leven leidende, gelijk men denken kan, en daar ik thans met mijn
toestand verzoend was en mij geheel aan den wil der Voorzienigheid
onderworpen had, begreep ik dat ik in alle opzigten zeer gelukkig
leefde, behalve in het gemis aan gezelschap. Ik maakte mij in dien tijd
bekwamer in al die werktuigkundige verrigtingen, waartoe de nood mij
dwong, en ik geloof dat ik thans een zeer goed timmerman mogt heeten;
vooral als men in het oog houdt hoe weinig gereedschappen ik had.
Bovendien bragt ik eene onverwachte verbetering in mijn aardenwerk te
weeg; hetgeen ik thans met een rad vervaardigde, dat ik oneindig beter
en gemakkelijker vond, daar ik thans de voorwerpen rond en van een
goeden vorm maken kon, terwijl het vroeger leelijke, onbehouwen dingen
waren. Maar ik geloof niet dat ik ooit hoovaardiger was op iets wat ik
vervaardigd heb, of mij meer over eenige uitvinding verheugd, dan toen
ik in staat was eene tabakspijp te maken, en schoon het een leelijk
wanschapen ding, en even als mijne andere potten roodgebakken was, was
ik er toch zeer mede verheugd, want zij was hard en vast en ik kon er
uit rooken. Ik was dit altoos gewoon geweest, en er waren ook pijpen aan
boord van het schip geweest, maar ik had die eerst laten liggen, omdat
ik niet wist dat er tabak op het eiland was, en toen ik naderhand het
schip weder doorzocht, kon ik ze niet terugvinden.
Ook vermeerderde ik mijn voorraad van mandewerk, en maakte eene menigte
manden, zoo goed ik ze bedenken kon. Schoon niet zeer fraai, waren zij
toch zeer handig en gemakkelijk, om er goederen in te bewaren, of die
naar huis te dragen. Als ik bij voorbeeld, eene geit geschoten had, kon
ik die aan eenen boom hangen, afhalen, aan stukken snijden, en dan in
eene mand naar huis dragen, en even zoo als ik eene schildpad aantrof,
kon ik die opensnijden, de eijeren er uithalen, met een paar stukken
vleesch, waaraan ik genoeg had, en dragen dit alles in eene mand naar
huis. Ook bewaarde ik mijn koorn in groote diepe manden; ik wreef dit
altijd uit de airen zoodra het droog was, en bergde het dan in de
manden.
Ik begon thans te bemerken dat mijn buskruid zeer verminderde, en dat ik
dit gebrek nimmer zou kunnen aanvullen. Ik begon er ernstig over na te
denken, wat te doen als ik geen kruid meer zou hebben, namelijk hoe ik
dan van tijd tot tijd eene geit zou dooden. Ik had, gelijk ik verhaald
heb, in het derde jaar van mijn verblijf een jong geitje gevangen en tam
gemaakt. Ik had altijd gehoopt er een bok bij te zullen bekomen; maar
dit mogt mij nimmer gelukken. Eindelijk werd mijne geit oud, en ik kon
het nimmer van mij verkrijgen haar te slagten, totdat zij ten laatste
van ouderdom stierf.
Nu ik echter in het elfde jaar van mijn verblijf was, en mijn kruid
gelijk ik zeide, sterk verminderde, begon ik mij te bedenken op een
strik of val, om te zien of ik niet eenige geiten levende zou kunnen
vangen, vooral eene geit met jongen wenschte ik. Ik maakte te dien einde
strikken, en ik geloof dat zij er meermalen in verward raakten, maar
daar zij niet zeer sterk waren, omdat het mij aan koord ontbrak, vond ik
ze altijd aan stukken en het aas opgegeten. Eindelijk besloot ik het met
vallen te beproeven; ik delfde dus verscheidene kuilen, op plaatsen waar
ik opgemerkt had dat de geiten gewoonlijk kwamen weiden, en op deze
kuilen plaatste ik horden, van mijn eigen maaksel ook, met eene groote
zwaarte er op, en verscheidene malen plaatste ik hoopjes graan en
drooge rijst er op, zonder den val te zetten, en ik kon gemakkelijk zien
aan het spoor harer pooten dat de geiten er in geweest waren en het
graan opgegeten hadden. Eindelijk zette ik drie vallen op eenen nacht,
en toen ik er den volgenden morgen bij kwam, vond ik ze allen staan, en
toch was het aas opgegeten en weg. Dit was ontmoedigend, doch ik
veranderde mijne vallen, en om kort te gaan, toen ik er op een morgen
naar ging zien, vond ik in een kuil een ouden bok, en in een anderen
twee geiten en een bokje.
