weg
ik gegaan was, en dat als het zoo was, ik even zot was geweest, als die
dwazen, die hun eigen schaduw voor een spook of geest aanzien en
daarvoor vreezen.
Alstoen begon ik wat moed te scheppen en weder uit te gaan. Drie dagen
en drie nachten had ik mijn kasteel niet verlaten, zoodat ik reeds
gebrek aan levensmiddelen begon te krijgen. want ik had niets bij mij,
dan eenige gebakken koeken en wat water. Ook wist ik, dat mijne geiten
gemolken moesten worden, dat gewoonlijk mijn avonduitspanning was, en
de arme dieren moesten er veel ongemak van hebben. Ook droogde de melk
bij eenigen er van schier geheel op, en velen hadden er van geleden. Ik
begon dus mij op te beuren met de gedachte, dat ik den afdruk van mijn
eigen voet gezien had, en dus voor mijn eigen schim bang was, en ging
weder uit om mijne geiten te melken. Maar zoo men mij gezien had, hoe
vreesachtig ik liep, hoe dikwijls ik omzag, hoe ik nu en dan zelfs op
het punt stond mijne mand neder te werpen en op den loop te gaan, zou
iedereen gedacht hebben, dat mijn geweten door het een of ander
verontrust was, of dat ik, gelijk inderdaad zoo was, kortelings
doodelijk verschrikt was. Toen ik echter twee of drie dagen uitgegaan
was, en niets had gezien, begon ik wat moediger te worden; en te
begrijpen, dat mijne verbeelding, mij dien schrik had veroorzaakt. Ik
kon echter mij zelven hiervan niet geheel overtuigen, dus besloot ik
naar het strand te gaan, om dien voetstap met den mijnen te vergelijken.
Toen ik echter op de plaats kwam, bleek het mij duidelijk, dat ik daar
niet geweest was bij het vastleggen van de boot. Ten tweede was de voet
veel grooter en breeder dan de mijne. Dit alles deed mijn angst weder
stijgen, zoodat ik klappertandde als of ik de koorts had, en naar huis
ging, in het vaste geloof, dat een of meer menschen aan den wal waren
geweest, kortom, dat het eiland bewoond was, en ik onverhoeds overvallen
kon worden. Welken weg ik thans moest inslaan om mij te beveiligen, wist
ik niet.
Welke dwaze denkbeelden boezemt de vrees ons in! Hij berooft ons van het
gebruik dier middelen, die ons verstand ons leert. Het eerste, wat ik
bedacht, was, al mijne heiningen omver te werpen, mijn tamme vee in het
bosch te jagen, opdat de vijand het niet zien zou, en niet verlangen
meer soortgelijken buit te maken; vervolgens mijne twee graanvelden om
te spitten, opdat het vinden van het graan hen niet zou overhalen het
eiland meermalen te bezoeken, en eindelijk mijne buitenplaats en tent te
slechten, opdat zij geenerlei blijk van bewoners zouden vinden, en
hierdoor lust verkrijgen, die te zoeken.
Dit alles bedacht ik in den nacht, nadat ik weder te huis gekomen was,
toen mijn angst nog allerlevendigst was. De vrees voor het gevaar
verwekt waarlijk tienduizend maal meer schrik, dan het gevaar zelf, als
wij dit zien, en de angst voor eenig kwaad drukt ons veel meer, dan het
onheil zelf. Het ergste was, dat ik thans niet geschraagd werd door die
vrome berusting in Gods wil, die ik gehoopt had altijd te zullen
behouden. Mij dacht ik was even als Saul, die niet alleen klaagde, dat
de Filistijnen hem bedrogen, maar ook dat God hem verlaten had; want ik
koos niet den waren weg tot gerustheid, door God in mijne bedruktheid
aan te roepen, en gelijk vroeger, mijne verdediging en bevrijding van
Hem te verwachten. Zoo ik dit gedaan had, zou ik dit nieuwe ongeval
moediger en meer getroost hebben gedragen.