Wat ik met den ouden bok zou aanvangen, wist ik niet; hij was zoo woest
dat ik niet bij hem in den kuil dorst gaan; dat wil zeggen om er hem
levend uit te halen, hetgeen eigenlijk mijne bedoeling was. Ik had hem
kunnen doodschieten, maar dat zou mij niet gebaat hebben; dus liet ik
hem er uit en hij liep weg als of hij dol was; maar ik wist toen niet,
hetgeen ik naderhand leerde dat honger zelfs een leeuw kan temmen. Als
ik hem daar drie of vier dagen zonder voedsel had gelaten, en hem dan
eenig water om te drinken en eenig graan had gebragt, zou hij zoo tam
als een geitje geweest zijn, want dit waren zeer scherpzinnige en makke
dieren, als men ze goed behandelde.
Ik liet hem dus voor het tegenwoordige gaan, daar ik toen niets beters
wist te doen; daarop ging ik naar de drie geiten, en bond die een voor
een met strikken vast en bragt ze niet zonder moeite naar huis. Het
duurde lang voor zij wilden eten, maar door haar eenig rijp graan voor
te werpen haalde ik ze er toe over en zij begonnen tam te worden. En nu
begreep ik dat als ik mij zelven met geitenvleesch wilde voeden, wanneer
mijn kruid en lood op zou zijn, het eenigste middel hiertoe was eenige
tamme aan te fokken, wanneer ik ze misschien, als eene schaapskudde
rondom mijne woning zou kunnen laten weiden.
Ik begreep echter daarbij dat ik de tammen van de wilden moest
afgescheiden houden, want anders zouden zij onder het opgroeijen altijd
wild worden. De eenigste weg hiertoe was het afperken van een stuk lands
met een heining of met paalwerk, ten einde zij zoodanig afgesloten
waren, dat die er binnen waren er niet uit, en die er buiten waren er
niet in konden komen. Dit was eene groote onderneming voor iemand met
slechts twee handen. Daar ik er echter de volstrekte noodzakelijkheid
van inzag, was mijn eerste werk eene geschikte plek grond te vinden,
namelijk waar waarschijnlijk gras voor haar om te eten, water om te
drinken, en beschutting voor de zonnehitte zou zijn.
Degenen, die van dergelijke inrigtingen verstand hebben, zullen zeggen
dat ik zeer weinig inzigt van de zaak had, toen ik als eene allezins
geschikte plek eene opene vlakke weide uitkoos, met twee of drie beekjes
van loopend water, en dat aan het eene einde met boomen bezet was. Zij
zullen over mijn voornemen lagchen als ik zeg, dat ik dit stuk grond,
zoodanig begon te omheinen, dat mijn heining of paalwerk ongeveer twee
(Eng.) mijlen groot zou worden. De dwaasheid bestond niet in den omtrek,
want al was die tien mijlen geweest, zou ik waarschijnlijk tijd genoeg
gehad hebben om het in te doen, maar ik bedacht niet, dat mijne geiten
in zulk eene groote ruimte even wild zouden zijn, als of zij het geheele
eiland voor zich hadden; en ik zou zooveel ruimte hebben om haar in te
jagen dat ik ze er waarschijnlijk nooit zou kunnen vangen.
Toen ik met mijne heining ongeveer vijftig ellen gevorderd was, kwam dat
denkbeeld het eerst bij mij op en deed mij dadelijk mijn werk staken. Ik
besloot daarop vooreerst een stuk af te perken van honderd en vijftig el
lang, en honderd el breed, hetwelk voor 's hands genoeg was ter voeding
van degeen, die ik vooreerst zou hebben, en als mijne kudde
vermeerderde, kon ik altijd meer grond afperken. Dit was verstandiger
overlegd en ik ging met ijver aan het werk. Ik had ongeveer drie maanden
werk er aan, en in dien tijd bond ik de drie geiten op de beste plek er
in vast en gewende ze zoo digt bij mij te grazen als mogelijk, om ze mak
te maken. Ik ging er dikwijls heen met eene hand vol graan of rijst en
liet ze uit mijne hand eten, zoodat toen mijne heining af was, en ik ze
los liet, zij mij blatende achterna liepen, om een handvol koorn.
Dit was juist wat ik verlangde, en in anderhalf jaar had ik eene kudde
van twaalf geiten, de jongen medegerekend, en twee jaren daarna had ik
er drieënveertig, behalve verscheidene, die ik geslagt en opgegeten had,
en na dien tijd perkte ik vijf verschillende stukken gronds af, met
smalle doorgangen om haar in te drijven en te vangen als ik ze noodig
had, of van het eene perk in het andere wilde drijven. Doch dit was niet
alles, want niet alleen dat ik nu als ik het verlangde geitenvleesch
had, maar ik had ook melk, iets waaraan ik in den beginne zelfs niet
gedacht had, en dat later mij eene aangename verrassing was, want ik had
soms tien of twaalf pinten melk per dag; en daar de natuur als zij ons
iets schenkt, ons gewoonlijk het ook leert gebruiken, zoo bragt ik het
eindelijk zoo ver, hoewel ik nimmer eene koe of geit gemolken had, noch
boter of kaas ooit had zien maken, dat ik, schoon na vele mislukte
proeven, eindelijk boter en kaas maakte, en er naderhand nimmer gebrek
aan had. Hoe genadig kan toch onze Schepper zijne schepselen behandelen,
zelfs in omstandigheden, in welke zij door de onoverkomelijkste rampen
getroffen schijnen! Hoe kan Hij onzen bittersten toestand verzachten, en
ons reden geven Hem zelfs in den diepsten kerker te loven! Welk eene
tafel was thans voor mij gespreid in eene wildernis, waarin ik in den
beginne niets dan den hongerdood voor oogen zag!
De ernstigste mensch zou gelagchen hebben, als hij mij met mijn
huisgezin aan tafel had zien zitten. In de eerste plaats was er zijne
majesteit, de onbeperkte gebieder van het geheele eiland, de heer over
leven en dood van alle schepselen daarop. Ik kon al mijne onderdanen
gevangen zetten, ter dood brengen of genade schenken, naar ik zulks goed
vond, en ik had voor geene rebellie onder hen te vreezen. Ik at, als een
koning, geheel alleen, omringd door al mijne dienaren! Mijn papegaai,
als mijn gunsteling, had alleen het regt tot mij het woord te voeren;
mijn hond, die nu oud en afgeleefd was, en zijn geslacht niet had kunnen
voortplanten, zat altijd aan mijne regterhand, en twee katten, een aan
weerszijden van de tafel, verwachtten nu en dan een stuk uit mijne hand,
als een blijk van hooge gunst. Het waren echter niet de twee katten, die
ik van boord had medegebragt, deze waren beide gestorven, en door mij
digt bij mijne woning begraven; het waren afstammelingen van eene van
haar, met eene soort van wilde kat, naar ik denk. Dit waren de eenigste,
die ik tam gehouden had, de overigen zworven wild in de bosschen, en
waren mij geweldig lastig, want zij kwamen dikwijls in mijn huis alles
wegstelen; eindelijk schoot ik er eene menigte dood, waarna de overigen
mij van haar bezoek verschoonden. Aldus leefde ik in overvloed zonder
dat ik zeggen kon iets te missen dan gezelschap, en dat ontving ik
eenigen tijd later meer dan mij lief was.