Mijne onrust hield mij den geheelen nacht wakker, doch tegen den morgen
viel ik van vermoeijenis in een diepen slaap, en toen ik wakker werd
was ik veel kalmer dan den vorigen dag. En nu begon ik bedaard na te
denken, en na veel redekavelens met mij zelven, kwam ik tot het besluit,
dat dit eiland, hetwelk zoo uiterst aangenaam, vruchtbaar, en gelijk ik
gezien had, niet ver van het vaste land af was, niet zoo geheel verlaten
was, als ik mij wel verbeeld had; dat schoon het geene vaste bewoners
bezat, er echter somtijds booten van den vasten wal konden komen, hetzij
opzettelijk, hetzij door tegenwinden daarheen gedreven; dat ik er nu
vijftien jaren lang geweest was, zonder schijn of schaduw van eenig
menschelijk wezen te zien, en dat zoo er ten eeniger tijd, deze gekomen
waren, zij waarschijnlijk zoo spoedig zij konden weder vertrokken waren,
aangezien zij tot hiertoe nimmer zich hier hadden gevestigd; dat het
eenigste gevaar voor mij te wachten was uit het toevallig hier landen
van eenig volk van het vaste land. Als deze echter hierheen geslagen
werden, was dit tegen hunnen wil, en dus zouden zij dan wel zoo spoedig
zij konden weder vertrekken, en zelden een nacht overblijven, ten ware
om het getij en het daglicht te hebben; en dus behoefde ik alleen op
eene veilige schuilplaats bedacht te zijn, in geval eenige wilden mogten
landen.
Nu begon het mij te spijten, dat ik mijn kelder zoo wijd uitgegraven
had, dat hij met eene deur buiten de rots uitkwam. Na rijp nadenken
besloot ik mij eene tweede verschansing te maken, even zoo in een halven
cirkel, op eene afstand van den muur, juist waar ik, twaalf jaren
geleden, eene dubbele rij boomen had geplant. Deze boomen waren zoo digt
bijeen gezet, dat ik er slechts eenige palen tusschen behoefde te slaan
ter meerdere stevigheid, en dan was mijn muur spoedig voltooid. Ik had
dus een dubbelen muur, en de buitenste was opgevuld met stukken oud
hout, oud touw, en al wat ik ter versterking geschikt achtte. Ik maakte
er zeven gaten in, waar ik mijn arm door kon steken. Van binnen bragt ik
er tot tien voet aarde tegen aan, die ik uit mijn kelder haalde en vast
trapte. Door de zeven gaten stak ik de trompen der geweren, waarvan ik,
gelijk ik gezegd heb, zeven uit het schip had gehaald. Ik zette deze
vast op eene soort van stellaadje, zoodat ik ze alle zeven in een paar
minuten kon afschieten. Menige maand werkte ik hieraan hard, en achtte
mij niet veilig voor het af was.
Daarna beplantte ik den grond, op een grooten afstand, met zooveel
stekken van die soort van wilgenboom, als er slechts groeijen konden, ik
geloof wel twintigduizend. Ik liet eene vrij groote ruimte tusschen deze
en mijn muur, ten einde een gezigt van den vijand te hebben, en opdat
deze geene beschutting daarvan zou hebben. Twee jaren later was ik door
digt kreupelhout omgeven, en vier jaren later had ik voor mijn kasteel
zulk een digt bosch, dat het waarlijk ondoordringbaar was, en niemand
zich ooit zou verbeeld hebben, dat er iets, laat staan eene woning
achter was.
Ik had geen uitgang aan mijn kasteel gelaten, maar ging er met twee
ladders in en uit. Een zette ik tegen de rots, waarmede ik op eene plek
kwam waar ik de andere kon zetten, en als ik ze eens achter mij
weggehaald had, kon niemand mij zonder levensgevaar genaken, en alsdan
was hij nog slechts aan de buitenzijde van mijn buitensten muur.