Ik verlangde dikwijls, gelijk ik vroeger zeide, mijne boot weder tot
mijn gebruik te hebben, maar ik had weinig lust, de vorige gevaren te
wagen; en dus zat ik somwijlen op middelen te denken om haar aan deze
zijde van het eiland te brengen, en op een anderen tijd was ik weder
zonder haar tevreden. Ik verlangde echter zeer dat gedeelte van het
eiland te zien, waar ik bij mijn laatste reis op den heuvel klom, om te
zien hoe het strand en de strooming liep. Alle dagen werd dit verlangen
sterker, en eindelijk besloot ik te land daarheen te trekken, en ik deed
dit langs het strand. Maar zoo iemand in Engeland een mensch ontmoet
had, zoo uitgerust als ik, zou hij doodelijk verschrikt, of in lagchen
uitgebarsten zijn. Ik lachte dikwijls als ik mij zelf bezag, en dacht
hoe men zou opzien als ik zoo eens door Yorkshire trok. Luister slechts
hoe ik er uitzag.
Ik had eene groote, hooge, onbehouwen muts op, van geitenvellen, met een
klep van achteren, zoowel voor het branden van de zon, als omdat de
regen niet in mijn hals zou loopen, want in dit klimaat is niets
nadeeliger dan dat de regen onder iemands kleederen en op de huid komt.
Ik droeg eene korte buis van geitenvellen die mij tot halverwege de
knieën kwam, en een broek, die tot over de knieën hing, van de huid van
een ouden bok gemaakt, wiens haar zoolang was dat het mij tot aan den
voet reikte. Ik had geen kousen of schoenen, maar een paar laarzen
gemaakt, die ik om mijne beenen sloeg en vastreeg, maar van een
allerleelijkst maaksel, gelijk eigenlijk mijne geheele kleeding was.
Ik had een breeden gordel van gedroogd geitenvel, dien ik met een paar
riempjes zamenbond, en aan weêrszijden daarvan, in plaats van een
ponjaard of dolk, aan den eenen kant eene zaag, aan den anderen eene
bijl hangen. Nog een andere band, maar zoo breed niet, hing over mijn
schouder, en onder aan denzelven, onder mijn linkerarm, hingen een paar
zakjes, ook van geitenvel gemaakt; in het eene was kruid, in het andere
hagel. Op mijn rug droeg ik eene mand, op mijn schouder een geweer, en
boven mijn hoofd, een groot, leelijk, vuil, geitenvellen zonnescherm,
dat ik na mijn geweer het allerminst missen kon. Mijn gelaat was echter
niet zoo bruin als men wel had kunnen verwachten van iemand, die zich
nooit daarvoor in acht genomen en tien of twaalf jaren tusschen de
keerkringen geleefd had. Mijn baard had ik eens meer dan een voet lang
laten groeijen; maar daar ik genoeg scharen en scheermessen had, hield
ik dien gewoonlijk kort, met uitzondering van een paar knevels, zoo als
ik eenige Turken te Salé heb zien dragen, (want de Mooren deden dit
nooit). Deze knevels waren wel niet lang genoeg om mijne muts aan te
hangen, maar zouden toch in Engeland monsterachtig genoemd zijn
geworden.
Doch dit is in het voorbijgaan, ik werd door niemand gezien, en sloeg er
dus ook weinig acht op hoe ik er uitzag. Ik zal dus hierover in het
vervolg zwijgen. Aldus uitgerust ging ik op reis, en bleef vijf of zes
dagen uit. Ik trok eerst het strand langs, regt naar de plaats waar ik
met mijne boot geankerd had, om op de klippen te klimmen, en daar ik nu
voor geene boot behoefde te zorgen, ging ik over land een nader weg,
naar dezelfde hoogte waarop ik vroeger geweest was, toen ik naar het rif
uitzag, dat ik omzeilen moest. Daar zag ik tot mijne verbazing, dat de
zee geheel effen en kalm was, er was noch rimpeling, noch beweging noch
strooming, niets meer dan op andere plaatsen. Ik begreep dit niet, en
besloot eenigen tijd te besteden om hiervan de oorzaak te ontdekken, en
weldra zag ik die, namelijk dat de eb, die uit het westen opkwam, en
zich met de uitstrooming van eene groote rivier op de kust vereenigde,
de oorzaak dezer strooming was, en dat naar gelang de wind meer
westelijk of noordelijk was, zij digter of verder van de kust af was.
Duidelijk zag ik ook de strooming weder toen de eb doorkwam, behalve,
dat zij bijkans een vierde mijl van het strand liep, terwijl zij vroeger
langs de kust loopende, mij medegesleept had, hetgeen op een ander tijd
niet zou gebeurd zijn.
Dit overtuigde mij, dat als ik slechts op eb en vloed acht gaf, ik mijne
boot zeer gemakkelijk weder aan het ander einde van het eiland kon
brengen; maar als ik om de uitvoering dacht, werd ik weder zoo beangst
bij de herdenking van het gevaar, waarin ik geweest was, dat ik het niet
ondernemen durfde. Ik besloot dus eene veiliger maar moeijelijker partij
te kiezen, namelijk van eene andere kanoe of praauw te maken, ten einde
aan iedere zijde van het eiland een vaartuig te hebben.
Men moet in het oog houden, dat ik nu als het ware, twee plantaadjen op
het eiland had. De eerste was mijne tent of kasteel, met het paalwerk er
omheen, en de kelder er achter, onder de rots, welken laatsten ik in
verschillende kelders had afgeschoten. De eene, die de grootste en
droogste was, die een uitgang had buiten mijn muur, namelijk waar die
aan de rots stiet, stond vol met groote aarden potten en met veertien of
vijftien groote manden, waarin ik mijn koorn en rijst bewaarde.
De muur had ik, gelijk ik gezegd heb, met takken omzet, die allen tot
boomen opgroeiden, en thans zoo zwaar geworden waren, dat niemand daar
door heen mijne woning had kunnen ontdekken. Nabij deze woning, doch een
weinig meer landwaarts in en in lager grond, lagen mijne twee
graanakkers, die ik behoorlijk bebouwde, en die mij jaarlijks goeden
oogst opleverden. Als ik meer graan had willen hebben, had ik geschikte
stukken grond, daarnevens liggen.
Bovendien had ik mijne buitenplaats, en daar thans ook eene tamelijke
plantaadje. Vooreerst had ik mijn priëel, gelijk ik het noemde, dat uit
eene ronde heining bestond, die ik altijd op dezelfde hoogte hield, met
eene ladder in het midden. Ik hield de boomen, waaruit het bestond,
altijd zoo, dat zij zich wijd uitspreidden en eene alleraangenaamste
schaduw opleverden. Midden hierin stond mijne tent, een stuk zeildoek
over palen uitgespreid, en die nimmer eenig herstel noodig had, en
hieronder had ik eene legerstede van dierenhuiden gemaakt, met eene
deken en een jas, beide uit het schip gered. Als ik gelegenheid had mij
van mijne woning te verwijderen, dan ging ik mijne buitenplaats
betrekken.
Bovendien had ik verscheidene afperkingen voor mijne kudde geiten. Het
maken daarvan had mij ontzettende moeite gekost, zoodat ik altijd
vreesde, dat de geiten er eens mogten doorbreken, en ik had geen rust,
voordat ik eene zoo groote menigte kleine stekken er bijgezet had, dat
het veeleer palissaden dan eene heining geleek, en toen naderhand in het
regensaisoen deze stekken wortel schoten, maakte dit de omheining
sterker dan een muur had kunnen zijn.
Hieruit ziet men, dat ik niet ledig was, en geene moeite spaarde voor
hetgeen tot mijn onderhoud noodig was, want ik begreep, dat het
aanfokken van tamme dieren, voor mij een levend magazijn van vleesch,
melk, boter en kaas zou zijn, al moest ik hier ook nog veertig jaren
leven. Dit hing echter geheel af van de sterkte der omheining, die ik nu
ook zoo sterk had gemaakt, dat ik van de opgroeijende staken naderhand
eenigen moest rooijen.