Aldus nam ik alle maatregelen, die de voorzigtigheid mij tot mijne
beveiliging kon aan de hand doen, en men zal zien, dat zij niet geheel
onverstandig waren, schoon ik te dier tijd niets meer voorzag dan wat
mijne vrees mij voorspiegelde.
Middelerwijl verwaarloosde ik geenszins mijne overige bezigheden, want
ik was zeer bezorgd voor mijn kudde geiten; deze toch leverden mij niet
alleen thans spijs op, zonder dat ik mijn kruid of lood behoefde te
verspillen, maar zij onthieven mij ook van de vermoeijenis der jagt op
de wilden, en ik wilde ongaarne dit groote voordeel verliezen, en van
nieuws af weder eenige tam maken.
Om dit te verhoeden zag ik, na rijpe overweging, slechts twee middelen,
het eerste was, eene andere onderaardsche grot te delven, en ze daar
alle avonden in te drijven; en het andere bestond in het afperken van
twee of drie verschillende stukjes land, ver van elkander, en zoo
verborgen als ik vinden kon, in elke waarvan ik een half dozijn jonge
geiten kon houden, zoodat, als de groote kudde eenig ongeluk overkwam,
ik die gemakkelijk weder kon aanvullen. Dit laatste middel, hoe
moeijelijk ook, achtte ik het verstandigst, en begon er dadelijk aan.
Eerst zocht ik uit de verborgenste plaatsen van het eiland, een dat mij
het geschiktste voorkwam. Het was eene kleine, vochtige plek gronds,
midden tusschen digt geboomte, waar ik, bij mijn eersten togt door het
eiland, zelf verdwaalde. Daar ontdekte ik drie morgen ongeveer, die zoo
door geboomte omringd waren, dat dit haast eene natuurlijke heining
vormde; althans kostte het maken van eene mij daar veel minder arbeid
dan bij de anderen het geval was geweest.
Binnen eene maand had ik die geheel omheind, zoodat mijne kudde, die
thans makker was dan men wel denken zou, daar thans veilig genoeg was.
Ik bragt er dadelijk tien geiten en twee bokken heen, en bleef
vervolgens de heining versterken, tot zij zoo sterk was als de vorige;
doch dit deed ik meer op mijn gemak.
Al deze arbeid was alleen ontstaan uit de vrees, die de afdruk van een
menschenvoet bij mij verwekt had; want tot hiertoe had ik nog geen
menschelijk wezen het eiland zien naderen; en thans had deze
ongerustheid mij twee jaren lang het leven verbitterd, gelijk iedereen
gelooven zal, die weet wat het is, in voortdurenden angst te leven. Ik
moet ook bekennen, dat deze angst veel invloed op mijne godsdienstige
stemming had; want de vrees, dat ik in handen der wilden en
menscheneters mogt vallen, drukte mijn geest zoo ter neder, dat ik
zelden in eene behoorlijke stemming was om mij tot mijnen Schepper te
wenden, althans niet met die kalmte en onderworpenheid, waarmede ik
gewoon was te bidden. Ik bad tot God in den angst van elken nacht
overvallen en geslagt te worden, en uit ondervinding kan ik betuigen,
dat eene rustige, dankbare, blijmoedige stemming veel geschikter ons tot
het gebed maakt dan angst en vrees voor onheil; zulk een mensch is even
ongeschikt om God te bidden, als hij, die op een ziekbed uitgestrekt
ligt; ziekten van den geest toch maken onbekwamer tot het gebed, dan die
van het ligchaam, daar het bidden eene verrigting van den geest en niet
van het ligchaam is.