Hier groeiden ook mijne druiven, die mij mijn voorraad van rozijnen voor
den winter leverden; en die ik allerzorgvuldigst bewaarde als mijne
aangenaamste spijs. Zij waren niet alleen lekker, maar allergezondst,
voedzaamst en verkwikkend. Daar deze plaats ook halfweg was tusschen
mijne woning en de plaats waar mijne boot lag, kwam ik hier dikwijls,
want ik bezocht mijne boot menigwerf, en hield die, met alles wat er bij
behoorde, in goede orde. Somtijds ging ik er mede varen, maar geen
gevaarlijke togten, geen twee steenworpen ging ik van de kust af, zoo
vreesde ik door onbekende stroomingen, den wind of andere toevallen,
weder weggeslagen te worden. Doch thans kom ik tot een ander tooneel van
mijn leven.
Op zekeren dag, tegen den middag, ging ik naar mijne boot, maar stond
niet weinig verbaasd, toen ik duidelijk op het zand den indruk van een
naakten menschenvoet zag. Ik stond als van den donder getroffen, of als
of ik een geest gezien had. Ik luisterde, ik zag in het rond, maar
hoorde noch zag niets. Ik ging op eene hoogte om verder te kunnen zien,
ik ging het strand op en neder, maar zag geen anderen indruk dan dien
enkelen. Weer ging ik er heen om te zien, of er ook meer waren, of dat
het bloot verbeelding van mij was; maar het was de volmaaktste indruk
van een voet, de teenen, de hiel en alles; hoe dit daar kwam kon ik
volstrekt niet begrijpen. Maar na ontelbare gissingen, ging ik geheel
verward en buiten mij zelven naar huis terug; zonder dat ik, gelijk men
zegt, den grond onder mijne voeten voelde, terwijl ik bij elke schrede
omzag, en iederen geknotten boomstam voor een mensch aanzag. Het is niet
te beschrijven, wat ik mij niet al verbeeldde, en welke uitsporige
denkbeelden niet al bij mij opkwamen.
Toen ik aan mijn kasteel kwam, gelijk ik het na dien tijd altijd noemde,
vloog ik naar binnen alsof ik vervolgd werd, ik weet zelfs niet of ik
met de ladder of door het gat in de rots, dat ik mijne deur noemde, er
in ging, maar nimmer vloog een verschrikte haas of gejaagde vos naar
zijn hol met meer schrik, dan ik naar mijne schuilplaats. Ik sliep den
geheelen nacht niet, en wat zonderling is, mijn angst was heviger
geworden, naarmate ik verder van de oorzaak van denzelven verwijderd
was. Hoe meer ik er over dacht, des te schrikkelijker beelden stelde
mijne verbeelding mij voor oogen. Somtijds dacht ik aan den duivel, want
hoe kon een mensch het gedaan hebben? Waar was het schip, dat hem daar
gebragt had? Welke sporen waren er nog meer van voetstappen? Hoe kon een
mensch daar komen? Maar aan den anderen kant was het niet te denken, dat
de satan de menschelijke gestalte zou aangenomen hebben, alleen om daar
een indruk van zijn voet achter te laten. Hij had mij op duizend andere
wijzen kunnen plagen, zonder zoo dom te zijn den voetstap te zetten op
de andere zijde van het eiland; waar het tienduizend tegen een was, dat
ik hem ooit zien zou, en dat nog wel in het zand, waar de eerste golf,
bij een hoogen vloed, en harden wind, dien moest uitwisschen. Dit alles
scheen onbestaanbaar en geheel strijdig met de slimheid, die men den
duivel toeschrijft.
Eene menigte redenen stelden mij aan dien kant gerust, en ik besloot
eindelijk, dat het een van de wilden van het vasteland aan de overzijde
moest geweest zijn, die op zee met hunne kanoe door strooming of
tegenwind, op het eiland gedreven, maar weder in zee gestoken waren, als
zijnde welligt even afkeerig van een verblijf daarop, als ik van een
bezoek van hen.