Doch om met mijn verhaal voort te gaan. Na aldus een deel mijner kudde
in veiligheid gebragt te hebben, ging ik het geheele eiland door om nog
een verborgen plek te zoeken, voor eene tweede bewaarplaats. Ik kwam
hierbij verder aan de westzijde van het eiland dan ik ooit geweest
was, en zeewaarts ziende, meende ik op verren afstand eene groote boot
te zien. Ik had in een der geredde matrozenkisten een paar kijkers
gevonden, maar geen daarvan bij mij, en het voorwerp was zoo ver af, dat
ik niet wist wat ik er van maken zou, schoon ik er mij half blind op
tuurde.
Toen ik den heuvel opging verloor ik het voorwerp uit het gezigt, en gaf
het dus op, maar besloot nimmer weder uit te gaan zonder een kijker bij
mij. Toen ik den heuvel af, en op de westzijde van het eiland was
gekomen, waar ik nog nimmer geweest was, zag ik duidelijk, dat het spoor
van een menschenvoet hier niet zoo buitengewoon was als ik mij verbeeld
had, maar dat het eene bijzondere bestiering der Voorzienigheid was
geweest, dat ik op een deel des eilands was geworpen waar de wilden
nimmer kwamen. Zoo ik hier vroeger gekomen was, had ik ingezien, dat de
kanoes, die wat ver in zee geraakt waren, dit eiland dikwijls aandeden,
om daar te overnachten. Ook na in hunne kanoes gevochten en gevangenen
gemaakt te hebben, bragten zij die volgens hunne gewoonte hierheen, om
ze te slagten en op te eten, daar het allen hier omstreeks kannibalen
waren. Ik zal in het vervolg hierover meer spreken.
Toen ik, gelijk ik zeide, aan het westeinde van het eiland kwam, stond
ik van schrik en afschuw als verplet, daar ik het strand met
hersenpannen, handen, voeten en andere gebeenten van menschen bedekt
zag. Ik ontdekte eene plek waar een vuur gebrand had, en een kuil in den
grond rondom liep, waar ongetwijfeld de ellendelingen bij hun
afschuwelijk feest gegeten hadden.
Dit schouwspel trof mij zoo geweldig, dat ik eene poos om mijn eigen
gevaar niet dacht. Mijn geest was geheel vervuld met de gedachte aan
zulke helsche barbaarschheid, en den afschuw voor zulk eene ontaarding
van alle menschelijk gevoel, waarvan ik vroeger wel gehoord, maar dat ik
nimmer zoo van nabij had gezien. Met walging wendde ik mijn gelaat af
van dit afschuwelijk tooneel, en eerst na eene hevige braking kwam ik
een weinig tot mij zelven, maar kon hier niet langer blijven; dus klom
ik zoo spoedig ik kon den heuvel weder op en ging naar huis terug.
Toen ik een weinig van dat gedeelte des eilands af was, stond ik eene
poos als verplet, en daarna dankte ik God, met de uiterste aandoening en
onder een vloed van tranen, dat Hij mij in een werelddeel had doen
geboren worden, waardoor ik van zulke afschuwelijke wezens onderscheiden
was, en dat, ofschoon ik mijn tegenwoordigen toestand zeer ongelukkig
had geacht, ik meer reden tot dankbaarheid dan tot klagen had, en
bovenal, dat ik vertroost was door de kennisse Gods en de hoop op zijne
genade, een geluk, dat verre weg opwoog tegen al de ellende, die ik
ondergaan had of nog kon ondergaan. In deze dankbare stemming ging ik
naar mijn kasteel terug, veel geruster omtrent mijne veiligheid dan ik
sedert lang geweest was, want ik zag in, dat deze schepsels nimmer op
het eiland kwamen om te zoeken wat daar te halen was; misschien dewijl
zij er niets zochten of gevonden hadden wat hun aanstond. Ik was hier
thans bijkans achttien jaar geweest, zonder het minste spoor van
menschelijke schreden te zien, en welligt kon ik er nog achttien jaren
even verborgen leven, als ik mij niet aan hen ontdekte, waartoe ik geene
de minste roeping gevoelde, daar het mijne zaak was mij zoo verborgen
als mogelijk te houden, ten ware ik betere lieden dan menscheneters
vond. Nogtans was mijn afschuw voor die woestaards en hunne zeden zoo
groot, dat ik langen tijd neêrslagtig bleef, en schier twee jaren lang
mij niet buiten mijn kring bewoog. Ik bedoel buiten mijn kasteel, mijn
buitenplaats en mijne omheinde weiden; welke laatste ik alleen om mijne
geiten bezocht; want ik had voor de wilden een afschuw als voor den
duivel zelf. Al dien tijd zag ik zelfs niet naar mijne boot om; want ik
kon er niet aan denken de andere boot het eiland om te brengen, uit
vrees, dat ik op zee eenige dier wezens ontmoeten mogt; want ik wist wat
mijn lot zou zijn, als ik in hunne handen mogt vallen.
Met ter tijd echter en door het bewustzijn, dat ik geen gevaar liep van
door dit volk ontdekt te worden, begon mijne ongerustheid te slijten, en
mijn leven zoo kalm als vroeger te worden; met dit onderscheid, dat ik
behoedzamer was, en meer rondzag of een hunner mij ook ontdekken kon.
Het was dus zeer gelukkig, dat ik eene tamme kudde geiten had, en niet
meer op de wilde behoefde te jagen, en in het vervolg ving ik eenigen
nog wel, maar alleen door strikken of vallen. Ik geloof, dat ik in geen
twee jaren mijn geweer afschoot, schoon ik nimmer zonder hetzelve
uitging, en bovendien altijd in mijn gordel twee of drie pistolen droeg,
die ik uit het schip gered had, ook sleep ik een van de groote messen,
die ik uit het schip gehaald had, en stak dit ook in mijn gordel, maar
zonder scheede.
Aldus bleef alles gedurende eenigen tijd, en behalve deze voorzorgen
leefde ik op den ouden rustigen voet. Al deze gebeurtenissen toonden mij
meer en meer, dat mijn toestand, verre af was van rampzalig te zijn,
als ik dien bij dien van anderen vergeleek, waarin God ook mij had
kunnen plaatsen. Dit deed mij denken hoe weinig de menschen zich zouden
beklagen over hun lot, als zij dit vergeleken, bij dat wat rampzaliger,
en niet bij hetgeen gelukkiger was. In mijn tegenwoordigen toestand had
ik aan weinig gebrek, zoodat ik werkelijk dacht, dat de schrik voor de
wilden mijne verbeeldingskracht tot het uitdenken van gerijfelijkheden
verstompt had. Ik had zelfs geheel een voornemen laten varen, dat ik
eens gekoesterd had, namelijk van te beproeven, of ik niet van mijn
graan wat mout kon maken, en hiermede bier brouwen. Dit was inderdaad
een uitsporig denkbeeld, en dikwijls bespotte ik mij zelven er over;
want ik zag thans in, dat ik om bier te brouwen, verscheidene dingen
noodig had, die ik onmogelijk vervaardigen kon; als vooreerst vaten om
het in te bewaren; die ik in spijt van al mijne pogingen nimmer kon
maken, gelijk ik reeds gezegd heb, schoon ik het weken, zelfs maanden
lang, doch vruchteloos, beproefde. Vervolgens had ik geen hop om het
duurzaam te maken, noch gest, noch ketels om het in te koken, en toch,
zoo al die schrik van de wilden niet tusschenbeide gekomen was, zou ik
het beproefd en er misschien in geslaagd hebben, want ik gaf niet ligt
iets op wat ik mij eenmaal in het hoofd had gezet.