Toen mij dit inviel, achtte ik mij gelukkig, dat ik te dier tijd daar
niet geweest was, noch zij mijne boot gezien hadden, wanneer zij
begrepen konden hebben, dat het eiland bewoond was, en daarnaar
onderzocht hebben. Nu vreesde ik, dat zij mijne boot gevonden zouden
hebben, en in dat geval in groot aantal terugkomen, om mij op te eten;
en al vonden zij mij niet, zouden zij toch mijne heining en al mijn
graan vernielen, mijne kudde stelen, en ik zou ten laatste van honger
moeten omkomen.
Aldus verbande de vrees al dat vertrouwen op God, dat gegrond was op de
vele bewijzen zijner goedheid jegens mij; als of Hij, die mij tot
hiertoe zoo wonderdadig gespijsd had, niet door zijne magt, ook den mij
geschonken voorraad kon beschermen. Ik verweet mij thans mijne luiheid,
dat ik niet meer koorn had gezaaid, dan ik voor een jaar zou genoeg
hebben, als of het te veld staande niet door eenig toeval kon te loor
gaan; en deze bedenking achtte ik zoo gegrond, dat ik besloot in het
vervolg altijd voor twee of drie jaar koorn in voorraad te hebben, ten
einde wat er ook gebeuren mogt, niet aan broodgebrek te sterven.
Welk een raadselachtig wezen is de mensch, en door welke bedekte
springveren komen zijne hartstogten in werking? Wat wij heden beminnen,
zullen wij morgen haten; heden zoeken wij wat wij morgen zullen
ontvlugten. Dit bleek thans ten duidelijkste aan mij. Mijne eenigste
droefenis was, dat ik, als het ware, van alle menschelijke gezelschap
verbannen was, ik die alleen en van het geheele menschdom door den
grenzenloozen Oceaan gescheiden, tot een als het ware zwijgend leven
veroordeeld, die als onwaardig geacht was, om onder de levenden gerekend
te worden, ik, wien het zien van een mijner natuurgenooten, als een
overgang van den dood tot het leven, als de grootste gunst, die de hemel
mij schenken kon, buiten mijn eeuwig heil, zou beschouwd hebben; ik
sidderde thans op het denkbeeld van een mensch te zien, en dacht door
den grond te zinken voor het zwijgend bewijs, dat een mensch zijn voet
op het eiland had gezet.
Zoo wuft is ons gemoed, gelijk ik naderhand dikwerf dacht, toen ik van
mijne eerste verbazing tot mij zelven was gekomen. Ik bedacht toen, dat
dit de levenswijze was, mij door de oneindig goede Voorzienigheid
opgelegd, dat ik, die de oogmerken der Almagt niet doorzien kon, niet
tegen dezelve murmureren mogt; daar de Schepper allezins met Zijn
schepsel handelen kon gelijk Zijne Alwijsheid goeddacht, en evenzeer
mij, die Hem zoo dikwerf beleedigd had, naar zijn goedvinden kon
bestraffen, en dat het mijn pligt was Hem te bidden en mij rustig aan de
leiding der Voorzienigheid te onderwerpen.
Deze denkbeelden hielden mij vele uren, dagen, ja zelfs weken en maanden
bezig, en eene uitwerking van mijne gepeinzen te dier gelegenheid, mag
ik niet onvermeld laten; namelijk, op een morgen vroeg toen ik te bed
lag, vol gedachten over het gevaar, dat mij van het verschijnen van
wilden dreigde, was ik zeer bedrukt, waarop mij de woorden der Heilige
Schrift invielen: "Roep Mij aan in den dag der benaauwing, en Ik zal u
verlossen en gij zult Mij verheerlijken."
Hierop stapte ik welgemoed ten bedde uit; niet alleen was mijn hart
gesterkt, maar ik was geleid en bemoedigd om God ernstig om verlossing
te smeeken. Het is onmogelijk te zeggen, welk eene gerustheid dit mij
verschafte, en ik was niet meer neêrslagtig, althans te dier tijd niet.