Doch thans liepen mijne denkbeelden in eene andere rigting. Nacht en dag
dacht ik alleen hoe ik eenige dier monsters zou vernielen in hun
bloeddorstig vermaak, en zoo mogelijk hunne medegebragte slagtoffers
redden. Ik zou een grooter werk dan dit boek vullen, als ik al de
ontwerpen waarover ik broedde, wilde vermelden, ter vernieling dier
schepselen, althans om hun zulk een schrik aan te jagen, dat zij hier
nimmer weder kwamen, maar alles vergeefs. Ik kon niets bedenken, of ik
moest het zelf verrigten, en wat kon een man tegen misschien twintig of
dertig wilden uitrigten, met boog en pijl gewapend, waarmede zij hun wit
zoo zeker raken als ik met mijn geweer doen kon.
Somtijds wilde ik een hol graven onder de plaats waar zij hun vuur
aanlegden, en dat met vijf of zes pond buskruid vullen, hetwelk, als zij
hun vuur ontstoken hadden, hen allen in de lucht zou doen vliegen. Maar
in de eerste plaats wilde ik ongaarne zooveel kruid verspillen, waarvan
ik thans nog slechts een vat had. Ook was ik niet zeker, dat het op zijn
tijd ontvlammen zou, en misschien zou het hen slechts wat aarde om de
ooren doen vliegen, maar niet genoeg verschrikken om hen de plaats te
doen verlaten. Op een anderen tijd wilde ik met mijne drie geweren,
allen dubbel geladen, in hinderlaag gaan liggen, en als zij midden in
hun bloeddorstig werk waren, op hen vuur geven; ik was zeker, twee of
drie hunner met elk schot te dooden of te kwetsen, en ik twijfelde niet
of met behulp van mijne sabel, zou ik ze allen ombrengen, al waren er
twintig. Eenige weken lang speelde dit mij zoo door het hoofd, dat ik er
des nachts soms van droomde.
Ik dreef dit zoo ver, dat ik verscheidene dagen besteedde met het zoeken
naar geschikte plaatsen, om mij in hinderlaag te liggen, ten einde hen
gade te slaan, en ik ging dikwijls naar de plaats zelf, die mij thans
gemeenzaam was geworden, en vooral terwijl mijn geest met wraakgierige
denkbeelden, en het voornemen om er twintig of dertig over de kling te
jagen, was opgevuld; de afschuw, dien ik voor de plek had, en de
blijken, dat de barbaren elkander verslonden hadden, voedden mijne
woede.
Ik vond dan ook eindelijk eene plek in de zijde van den heuvel, waar ik
begreep veilig te kunnen wachten, tot ik eenige hunner booten zag
aankomen, als wanneer ik, zelfs voor dat zij gereed waren aan wal te
gaan, mij in een hollen boom verbergen kon, waarin ik geheel verholen
was, en al hunne bloeddorstige handelingen zou kunnen gadeslaan, en
bedaard op hen aanleggen, als zij zoo digt bijeen zouden zijn, dat het
bijkans onmogelijk was hen te missen en niet drie of vier hunner bij het
eerste schot te treffen. Deze plaats eenmaal gekozen, maakte ik twee
geweren en mijn gewoon jagtgeweer gereed. De eersten laadde ik ieder met
schroot en vier of vijf pistoolkogels; het laatste met eene handvol
groven ganzenhagel. Ik deed ook vier kogels op ieder mijner pistolen, en
aldus, voorzien van kruid en lood voor eene tweede en derde lading,
maakte ik mij tot mijne expeditie gereed.
Na aldus mijn plan tot den veldtogt gemaakt te hebben, klom ik elken
morgen op den top des heuvels, die ongeveer een uur van mijn kasteel af
lag, om te zien of ik op zee eenige booten kon bespeuren, die op het
eiland aanhielden of het naderden. Na twee of drie maanden aldus de
wacht gehouden te hebben, begon mij dit te vervelen echter, daar ik in
al dien tijd niet het minste nabij het strand, noch op den geheelen
oceaan, zoo ver mijn kijker reikte, kon ontdekken.
Zoo lang ik dagelijks naar den heuvel ging, zoo lang bleef ik even vurig
in mijn ontwerp; en mijn moed scheen al dien tijd onverzwakt, ter
uitvoering van het uitsporig denkbeeld van twintig of dertig naakte
wilden dood te schieten, voor eene misdaad, die ik volstrekt niet
overdacht had, daar ik alleen geleid werd door mijn afschuw voor dit
onnatuurlijk gebruik van de wilden, welke de Voorzienigheid, naar het
schijnt, goedgevonden heeft, alleen door hunne lage en beestachtige
driften te laten regeren, en die daardoor misschien sedert eeuwen aan
zulke afschuwelijke zeden en gewoonten waren overgegeven, waaraan alleen
zij, die van den Hemel verlaten, en beneden de menschelijke natuur
verlaagd zijn, zich kunnen overgeven. Doch nu begonnen, gelijk ik zeide,
mijne langdurige vruchtelooze togten mij te vermoeijen, en mijne wijze
van zien nopens hunne handelwijze begon ook te veranderen, en ik begon
koeler en bezadigder te overwegen wat ik wilde ondernemen; welk regt of
gezag ik had om mij tot regter en beul te maken, en deze lieden als
misdadigers te behandelen, wien de Hemel goedgevonden had, gedurende zoo
vele eeuwen straffeloos hunnen gang te laten gaan, en als het ware tot
de uitvoerders zijner straffen jegens hen onder elkander te maken;
alsmede welk regt ik had mij in dien bloedigen strijd te mengen, dien
zij onderling voerden. Ik redekavelde dikwerf aldus met mij zelven: "Hoe
weet ik wat Gods oordeel daaromtrent is? Het is zeker, dat dit volk dit
niet als eene misdaad beschouwt; hun geweten bestraft er hen niet over.
Zij weten niet, dat het eene misdaad is, en bedrijven die niet in spijt
der Goddelijke geregtigheid, gelijk wij onze zonden plegen. Zij achten
het evenmin eene misdaad, een krijgsgevangene te slagten, als wij eenen
os te dooden, en hebben even weinig tegen menschenvleesch als wij tegen
schapenvleesch."
Eenige overdenkingen dienaangaande deden mij besluiten, dat ik ongelijk
had, dat dit volk geen moordenaars waren in dien zin als ik ze beschouwd
had; dat zij daaromtrent gelijk stonden met verscheidene
Christenveldheeren, die krijgsgevangenen, of geheele troepen, schoon zij
geen weerstand boden, kwartier weigerden en ze over de kling joegen.
Vervolgens bedacht ik, dat ofschoon hun gebruik beestachtig en
barbaarsch was, het mij echter niet aanging; dat zij mij geenszins kwaad
gedaan hadden; dat het welligt verschoonbaar was als zij mij aanvielen,
of als ik het tot mijn behoud noodig achtte hen te overvallen; maar dat
ik voor als nog buiten hunne magt was, en zij metterdaad van mij geene
kennis droegen, en diensvolgens geen kwaad oogmerk tegen mij hadden.
Derhalve kon het van mij niet regtvaardig zijn hen te overvallen; dit
zou de onmenschelijkheden der Spanjaarden in Amerika, die daar duizenden
vermoord hebben, regtvaardigen; en hoewel dit afgodendienaars en
barbaren waren, die vele bloedige en onmenschelijke gebruiken hadden,
zoo als het offeren van menschen aan hunne afgoden, toch waren zij
jegens de Spanjaarden onschuldig; en van hunne uitroeijing is altijd
gesproken met de uiterste afkeuring en verfoeijing, door de Spanjaarden
zelven, en door alle Christen natiën in Europa is zij beschouwd als eene
bloeddorstige menschenslagting, voor God noch menschen te regtvaardigen,
en waardoor de naam van een Spanjaard zelfs bij alle Christenvolkeren in
verschrikking is gekomen; alsof Spanje in het bijzonder een menschenras
voortbragt, geheel en al zonder eenige gevoelens van menschlievendheid
of medelijden, die men als aan welgeschapen harten eigen beschouwt.